Mythen en Legenden van Egypte

Part 9

Chapter 9 3,960 words Public domain Markdown

Terwijl Isis Horus, haar kind, verzorgde en voor de vervolgingen van Set bevreesd was, zocht zij in de moerassen van de Delta beschutting en verborg zichzelf en haar kind temidden van een dichte massa papyrus-planten.

Het kon nu de Egyptenaren uit de Delta toeschijnen, dat de zon uit de met papyrus overdekte moerassen, welke zich aan beide zijden van den horizon uitstrekten, oprees en op deze wijze kunnen wij deze mythe eenvoudig op allegorische wijze uitleggen. De omstandigheden van de ontsnapping van Isis uit de handen van Set zijn reeds in de Osiris-mythe in détails behandeld.

De kinderlijke liefde, welke Horus aan de nagedachtenis van zijn vader Osiris bewees, bezorgde hem veel achting van de zijde der Egyptenaars. Hij was het, die de bijzonderheden van de mummificatie van den god vaststelde en die het richtsnoer voor den vromen Egyptischen zoon bepaalde.

Daarom beschouwde men hem als helper van de dooden en men geloofde, dat hij de tusschenpersoon tusschen hen en de rechters van de Taut was. Bij het verzorgen van de dooden, had hij een menigte helpers, bekend onder den naam van volgers van Horus en dezen werden als goden van de vier hoofdpunten van het kompas beschouwd. In het Boek der Dooden legt men hun groot gewicht bij en zij namen deel aan de bescherming van het lichaam der gestorvenen, zooals in het gedeelte, dat over de mummies handelt, is vermeld. Zij waren vier in getal en waren Hapi, Tuamutef, Asmet en Qebhsennuf genaamd.

Men hield Horus, den zoon van Isis en Osiris, voor zoo gewichtig, dat hij alle attributen van de overige Horusgoden in zich opnam, maar in sommige teksten wordt hij als kind voorgesteld, met den voorvinger aan de lip, terwijl hij een haarlok op zij van het hoofd draagt, een aanwijzing voor jeugdigen leeftijd. In later tijd wordt hij in verschillende fantastische gestalten voorgesteld.

Het Zwarte Zwijn.

Ra, Set en Horus worden in een Egyptische mythe, welke de zons- en maansverduistering tracht te verklaren, behandeld. Wij lezen daar, dat Set en Horus verbitterde vijanden waren; Set durfde den strijd echter niet openlijk te beginnen, want hij vreesde Horus, zooals het kwade altijd voor het goede bevreesd is. Daarom verzon hij listig heimelijke plannen, om daardoor den val van Horus te bewerkstelligen en dit verhaal leert ons, hoe de zaak afliep.

Op zekeren dag verzocht Horus Ra toestemming de toekomst uit zijn oogen te lezen. Volgaarne voldeed Ra aan dit verzoek, omdat hij Horus, die door alle goden en menschen bemind werd, liefhad. Terwijl zij met elkander spraken, ging hun een zwart zwijn, een reusachtig, afschuwelijk dier, voorbij, met een woest uiterlijk en met oogen, welke list en wreedheid verrieden.

Hoewel noch Ra, noch Horus zich hiervan bewust waren, was het zwarte zwijn Set in eigen persoon, daar deze de macht had, zich in ieder willekeurig dier te veranderen.

"Wat een vreeselijk monster", riep Ra uit, toen hij het dier zag.

Horus richtte thans eveneens zijn blik naar het zwarte zwijn, waarin hij zijn vijand nog niet herkende. Dit was Set's geluk. Hij zond een lichtstraal, juist in het oog van den god.

Horus werd door de hevige pijn bijna van zijn verstand beroofd. "Set heeft mij dit kwaad aangedaan", riep hij uit; "dit mag niet ongestraft blijven".

Set was echter verdwenen en men kon hem nergens ontdekken. Daarom sprak Ra den vloek uit over het zwijn, om het kwaad, dat Horus overkomen was.

Toen de jonge god zijn gezicht herkregen had, gaf Ra hem de stad Pé, en hierover was hij zeer verblijd en bij zijn glimlach verdwenen de duistere wolken en het geheele land verheugde zich.

Een Grieksche lezing der mythe vertelt, dat het zwarte zwijn het oog van Horus uitrukte en het verslond, doch dat hij door Ra (Helios) genoodzaakt werd, het te herstellen.

