Part 6
Hoofdstuk 118 (Saïte Recension) moet worden opgezegd: "op den dag der nieuwe maan, op den zesden feestdag, op den 15en feestdag, op het feest van Uag, op het feest van Thoth, op den geboortedag van Osiris, op het feest van Menu, in den nacht van Heker, gedurende de mysteriën van Maat, gedurende de viering van de mysteriën van Akertet" en zoo voorts. Herodotus, van wien men vermoedt, dat hij in deze mysteriën was ingewijd, houdt zich buitengewoon over dezen gesloten en juist wanneer hij onze belangstelling heeft opgewekt, bemerkt hij op 't juiste moment, dat zijn lippen voor dat onderwerp verzegeld zijn.
Is er echter wel iets zoo buitengewoons bij deze schijnbaar verschrikkelijke dingen? Theosophen en anderen willen ons doen gelooven, dat in de duistere crypten van Egyptische betoovering spiritistische oproepingen en tooverkunsten van een duister soort werden beoefend. Wat is waarschijnlijk?
De Grieksche mysteriën.
Laat ons in het kort de mysteriën van het oude Griekenland onderzoeken. Wij vinden, dat dezen voor het meerendeel prae-Helleensch waren en dat de overwonnen bevolking zich in een mysterieus waas hulde, om zijn godsdienstige ceremonies voor de oogen van de indringers te verbergen. Deze vroegere bevolking nu erfde een grooten beschavingsinvloed van Egypte.
De gewichtigste der mysteriën waren wellicht die van Eleusis en wij mogen dezen als een voorbeeld voor alle Grieksche mysteriën stellen. De hoofdpersonen in deze mysterieuse cultuur waren Demeter, Kore (of Persephone) en Pluto. Nu waren deze allen goden van de onderwereld en evenals alle andere goden van den Hades over de geheele wereld, zijn zij tot den landbouw terug te brengen. Veel aangaande het wezenlijk ritueel bij de opvoering der Mystae blijft nog onzeker, maar één ding is zeker en wel dat de ceremonie eigenlijk een passiespel was en hierin de wederwaardigheden van Demeter en Kore werden opgevoerd, een symbolische voorstelling van den groei van het graan. Hippolytus heeft verteld, dat aan de deelnemers der Eleusinische mysteriën een korenhalm werd getoond. Het geheele mysterie wordt aldus als een symbolische voorstelling van den wasdom van het graan verklaard. Hoe de plechtigheden, welke hierop betrekking hadden, het aanzien hebben gegeven aan die, waarvan de deelnemers als het ware een geheim verbond vormden, is niet geheel duidelijk.
De negers van Australië en sommige stammen van Midden-Amerika hebben genootschappen en plechtigheden, welke bijna met die van Eleusis identisch zijn, doch waarom zij in zulk een geheimzinnig waas gehuld zijn, is moeilijk te begrijpen.
Men heeft verteld, dat de mysterieuse mise en scène van deze godsdienstige vereenigingen in de meeste gevallen haar ontstaan te danken had aan de verschrikkingen der onderwereld en het miasma, dat uit deze te voorschijn kwam en een ritueele reiniging noodzakelijk maakte, doch dit schijnt niet geheel en al voor uitlegging vatbaar. In de Popul Vuh van Midden-Amerika vinden wij melding gemaakt van dingen, welke het werk schijnen te zijn van een geheim genootschap onder de goden van de onderwereld, en eenige van dezen zijn goden van den wasdom.
Het schijnt, dat wij in het Boek der Dooden, dat wellicht uit prae-historische tijden stamt en zeer waarschijnlijk het overblijfsel is van een neolithischen cultus, met de verschijnselen aan den wasdom verbonden, in eenig opzicht een dergelijk gezelschap geschetst zien.
Op deze bladzijde vinden wij wachtwoorden en contraseinen en al het toovermateriaal, dat noodzakelijk is voor het bestaan van zulk een geheimen cultus, als waarover wij spraken. Wij kunnen dus aannemen, dat de Egyptische mysteriën veel geleken op die van Griekenland, dat hun ritueel hetzelfde karakter vertoonde als het Boek der Dooden en dat zij beiden uit eenzelfde bron stamden. Al deze mystische vereenigingen schijnen van neolithischen oorsprong te zijn en voor het meerendeel op den landbouw te berusten.
