Mythen en Legenden van Egypte

Part 7

Chapter 7 3,920 words Public domain Markdown

Over de bijzonderheden van deze mythe heeft Sir J. G. Frazer [16] getuigd dat: "Osiris een van de personificaties is van den wasdom, waarvan de jaarlijks terugkeerende dood en wederopstanding in zoo vele verschillende landen zijn gevierd", dat hij een god is analoog met Adonis en Attis.

"De gelijkenis over het algemeen van de mythe en den ritus van Osiris met dien van Adonis en Attis", zegt Frazer, "is in het oog vallend. In beide gevallen zien wij een god, wiens ontijdige en gewelddadige dood door een hem beminnende godin wordt bejammerd en jaarlijks door zijn aanbidders wordt gevierd.

Het karakter van Osiris, als godheid van den wasdom, blijkt duidelijk uit de legende, welke vertelt, dat hij de eerste was, die de menschen het gebruik van het koren leerde en ook uit het gebruik zijn jaarlijksch feest met den akkerbouw te beginnen. Ook vertelde men van hem, dat hij den wijnbouw had ingevoerd.

In een van de kamers in den grooten tempel van Isis te Philae, aan Osiris gewijd, wordt het lichaam van Osiris afgebeeld met korenaren, welke uit zijn lichaam te voorschijn komen en daarbij ziet men de afbeelding van een priester, die de korenaren, uit een kan, welke hij in de hand heeft, begiet. Het daarbij behoorend opschrift vertelt, dat dit de gestalte is van hem, wiens naam men niet mag noemen, van Osiris van de mysteriën, die ontspringt uit de terugkeerende wateren".

Een meer aanschouwelijker wijze Osiris als personificatie van het graan af te beelden, kan moeilijk bedacht worden, terwijl het opschrift, bij de schildering behoorende, aanduidt, dat deze personificatie de kern van de mysteriën van den god was, het geheim, dat alleen den ingewijden werd ontsluierd.

Bij de beoordeeling van het mythisch karakter van Osiris moet aan dit gedenkteeken groot gewicht worden gehecht. Het verhaal, dat stukken van zijn lichaam door het land verspreid werden, kan een mythische uitdrukking zijn, of voor het zaaien, of voor het wannen van het graan. De laatste interpretatie wordt nog waarschijnlijker door het verhaal, dat Isis de afgescheurde ledematen van Osiris op een korenzeef legde.

Het kan ook zijn, dat de legende een herinnering is aan het gebruik, een menschelijk slachtoffer te dooden, als een voorstelling van de levenskracht van het graan en het verdeelen van zijn vleesch, of het verstrooien van zijn asch, om het land vruchtbaar te maken.

Maar Osiris was meer dan een geest van het koren; hij was ook een boomgeest en dit zal wel zijn oorspronkelijk karakter zijn geweest, omdat de boomvereering in de godsdienstgeschiedenis natuurlijkerwijze ouder is dan de vereering der graanvruchten.

Zijn karakter als boomgeest wordt aanschouwelijk voorgesteld door Firmicus Maternus. Nadat een pijnboom geveld is, wordt het midden uitgehold en van het aldus uitgeholde hout een beeld van Osiris vervaardigd en dit wordt weer in de holte van den boom begraven. Ook hier kan men zich moeilijk voorstellen, hoe de opvatting van een boom, door een persoonlijk wezen bewoond, eenvoudiger kan worden uitgedrukt.

Het aldus vervaardigde beeld van Osiris werd een jaar bewaard en daarna begraven, juist zooals met het beeld van Attis werd gedaan, dat in den pijnboom werd vastgehecht. De ceremonie van het vellen van den boom, zooals dit door Firmicus Maternus wordt beschreven, schijnt door Plutarchus te worden aangeduid. Het was waarschijnlijk de ritueele tegenhanger van de mythische ontdekking van het lichaam van Osiris, ingesloten in de tamarinde. Wij mogen onderstellen, dat de oprichting van de Tatu-zuil, bij het einde van het jaarlijksch feest ter eere van Osiris, identisch was met de plechtigheid, door Firmicus beschreven; men moet er verder wel op letten, dat in de mythe de tamarindeboom een zuil was, in het paleis van den koning.

Evenals het gebruik een pijnboom te vellen en een beeld daarin te verbergen bij den dienst van Attis voorkomt, behoorde dit gebruik misschien tot die klasse, waaronder het aanbrengen van den meiboom het meest bekend is.

