Mythen en Legenden van Egypte

Part 5

Chapter 5 3,618 words Public domain Markdown

Het staat vast, dat, toen eenmaal door de Egyptenaren een landelijke levenswijze was aangenomen, zij de gebruiken en gewoonten daarvan bewaarden tot den tijd van de invasie van buiten; en voor zoover de lagere klassen betreft, kan er weinig twijfel aan bestaan, of hun dagelijksch leven ging van eeuw tot eeuw kalm en onveranderlijk voorbij. De kennis der folklore heeft ons bewezen, hoe weinig verandering de loop der tijd in de levenswijze en de gedachten van dat volk aanbrengt, welks omgeving zoodanig is, dat krachten van buiten zelden eenigen invloed hierop uitoefenen. Speciaal was dit met de bewoners van het Nijldal het geval; dezen toch waren gedurende eenige eeuwen, door geografische en andere redenen, van de invallen van andere beschaafde volken verschoond. Ten tijde, dat vreemde indringers zich met hen vermengden, hadden zij zich zoo stevig gevestigd en waren zij zoo krachtig door de traditie beïnvloed, dat zij practisch voor de uitwerking van rasvermenging immuun waren.

Men moet ook niet vergeten, dat zulke indringers, als Egypte kende, hun vrouwen niet met zich plachten te nemen en dat hun huwelijk met Egyptische vrouwen gewoonlijk in een, of drie geslachten, de uitwerking had, dat zij geheel en al in de inheemsche bevolking opgingen, zoodat het gehalte van het ras vrijwel onveranderd bleef. Verder was hun aantal, vergeleken bij de bevolking van Egypte, betrekkelijk klein.

De omgeving van het Nijldal is buitengewoon goed geschikt voor de continuïteit van het rastype, zooals duidelijk blijkt uit het voortbestaan van de gestalte bij de huis- en andere dieren. Ontelbare malen heeft men daar buitenlandsche schapen, geiten en ezels ingevoerd en wel met dit resultaat, dat zij korten tijd daarna geheel opgingen in het domineerende Egyptische type van hun soort, met nauwelijks eenige verandering.

Het paard en de kameel werden betrekkelijk laat in Egypte ingevoerd en deze late invoering is een duidelijk bewijs voor de geïsoleerde ligging van het land.

Het feodale systeem was over het algemeen in oud-Egypte wijd en zijd verbeid en de Pharaoh hield zich voornamelijk bezig met het controleeren van zijn hoogere onderdanen. Dezen vormden hun vorstelijke waardigheid tot een centrale macht en zelfs zij, die geen aanspraak op koninklijk bloed konden maken, kochten bezittingen van aanmerkelijke grootte op. Het krioelde van ambtenaren in het Nijldal en het schijnt, dat zij zich niet lieten leiden door een hoogen graad van politieke moraal, ten minste in de praktijk schoten zij hierin te kort. Aan de leden der koninklijke familie schonk men gemeenlijk aanzienlijke posten en op deze wijze werd het land inderdaad door een erfelijke bureaucratie bestuurd. Een kanselier, of vizier, was onmiddellijk verantwoording aan den monarch schuldig voor den toestand van het land, de financiën en het wettelijk bestuur.

Handel.

Wij weten slechts weinig over de handelsaangelegenheden van het oude Egypte. Overal hield men waarschijnlijk markten in de open lucht. Munten waren onbekend tot aan den tijd der Perzische invasie en ook toen werden gouden ringen, zilver en brons als ruilmiddel gebruikt. Ruilhandel echter domineerde voornamelijk. Koren was het stapelproduct van Egypte en het schijnt, dat dit tot een bepaalde hoeveelheid naar andere landen werd uitgevoerd, evenals papyrusrollen en linnen; maar al het zilver en koper moest worden ingevoerd, zoo ook kostbare houtsoorten, verder de huiden van zeldzame dieren, ivoor, specerijen, wierook en steenen voor het vervaardigen van buitengewoon vaatwerk.

Vele van zijn import-artikelen bereikten Egypte in den vorm van belasting, maar er bestaan nog getuigschriften van expedities, door den koning uitgezonden, om buitenlandsche zeldzame voorwerpen op te sporen. Een groot deel van den Egyptischen handel was in handen van vreemdelingen. De Phoeniciërs openden klaarblijkelijk een verbinding met Egypte op zijn vroegst in de 3e dynastie. In lateren tijd werd een uitgebreide handel met Griekenland gedreven en koning Psammetichus I [12] stichtte de stad Naucratis, als centrum van den Griekschen handel in Egypte.