De oogen van Horus zijn natuurlijk de zon en de maan; een van dezen wordt door het zwarte zwijn (een verduistering) verslonden, of vernietigd. De teruggave van het licht aan de aarde wordt door de vreugde van Horus, die met de stad Pé begiftigd wordt, voorgesteld.

Nephthys was de tegenhangster van Set. Zij was de dochter van Geb (of Seb) en Nut, de zuster en vrouw van Set, en de moeder van Anubis, doch het is niet duidelijk, of zij dat was door Osiris, of Set. Het woord Nebt-het beteekent: "de vrouw des huizes", of "lucht".

Hoewel Nephthys met Set vereenigd wordt, schijnt zij haar zuster Isis mede trouw te blijven, daar zij deze in het verzamelen van de verstrooide ledematen van Osiris bijstaat.

Zij wordt in de gestalte van een vrouw voorgesteld, die op haar hoofd het symbool van haar naam draagt, d.w.z. een mand en een huis. In het Boek der Dooden verschijnt zij eenigermate als helpster van haar zuster Isis, terwijl zij achter Osiris staat, wanneer de harten gewogen worden en zij aan het hoofdeinde van Osiris' baar knielt.

Men geloofde, dat zij, evenals haar zuster, groote tooverkracht bezat en in veel opzichten gelijkt zij op haar. Ook veronderstelt men van haar, dat zij Osiris, in zijn kwaliteit van maangod, beschermt.

Plutarchus verschaft ons eenig licht aangaande het Egyptisch geloof aan deze godin. Hij verhaalt, dat Anubis de zoon van Osiris en Nephthys was en dat Typhon of Set het eerst met hun liefde bekend werd, doordat hij een slinger van bloemen vond, welke door Osiris was achtergelaten.

Evenals Isis een voorstelling is van de vruchtbaarheid, zoo beteekent Nephthys volgens hem het bederf.

Dr. Budge, die deze passage commentarieert, zegt, dat het duidelijk is, dat Nephthys de personificatie van de duisternis is, en alles, wat daartoe behoort en dat haar attributen eerder een passief, dan een actief karakter droegen. "Zij was in elk opzicht het tegenovergestelde van Isis. Isis is het symbool van geboorte, wasdom, ontwikkeling en kracht; Nephthys echter was het type van dood, verval, vermindering en onbewegelijkheid". De godinnen werden echter onafscheidelijk met elkaar verbonden.

Isis vertegenwoordigt, volgens Plutarchus, dat deel van de wereld, dat zichtbaar is, terwijl Nephthys het onzichtbare deel voorstelt. Isis en Nephthys stellen respectievelijk de dingen voor, welke zijn en de dingen, welke nog moeten komen, het begin en het einde, de geboorte en den dood, het leven en den dood.

Ongelukkigerwijze hebben wij geen middel om te weten te komen, wat de oorspronkelijke opvatting over de attributen van Nephthys was, doch het is onwaarschijnlijk, dat dezen eenige gezichtspunten, welke in Plutarchus' tijd over dit onderwerp gangbaar waren, bevatten. Nephthys is geen godin met juist gedefinieerde karaktertrekken, maar over het algemeen kan men haar beschrijven als de godin van den dood, welke niet eeuwig is.

Dr. Budge verklaart verder, dat Nephthys, hoewel zij een godin van den dood was, toch met het leven, dat uit den dood ontstaat, verbonden werd. Tezamen met Isis maakte zij het doodsbed van Osiris in gereedheid en vervaardigde zijn mummie-windsels. Eveneens bewaakte zij, met Isis, het lijk van Osiris.

In later tijd werden de godinnen door priesteressen voorgesteld, van wie het haar geschoren was en die op haar hoofd wollen banden droegen. Aan den arm van de eene bevond zich een band met den naam van Isis en de ander droeg eveneens een band, doch met den naam van Nephthys.

Set.

De cultus van Set dateert uit de grijze oudheid en ofschoon men hem later als het gepersonificeerde kwaad beschouwde, was dit niet zijn oorspronkelijke rol. Volgens de priesters van Heliopolis was hij de zoon van Geb en Nut en derhalve een broer van Osiris, Isis en Nephthys, echtgenoot van de laatst genoemde en vader van Anubis.

Deze verwantschapsbetrekkingen werden op een betrekkelijk laat tijdstip gemaakt.

In de pyramiden-teksten treedt Set als een vriend der dooden op en zelfs stond hij Osiris bij, toen deze door middel van een ladder den hemel trachtte te bereiken. Ook werd hij door Horus vergezeld en als diens gelijke beschouwd.