Indien wij nu bij Herodotus en andere schrijvers de neiging bespeuren, deze mysteriën intact te bewaren, staan wij nog eens tegenover de oorspronkelijke quaestie.
Waarom waren deze plechtigheden mysteriën? In de eerste plaats is alle groei geheimzinnig en de primitieve mensch beschouwde dit wellicht in zeker opzicht als tooverkunst. Ten tweede moet men wel degelijk in het oog houden, dat al deze mysteriën, tenminste in de Oude Wereld, onder den grond werden gehouden en dat daar de symbolische voorstelling van den groei van het graan in scène was gezet, waarschijnlijk met het doel de machten van den wasdom tot grootere werkzaamheid aan te zetten door den invloed der magie.
De Egyptische tempel.
De oudste tempelvorm was slechts een hut van gevlochten teenen, en diende als bewaarplaats van de symbolen van den god; het altaar was een rieten mat. De oudste tempels ontleenden hun ontstaan aan den muur, welke rondom den naamzuil stond, welke later van een dak werd voorzien.
Met de komst van het Nieuwe Rijk kreeg de wijze van tempelbouw een meer gecompliceerd karakter, hoewel de wezenlijke plattegrond, van de oudste tot de laatste tijden, in wezen onveranderd bleef. De eenvoudigste vorm was een ringmuur, terwijl de pylon of ingangspoort door torens geflankeerd was; hiervoor werden gewoonlijk twee reusachtige beelden van den koning en twee obelisken geplaatst; hierop volgde het inwendige heiligdom, de naos, hetwelk de symbolen der godheid bevatte.
Dit was kunstig bewerkt, verdeeld in drie lanen of sphinxen, verder boven van kolommen en een hypostyl of zuilenhal voorzien. Op deze wijze vergrootten verscheidene Egyptische koningen de bouwwerken van hun voorgangers.
Deze tempels stonden in het midden van bevolkte steden, terwijl de ringmuur het lawaai en rumoer van de nauwe straten buiten sloot. Een breede weg, recht door het bewoonde kwartier aangelegd en aan beide zijden door rijen leeuwen, rammen en andere heilige dieren geflankeerd, leidde naar den grooten pylon, den hoofdingang. Voor den ingang bevonden zich twee obelisken en eveneens een beeld van den koning, die den tempel had gesticht, als beschermer van het heiligdom.
Aan iedere zijde van den ingang verhief zich een hooge toren, vierkant van vorm, met zijden naar den binnenkant afloopend. Dezen waren natuurlijk voor verdedigingsdoeleinden bestemd en op deze wijze kon de doorgang door de pylons met succes tegen den vijand versperd worden, terwijl men vanuit de poorten in den muur uitvallen kon ondernemen. Lange masten werden aan den voet van den pylon vastgehecht.
Vroolijk gekleurde wimpels waaiden vanaf deze masten om den invloed van het booze ver te houden; eveneens had het symbool van de zon, de gevleugelde discus, welke zich boven de groote poorten bevond, hetzelfde doel. Deze poorten werden dikwijls uit hout vervaardigd, een zeer kostbare grondstof, zooals wij reeds zagen en bedekt met een laag glinsterend goud.
De buitenmuren werden versierd met levendig geschilderde reliëfs en inscripties, welke de daden van den stichter afbeeldden, want de tempel was zoowel een persoonlijk monument, alsook een heiligdom van den beschermgod.
Aan de binnenzijde van den pylon bevond zich een groote hof in de open lucht, gewoonlijk met een zuilengaanderij aan beide zijden; in groote tempels echter, zooals bij die in Karnak, bevond zich één rij zuilen. Hier werden de groote feesten gevierd, en een groot aantal burgers mocht hieraan deelnemen. Door een lagen ingang kwam men van hieruit in de hypostyl; de vensters van deze bevonden zich dicht bij de zoldering, zoodat er een schemerlicht heerschte, terwijl het heiligdom in diepere duisternis was gehuld.
Het heilige der heiligen.
Het heilige der heiligen was de voornaamste kamer van den tempel. Hier stond de naos, een hokje, rechthoekig van vorm en van voren open, met een deur van traliewerk voorzien. Dit diende als bewaarplaats van de goddelijke symbolen, of in sommige gevallen voor de kooi van het heilige dier.