Landbouw was de ruggegraat van de Egyptische welvaart; de natuurlijke gesteldheid van den bodem--vruchtbaar, zwart slib, door den Nijl achtergelaten, welke eveneens voor irrigatie diende--maakte de praktijk van den landbouw vrij eenvoudig. De groote hitte hielp eveneens mede om het graan spoedig te doen rijpen. De bebouwing was bijna het geheele jaar mogelijk, maar eindigde gewoonlijk met den oogst, welke tegen het eind van April werd ingehaald; vanaf dit tijdstip tot aan Juni werd den landbouwer een rusttijd toegestaan.

Men zaaide een groote verscheidenheid van vruchten; durra, waaruit men brood maakte, linzen, erwten, boonen, radijs, latuwen, uien en vlas werden allen verbouwd. Fruit was vertegenwoordigd door druiven, granaatappels, vijgen en dadels. Hout was zeldzaam en werd, zooals reeds is opgemerkt, voor het meerendeel geïmporteerd. Oudtijds was het waarschijnlijk overvloediger, maar de invoering van de kameel en de geit veroorzaakte de uitroeiing hiervan, daar deze dieren de bast van de boomen afstroopten en de takken afscheurden. Wijn werd in hoofdzaak in het district Mareotis, dichtbij Alexandrië, gefabriceerd en schijnt een zeer aangenamen geur te hebben gehad. De papyrusplant werd vanaf de vroegste tijden op groote schaal verbouwd; de stengel werd gebruikt voor den bouw van booten en het vervaardigen van touw en eveneens voor schrijfmateriaal.

Wetboeken.

Het schijnt, dat de Egyptische wetten mondeling werden overgeleverd en geen overblijfsel van eenig specifiek wetboek is tot ons gekomen. Koninklijke besluiten en verordeningen werden somtijds uitgevaardigd en dezen werden gewoonlijk in steen gegrift en zorgvuldig bewaard. In den tijd der Ptolemaeën werden handelsrechtbanken ingesteld en dezen beslechten processen van allerlei soort; maar de traditioneele wet van het land schijnt aan het volk goed bekend te zijn geweest en door hun regeerders volledig erkend.

Een geliefkoosde manier tot herstel van grieven was zich op den koning, of een van de feodale vorsten te beroepen. Hoven, om bepaalde gevallen te verhooren, werden in de oudste tijden bijna altijd uit leden der koninklijke familie, of grondbezitters, samengesteld en later uit hun ambtenaren. Daarnaast bleef het recht van hooger beroep op den koning bestaan.

Men liet bewijs onder eede toe en een geliefkoosde eed luidde: "Bij den koning" of "Bij het leven van den koning". Bij uitzondering alleen maakte men van pijniging gebruik voor bewijslevering. De straffen waren verschillend. In verscheidene gevallen werd den beschuldigde toegestaan zichzelf het leven te benemen. Voor geringere vergrijpen waren de afranseling, of de verminking, b.v. door het afsnijden van den neus, verbanning of geldboete de gebruikelijke straffen.

Gedurende het Oude Rijk was onthoofding het gebruikelijke middel om de doodstraf uit te oefenen. Het opstellen van contracten was algemeen en dezen dienden tot een wettig getuigenmiddel. Vanaf den tijd der 22e dynastie worden dezen in grooten getale gevonden en hebben gewoonlijk betrekking op verkoop, of leening.

Hoewel een vrouw eigendom kon erven, had zij niet het volledig recht daarover te beschikken, doch indien zij gescheiden was, kon haar huwelijksgift niet verbeurd worden verklaard. Vele van deze oude documenten houden zich met het koopen en verkoopen van slaven bezig. Intusschen is het niet duidelijk, of de toestemming van den slaaf zelf voor zijn verkoopen noodig was, of niet.

Wetenschappen.