Wat den pijnboom in het bijzonder betreft, de boom van Osiris te Denderah is een conifeer en de kist, welke het lichaam van Osiris bevatte, wordt hier afgeschilderd door den boom te zijn ingesloten. Op de monumenten ziet men dikwijls een denappel, welke als offer aan Osiris wordt aangeboden en een manuscript spreekt van den ceder, als uit hem ontsproten. De vijgeboom en de tamarinde zijn eveneens zijn boomen. In inscripties zegt men dat hij in dezen huist en zijn moeder Nut wordt dikwijls in een vijgeboom afgeschilderd.

In een graf te How (Diospolis Parva) ziet men een tamarinde, welke de kist van Osiris overschaduwt en in de rij van beelden, welke de mystieke geschiedenis van Osiris in den grooten tempel te Philae illustreeren is o.a. een tamarinde afgebeeld, welke twee mannen met water begieten.

"De inscriptie op dit laatste monument", aldus spreekt Brugsch, "laat geen twijfel over, of men geloofde, dat de groei van de aarde verbonden was met den groei aan den boom en dat de afbeelding betrekking heeft op het graf van Osiris te Philae, waarvan Plutarchus vertelt, dat het overschaduwd werd door een plant methide, welke slanker was dan een olijfboom".

Deze afbeelding, men dient dit goed te bedenken, zien wij in dezelfde kamer, waarin de god is afgebeeld met een lichaam, waaruit korenhalmen te voorschijn komen. Op andere inscripties wordt hij aangeduid als: "hij, die zich in den boom bevindt", "de eenzame in de acacia" enz. Op de monumenten wordt hij soms als mummie, door een boom of planten bedekt, voorgesteld. Het komt verder geheel met het karakter van Osiris, als boomgeest, overeen, dat men zijn aanbidders verbood boomtakken kwaad te doen en met zijn karakter, als god van den wasdom in het algemeen, strookt de omstandigheid, dat men niet toestond waterputten, welke van zooveel gewicht voor de irrigatie van de zuidelijke landen zijn, dicht te werpen.

Frazer bestrijdt verder de theorie van Lepsius; volgens dezen toch moet hij met den zonnegod Ra geïdentificeerd worden. Osiris, zegt de Duitsche geleerde, werd zelfs in het Boek der Dooden Osiris-Ra genoemd en Isis, zijn echtgenoote, wordt dikwijls de koninklijke gezellin van Ra genoemd. Frazer nu meent, dat deze identificeering wellicht een politieke beteekenis gehad heeft.

Hij geeft toe, dat de Osiris-mythe wellicht ontleend is aan de dagelijksche opkomst en ondergang van de zon en hij stelt in het licht, dat de meeste schrijvers, die de gewone theorie zijn toegedaan, uitdrukkelijk aantoonen, dat hier sprake is van den dagelijkschen en niet den jaarlijkschen omloop der zon. Maar waarom, vraagt Frazer op zijn beurt, was het dan noodig, dat er een jaarlijksch feest werd gevierd? Dit feit alleen schijnt voor de uitlegging der mythe, als beschrijving van den op- en ondergang der zon, fataal. Hoe kan men verder zeggen, ook al is het mogelijk te spreken over een dagelijkschen dood van de zon, dat zij in stukken wordt gescheurd?

Plutarchus beweert, dat, volgens sommige Egyptische wijsgeeren, Osiris een personificatie van de maan was, omdat de maan, met haar vochtig en vruchtbaar licht, de voortbrenging der dieren en den groei der planten begunstigt.

Onder wilde volken wordt de maan als een groote bron van vochtigheid beschouwd. Men denkt, dat onder haar bleeke stralen de plantengroei bloeit en men gelooft van haar, dat zij de vermeerdering van menschen, dieren en planten bevordert.

Frazer nu somt verschillende redenen op, welke volgens hem bewijzen, dat de beteekenis van Osiris niets anders dan de maan zelf is. In het kort zijn het dezen, dat men zegt, dat hij acht en twintig jaar heeft geleefd (de mythische uitdrukking voor een maand) en dat men vertelt, dat zijn lichaam in veertien stukken gescheurd is. Dit zou een uitlegging kunnen zijn voor de afnemende maan, daar het den indruk geeft, dat deze iederen dag van de 14, welke de tweede helft van de maanmaand uitmaken, een gedeelte van zichzelf verliest. Typhon vond het lijk van Osiris bij volle maan; op deze wijze zou het verscheuren van zijn ledematen bij 't afnemen der maan begonnen zijn.

