Mythen en sagen uit West-Indië

Part 29

Chapter 293,795 wordsPublic domain

Levensboom. Levensboomen en Levensbladeren, ook Wonderboomen en Wonderbladeren genoemd, spelen in het leven der I. een groote rol. Bij de A. van Eng. G. wordt bij ziekte een blad van een vetplant (Bryophyllum pinnatum), die de eigenschap heeft, aan den rand van afgesneden bladeren jonge plantjes voort te brengen, in de hut opgehangen. Wanneer er plantjes uit voortkomen, wordt dit als een teeken beschouwd, dat de zieke beter zal worden.

Liaan. Onder de lianen, de houtige slingerplanten, die in de tropische oerwouden een zoo groote rol spelen (C. b.) bevinden zich zeer buigzame soorten, die als touw (Boesi tetei = boschtouw) gebruikt worden. Er zijn lianen, zoowel in de wouden van G. als in de Afrikaansche wildernis, sterk genoeg, om er een boot aan vast te leggen.

Lichtkever (Pyrophorus noctulicus) is een tot de z.g. springkevers of kniptorren (Elateridae) behoorende soort, die aan beide zijden van het borststuk een geel plekje bezit, waaruit des nachts een helder licht straalt. Bij een onzer kampementen in het oerwoud kwamen zij zoo talrijk voor, dat men ze bij menigte kon oprapen, bedwelmd door den rook van het kampvuur. Tien exemplaren, in een flesch gedaan, gaven zoveel licht, dat ik er met gemak bij lezen kon.

Loekoe-man. Een priester of geestenbezweerder (bij de B.), die in de onzichtbare wereld kan zien, en dikwijls gebeden richt tot den heiligen kankantrie, de verblijfplaats van zieken veroorzakende geesten. (Zie: Country-fashion man).

M.

Maan. Ook de maan wordt bij de meeste I.-stammen mannelijk gedacht. Bij vele stammen van Z.-Amerika wordt de maan aansprakelijk gesteld voor zekere toestanden gedurende het tijdperk, waarin de vrouw kinderen kan voortbrengen. Vandaar dat zij spreken van „maanziekte”, een onderwerp, dat de I. met voorliefde in hunne vertellingen behandelen.

De I. spreken van manen, in plaats van maanden, hetgeen ongeveer op hetzelfde neerkomt, daar een maand de tijd is, waarin de maan een omloop om de aarde volbrengt.

Maconaura. (Makona-ura) was volgens Dance (D.) een I.-jongen, die beroemd was om zijn zeldzame bekwaamheid in het visschen. Hij zou de uitvinder zijn van de Mashwa of Masoewa. (Zie aldaar).

Maipoeri. C.-naam voor Tapir. (Zie aldaar).

Maïs of Turksch koren, in de verhalen in het algemeen koren genoemd. Deze plant, vermoedelijk uit Mexico afkomstig, wordt zoowel door I. op hunne kostgronden, als door de N. op hunne grondjes verbouwd. Van de korrels wordt pap gekookt; de onrijpe, zachte korrels worden gekookt of geroosterd gegeten. Men maakt er ook taartjes en koekjes van, enz. Door I. en B. wordt een bijna zwarte maïssoort geteeld.

Makoe. N.E. en C.-naam voor muskieten (Anopheles-soorten), die de overbrengers zijn van den malaria-parasiet, de grootste plaag der tropische gewesten.

Makoenaima behoort, evenals zijn tweelingbroeder Pia tot de nationale helden bij sommige I.-stammen. (Zie bij: Zon). De meening, die bij sommige schrijvers gevonden wordt, als zou Makoenaima de Groote Geest zijn, de Schepper van Hemel en Aarde, is door anderen (R. en K.) weêrlegd.

Malaka = Maraka (zie aldaar). Daar de r en de l bij de N. en, naar het schijnt, ook bij I. willekeurig verwisseld worden, springen de schrijvers over deze volken naar willekeur met deze letters om.

Manari. Zeef, voor het zeven van Cassave-meel.