Kennis en wetenschap waren natuurlijk aan de godsdienstidee ondergeordend, daar deze in het Egyptische leven de hoofdrol speelde. Over de architectuur hebben wij reeds elders gehandeld. Het heeft den schijn, dat wetenschappelijke ondernemingen van alle mogelijke soort niet werden uitgevoerd door eenige gegeven formules, maar louter door wet, of gezag. Wondervolle resultaten werden op de eenvoudigste wijze verkregen en de methoden, volgens welke de pyramiden werden opgericht, hebben nog iets van een mysterie.

De dagen der feesten werden astronomisch bepaald en men heeft vastgesteld, dat de ligging van de pyramiden en andere grootsche bouwwerken op dezelfde manier werd gekenmerkt door de opkomst van de ster Sothis of Sirius.

Een groot gedeelte van de Egyptische uitvindingen schijnt van een merkwaardigen ouderdom, maar de gave van uitvinding schijnt in later tijden te zijn belemmerd, of verloren te zijn gegaan. Pogingen tot vooruitgang waren absoluut onbekend, zelfs toen de Egyptenaren met vreemdelingen in aanraking kwamen en alle nieuwigheden met achterdocht werden beschouwd.

De Landbouw.

Het is onzeker, tot welken graad het volk den adel navolgde in het streng, godsdienstig programma, dat deze voor zich had opgesteld. Er kan geen twijfel aan bestaan, of zij waren bijgeloovig als geen ander volk, maar dat zij zich zelf als passende onderdanen beschouwden van dezelfde andere wereld, waaraan de aristocratie was gebonden, is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijk dachten zij, dat zij een hoekje zouden kunnen vinden in het duistere rijk van Osiris en dat zij daar niet volkomen in het niet zouden zinken, maar dat hun ka's behoorlijk gevoed zouden worden door de offerande, hun door hun kinderen gebracht.

De Egyptische landbouwer was in buitengewone mate een zoon van de aarde, een hard werker, geduldig en tevreden, waar het voedsel, onderdak en kleeren betrof, zooals de fellah van den tegenwoordigen tijd. Het lot van de vrouw van den Egyptischen landbouwer was, evenals dat van haar echtgenoot, zwaar.

Gewoonlijk huwelijkte men haar op ongeveer vijftienjarigen leeftijd uit en op haar 30e jaar was zij dikwijls reeds grootmoeder. De zorg voor haar huis en kinderen mocht echter niet al haar tijd in beslag nemen, want op sommige tijdstippen verwachtte men van haar, dat zij haar man op het veld bijstond en hier was waarschijnlijk meer slaag dan dank haar deel.

Rechtvaardigheid werd niet zeer onpartijdig toegepast en herstel van grieven werd door iemand van de boerenklasse niet gemakkelijk verkregen en het is vreemd, dat de toestanden, onder welke de boerenstand leefde, geen voedsel voor opstand verschaften.

Waarschijnlijk was de eenige reden, dat deze niet uitbrak, in de omstandigheid gelegen, dat de toestand van slavernij te diep was ingeworteld; hierbij kwam tevens nog, dat de Egyptenaren, evenals de meeste Oosterlingen, fatalisten waren.

Kleeding.

De kleederdracht verschilde aanzienlijk in de respectievelijke dynastieën. Zooals wij reeds opmerkten, bezaten de Pharaohs een bijzondere kleeding en in zekeren zin was die van de hoogere rangen der samenleving daarnaar gevormd.

Het klimaat stond het dragen van zware stof niet toe en derhalve was fijn lijnwaad veelvuldig in gebruik. De bovenste deelen van het lichaam werden slechts gedeeltelijk bedekt en onder den adel in de oude tijden werd een soort linnen hemd gedragen. De kleederdracht der vrouwen bestond vanaf de oudste tijden uit een kleed, reikende van den oksel tot de enkels, met riemen over de schouders vastgemaakt. De mannendracht was gewoonlijk een soort van lendendoek. Het dragen van pruiken was vrij algemeen en was al in prae-historische tijden ontstaan.

Op een of ander vroeg tijdstip had de inheemsche rituaal voorgeschreven, dat het hoofd moest geschoren worden, zoodat het dragen van de lange pruik, of de goedsluitende muts met oorlappen, feitelijk een noodzakelijkheid werd.

Wij vinden echter, dat sommige dames weigerden haar haardos op te offeren, en bij het welbekende beeld van Nefert kunnen wij de banden van natuurlijk haar opmerken, welke netjes over de wenkbrauwen zijn gladgestreken en uit de zware pruik gluren, welke zij draagt. Alle klassen droegen sandalen van leer, of gevlochten papyrus.