Langzamerhand echter beschouwde men hen als doodsvijanden, die alleen door den wijzen Thoth verhinderd werden, elkander geheel en al te vernietigen. Horus de Oudere was de god van de lucht bij dag en Set de god van de lucht bij nacht. De een was inderdaad de directe tegenstander van den ander.

De afleiding van den naam geeft aanleiding tot vele moeilijkheden. Zijn hieroglyph wordt uitgelegd als de voorstelling van een dier, of een steen, waarschijnlijk een symbool van het steenachtige of verlaten landschap aan beide zijden van den Nijl. Wat het dier betreft, dat hem zou voorstellen, dit is tot nog toe op geen enkele wijze geïdentificeerd, doch verschillende uitleggers zien hierin een afbeelding van een kameel, of een okapi. In elk geval moet het een bewoner van de woestijn zijn geweest, welke den mensch vijandig is.

Evenals Horus de god van het Noorden was, zoo was Set die van het Zuiden. Dr. Brugsch ziet in Set de symbolische voorstelling van de benedenwaartsche beweging van de zon en maakt hem aldus tot bron van de verderfelijke zonnehitte. Men dacht, dat hij, wanneer de dagen begonnen te korten en de nachten te lengen, het licht van den zonnegod stal. Hij was eveneens behulpzaam bij de maandelijksche afname van de maan. Stormen, aardbevingen, eclipsen en alle andere natuurverschijnselen, welke duisternis veroorzaakten, werden aan zijn invloed toegeschreven en vanuit een ethisch gezichtspunt was hij de god van zonde en kwaad.

Wij vinden, dat de mythen van den strijd tusschen Set en Horus zich ontwikkelden, uit de eenvoudige tegenstelling tusschen den dag en den nacht, tot den strijd tusschen de twee goden. Ra en Osiris, inplaats van Horus, worden soms tegenover Set gerangschikt.

De strijd symboliseert de zedelijke idee van de overwinning van het goede over het kwade en men dacht dat zij van de gestorvenen, die van schuld waren vrijgesproken, Set overwonnen hadden, zooals Osiris dit gedaan had.

In zijn strijd tegen den zonnegod nam Set de gedaante van den monsterslang Apep aan en werd door een leger kleinere slangen en reptielen van allerlei soort vergezeld. In later tijd vinden wij hem met Typhon geïdentificeerd.

Alle dieren van de woestijn en die, welke in de wateren huisden, werden als kinderen van Set beschouwd, zoo ook dieren, zelfs menschen, met rood haar. Zulke dieren werden zelfs dikwijls geofferd, om Set gunstig te stemmen. In de maand Pachons werden een antilope en een zwart zwijn aan hem geofferd, om hem af te schrikken, de volle maan aan te vallen en op het groote feest van Heru-Behudeti werden die vogels en visschen, van welke men geloofde, dat zij tot zijn gevolg behoorden, met de voeten vertrapt, onder het aanheffen van den kreet, dat Ra over zijn vijanden getriumpheerd had.

Ook bezat hij een koninkrijk in de Noordelijke luchtstreken en de Groote Beer was zijn bijzondere verblijfplaats. Evenals in sommige andere landen beschouwde men het Noorden als de plaats van de duisternis, de koude en den dood. Zoo vinden wij, dat men bij de Mexicanen en Maya het Noorden als de verblijfplaats van den god van den dood beschouwde en dat onder de latere bevolking de hieroglyph voor het Noorden een been is, voor het hoofd van den god van den dood geplaatst.

Van de godin Reret, met het hoofd en het lichaam van een hippopotamus, geloofde men, dat zij den boozen invloed van Set in bedwang hield. Er bestaat een afbeelding van haar, waarop zij de duisternis aan een ketting gebonden vasthoudt en men beschouwde haar als een vorm van Isis.

Waarschijnlijk begon ongeveer tegen den tijd van de 22e dynastie de vereering van Set te verminderen en in dezen tijd kreeg hij de gedaante van een duivelsche godheid. Men heeft de theorie verkondigd, dat de Hyksos, die het land binnendrongen, hem met eenige van hun eigen goden identificeerden en dit feit was voldoende, om hem bij de Egyptenaren in discrediet te brengen.

Set en de Ezel.