Aan beide zijden van het heiligdom waren donkere kamers, als bergplaatsen gebruikt voor de heilige gewaden, de standaards, bij de processies gedragen, de heilige bark, het tempelgereedschap en zoo voorts. Men moet wel bedenken, dat in dezelfde mate als men van het helle licht van het voorste hof naar de diepste duisternis van het Heilige der Heilige voortschreed, evenzeer de zoldering minder hoog werd. De muren en zuilen aan de binnenzijde waren met reliëfs in de schitterendste kleuren versierd; dezen gaven een voorstelling van den ritus en de aanbidding, welke den god van den tempel werd bewezen.
Rondom den tempel bevond zich de temenos, door een muur ingesloten; hierin bevonden zich andere kleinere tempels met heilige boomen en vogels, meren, waarop de heilige bark dobberde, de woningen van de priesters en soms ook paleizen, temidden van tuinen.
Aan de buitenzijde zag men wegen, welke naar verschillende richting leidden, sommige met vertakkingen van tempel tot tempel, door steden, dorpen en velden, terwijl zijwaarts trappen naar den Nijl afdaalden; hier werden de booten voor anker gelegd. Langs deze wegen bewogen zich de processies met het beeld van de godheid; hierlangs ging ook de vorst in koninklijken luister om den god offeranden te brengen en hierlangs werden ook de dooden gedragen om vervoerd te worden naar de graven aan de overzijde van den Nijl.
Dikwijls heeft men Griekenland het land der tempels genoemd. Doch met grooter recht zou men dezen naam op Egypte kunnen toepassen; immers daar verhieven zich reeds tempels van reusachtige afmeting, lang voordat Hellas zich op de kennis der bouwkunst kon beroemen. Nog staan zij daar, deze reusachtige heiligdommen, nog bijna even voltooid, als toen zij door den beitel van den ouden hoogepriester werden gevormd en geteekend. En zoo lang als een koesterende liefde voor het verleden zich in het hart van den mensch zal vormen, zoo lang zullen zij blijven bestaan.
Hoofdstuk IV
De vereering van Osiris.
Osiris.
Een van de voornaamste figuren in het Egyptisch pantheon, doch tevens een, waarvan de oorsprong moeilijk op is te sporen, is Osiris of As-ar. De oudste en eenvoudigste aanduiding voor den naam wordt uitgedrukt door twee hieroglyphen, welke een troon en een oog voorstellen. Intusschen geeft dit weinig aanwijzing voor de beteekenis van den naam. Zelfs de latere Egyptenaren waren met de afleiding daarvan onbekend, want zij dachten, dat de beteekenis was: "de kracht van het oog", d.w.z. de kracht van den zonnegod Ra.
De tweede lettergreep van den naam, ar, kan misschien in verbinding staan met Ra, zooals we later zullen zien. In de tijden der dynastieën werd Osiris als de god van den dood en de onderwereld beschouwd. Hij nam inderdaad dezelfde positie in die streken in als Ra onder de levenden. Wij moeten ons tevens herinneren, dat het onderaardsch koninkrijk het rijk van de duisternis was.
Het ontstaan van Osiris is buitengewoon duister. Uit de teksten kunnen wij niet te weten komen, waar, of wanneer men het eerst met zijn vereering begonnen is, maar het is zeker, dat deze ouder is dan eenige tekst. De oudste centra van zijn vereering onder de dynastieën waren Abydos en Mendes.
Misschien wordt hij afgebeeld op het bovenste gedeelte van den scepter van Narmer, te Hieraconpolis gevonden en op een houten plaquet van Udy-mu (Den) of Hesepti, den 5en koning der 1e dynastie; dezen ziet men afgebeeld voor hem dansende.
Dit zou dus bewijzen, dat er gedurende de 1e dynastie te Abydos een middelpunt van Osiris-vereering was. Toespelingen echter in de Pyramidenteksten lichten ons in, dat nog, voor dien, heiligdommen voor Osiris in verschillende deelen van het Nijldal zijn opgericht. Zooals in een hoofdstuk van het Boek der Dooden geschetst wordt, woont Osiris vreedzaam in de onderwereld met de rechtvaardigen, terwijl hij de zielen der afgestorvenen oordeelt, wanneer zij voor hem zijn verschenen. Dit paradijs was onder den naam van Aaru bekend en het is de moeite waard om op te merken, dat, hoewel men oorspronkelijk aannam, dat het zich in de lucht bevond, men het later in de onderwereld plaatste.