Wat zijn uiterlijke verschijning betreft, was de Egyptenaar slank en overtrof den Europeaan belangrijk in hoogte. Het ras was voor het meerendeel van een lang voorhoofd voorzien, met een dun middel en hoekig.

Op lateren leeftijd werd hij gewoonlijk corpulent, maar gedurende zijn jeugd en vroegste mannelijke leeftijd had hij een mager en gespierd uiterlijk. Hij had echter breede schouders en een goed ontwikkelde borstkas. Het onderzoek van duizenden mummies, door Dr. Elliot Smith verricht, heeft bewezen, dat het Egyptische ras in later tijd beter werd in physiek en spierkracht.

Wat het karakter betreft, was de Egyptenaar ernstig en misschien een weinig van stilzwijgende natuur en in dit opzicht niet ongelijk aan den Schot en den Spanjaard. Zijn aard en zijn volkslitteratuur zijn op sommige plaatsen een welsprekend bewijs voor een filosofie van het laissez-faire. Het is waarschijnlijk, dat het strenge godsdienstige wetboek, waaronder hij leefde, hem soms dreef tot een walging voor zijn omgeving. Het amusement van den Egyptischen landbouwer nam soms den vorm aan van dronkenschap en nog bestaan er schilderijen, waarop men ziet, dat de landbouwer op de schouders van zijn knechts naar huis wordt gedragen.

Men kan niet ontkennen, dat onder de hoogere klassen de filosofie van genoegen een zeer krachtigen steun had gekregen, voornamelijk in latere tijden. Waarschijnlijk dachten zij, dat, indien zij "Het boek der dooden" ter harte namen, zij van een zalige toekomst verzekerd waren en dat hierin hun geheele moreele plicht was vervat.

Wat hun ethisch standpunt betreft, kan men zeggen, dat zij eerder zonder moraal, dan immoreel, waren en dat goed en kwaad, volgens onze opvatting, aan hen onbekend waren. De Egyptenaren echter, als ras, bezaten een aangeboren liefde voor rechtvaardigheid en rechtschapenheid en zij zullen altijd in de rij der naties hun plaats innemen als een volk, dat, misschien meer dan eenig ander, heeft medegewerkt tot den opbouw der orde, betamelijkheid en welvoeglijkheid.

Hoofdstuk III

Priesterschappen, mysteries en tempels.

Priesterschappen.

De macht en het wezen van het priesterschap veranderde met het wisselen der eeuwen in hooge mate. De priesters waren waarschijnlijk ten allen tijde onafhankelijk van de koninklijke macht en er waren inderdaad in de Egyptische geschiedenis tijdstippen, waarop de troon der Pharaohs ernstig in gevaar werd gebracht, of zelfs geheel en al door de kerkelijke partij werd overschaduwd.

Uitgestrekte stukken land hadden de honderden tempels, waarvan het Egyptische land krioelde, verrijkt en dezen gaven aan een leger van ambtenaren bezigheid. In het Nieuwe Rijk b.v. wedijverde de macht van god Amen met die van den Pharaoh zelf. In den tijd van Ramses III telde deze invloedrijke eeredienst niet minder dan 80.000 dienaren, en zijn rijkdom kan hieruit worden bewezen, dat hij het vee bij duizendtallen kon tellen. De koningen echter trachtten den invloed van de priesterschappen te verminderen door hun eigen verwanten of aanhangers tot de voornaamste priesterambten te benoemen.

Oudtijds trokken de grootgrondbezitters den titel en de werkzaamheden van opperpriester in hun gebied tot zich en vereenigden aldus de feodale en kerkelijke diensten. Onder hen stond een groot aantal priesters, zoowel leeke-, als beroepspriesters. In later tijd echter werd dit systeem veranderd in een, waarin een strenge tucht de inrichting van een beroepsklasse noodzakelijk maakte en de plichten van deze waren scherp omlijnd en gespecialiseerd.

Desniettemin echter en in tegenstelling met het algemeen geloof combineerde de priesterschap zich nooit tot een kaste, welke uitdrukkelijk van het leekendom was gescheiden, doch deze ging voort met hen samen te werken.