Plutarchus in zijn werk: "De Iside et Osiride" heeft een belangwekkende passage betreffende de gelijkenis tusschen den ezel en Set.

Hij zegt daar het volgende:

"Hierdoor is hun schandelijke behandeling van die personen te verklaren, van wie zij gelooven, dat zij door de roodheid van hun gelaat een gelijkenis met hem vertoonen, en hieruit is tevens de gewoonte van de Kopten ontstaan om een ezel in een afgrond te storten. Ja, de inwoners van Busiris en Lycopolis dreven hun afschuw voor dit dier zoo ver, dat zij nooit van trompetten gebruik maakten, daar het geluid van dezen eenige overeenkomst met het gebalk van een ezel vertoonde; in één woord, dat dier werd door hen als onrein beschouwd, alleen door de gelijkenis, welke het met Typho heeft. Hiermede is in overeenstemming te brengen, dat de koeken, welke zij gedurende de laatste 2 maanden Pauni en Phaophi offeren, de afbeelding van een ezel vertoonen, welke daarin is gestempeld.

Om dezelfde reden bevelen zij uitdrukkelijk, als zij aan de Zon offeren, dat allen, die naderen, om de godheid te aanbidden, noch goud dragen aan het lichaam, noch aan een ezel voeder geven.

Het is bovendien duidelijk, dat zelfs de Pythagoreërs Typho tot den rang der demonen rekenden, daar hij tot het even getal 56 behoort. Immers evenals de driehoek tot de natuur van Pluto, Bacchus en Mars behoort, de eigenschappen van het vierkant aan Rhea, Venus, Ceres, Vesta en Juno eigen zijn en die van den twaalfhoek aan Jupiter, op dezelfde wijze is de figuur van den 56-hoek aan de natuur van Typho eigen; daar al de bovengenoemden in het systeem van Pythagoras als even zoovele genii of demonen beschouwd worden, moet de laatste op gelijke wijze opgevat worden.

Door het vermeende roode uiterlijk van Typho maakten de Egyptenaren bij hun offers van geen andere ossen gebruik, dan die, welke deze kleur hadden. Ja zoo ver gingen zij hierbij, dat, indien er ook maar één zwart, of wit haar op het dier voorkwam, dit voldoende was dit voor hun offer ongeschikt te verklaren. Het was hun meening, dat offers niet uit die dingen behooren te bestaan, welke aan de goden aangenaam en welgevallig zijn, doch integendeel eerder uit die schepsels, waarin de zielen van zondige en onrechtvaardige menschen in den loop der zielsverhuizing zijn opgesloten.

Hieruit ontsproot de gewoonte, welke door hen vroeger werd bewaard, een plechtige verwensching over het hoofd van het dier, dat geofferd moest worden, uit te spreken en later dit af te snijden en in de rivier den Nijl te werpen, hoewel zij dit nu aan vreemdelingen overlaten.

Het was daarom niet geoorloofd een os aan de goden te offeren, indien niet het stempel van de z.g. Sphragistae op dezen gestempeld was; deze priesters waren speciaal voor dit doel aangewezen en van hun dienstverrichting was ook hun naam afgeleid.

Dit stempel vertoont een man, op zijn knieën liggend, met de handen op den rug gebonden, terwijl de punt van een zwaard op zijn keel is gericht.

Niet door de kleur alleen meenen zij, dat er een zekere gelijkenis tusschen den ezel en Typho bestaat, doch tevens door zijn dommen en zinnelijken aard. Met deze opmerking stemt het feit overeen, dat zij aan Ochus, dien zij van alle Perzische heerschers het meest haatten, den scheldnaam "Ezel" gaven en dit gaf aanleiding tot het volgende antwoord van dien vorst, dat ons door Dino verhaald wordt: "Maar deze ezel zal van jullie os eten", en daarom doodde hij den Apis. In sommige gedeelten van zijn mythe wordt Set in de gedaante van een zwart zwijn voorgesteld. Voornamelijk is dat het geval, als hij door Ra aan Horus getoond wordt en hij het oog van den laatsten uit diens hoofd rukt.

Anubis.

Anubis, of zooals de Egyptenaren hem noemen, An-pu, was, volgens eenigen, de zoon van Osiris en Nephthys en volgens anderen, de zoon van Set. Hij had den kop van een jakhals en het lichaam van een man en was klaarblijkelijk het symbool van dat dier, dat rondom de graven sluipt.