Men beeldt Osiris gewoonlijk af, in mummiewindsels gehuld, terwijl hij de witte kegelvormige kroon van het Zuiden draagt. Dr. Budge zegt aangaande hem: "Alles wat de teksten van alle tijden over hem overleveren, laten ons zien, dat hij een inheemsch god van Noord-Oost-Afrika was en dat zijn woonplaats en afkomst waarschijnlijk Libye was".
In elk geval mogen wij aannemen, dat Osiris een Afrikaansch god van oorsprong was en hij een inboorling was van den bodem van het Zwarte Vasteland.
Brugsch en Sir Gaston Maspero zagen beiden in hem een watergod [13] en meenden, dat hij over 't algemeen een personificatie van de scheppende en voedende kracht van den Nijl en van de overstrooming in het bijzonder was. Ook Dr. Budge is deze theorie toegedaan, maar indien Osiris een god van den Nijl alleen is, waarom is hij dan uit de Libysche woestijn, welke zich op geen rivier kan beroemen, geïmporteerd? Rivieren ontstaan in den regel niet in zandstreken. Voordat wij echter verder gaan, zal het goed zijn, de Osiris-mythe te vertellen.
De Osiris-mythe.
Plutarchus is onze voornaamste bron voor de Osiris-legende. In de Egyptische teksten kan men geen complete vertaling van het verhaal vinden, ofschoon dezen de verhalen van de Grieksche mythe bevestigen. Het volgende is een korte uiteenzetting van de mythe, zooals in Plutarchus' "De Iside et Osiride", wordt verhaald:
Rhea (de Egyptische Nut, de godin van den hemel) was de vrouw van Helios (Ra). Zij werd echter door Kronos (Geb) geliefd en beantwoordde zijn genegenheid. Toen Ra de ontrouw van zijn vrouw ontdekte, was hij vreeselijk vertoornd en sprak een vervloeking tegen haar uit, terwijl hij zeide, dat haar kind in geen enkele maand, of jaar, zou geboren worden.
Nu kon de vloek van Ra, den almachtige, niet afgewend worden, want Ra was de opperste van alle goden. In haar nood riep Nut de hulp in van den god Thoth (den Griekschen Hermes), die haar eveneens beminde. Thoth wist, dat de vervloeking van Ra vervuld moest worden, maar hij vond door een zeer slim plan een uitweg voor de moeilijkheid.
Hij ging tot Silene, de godin der maan, wier licht met dat van de zon wedijverde en daagde haar tot een spel uit. De inzet was aan beide zijden hoog, maar Silene zette een deel van haar licht in, het 17e deel van elk van haar verlichtingen en verloor.
Zoo komt het, dat haar licht somtijds vermindert en afneemt, zoodat zij niet langer de mededingster van de zon is. Uit het licht, dat hij van de maangodin Thoth had gewonnen, maakte Thoth vijf dagen en voegde dezen bij het jaar, dat in dien tijd uit 360 dagen bestond en wel op zoodanige wijze, dat zij noch tot het voorafgaande, noch tot het volgende jaar, noch tot eenige maand behoorden.
Op deze vijf dagen werd Nut van haar vijf kinderen verlost. Osiris werd op den eersten dag geboren, Horus op den tweeden, Set op den derden, Isis op den vierden en Nephtys op den vijfden [14]. Bij de geboorte van Osiris hoorde men een stem, welke door de geheele wereld klonk en zeide: "De beheerscher der geheele aarde is geboren!" Een overlevering, welke van de vorige in gering opzicht verschilt, vertelt, dat een zeker man, Pamyles genaamd, bezig was met waterdragen voor den tempel van Ra te Thebe en een stem hoorde, welke hem beval de geboorte van den "goeden en grooten koning Osiris" alom bekend te maken en dat hij dit onmiddellijk deed. Hierom werd de opvoeding van den jeugdigen Osiris aan Pamyles toevertrouwd. Aldus zou het feest der Pamilia zijn ontstaan.
Na verloop van tijd werden de profetieën aangaande Osiris vervuld en hij werd een groot, wijs koning. Het Egyptische land bloeide onder zijn bestuur, zooals het nooit tevoren had gedaan. Evenals verscheidene andere halfgoden stelde hij zich tot taak, zijn volk te beschaven, daar dit bij zijn komst zich in zeer barbaarschen toestand bevond en zich overgaf aan kannibalisme en andere wilde praktijken.