Manja. N.E. naam voor (Mangifera indica L.), een grooten uit O. I. afkomstigen boom, wiens vruchten een oranjegeel vruchtvleesch en één groote pit hebben, door een vezelige buitenlaag omgeven. Deze vezels dringen in het vruchtvleesch door. Er zijn verschillende variëteiten, wier waarde voor de cultuur afhangt van de grootte van de pit, van de hoeveelheid vezels in het vleesch en van den geur. De manja is een der weinige veredelde tropische vruchten.

Marabons. Creoolsche naam voor wesp. De steek van vele M.-soorten is zeer pijnlijk en kan zelfs gevaarlijk zijn. De opzwelling, door den steek veroorzaakt, gaat niet zelden met koorts gepaard.

Maraka noemen de A. de tooverrammelaar van den piaiman of geestenbezweerder. De Creolen noemen dit voor hem onmisbare instrument shak shak. Het instrument is gemaakt uit een kalebasschaal (van Crescentia cujete L.) en wordt gevuld met een aantal kleine steentjes, waaronder liefst een of meer kwartskristallen—voorwerpen, die de I. bezield denkt en de dragers van verschillende Geesten voorstellen. Vooral in de steentjes zit de kracht van de Maraka. Het gebruik van tabakswater, waarmeê de inhoud gedrenkt wordt, is begrijpelijk uit het geloof aan de aantrekkingskracht, die tabak en tabaksrook op de Geesten uitoefenen. Kleine gaatjes in de kalebas verhoogen het geluid. Door de kalebas heen is een stok gestoken, aan het uiteinde met papegaaieveeren versierd, die levend uit het lichaam van het dier moeten getrokken zijn.

Maripa-palm. Deze veel op lage terreinen voorkomende palm (Maximiliana maripa Drude) heeft een merkwaardigen vruchttros, die 2–3 voet lang kan worden en honderden vruchten bevat, van welke het dunne vruchtvleesch om de steenharde zaden gegeten wordt. Vooral de groote Ara’s (Papegaaien) zijn verzot op de zaden.

Maróedi. A. naam voor een aan de fasanten verwant boschhoen (Penelope jacupeba).

Masoewa. Vierkante of cylindervormige mand van takken en bamboe, met trechtervormigen ingang, zoodat visschen en kreeften er wel in, maar niet uit kunnen.

Matta. Groote uit één blok gevormde houten vijzel, in S. algemeen gebruikt voor het stampen van de S. koffie, om deze van de schil te ontdoen, voor het stampen van rijst, van bananen (voor de bereiding van tontom. (Z. a.) enz.)

Moetitté. Open korf of zak, gevlochten uit de bladeren van den Pina-palm of van andere palmsoorten, en waarin de I. vruchten enz. dragen. Aan een katoenen band of baststrook van den Oeman barklak (Zie: Winnamoroe), die om het voorhoofd loopt, dragen zij de korf op den rug. De gesloten korven der N. heeten eveneens moetitté.

Mopé. Zie: Pruim.

Mora of Peto, is een tot 45 M. hooge, tot de Vlinderbloemigen behoorende boom (Dimorphandra exelsa Baill.), die in het W. deel van S. op leemgronden langs de oevers van den Middenloop der rivieren in groote complexen voorkomt en een waardevol timmerhout oplevert.

Morokot is een smakelijke riviervisch (Myletes pacu Schomb.), door de C. Pakoe genoemd en die bij de watervallen niet zeldzaam is.

N.

Nachtzwaluw. De Amerikaansche nachtzwaluwen—er zijn meerdere soorten van het geslacht der geitenmelkers (Caprimulgus)—maken een geluid, dat des nachts onheilspellend door het oerwoud klinkt. De stem van de bekende soort, die naar den klank Whip-poor-will wordt genoemd, is zóó droevig klagend, dat het niet alleen den primitieven mensch, maar ook den ontwikkelden onderzoekings-reiziger met angst vervult. Geen I. noch N. zal het wagen, zijn pijl of geweer op den vogel te richten.

Napi is de stengelknol van Discorea trifida L., en wordt als aardappel gegeten of ook tot soep gekookt. Men onderscheidt Napi met roode en met witte knollen.