Primitieve denkbeelden over de maan.

De primitieve mensch legt de afname van de maan als een werkelijke inkrimping uit en het schijnt hem toe, dat zij voortdurend in stukken wordt gebroken, of weg-gevreten. De Indianen van Z.-W. Oregon spreken over de maan als een voorwerp, dat in stukken wordt gebroken en de Dacotas gelooven, dat, als de maan vol is, een menigte muizen aan den eenen kant begint te knabbelen, totdat zij haar geheel opgepeuzeld hebben.

Om tot de bewijsvoering van Frazer terug te keeren, deze haalt Plutarchus aan en stelt vast, dat bij nieuwe maan van de maand Phanemoth (het begin der lente), de Egyptenaren een feest vierden, dat zij noemden: "het binnengaan van Osiris in de maan" en dat zij bij gelegenheid der plechtigheid "de begrafenis van Osiris" genaamd, een kist maakten, in den vorm van een halve maan, omdat "de maan, wanneer zij de zon nadert, halvemaanvormig wordt en verdwijnt"; en dat verder eens per jaar, bij volle maan, biggen (waarschijnlijk een symbool voor Set of Typhon) gelijktijdig aan de maan en aan Osiris werden geofferd.

In een hymne, van welke men veronderstelt, dat zij door Isis aan Osiris wordt gericht, leest men dat Thoth:

Uw ziel plaatste in de bark Maat Onder den naam, dien gij draagt als maangod.

En op een andere plaats:

Gij, die komt tot ons als een kind iedere maand, Wij zullen u altijd blijven vereeren. Uw uitstraling verhoogt den glans Van de sterren van Orion aan het firmament.

In deze hymne wordt Osiris op onweerlegbare wijze met de maan geïdentificeerd [17].

Frazers theorie over Osiris komt hierop neer, dat hij is te beschouwen als een god van den wasdom, of van het graan en dat deze later geïdentificeerd, of verward werd met de maan. Maar men mag veilig aannemen, dat het vanwege zijn wezen als maangod was, dat hij den rang kreeg van god van den wasdom.

Een korte beschouwing over de omstandigheden, welke aan de maanaanbidding verbonden zijn, kunnen ons wellicht tot een dergelijke onderstelling leiden. De zon vereischt, als god, slechts weinig nader onderzoek. Reeds op een vroeg tijdstip in de menschelijke gedachte werden de verschijnselen van den groei aan zijn werkzaamheid toegeschreven en het is waarschijnlijk, dat wind, regen en andere uitingen van de atmospheer, eveneens aan zijn invloed werden toegeschreven, of als zijn uitstralingen werden beschouwd. Speciaal is dit het geval in het tropisch klimaat, waar de snelheid van den plantengroei zoodanig is, dat de mensch aldaar een absoluut bewijs van de zonnekracht ontvangt.

Naar analogie hiervan wordt ook de zon van den nacht, de maan, als groeikracht beschouwd en de primitieve volken schrijven aan haar krachten toe, welke aan die van de zon gelijk zijn.

Tevens moet bij hen, om de een of andere reden, voor ons verborgen, de gedachte zijn opgekomen de maan als een groote bewaarplaats van magische kracht te beschouwen. Het ligt in de rede, dat de twee schijven van den dag en van den nacht al spoedig voor goddelijke wezens werden gehouden.

Voor den primitieven mensch is de zon natuurlijkerwijze van goddelijken oorsprong, want de barbaarsche landbouwer hangt voor zijn bestaan van hem af en achter haar is geen geschiedenis van een evolutie uit een ouderen vorm.

Zoo is het eveneens met den maangod. In de Lybische woestijn is de maan 's nachts een voorwerp, dat het geheele landschap beheerscht en het is moeilijk te gelooven, dat haar intense schittering en haar alles doordringend licht geen diepen indruk van eerbied en vereering op de nomaden uit die streken zou gemaakt hebben.

Inderdaad de eerbied voor zulk een voorwerp kan zeer goed de vereering van een zuiver koren- en boomgeest voorafgaan, daar deze in zulk een omgeving weinig speelruimte voor de openbaring van zijn kracht kan nebben. Wij merken verder op, dat deze maangod van de Nubiërs uit het Neolithisch tijdperk, in een vruchtbaarder land ingevoerd, spoedig geïdentificeerd werd met den wasdom, door vochtigheid verricht en op deze wijze met den Nijl zelf.