Hij gaf het volk een wetboek, onderwees het in den landbouw en leerde het den ritus de goden te vereeren. En toen hij erin geslaagd was orde en wetten in Egypte te grondvesten, ging hij naar ver verwijderde landen, om zijn beschavingswerk voort te zetten. Zoo vriendelijk en goed was zijn methode om kennis aan de gemoederen van de barbaren bij te brengen, dat zij den grond, waarop hij liep, aanbaden.
Set, zijn vijand.
Hij had echter één verbitterden vijand, n.l. zijn broer Set, den Griekschen Typhon. Gedurende de afwezigheid van Osiris, bestuurde zijn vrouw Isis het land zoo goed, dat de plannen van den goddeloozen Set om aan dat bestuur aandeel te krijgen, niet konden slagen.
Tegen den terugkeer echter van den koning vormde Set het plan zich geheel en al van zijn broer te bevrijden. Om zijn doel te bereiken verbond hij zich met Aso, de koningin van Aethiopië en 72 andere samenzweerders. Nadat hij in net geheim het lichaam van den koning had gemeten, liet hij een prachtige kist maken, rijkelijk versierd, welke juist het lichaam van Osiris kon bevatten.
Toen deze voltooid was, noodigde hij zijn gezellen en zijn broer op een groot feest. Osiris was weliswaar herhaalde malen door de koningin tegen zijn broer gewaarschuwd, maar daar hij zelf geen kwaad uitoefende, vreesde de koning dit ook niet in anderen en aldus nam hij de uitnoodiging voor het feestmaal aan.
Toen dit afgeloopen was, liet Set de prachtige kist in de feestzaal brengen en zei, als in scherts, dat deze aan hem zou behooren, die daarin zou passen. De eene gast na den ander legde zich in de kist neer, doch geen enkele paste er in, totdat de beurt aan Osiris kwam.
Geheel en al van verraad onbewust, legde de koning zich in de groote kist. In een oogenblik hadden de samenzweerders het deksel dichtgenageld en goten er kokend lood over heen, uit vrees, dat er eenige opening in zou zijn. Daarop lieten zij de kist in den Nijl drijven, bij de monding van Tanis. Deze dingen vonden plaats volgens sommigen, in het 28e levensjaar van Osiris; volgens anderen in zijn 28e regeeringsjaar.
Toen dit nieuws de ooren van Isis bereikte, werd zij door droefheid getroffen, sneed een lok van heur haar af en trok rouwgewaad aan. Daar zij zeer goed wist, dat de dooden niet kunnen rusten, voordat hun lichamen onder de gebruikelijke plechtigheden zijn begraven, ging zij op reis, om het lijk van haar echtgenoot te zoeken. Gedurende langen tijd leverde haar reis geen enkel resultaat op, hoewel zij iederen man en iedere vrouw, die zij ontmoette, vroeg, of zij niet de rijkelijke versierde kist hadden gezien.
Ten slotte kwam het bij haar op eenige kinderen, die bij den Nijl speelden, te ondervragen en toevallig waren zij in staat te vertellen, dat de kist door Set en zijn gezellen naar de monding van den Nijl bij Tanis was gebracht. Vanaf dien tijd hield men het in Egypte er voor, dat kinderen een bijzondere gave van voorspellen hebben.
De tamarindeboom.
Langzamerhand werd de koningin door de werkzaamheid van demonen nauwkeurig ingelicht en kwam zij te weten, dat de kist op de kust van Byblos was aangespoeld en door de golven tegen een tamarindetak was aangedreven; deze was op verwonderlijke wijze tot een prachtigen boom opgeschoten en sloot de kist van Osiris in zijn stam in.
De koning van dat land, Melcarthus genaamd, had zich over de hoogte en schoonheid van den boom verwonderd, had dezen omgehakt en daarvan een zuil laten maken, om daarmede de zoldering van zijn paleis te stutten. In deze zuil nu was de kist, welke het lijk van Osiris bevatte, verborgen.
Isis haastte zich daarop in allerijl naar Byblos en zette zich daar bij een bron. Tot niemand, die haar naderde, wilde zij een woord spreken, behalve tot de meisjes van den koning; dezen sprak zij liefderijk toe, en maakte heur haar door haar adem welriekender dan het door eenige bloemengeur zou geworden zijn.
Toen de meisjes naar het paleis waren teruggekeerd, ondervroeg de koningin haar, hoe het kwam, dat heur haar zoo'n heerlijken geur van zich gaf en hierop vertelde zij haar ontmoeting met de schoone vreemdelinge. Koningin Astarte, of Athenais, verzocht haar daarop naar het paleis te komen, verwelkomde haar hartelijk en stelde haar tot voedster aan van een der prinsen.