Zijn vereering gaat tot zeer oude tijden terug en misschien was hij eertijds een totem. Hij was de gids van de dooden in de onderwereld, op hun weg naar de woning van Osiris. In verschillende mythologieën is een hond de metgezel van de dooden in de onderwereld. In prae-historische graven heeft men de bewijzen hiervoor gevonden. Zoowel in Mexico, als in Peru, werden honden bij de begrafenis geofferd en dit gebruik was inderdaad wijd en zijd verspreid.

Het is nu juist onwaarschijnlijk, dat Anubis den prae-historischen jakhals, die half en half een huisdier was, typifieert, of een vroeger type van den hond, van welken men veronderstelde, dat hij de dooden door de onderwereld geleidde.

Plutarchus vertelt, dat de Egyptenaren meenden, dat er een zekere gelijkenis tusschen Anubis en den hond bestond.

Anubis werd in het bijzonder te Lycopolis, Abt en elders vereerd. Hij neemt een voorname plaats in het Boek der Dooden in en wel voornamelijk in die gedeelten, welke met de rechtvaardiging en de balseming der dooden verband houden.

Hij was het, die de balseming van Osiris verrichtte. Hij verleende inderdaad zeer groote hulp aan de treurende zusters en dit is wellicht een typisch voorbeeld van de zorgzame en behulpzame eigenschappen van den hond.

Dit treft ons des te meer, indien men moet aannemen, dat hij de zoon van Set is en de geheele evolutie van de godheid kan wellicht beteekenen, dat de hond, toen hij nog in half wilden staat verkeerde en nog niet geheel en al huisdier, een wezen was, dat zich alleen 's nachts vertoonde en een twijfelachtige waarde bezat, doch dat, toen hij eenmaal als huisgenoot was opgenomen, zijn goede eigenschappen eerst recht te voorschijn kwamen.

Het is waarschijnlijk dat, als men de onderzoekingen tot op een zeer ver verwijderd tijdstip kon voortzetten en er tevens schilderingen uit dien tijd over waren, wij zouden vinden, dat Anubis afgeschilderd werd als de trouwe hond, die de gestorvenen op hun reis naar de Duat voorgaat.

Later, toen iedere god door de hulp van het priesterlijk vernuft zijn speciale functie had gekregen en misschien in een tijdvak, waarin de jakhals, of hond, totemistisch waren, vinden wij nog steeds een gids, die de dooden door de duisternis geleidt, maar met het uiterlijk en de attributen van een volwassen godheid. Hoe hij het nu gebracht heeft tot mummie-maker van Osiris, schijnt zeer lastig te verklaren; misschien dat het verband, dat tusschen een begraafplaats en een jakhals bestaat, hier eenig licht kan aanbrengen. Hij was het symbool voor het graf.

Professor Petrie vermeldt in dit verband, dat de sporen van den jakhals de beste gidsen naar de Egyptische graven zijn. Een rede van Anubis in het Boek der Dooden, (hoofdstuk 102), spreekt voor zijn beschermend karakter. "Ik ben gekomen", zegt hij daar, "om Osiris te beschermen". In verscheidene landen wordt de hond met den gestorvene afgemaakt, om hem tegen verschillende, afzichtelijke vijanden, die hij op zijn weg naar den Hades zou kunnen ontmoeten, te beschermen en het is niet onwaarschijnlijk, dat Anubis in vroegere tijden een gelijke rol speelde.

Het is de plicht van Anubis, toe te zien, dat de balans van de groote weegschaal, waarop het hart van de gestorvenen gewogen wordt, in behoorlijken toestand verkeert. Zooals Thoth voor de goden optreedt, zoo treedt Anubis voor den doode op, wien hij eveneens tegen den "Verteerder van de Dooden" beschermt.

De zielen van de afgestorvenen werden tevens door hem door de onderwereld geleid, terwijl hij hierbij door Up-uaut, een anderen god, in de gedaante van jakhals voorgesteld, werd bijgestaan; diens naam beteekent: "Hij, die de wegen opent". Deze goden worden soms met elkaar verward, maar in sommige teksten worden zij afzonderlijk genoemd.

De naam van den lateren god is voor zijn waarschijnlijke, vroegere functie teekenend. Anubis opende, volgens Dr. Budge, de wegen van het Noorden en Up-uaut die van het Zuiden. Anubis was verder, volgens hem, de personificatie van den zomerzonnestilstand en Ap-unt (Up-uaut) van dien van den winter. Hij beweert verder dat, wanneer zij met de twee Utchats, of oogen van Ra, verschenen, zij de vier kwartieren van hemel en aarde en de vier jaargetijden symboliseeren. Plutarchus heeft eveneens een passage over de astronomische beteekenis van Anubis, doch deze is ver van duidelijk.