In zijn kwaliteit van god over de dooden levert Osiris geen groote moeilijkheid tot verklaring op en in deze ééne figuur vatten wij de verbinding van de ideeën van de maan, de vochtigheid, de onderwereld en den dood tezamen, inderdaad alle verschijnselen van geboorte en vergaan.

Osiris en de Persephone-mythe.

De lezer moet ongetwijfeld de in het oog springende gelijkenis tusschen de mythe van Osiris en die van Demeter en Kore, of Persephone, hebben opgemerkt. Inderdaad sommige avonturen, en wel voornamelijk dat betreffende het kind van den koning van Byblos, zijn geheel en al identisch met gebeurtenissen uit het leven van Demeter. Het is daarom zeer waarschijnlijk, dat beide mythen uit een en dezelfde bron stammen.

Terwijl wij echter in het Grieksche voorbeeld een moeder naar haar kind zien zoeken, zoekt in de Egyptische mythe een vrouw naar de overblijfselen van haar echtgenoot. In de Grieksche mythe treffen wij Pluto als den echtgenoot van Persephone en den beheerscher der onderwereld aan, en tevens, evenals Osiris, voor een god van het graan en den wasdom gehouden, terwijl Persephone, evenals Isis, waarschijnlijk de personificatie van het graan zelf is.

In de Grieksche mythe hebben wij verder een mannelijke en twee vrouwelijke hoofdpersonen, in de Egyptische slechts een mannelijke en een vrouwelijke. De analogie kan wellicht nog nader gebracht worden door de godin Nephthys, die een zuster-godin van Isis was, of in elk geval aan haar verwant, aan het Egyptische verhaal toe te voegen. Aldus zou het den schijn kunnen hebben, dat de Helleensche mythe door Egyptische invloeden, misschien door Cretensische bemiddeling, vervalscht was.

Er rest ons nog Osiris, als heerscher in de onderwereld, aan een beschouwing te onderwerpen. Tot in zeker opzicht is dit reeds in het hoofdstuk, dat over het Boek der Dooden handelt, geschied. De god van de onderwereld is in bijna alle voorkomende gevallen een god van de groeikracht der planten en niet omdat Osiris de god der dooden was, beschermde hij de vruchtbaarheid, doch omgekeerd. Om duidelijker te spreken, Osiris was eerst een god der vruchtbaarheid en eerst later werd hij de god der onderwereld, dit was echter niets toevalligs, het was het logisch resultaat van zijn wezen als god der groeikracht.

Een nieuwe theorie over Osiris.

Wij moeten ook zijn personificatie van Ra in het kort beschouwen; dezen toch ontmoet hij, gaat in hem over en onder zijn naam gaat hij 's nachts door zijn eigen gebied. Dit zou kunnen duiden op een fusie van de zon- en de maanmythe, de mythe van de zon, welke 's nachts onder de aarde voortschrijdt, vermengd met die van de nachtelijke reis van de maan, langs het hemelgewelf.

Osiris was een maangod. Deze omstandigheid verklaart de helft van de mythe; de andere helft moet als volgt verklaard worden: Ra, de zonnegod moet 's nachts de onderwereld doorwandelen, indien hij 's morgens in het Oosten wil opgaan. Osiris echter, als maangod en misschien als oudere god, alsook in zijn kwaliteit van god van de onderwereld, maakt zich reeds van de baan, welke hij moet passeeren, meester. De banen van beide goden worden vereenigd en wellicht is er eenig bewijs voor deze redevoering in de omstandigheid, dat in het rijk van Seker, Afra (of Osiris) de richting van zijn reis van het Noorden naar het Zuiden wijzigt naar een punt vlak O.-waarts, naar de bergen van den zonsopgang.

De samensmelting van de twee mythen is geheel en al logisch, daar de maan gedurende den nacht in dezelfde richting gaat, als de zon gedurende den dag heeft ingeslagen, en wel van O. naar W.

Gemakkelijk zal men kunnen zien, hoe het kwam, dat men Osiris niet alleen als god en rechter van de dooden, maar ook als symbool van de wederopstanding van het menschelijk lichaam beschouwde.