O.

Obia-man. Geestenbezweerder der B.

Obia-piaai. Bezweringsmiddel, samengesteld uit een daartoe dienend middel der I. en der B.

Oelana-spel (ook wel oerana-spel geschreven). De spelletjes der I.-jongens zijn veelal nabootsingen van de leefwijze der wouddieren. Hiertoe behoort ook het O.-sp., zoogenoemd, omdat zij hierbij de bewegingen van de Paca (Z. bij Oerana) nabootsen. Een der jongens stelt de O. voor, verbergt zich in het bosch en wacht tot zijn kameraadjes, die met een hond zijn spoor moeten volgen, in zijn nabijheid zijn. Hij springt dan op, ijlt naar de rivier of kreek, stort zich hals over kop in het water en duikt onder. Zijn achtervolgers ijlen hem na en het spel eindigt daarmede, dat de achtervolgers het opgeven of de zg. Oelana in triumf aan den oever slepen.

Oeloekwa-toelala. Dit bekoringsmiddel, ook wel bekoring tot het wegdrijven der liefde genoemd, wordt, volgens de Penards (P.), bereid uit den knol van de variëteit eener plant (Calidryum bicolor). Deze wordt gestampt; het meel wordt dan te samen met een poeder, afkomstig uit verbrande wormen, die uit de verrotte hersenen van een Trogon-soort (T. viridis)—ook wel houtluisvogel, in het C. Oeloekwa genoemd—voortgekomen zijn, in een kalebas met water omgeroerd.

De genoemde vogel—en hierop berust de waarde van het bekoringsmiddel—heeft zwakke pooten, zoodat hij niet van den eenen tak op den anderen kan springen. Mannetje en wijfje zitten daarom dikwijls met den rug tegen elkaar, waarom de I. dezen vogel als het zinnebeeld van jaloerschheid, haat en tweedracht beschouwen.

Tusschen dezen vogel en genoemde plant zien de I. nu verband, omdat de vorm van het blad veel overeenkomt met de Trogon viridis of Oeloekwa. Vandaar de naam Oeloekwa-toelala.

Oerana (Oelana). C. naam voor een aan de Agoeti of de Acouri verwant knaagdier (Coelogenys paca), in S. dikwijls haas genoemd. De Paca is een nachtdier en verblijft overdag in een hol, dat twee toegangen heeft. Het vleesch is smakelijk. (Zie: Oelana-spel).

Okra. Doosvrucht met vele zaden van een tot de Malvaceën behoorenden heester (Hibiscus esculentus L.). De vrucht wordt in de soep gekookt bij bereiding van tontom (Z. a.), en ook als groente gegeten.

Otolin. Naam van een vogel, die in de litteratuur niet kon worden opgespoord.

P.

Pagaal. Zeer waterdichte, vierhoekige mand, uit wariembo-riet (zie aldaar) gevlochten, en zoowel door I. als door B. vervaardigd. De I.-pagalen zijn door de zorgvuldige bewerking voor water haast ondoordringbaar en door de met zwarte en gekleurde reepen aangebrachte motieven, ware kunstprodukten.

Paiwarri. In Engelsch G. duidt men met dezen naam den drank aan, die bereid wordt uit dik, eenigszins verbrand Cassave-brood, dat gekauwd en in een korjaal gespuwd wordt. Het mout komt er bij in den vorm van een enkele dagen te voren gereedgemaakte stroop van een weinig gekookt Cassave-sap en eenige verbrande koeken. De korjaal wordt daarna met palmbladeren bedekt om de massa eenige dagen te laten gisten. Tegenwoordig is deze onsmakelijke bereiding verlaten. De A. noemen dezen drank, die eenigszins zuur smaakt, Tapana. De I. spreken van Tapana- of Paiwarri-feesten.

Pakira. Een der wildezwijnen-soorten van het geslacht Dicotyles, die in de oerwouden van G. in troepen voorkomen. De Pakira (Dicotyles torquatus) is de kleinste der twee, en leeft in troepjes van 6–8 bijeen. Zij woelen met den snuit den grond om en geven de voorkeur aan palm- en andere vruchten. Het vleesch van beide soorten is zeer smakelijk.

