Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat
Part 1
EEN KWART EEUW TUSSCHEN DE KEERKRINGEN
NAAR DEN EQUATOR
MET EEN VOORSPEL:
VAN PASTOOR SOLDAAT
DOOR M. T. H. PERELAER Gepd Hoofdofficier van het Nederl. Indische leger. Schrijver van „Borneo van Zuid naar Noord”
ROTTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER” 1884
VOORWOORD.
Na de verschillende aanvallen, die mijn „Borneo van Zuid naar Noord” te verduren heeft gehad, en waarbij men hoofdzakelijk nevenzaken aangetast heeft, met het kennelijk, zelfs eens met het erkend doel om de waarheidsliefde omtrent de hoofdzaak in verdenking te brengen, zal een klein woord vooraf niet ondienstig zijn.
Toen ik met den Directeur der Uitgevers-Maatschappij „Elsevier” dezen mijn nieuwen arbeid „Een kwart eeuw tusschen de Keerkringen” besprak, vroeg hij mij of die eene autobiographie zoude worden, en antwoordde ik hem, dat het leven van één mensch, hoe veelbewogen het ook geweest zij, hoogst zelden voldoende stof leverde om ook maar één boekdeel te vullen. Dat er zoo iets dus in mijn arbeid niet mocht gezocht worden! „Neen,” voegde ik er bij, „ik wil uit veler leven een greep doen, ook hier en daar uit het mijne, waar mij dat gepast zal voorkomen. Die grepen zal ik door middel van een lichten romantischen draad tot een geheel trachten te verwerken, waardoor een aanschouwelijk beeld ontstaan zal—zoo hoop ik althans—van wat het leven in Nederlandsch-Indië den krijgsman aanbiedt. Ik zou mijn werk op het voetspoor van Alfred de Vigny: „Grandeurs et servitudes dans l’armée des Indes Orientales Néerlandaises” hebben willen betitelen, hadde ik daardoor geen plagiaat gepleegd en ware het mij mogelijk geweest dien titel naar mijn zin in goed Nederlandsch over te brengen.”
Het doel van den arbeid, waarmede ik ander maal voor het publiek treed, is daarbij voldoende omschreven en heb ik bij de mededeeling daarvan niets te voegen, dan alleen de betuiging, dat ik—om mijne krachten niet te verspillen in een afmattenden strijd,—geene enkele recensie zal beantwoorden, die zich ten doel mocht stellen de geloofwaardigheid van de geleverde verhalen aan te vallen of verdacht te maken. Om de recensenten bij hun arbeid dadelijk te gemoet te komen, verklaar ik dat die verhalen verdicht zijn en dat het derhalve noodelooze moeite zal zijn, zich in gissingen omtrent namen of omtrent andere bijzonderheden te verdiepen. Overigens hoop ik dat de welwillende lezers in die bladzijden zullen vinden, wat ik getracht heb er in neer te leggen: het aanschouwelijk beeld namelijk van wat het leven in Nederlandsch-Indië den krijgsman aanbiedt, waarvan ik hier boven sprak en eene aansporing voor hen, die leeken zijn op koloniaal gebied, om met onze zoo schoone Koloniën meer bekend te geraken.
Den Haag, 20 November 1883.
DE SCHRIJVER.
INHOUD.
Voorspel: VAN PASTOOR SOLDAAT.
I. Op Slavante Bladz. 3 II. Te Rolduc 22 III. Een man over boord 44 IV. Bij het Koloniaal Werfdepôt 65
NAAR DEN EQUATOR.
I. Naar zee 97 II. In de Noordzee—Kennismaking 115 III. Verdere kennismaking.—In het Kanaal 134 IV. De Atlantische Oceaan 153 V. Eene stortzee 172 VI. Dobberende bij de Canarische eilanden 191 VII. Tusschen de keerkringen 210 VIII. De muiterij 230 IX. Eene lijkplechtigheid aan boord 249 X. Naar Brazilië’s hoofdstad 268 XI. Weer naar zee 287 XII. Een onderhoud.—Bruinvisschen 306 XIII. Storm.—Om de zuid 324 XIV. Kaapsche duiven en Albatrossen 340 XV. In den Zuidoostpassaat 354 XVI. Straat Sunda 367
AANTEEKENINGEN 385
VOORSPEL:
VAN PASTOOR SOLDAAT
I.
OP SLAVANTE.
Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen, bijzonder levendig.
Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28ste Pruisische linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—een matinée musicale en de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.
Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de ruischende waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.
Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.... men kon toch niet weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt bleef.
Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene dartele jeugd van beiderlei kunne, hier stoeiend en plagend, daar elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.
En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne volle ontwikkeling vertoonden.
Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.
Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden, klonk nu zacht gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang veroorzaakt.
De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.
Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder belangwekkend is.
Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.
De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien hij sprak. Hij hield dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als wilden zij ijdele blikken afweren.
Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als een matinée musicale is, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar vergaan zal, had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met vuur: „In viam pacis.... In nomine Domini!” [1] een gebed, dat hem als „itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de vacantie verstrekt was.
Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet verboden scheen.
„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader. „Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te laten hooren.”
„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist. „Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer [2], het „pangue langua” [3] is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”
„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat vaarwel te zeggen.”
„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met vuur. „Niets, het allerminst die wereld”...
„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn schouders rustte.
Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.
De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan werd.
„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.
„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”
„En waar komt gij vandaan?”
„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach, terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden begroette.
Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.
„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was, „en ben nu zoo wat aan het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”
„Maar hoe komt ge thans hier?”
„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van Luik aan. Ik vernam in de „Levrier” [4], dat er heden namiddag te Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen. Ik had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van vergelijking te maken.”
„Gij!... Frank, gij?...” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.
„Ja... ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen heb.”
„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons allen!...”
„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis. Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb mijn punten van vergelijking nog te maken.”
„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.
„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner vergelijkingen verlangen.”
Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.
De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm, noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.
„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel bespeurd. Haar was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij hem telkens aandoet.”
„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem. „Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te begeven!”
De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.
De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden langs de omheiningsmuren niet.
„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief bekje!”
„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.
„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende uitroep.
Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar opmerkte.
„Vade retro Satanas!” [5] prevelde hij met een soort grimmigen moed, wanneer zijn blik dien van de eene of andere schalksche schoone kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als satan verzocht werd achteruit te wijken.
Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:
„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!” [6]
Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop neer te slaan.
„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling als in een dankgebed uit.
Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:
„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”
„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.
„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.
„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele Maasdal overziet?”
„O! veel fraaier!”
„Is het ver van hier?”
„Neen, vlak bij.”
„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij... wel, dan zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen zoeken het schoone!”
Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein. De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in zuidelijke richting voortging.
„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.
„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang van den Sint Pietersberg.”
„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet. Morgen wellicht.”
Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd, en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan Frank een kreet van bewondering.
Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op een soort van bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken. Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken, allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene allerliefste omlijsting vonden.