Leden van een priesterschap werden aangeduid met den naam van hen neter (dienaar van den god) of uab (de zuivere). In sommige streken voerden de opperpriesters bijzondere namen zooals Khorp hemtiu (hoofd van de werklieden), in den tempel van Ptah, of Ur ma (de groote ziener), te Heliopolis. Te Mendes was hij bekend onder een titel, welke vrij vreemd klonk voor een kerkelijk dignitaris, n.l. bestuurder der soldaten en te Thebe als: eerste profeet van Amen. De priesters, die het ceremonieel leidden, waren onder den naam van kheri-heb bekend.

De plichten van de priesters waren moeilijk. Zij hadden zich te houden aan een zeer streng wetboek, wat reinheid en tucht betrof. Voortdurende reinigingen volgden elkander op en de kleeding van den geestelijke moest frisch en zonder smetten zijn. Deze bestond geheel uit helder wit linnen, daar het dragen van wol en andere stoffen streng verboden was, ja daarvoor huiverde men zelfs. Het hoofd was geheel geschoren en men droeg geen hoofddeksel.

De dagtaak van een priester was nauwkeurig bepaald. Indien hij dienst had, wiesch hij zich zorgvuldig en ging dan naar het heilige der heiligen, zei daar bepaalde formules op en deed dezen vergezeld gaan van voorgeschreven bewegingen; dit vormde een inleiding om het zegel, hetwelk het heiligdom afsloot, te ontsluiten. Indien hij daarna van aangezicht tot aangezicht voor den god stond, knielde hij neer en nadat hij andere ritueele verrichtingen had volbracht, toonde hij den god een klein beeld van Maat, de godin van de waarheid.

De god, die voor dit oogenblik niet in staat werd geacht in het ceremonieel te deelen, werd daarop onthaald op een maaltijd, waarvan de voornaamste bestanddeelen rundvleesch, ganzenvleesch, brood en bier waren; wanneer men veronderstelde, dat hij zijn maaltijd had genuttigd, werd hij wederom naar zijn altaar teruggebracht en verscheen niet voor den volgenden morgen.

Bij het gansche ritueel van deze morgenoffers schijnt het, dat de priester, die den dienst verrichtte, Horus vertegenwoordigt, den zoon van Osiris; deze, evenals alle zonen van de Egyptenaren, die hun plicht vervullen, zorgt voor het welzijn van zijn vader, na diens dood. Aldus is het ritueel door de Osiris-mythe opgesmukt. Het overige van den dag bracht de priester met overpeinzingen, met het beoefenen van verschillende kunsten en wetenschappen, zoowel in theorie als in praktijk en verrichtingen van openbare godsdienstplechtigheden, door. Zelfs de nacht bracht nog haar bezigheden met zich; immers de reiniging werd in middernachtelijke uren verricht en de priester werd tot dit doeleinde omstreeks middernacht gewekt.

Het priestercollege van Thebe.

De oude reizigers in Egypte, met name Herodotus en Strabo, spreken met enthousiasme over de bekwaamheid van den Egyptischen priester en het hooge standpunt, dat hij in zijn philosophisch denken had bereikt. Strabo maakt o.a. met bewondering melding van het priestercollege in Thebe De leden hiervan waren waarschijnlijk de meest geleerde en scherpzinnige theologen en philosophen in oud-Egypte. Colleges van bijna even groot gewicht bestonden ook elders, b.v. te Anu, het On, of Heliopolis der Grieken.

Iedere nome, of provincie, bezat zijn eigen grooten tempel en deze ontwikkelde het geloof van de provincie, zonder acht te slaan op dat van eenige mijlen verder. De goden van den nome werden ondergeschikt aan de godheid par excellence, den "Bestuurder der Goden". "Schepper van het Heelal" en den gever van alle goede gaven aan zijn volk.

Men moet echter niet denken dat, ook al was de priesterschap, als lichaam, rijk, de leden daarvan niet onder het moeilijke leven te lijden hadden. Aldus kwam het, dat, hoewel de beste condities aan den dienst in die groote tempels waren verbonden, dezen in het geheel niet met personeel overvuld waren. Te Abydus maakten slechts 5 priesters het personeel uit, terwijl Siut er 10 had. Aan den anderen kant bezaten de kleinere tempels inkomsten, welke geenszins in verhouding stonden tot hun omvang.