In Heliopolis werd Anubis eenigszins met Horus verward, zooals men uit zijn attributen kan opmaken en in zeker opzicht nam hij het karakter van de oude fusie tusschen Horus en Set aan, en was in deze opvatting de personificatie van den dood en het vergaan. In den "Gouden Ezel", van Apuleius, vinden wij, dat Anubis vereerders had in Rome en hierbij is het opmerkelijk, dat men hem voorstelt met een hondenkop afgebeeld.

Thoth.

Thoth, of Tehuti, was een zeer samengestelde godheid Laten wij zijn attributen opsommen, voordat wij zijn beteekenis trachten te ontwarren. Men spreekt over hem als den teller van de sterren, den meter en teller van de aarde, terwijl hij tevens de machtige heer der boeken en schrijver der goden was en kennis bezat van de goddelijke gave der spraak.

Over het algemeen werd hij in menschelijke gestalte afgebeeld, met het hoofd van een ibis, doch somtijds verschijnt hij ook in de geheele gestalte van dien vogel. Op zijn hoofd droeg hij de wassende maan, een schijf, de Atefkraan en de kronen van het Noorden en het Zuiden.

In het Boek der Dooden wordt hij geschilderd als schrijver, die het schrijfriet en het palet in de hand houdt, terwijl hij op de tafeltjes de getuigenissen van de dooden opschrijft, wier hart voor hem gewogen wordt.

Er is geen reden te vermoeden, dat Thoth van een totemistisch karakter was, daar hij tot de cosmogonische, of natuurgoden, behoort en geen andere, of weinigen van dezen, tot dit type behooren. Een andere vorm, waarin Thoth voorkomt, is die van een aap, met een hondenkop voorzien en deze is, zooals men vastgesteld heeft, het symbool voor het evenwicht.

De voornaamste plaats, waar hij vereerd werd, was Hermopolis; hier veronderstelde men, dat Ra ontstaan was. Men schreef Thoth de geestelijke vermogens van Ra toe en inderdaad de gezegden van Ra schenen van zijn lippen gevloden te zijn. Hij was de verpersoonlijking van de goddelijke gave van de spraak. Doch wij loopen de zaak vooruit. Laten wij eerst zijn oorspronkelijke beteekenis trachten te ontdekken, voordat wij de meer ingewikkelde attributen opsommen, welke in later tijd in overstelpende hoeveelheid zijn deel geworden zijn.

Het is zeer duidelijk, dat Thoth oorspronkelijk een maangod is. Hij wordt "de groote god" en "de god van den hemel" genoemd. Onder primitieve volken is de maan de groote regelaar van de jaargetijden. Een maankalender is altijd in gebruik vóór de invoering van de zonnetijdrekening. Aldus is de maan de groote meter van het leven, in de oudste tijden.

Oude volken spreken aldus over de zaai-, de lente-, de graan- of oogstmaand en zoo voorts. Thoth was dus een meter, omdat hij een maangod was en omgekeerd, vanwege zijn beteekenis van maangod, was hij een meter.

Als Aah-Tehuti is hij het symbool voor de nieuwe maan, daar de tijd door de oudste volken vanaf haar eerste verschijning berekend wordt.

Zijn oog is de volle maan, evenals het oog van Ra de zon in den middag beteekent. Doch het linkeroog van Ra is eveneens de symbolische voorstelling hiervan, of van het koude gedeelte van het jaar, wanneer de zonnestralen niet zoo sterk zijn.

Somtijds wordt zij ook "het zwarte oog van Horus" genoemd, terwijl het witte oog dan de zon voorstelt. Dit is een staaltje, hoe de attributen van de Egyptische godheden geheel en al verward worden.

Daar hij een maangod was, werd hij tot op zekere hoogte met het vocht verbonden en in hoofdstuk 95 van het Boek der Dooden lezen wij over hem in zijn kwaliteit van regen- en dondergod.

Thoth als Zielerechter.

Het was echter als zielerechter, dat Thoth in de oogen van de Egyptische priesters van groot gewicht was. Hij oefende dit ambt uit door zijn kennis van de letters en zijn gave, om te weten, wat recht, of in evenwicht was.