Isis' smart.
Isis voedde den knaap, door hem haar vinger te geven, om daarop te zuigen. Iederen nacht, als allen zich ter ruste hadden begeven, placht zij groote blokken hout in het vuur te leggen en het kind daartusschen te duwen; daarop veranderde zij zichzelf in een zwaluw en was gewoon jammervolle klaagliederen over haar gestorven echtgenoot te laten hooren.
Geruchten over deze zonderlinge handelwijze werden door de dienstmaagden van de koningin aan haar meesteres aangebracht en deze besloot zelf te onderzoeken, of deze geruchten waar waren, of niet. Daarom verborg zij zich in de groote hal en toen de nacht was aangebroken, sloot Isis de deuren, legde blokken op het vuur en drukte het kind tusschen het brandende hout.
De koningin sprong, onder luid geschreeuw, op haar toe en rukte den knaap uit de vlammen. De godin berispte haar heftig en verklaarde, dat haar daad haar zoon van de onsterfelijkheid had beroofd.
Hierop vertelde Isis aan de doodelijk verschrikte Athenais, wie zij was en tevens haar geheele geschiedenis en vroeg de zuil. Toen aan haar verzoek was voldaan, hakte ze den boom open, nam de kist met het lijk van Osiris er uit en weeklaagde zoo luid, dat een van de prinsen van schrik stierf. Daarop nam zij de kist met zich over zee naar Egypte en werd op deze reis door den oudsten zoon van Melcarthus vergezeld. De latere dood van het kind wordt op verschillende wijze door overleveringen, welke met elkaar in tegenspraak zijn, verhaald. De boom, welke het lichaam van den god had bevat, werd nog langen tijd in Byblos bewaard en vereerd.
Toen zij in Egypte was aangekomen, opende Isis de kist en beweende het stoffelijk overschot van haar echtgenoot lang en smartelijk. Daarop echter dacht zij aan haar zoon Harpocrates, of Horus het kind, dien zij in Buto had achtergelaten; zij liet de kist op een geheime plaats achter en ging op reis, om hem te zoeken.
In dien tusschentijd ontdekte Set, die met het maanlicht op haar jacht maakte, de rijk versierde kist en in zijn woede scheurde hij het lijk in 14 stukken en verspreide dezen naar alle kanten van het land.
Toen Isis deze nieuwe wandaad had vernomen, nam zij een boot van papyrus-riet en ging nog eens op weg om de overblijfselen van haar echtgenoot op te sporen.
Na dezen tijd plegen de krokodillen geen boot, van papyrus vervaardigd, aan te raken, waarschijnlijk, omdat zij denken, dat deze de godin bevat, die nog altijd zoekende is. Overal waar Isis een gedeelte van het lichaam vond, begroef zij het en bouwde een heiligdom, om aan de plaats een gedenkteeken te geven. Hierdoor komt het, dat er zooveel graven van Osiris in Egypte zijn. [15]
Horus' wraak.
In dezen tijd had Horus den mannelijken leeftijd bereikt en Osiris, uit de Duat, waar hij als koning over de dooden heerschte, teruggekeerd, moedigde hem aan, het kwaad, zijn ouders aangedaan, te wreken. Horus bond daarom den strijd met Set aan, en de overwinning viel nu eens den een, dan weer den ander ten deel. Eén oogenblik werd Set door zijn tegenstander gevangen genomen en aan Isis ter bewaking gegeven, doch deze gaf hem de vrijheid, tot groote verbazing en verontwaardiging van haar zoon.
Horus was zelfs zoo boos, dat hij zijn moeder de kroon van het hoofd rukte. Thoth intusschen gaf haar een helm, in den vorm van een runderkop. Een andere lezing vertelt, dat Horus het hoofd van zijn moeder afsneed, doch dat Thoth, de toovenaar, het er weer opzettte, doch thans in den vorm van dat van een koe.
Volgens het verhaal gaat de strijd tusschen Horus nog steeds voort en heeft geen van beiden tot nog toe de overwinning behaald. Als Horus zijn vijand eindelijk geheel zal overwonnen hebben, zal Osiris naar de aarde terugkeeren en nog eens als koning over Egypte heerschen.
Sir J. G. Frazer over Osiris.