Frazer hecht groot gewicht aan een schildering van Osiris, waar men zijn lichaam met ontkiemende korenaren bedekt ziet; voor Frazer is dit een evident bewijs, dat Osiris eigenlijk een korengod is. Het komt ons echter voor, dat deze schildering louter een symbool van de wederopstanding is. De omstandigheid, dat Osiris hier wordt voorgesteld in de rustige houding van een doode, geeft aan deze opvatting groote waarschijnlijkheid. De korenaar is over de geheele wereld een symbolische voorstelling van de wederopstanding.

Bij de Eleusinische mysteriën toonde men aan de novices een korenaar, als symbool voor de lichamelijke wedergeboorte en Loskiel, een van de Moravische broeders, citeert een Indiaan uit Noord-Amerika, die aldus spreekt: "Wij Indianen zullen niet voor goed sterven. Zelfs de graankorrels, welke wij onder de aarde verbergen, groeien op en worden levend".

Onder de Maya van Midden-Amerika en onder de Mexicanen heeft de godin van de maïs een zoon, de groene, jonge teedere loot van den maïsplant en deze herinnert ons sterk aan Horus, den zoon van Osiris, dien wij eveneens als een typisch voorbeeld van de wederopstanding kunnen aannemen.

Later werd de mythe van den wasdom, welke met Osiris verbonden is, in een theologisch leerstuk, betreffende de wederopstanding van den mensch, gemetamorfoseerd en men geloofde, dat Osiris eenmaal een menschelijk wezen was geweest, dat gestorven en verscheurd was. Zijn lichaam was echter weer door Isis, Anubis en Horus, op bevel van Thoth, hersteld.

Met dit proces schijnt een magische ceremonie gemengd te zijn en deze werd op haar beurt door de Egyptische priesters bij iederen doode toegepast en wel in vereeniging met de balseming en de begrafenis van de dooden, in de hoop der wederopstanding.

Men beschouwde nu Osiris als de voornaamste oorzaak hiervan en hij was in staat het leven na den dood te schenken, omdat hij zelf dood was geweest. Men gaf hem den naam van "Eeuwigheid en onvergankelijkheid" en hij was het, die maakte, dat man en vrouw herboren werden.

De opvatting over de wederopstanding schijnt vanaf zeer oude tijden in Egypte in zwang te zijn geweest. Het "Boek der Dooden", dat men zeer goed "Het Boek van Osiris" zou kunnen noemen, is de voornaamste bron over Osiris; hierin leest men over zijn dagelijksche bezigheden en zijn nachtelijke reizen in zijn onderaardsch koninkrijk.

Isis.

Men moet Isis, of Ast, als een van de oudste en gewichtigste opvattingen over een vrouwelijke godheid in Egypte opvatten In den tijd der dynastiën beschouwde men haar als de tegenhangster van Osiris en wij mogen veilig aannemen, dat zij in de duistere tijden vóór de dynastiën een gelijke positie innam. De philologie voor den naam schijnt onbegrijpelijk. Geen andere godheid is waarschijnlijk over een zoo uitgebreid tijdvak vereerd, want haar eeredienst verdween volstrekt niet met dien van andere Egyptische goden, en bloeide later èn in Griekenland èn in Rome en wordt nog ernstig uitgeoefend in het hedendaagsch Parijs.

Isis stamde wellicht uit Libye en wordt gewoonlijk voorgesteld als een vrouw, gekroond met het symbool van haar naam, terwijl zij in haar hand een scepter van papyrus houdt. Boven haar kroon steken een paar horens uit, welke een discus ophouden en deze wordt op zijn beurt door haar hieroglyph, welke een zetel of troon voorstelt, bedekt. Soms stelt men haar ook met schitterende en veelkleurige vleugels voor, waarmede zij zich in beweging zet, om het lijk van Osiris te bezielen.

Geen enkele andere godin was bij de Egyptenaren zoo populair; waarschijnlijk is de moeite en de ellende, waarvan haar mythe vol was, de reden hiervoor. Deze omstandigheid trok de sympathie van het volk tot haar, doch dit was niet de eenige reden, waarom zij bij de Egyptische volksmassa zoo geliefd was; zij was toch de groote, weldoende godin-moeder en de vertegenwoordigster van den menschelijken geest, in zijn meest geliefden vorm.