Palissadepalm, ook Pinapalm genoemd (Euterpe oleracea), is een sierlijke palm, waarvan de dunne stam en de groote geveerde bladeren zeer waardevol materiaal voor den bouw van woningen en hutten oplevert. De uitgebloeide bloemtrossen worden als bezems gebruikt.

Paloeloe (Palaloe) is de Wilde Banaan (Heliconia Bihai L.). De groote bladeren worden door de I. voor de bedekking hunner hutten gebezigd. Ook de aanverwante H. psittacorum L., eveneens in het oerwoud voorkomend, wordt voor dit doel gebruikt.

Papaja. (Carica papaya L.). Boom met weeken, kalen stam en dichte kroon van handvormig ingesneden bladeren. De vruchten zijn licht verteerbaar, de bladeren worden gebruikt om vleesch malsch te maken.

Parel noemt men in S. de pagaai, waarmede de booten worden voortbewogen. Parels zijn plat en lancetvormig, en bovenaan van een halve-maanvormige uitsnijding voorzien, waarin de hand past. Doorgaans worden zij gemaakt van de plaatvormige steunwortels van Aspidosperma exelsum Benth., daarom parelhout genoemd.

Pasrie, ook wel Pasirimbo genoemd, is een in der haast uit één palmblad gevlochten korf.

Patatten. De wortelknol van een kruidachtige, kleine plant (Ipomoea batatas L.) wordt gekookt of geroosterd gegeten, maar ook als veevoer gebruikt. Zoowel I. als N. planten dit gewas op hunne kostgronden aan. Switi patata (zoete patatten) is de N.E. naam.

Palatten-luis, in het fransch „bête rouge” genoemd, is de larve van een tot de mijten (Acarina) behoorend uiterst kleine mijtsoort (Microthrombidium batatas), die in het gras en andere planten der bodem-vegetatie leeft, en zich door haakvormige kaken in de huid boort. Zij brengen hier een ondragelijk jeuken te voorschijn. In het S. oerwoud komt de plaag plaatselijk voor (C. b.).

Pawana’s. De Penards (P.), aan wien wij deze bijdrage tot de Folklore der S. I. ontleenen, vermoeden, dat met Pawana’s bedoeld worden de Parawana’s of Parwa-I., die hunne kampen bouwden tusschen de wortels der aan de kust groeiende Parwa- of Mangrove-boomen (Rhizophora mangle). Deze I. waren zeker verlekkerd op krabben, om zoodanige plaatsen op te zoeken.

Pepers. Behalve de kleine roode Spaansche peper (Capsicum frutescens), worden in G. nog andere Capsicum-soorten gekweekt, wier vruchten een belangrijke specerij voor den peperpot (Z. a.) zijn. Het is een oude gewoonte bij I. van G., om pepers (gedroogde Capsicum-vruchten) in het vuur te strooien, ten einde een vijand te verdrijven. (No. 10 der I.-serie).

Peperpot (kasripopot), bereidt men uit pap van de bittere Cassave, die men tot een bittere brij laat koken. In den pot, die volgens I.-geloof nooit mag worden schoongemaakt (zie No. 26), wordt het voorradige vleesch en de visch met veel Spaanschen peper dooreengeroerd, om een der voornaamste gerechten van den I. te bereiden. Altijd staat bij hen een peperpot klaar. De peperpot wordt steeds bijgevuld.

Piengo of Piengoe (Poeingo bij de C. en Dodele of Keheron bij de A.) is een der beide boschvarkens (zie Pakira), in troepen door de oerwouden van G. trekkend. Piengo is de negerengelsche naam voor Dicotyles labiatus. In kudden van 20–100 stuks trekt deze op voedsel uit, onder leiding van een aanvoerder, door de N. Piengo-granman genoemd. Zij trekken in rechte lijn en zijn daarom gevaarlijk voor hen, die in het bosch kampeeren. Des morgens vroeg trekken zulke troepen dikwijls de rivieren over (C. b). Het vleesch is smakelijk, als zorg wordt gedragen, de klier aan de rugzijde, die een naar muskus riekende stof afscheidt, snel uit te snijden.