Een studie over dit onderwerp toont ons de inkomsten aan van de hoogepriesters der kleine heiligdommen. "Aan den Westrand van den Fayum", aldus schrijft Erman, "bij het meer Moeris, was de tempel van Sobk (Sebek) van het Eiland, Soknopaios, zooals de Grieken dezen noemen. Deze had een hoogepriester, die de geringe jaarwedde van 344 drachmen ontving en al de overige priesters kregen dagelijks tezamen ongeveer èèn schepel tarwe, als belooning voor hun moeite. Zij waren zelfs niet vrijgesteld van den vasten arbeid bij de indijking en toen deze voor hen verminderd werd, werd deze gebruikt voor de vrome werken van hun medeburgers.

De inkomsten van den tempel, zoowel de geregelde, alsook datgene, wat als offer werd gegeven, werd voor de benoodigde plechtigheden benut, want bij ieder feest moest fijn lijnwaad worden aangeschaft om de drie beelden van den god te bekleeden en ieder keer kostte dit 100 drachmen; 20 drachmen werden bij iedere gelegenheid voor de zalven, de olie en de myrrhe gebruikt, om daarmede de beelden te zalven; 500 drachmen werden voor de wierook besteed, terwijl 40 drachmen benoodigd waren om offers te brengen op den geboortedag van den heerscher.

En nog beweerden deze priesters, die niet veel hooger dan landbouwers en de lagere stedelijke bevolking stonden, dat hun oude heiligheid niet verminderde".

Ook priesteressen verrichtten bezigheden in de tempels. In vroegere tijden waren zij bij de altaren van goden en godinnen werkzaam en alleen in lateren tijd vinden wij haar minder werkzaam in de tempels, aan goden gewijd en hier traden zij hoofdzakelijk als musiceerenden op.

Mysteriën.

Het is een algemeen dwaalbegrip, dat er boeken vol geschreven zijn over de Egyptische mysteriën, deze schilderachtige en bovennatuurlijke inwijdingsplechtigheden, van welke men veronderstelde, dat zij plaatsvonden in onderaardsche duisternis, omgeven van alle vormen van geheimen ritus en gewoonten. De waarheid is echter, dat menschen, die dit onderwerp behandelen, buitengewoon zeldzaam zijn en zekerlijk niet van dien aard, dat zij ons de hoop kunnen verschaffen eenige opheldering over de mysteries der Egyptische priesterlist te kunnen geven. Het zal beter zijn ons tot de analoge gevallen der Grieksche praktijk te wenden, of zelfs tot die van wilde en halfbeschaafde volken, van wie een groot deel van hun mysteriën in de laatste jaren aan het licht is gebracht.

Er is slechts weinig bekend betreffende de Egyptische mysteriën. Herodotus is voor ons de zegsman, dat zij bestonden en het is waarschijnlijk, dat hij die op het oog had, welke het lijden en den dood van Osiris moesten voorstellen. Deze schrijver toch zegt:

"Te Saïs in den tempel van Minerva, onder den tempel en dicht bij den muur van Minerva staan in een lage kapel eenige groote beschilderde steenen en hieraan is een lage ruimte, welke het aanzien van een kerker heeft, verbonden; deze is geheel bedekt met steenen, welke op wonderlijke wijze zijn bewerkt; de grot zelf is aan beide zijden op prachtige wijze gegraveerd en wedijvert in grootte met dien op Delos, genaamd Trochoïdes; hierin bedriegt ieder zijn eigen gevoelens en fantasieën gedurende den nacht en dit noemen de Egyptenaren mysteriën Doch indien ik hierover meer vertelde, zou ik, wat de godheid moge verhoeden, dat onthullen, waarover zij mij verboden te spreken".

In hoofdstuk 1 van het "Boek der Dooden" ontmoeten wij den volgenden zin "Ik zag naar de verborgen dingen in Re-stau", een toespeling op de plechtigheden, welke in het heiligdom van Seker, den doodsgod in Saqquara, werden voltrokken. Dezen gaven een voorstelling van de geboorte en den dood van den zonnegod en werden tusschen middernacht en ochtendschemering gevierd. Verder leest men in hoofdstuk 125 van het Boek der Dooden (Papyrus van Ani): "Ik ben Re-stau binnengegaan (de andere wereld van Seker, dichtbij Memphis) en heb het Verborgene gezien, dat daar is".