In haar mythe, wellicht de schoonste en meest treffende, welke ooit uit het menschelijk brein te voorschijn kwam, vinden wij de ontwikkeling van een zuivere graangodin tot een gevoelvolle vrouw en moeder, die over den dood van haar man treurt en alle pogingen in het werk stelt, om hem tot het leven terug te brengen.

Isis als voorstelling van den wind.

Hoewel Isis ongetwijfeld verscheidene gedaanten bezit en men haar als de groote korenmoeder van Egypte kan beschouwen, is het zeer waarschijnlijk, dat zij in één van haar phases den wind van den hemel voorstelt. Het schijnt, dat dit door hen, die zich met de Egyptologie bezighielden, niet opgemerkt is, maar het bewijs schijnt zeer gemakkelijk.

Osiris, als voorstelling van het koren, sterft, wordt weer levend en naar alle kanten over het land verspreid. Isis is daarna niet te troosten en jammert luide over zijn verlies; zij is zoo luid en hartroerend in haar klacht, dat de prins van Byblos, dien zij voedt, van schrik sterft.

Heerlijke geuren draagt zij met zich, zooals de dienstmaagden van de koningin van Byblos vertellen. Zij verandert zich daarna in een zwaluw. Zij doet den dooden Osiris weer leven, door hem met haar vleugels toe te waaien en zijn mond en neusgaten met lieflijke lucht te vullen.

Nu moet men goed letten op het feit, dat zij een van de weinige Egyptische godinnen is, die vleugels dragen. Zij is een groot reizigster en jammert en snikt onophoudelijk.

Indien deze hoedanigheden en omstandigheden geen zinnebeelden van den wind zijn, zal een vernuftiger hypothese, dan hierboven vermeld is, noodzakelijk zijn voor de mythologische betrekking. Isis toch weeklaagt, evenals de wind, zij gilt in den storm, zij draagt den geur van kruiden en bloemen door het land met zich, zij neemt de gestalte van een zwaluw aan, een van de snelste vogels en het typisch voorbeeld van de snelheid van den wind, zij gebruikt daarna het element, waarover zij de meesteres is, om den dooden Osiris te doen herleven; zij bezit verder vleugels, zooals alle godheden, die met den wind verbonden zijn, hebben en evenals de rest van haar soort gaat zij voortdurend heen en weer door het land.

Wij willen hierbij niet de hypothese opwerpen, dat zij een windgodheid par excellence was, doch in een van haar phasen verpersoonlijkt zij zonder twijfel de kracht van den lentewind, welke doet herleven en welke jammert en huilt over het graf van het slapende graan en nieuwe levensaderen aan het werkelooze zaad brengt.

Isis is een van die godheden, welke door toevallige, of andere omstandigheden, bestemd waren tot grootheid te geraken.

Zij bereikte van een Libysche geest, welke op een of andere manier met den groei van het graan verbonden was, gedurende haar regeering van meer dan vier duizend jaar zulk een hoogte, dat alle mogelijke eigenschappen aan haar werden toegewezen.

Dit is zonder uitzondering het geval met godheden, welke gelukkig zijn. Niet alleen nemen zij de eigenschappen van hun medegoden tot zich, maar zelfs eigenschappen, welke met hun oorspronkelijk karakter niet overeenkomen, worden hen, vanwege hun populariteit, in groote mate toegewezen.

Dit was eveneens met Tezcatlipoca, een Mexicaanschen god, oorspronkelijk van de lucht, doch later de god van het noodlot en het geluk en eigenlijk de hoofdgod van het pantheon der Aztec, het geval, en zoo kan men nog veel meer voorbeelden aanhalen.

Aldus is Isis de geefster van leven en voedsel aan de dooden in de Duat, d.w.z. zij brengt met zich de frissche adem van den hemel in de onderwereld en zooals de luchtgod Tezcatlipoca met de rechtvaardigheid geïdentificeerd werd, zoo werd ook Isis met Maat, de godin der rechtvaardigheid, vereenzelvigd.

Isis is wellicht tevens de personificatie van den morgenwind, waaruit de zon geboren wordt. In de meeste landen steekt op het oogenblik, dat de zon opkomt, een wind op en van dezen kan men zeggen, dat hij de zon aankondigt. In haar mythe vinden wij eveneens, dat, toen zij het huis, waarin zij door Set gevangen was gezet, verliet (het zomerverblijf van den wind, welke gedurende dien tijd Egypte geheel en al verlaat), zij door zeven schorpioenen werd voorafgegaan, de hevig stekende rukwinden van den winter.