Pijnen. Het vermogen, om lichaamspijnen te verdragen, wordt bij de I. hoog geschat. Vandaar de pijnlijke proeven, waaraan de tot jongeman bevorderde I. maar in het bijzonder de candidaat-hoofdman en de candidaat-piaiman zich hebben te onderwerpen (o.a. de wespen- en de mierenproef).

Pisang. Zie: banaan.

Pot. Zie: peperpot.

Potaro-val, ook wel Kaieteur’s-val—zoo genoemd naar den ouden man, die er den dood vond, is een 822 voet hooge waterval in de Essequibo (Britsch-G.), ontdekt door Barington Brown. De I. noemen hem Oude man’s val.

Powies. Deze tot de hoenders behoorende vogel (Crax alector) is een der meest gezochte wildsoorten van G. Een zijner borstspieren is wat wij een flinke lap vleesch noemen. Van de rivier uit is deze vogel niet moeielijk onder schot te krijgen.

Pruim. Wat hier pruim genoemd wordt is de z.g. Spondias-pruim, de gele vrucht ter grootte van een kleine pruim van den Mopé (Spondias lutea L.), een grooten boom, in het oerwoud van G. veel voorkomend. Deze vruchten worden door den Tapir en den schildpad (Z. a.) als lekkernij opgezocht. In S. beweert men, dat een vreemdeling, die eenmaal deze vrucht geproefd heeft, nooit meer de kolonie verlaat.

Púskita. Het jaarlijksche groote feest, door de Creek-I. van Alabama en Georgia sedert overoude tijden gevierd, en dat acht dagen duurt.

R.

Regenkikvorsch. Zie: Wau-oeta-kikvorsch.

Reiger. Onder de reigersoorten, die in West-Indië voorkomen, wordt met egret of Herodias egretta, doch vooral Leucophoyx candidissima (de blauwe Sabakoe) bedoeld, die om de sierlijke kopveeren, als „aigrettes” zeer gezocht, veel geschoten wordt. In S. wordt deze vogel nog steeds niet beschermd, hoewel ernstige pogingen, o.a. door mijn tochtgenoot C. v. Drimmelen, hiertoe gedaan zijn. In Columbia en andere Staten van Amerika heeft men reeds lang het belang hiervan ingezien. De reigers, die aan de kust van Jamaica veel voorkomen, vliegen ook dikwijls ver landwaarts en zijn zeer verlekkerd op de kleine krabben, die in de bergriviertjes voorkomen.

Roode ras. Zie: Roodhuid.

Roodhuid. De naam Roodhuid, die de I. hebben gekregen, is te danken aan de gewoonte, om hun huid met Koesoewe—een roode kleurstof, verkregen door een laag om de zaden van Bixa orellana L. met Krappa-olie te vermengen—in te wrijven. De huidskleur der I. is meestentijd min of meer licht koperkleurig, dikwijls ook kaneelkleurig. Met de roode kleurstof worden ook de kleedingstukken en het aardewerk rood gekleurd.

S.

Sabakoe. Zie: Reiger.

Samboela. C. naam voor trom. De I. trom is een uitgehold stuk boomstam, dikwijls van den Maripa-palm. Over beide open uiteinden is een herten- of boschvarkensvel gespannen. Bij de dansfeesten hangen deze trommen met touwen aan dwarsbalken der hut of aan een daartoe opgestelde stellage van bamboe (zie afb. in C. a.).

Saoeba-mier (ook Saba-mier), wordt ook blad- of parasolmier (Atta cephalotes) genoemd, omdat deze mier soms in één enkelen nacht geheele boomen ontbladert. Bij deze rooftochten begeven deze mieren zich bij millioenen in bepaalde optochten naar de boomen (vooral naar de jonge Mora-boomen), snijden de bladeren in stukken en laten deze op den grond vallen. Zij nemen de bladfragmenten tusschen de kaken en dragen deze recht overeind naar het nest (C. b.), waar door de rotting van de massa een kleine champignon ontstaat, van welke deze mieren leven (Champignon-tuinen). De Saoeba-mier is bij de C. het zinnebeeld van succes.

Savanne. Schaarsch begroeide vlakte, wier bodem doorgaans, hoewel niet altijd, uit zand bestaat.

Schildpad. In de oerwouden van G. komt slechts één schildpadsoort voor (Testudo tabulata Wahlb.). door de C. Wajamoe, door de A. Hikoeli genoemd. De N.E. naam is Sekrepatoe. Deze landschildpad kan een lengte van 5 dec. bereiken, voedt zich met allerlei planten en vruchten, is vooral verlekkerd op de zg. Spondias pruimen (zie: Pruim). Bij de C. is de schildpad het zinnebeeld van verliefdheid.

Schimmel. Hier wordt een brandschimmel (Ustilago-soort) bedoeld, die veel schade aan de Maïs doet.

Schoonmoeder. Voordat Europeesche invloeden zich bij de I. deden gelden, was het een I. ten strengste verboden, de hut zijner schoonmoeder binnen te gaan, met haar te spreken, zelfs naar haar te kijken.

Schopappel. (Sur. Skopappel). Zie: Anona.

Scolopendra. Zie: Duizendpoot.

Sekrepattoe. N.E. voor schildpad (zie aldaar), meer bepaaldelijk voor landschildpad.

Semi-tchichi of Semi-cihi, door de A. gebruikt, wordt door hen ook gebezigd voor al hetgeen men doet of gebruikt, om zich de noodige tooverkracht te verzekeren.

Specht. In G. komen verschillende spechtsoorten voor, die ook daar „Timmerman” worden genoemd. Ook in G. hebben bijna alle spechten een rooden bovenkop of kuif. Het gehamer of geklop kan men ver in den omtrek hooren.

Springmand. Mand, voorzien van een schuifdeur, waaraan een naar beneden gebogen tak is vastgemaakt. Wanneer de visch zich met een aan deze tak bevestigd lokaas wil verwijderen, wipt de tak omhoog en schuift de deur dicht.

Soesa. Dans, waarbij de voet- en beenbewegingen de hoofdrol vervullen, en waarmeê de mannen en jongens zich bij de N. vermaken (C. b.)

Steenen bijl. Het voorgeslacht der tegenwoordige I. gebruikte steenen bijlen, die in gedaante volkomen overeenstemmen met de gepolijste bijlen uit het Neolithische tijdperk der menschelijk praehistorie in Europa. Deze bijlen zijn eertijds bij de I. van geheel W.-I.—ook bij die, welke de eilanden bewoonden—in gebruik geweest. Dit werktuig of wapen bestond uit een hard, op een steenblok geslepen steenstuk, dat niet zelden een waar kunstprodukt is. Niet elke I. schijnt zijn eigen bijl te hebben vervaardigd, maar hij ruilde die bij andere stammen of dorpen in, waar bepaalde werkplaatsen voor het slijpen bestonden, evenals dit ook in de Neolithische periode—de tijd van den gepolijsten steen—in Europa het geval is geweest. Men vindt zulke bijlen niet zelden als oudheden in den bodem van G.; maar ook van Curaçao en andere W.-I. eilanden zijn zij bekend. Merkwaardig is het, dat—evenals elders, ook in ons land—ook de S.-bevolking gelooft, dat deze bijlen gedurende een onweer uit de lucht zijn komen vallen. Vandaar ook daar de volksnaam: dondersteenen. De C. gelooven, dat deze bijlen door Konomeroe (den Dondergod) uit woede naar den grond geslingerd zijn, teneinde den onverlaat te treffen, die zijn dochter onteerde. Een legende doelt hierop (P. a.). De Aroaksche traditie omtrent oude bijlen luidt, dat men deze eertijds zoo waardevolle werktuigen van een verre landstreek moest halen en dat jaren noodig waren, om deze streek te bereiken. Een der legenden, die zulk een lange reis beschrijft, heeft Walter E. Roth (R.) medegedeeld.

Stinkvogel. In S., waar zij door de N. Tiengi-fouroe (eigenlijk fouloe, van het Engelsche fowl) genoemd worden, verstaat men onder dezen naam verschillende giersoorten. Een kleine soort (Catharista atrata) is geheel zwart en doet als vuilnisman in Paramaribo dienst, waar hij beschermd wordt. Een zeer fraai gekleurde en groote soort (Koningsgier, Gypagus papa, ook wel Tiengi fouroe granman = gouverneur der stinkvogels genoemd) komt in het oerwoud voor (C. b.).

Stekelvarken. Coendu prehensilis is een knaagdier, welks huid met zwarte en gele stekels bedekt is, een lange grijpstaart heeft en in boomen huist.

Swamp. Moerassige plaats in de oerwouden van Guyana.

Swaroedaroe. Zwaar vergiftigde pijl.

T.

Tabbertje. (N.E. tábiki) ook wel tabbetje of tappetje (bij oude schrijvers) genoemd, is een eiland in de rivier.

Taboe. Iets wat verboden is. (Zie blz. 37).

Tairu-blad. Vermoedelijk het pijlvormige blad van tajers. (Zie aldaar).

Tajers zijn variëteiten van twee Collocasia-soorten (C. esculenta en C. antiquorum), van welke de verdikte boven- en onderaardsche stengeldeelen gegeten worden. De wilde tajer (N.E. Krassi-taja) is wegens de vele kristalnaalden en scherp melksap niet als voedsel te gebruiken.

Tamanaca’s. Een C.-stam.

Tamanoea. C. en A.-naam voor den grooten miereneter (Myrmecophaga jubata L.). Met zijn kleverige, wormvormige tong, die snel uit den langen, in een puntigen snuit eindigenden, tandeloozen bek gestoken kan worden, bemachtigt de T. duizenden mieren en termieten tegelijk. Als tegenstander is de T. zeer gevaarlijk, want hij tracht, overeindstaande, met de groote sikkelvormige nagels der achterpooten zijn aanvaller den buik open te rijten.

Tamoesi. Een der namen, waarmede door de I. de Groote Geest wordt aangeduid. Aan deze namen ligt echter niet het geloof aan God, volgens Christelijke begrippen, ten grondslag.

Tapana. Zie: Paiwarri.

Tapir. In de oerwouden van G. is het grootste zoogdier de T. (Tapirus americanus), een soort van het ook in Azië levende geslacht Tapirus, door de N. bóffroe (= buffel) genoemd. Dit vierhoevige, van een korten snuit voorziene, dikhuidige dier, leeft van bladeren en vruchten. Evenals de landschildpad is de T. zeer verlekkerd op de z.g. Spondias-pruim (Zie: pruim). Een zeer gewild jachtdier bij de I. (Zie: Maipoeri).

Tijger. In Amerika komt de tijger, de groote fraai gestreepte kattensoort van Azië, niet voor. Zoowel in de I.- als in de N.-folk-lore wordt met Tijger steeds de Jagoear (Z. a.) bedoeld.

Tobe-horo-anna, dat in het Warrausch letterlijk huid van den zwarten tijger beteekent, is ook de naam, dien men geeft aan een reusachtig groot, zeer gevreesd roofdier, dat, naar beweerd wordt, diep in het woud leeft, doch dat men nog nimmer gezien heeft. De Warraus gelooven, dat het dier een tijger (= jagoear) is gedurende zijn strooptochten door het bosch, maar dat hij thuis een gewoon mensch is. [381]

Tomahawk. Strijdbijl der Noord-Amerikaansche I., gelijk de Apatoe (Z. a.) is bij de Zuid-Amerikaansche stammen. De strijdbijl is bij alle I. het symbool van den strijd.

Tom-tom of Tontòm (N.E.) is een pudding van gekookte en gestampte bananen, ook van meel en dergelijke. Op etenstijd komt de I. vrouw der Benedenlandsche C. (C. a.) haar man de tontom brengen, die hij niet met haar eet.