Mythen en Legenden van Egypte

Part 4

Chapter 4 3,561 words Public domain Markdown

Zulk een vrijheid, aldus redeneeren primitieve menschen, moet de bevrijde ziel hebben, wanneer zij niet meer gekluisterd is aan het lichaam, dat haar belemmert. Evenzoo moeten goden en geesten van vleugels voorzien zijn en zoo zal het met hem zelf zijn gesteld, hoopt hij, wanneer hij zijn sterfelijk omhulsel heeft afgeschud en op vleugels naar de hemelsche woningen zal opstijgen.

Zoo gelooven de Bororos van Brazilië, dat de ziel de gestalte van een vogel bezit. De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia koesteren het geloof, dat de ziel in een ei huist, dat zich in den nek bevindt en dat bij den dood het ei wordt geopend en de vogel, door dat ei uitgebroed, wegvliegt.

Uit de Boheemsche folklore leert men, dat men onder het volk zich de ziel als een witten vogel voorstelt. De Maleiers en Battakkers van Sumatra beelden het onsterfelijk deel van den mensch eveneens in de gestalte van een vogel af, zoo ook de inboorlingen van Java en Borneo. Wij zien dus, dat de Egyptische opvatting in verschillende landen haars gelijke heeft. Nergens echter vinden wij een zoo diep gevestigd geloof, dat zich gedurende een onafgebroken tijdperk heeft staande gehouden, als in het Nijldal.

Geen enkel volk heeft zooveel gewicht gehecht aan de vereering der dooden, noch dezen in zoo hoog aanzien gehouden, als de Egyptenaren. Wij overdrijven niet, indien wij zeggen, dat het leven van een Egyptenaar, tenminste van een, die tot de hoogere standen behoorde, een voortdurende voorbereiding tot den dood was. Het is echter waarschijnlijk, dat hij, door de kracht der gewoonte en omgeving, zich van deze omstandigheid niet bewust was. Het is gevaarlijk een stelling op te werpen met betrekking tot een geheel volk. Doch indien ooit eenig volk het leven beschouwde zuiver en alleen als een oefenschool, of voorbereiding tot de eeuwigheid, dan was het zeker wel dit geheimzinnige en bekoorlijke menschenras, waarvan de uitgestrekte ruïnes de oevers van de oudste rivier van de wereld bedekken en als het ware met minachting neerzien op de minder majestueuze ondernemingen van een beschaving, welke zich van het tooneel van hun myriaden verwonderlijke dooden heeft meester gemaakt.

Hoofdstuk II

Onderzoekingen, geschiedenis en gebruiken.

Het Nijldal.

De rivier de Nijl is de oorzaak van het speciale karakter van Egypte en onderscheidt het van de overige deelen van de Sahara. Bij zijn jaarlijksche overstrooming laat deze rivier rijkelijk slib achter, dat de vruchtbare vlakten aan beide oevers vormt, welke zulk een contrast vormen met de eentonige, bruine woestijn.

Oostelijk en Westelijk van den Nijl strekken zich groote woestijnen uit, hier en daar door groene oases onderbroken en terwijl het landschap, in het algemeen genomen, te eentonig is om interessant te zijn, vertoont de Delta zelf den aanblik van een rijkelijk bebouwde vlakte, bezaaid met de hooge, sombere en donkere wallen van oude steden en dorpen, omzoomd door palmboomen.

In Boven-Egypte is het Nijldal nauw en ingesloten door tamelijk hooge bergen, welke echter nergens in bergspitsen uitloopen. Soms naderen dezen de rivier in den vorm van voorgebergten en worden door de beddingen van oude stroompjes verdeeld. Dezen zijn vrij schilderachtig, doch overigens is het landschap niet bekoorlijk voor de oogen. Wel echter wat de kleur betreft. "Het heldere groen van de velden, de roodachtig bruine of de donkergroene kleur van de groote rivier, welke een contrast vormt met de kale, gele rotsen, onder een schitterend zonlicht en een helder blauwen hemel, bieden een schoon aspect aan".

Oorsprong van het ras.

De quaestie van de oorsprong van het ras bij de bevolking van het oude Egypte is een van de meest ingewikkelden. In graven en andere oude overblijfselen der beschaving vinden wij sporen van verschillende rassen, welke op verschillende tijdstippen in het land kwamen, doch deze data van vestiging zijn zoo gebrekkig, dat het zeer gevaarlijk zou zijn, hierover te generaliseeren. Volgens professor Sergi uit Rome, de grondlegger van de theorie, dat een groote beschaafde tak in een vroeg tijdperk aan de Zuidelijke kusten der Middellandsche Zee ontstond, behoorden de oude Egyptenaren tot den Oostelijken tak van dit ras, tezamen met Nubiërs, Abessiniërs, Galla, Masai en Somalis. Het bewijs der taal is vaag, want hierbij zou het, evenals in andere gevallen, slechts met het oog op beschaving in aanmerking kunnen komen.

Een andere theorie neemt aan, dat het Nijldal in oude tijden bevolkt was door een dwergenvolk, doch dat dit uit zijn bezit is verdreven door volken, die aan de Middellandsche Zee woonden. De theorie, dat volken aan de Middellandsche Zee Egypte direct vanuit hun oorspronkelijke woonplaatsen binnenvielen, is lijnrecht in strijd met de andere opvatting, welke het land in oude tijden laat bewonen door een volk, dat zich bezighield met bewerking van steenen en dat uit Palestina afkomstig zou zijn.

Indien men de tijdrekening nauwkeurig beschouwt, zal het blijken, dat dit volken waren, aan de Middellandsche Zee wonende, welke reeds lang ervaren waren in het bewerken van steen, daar dit materiaal in ruime mate bij hen aanwezig was.

Waarschijnlijk volgden hierna successievelijk invasies uit het Oosten en Arabië en de landen daaraan grenzend en vandaar kwam een volk, aan de Babyloniërs verwant, en met hun beschaving vertrouwd, welke zij in een gemeenschappelijke woonplaats met dezen hadden gedeeld, doch dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld.

Dezen gaven hun Semitische woordenschat aan de Hamitische syntaxis van het volk, dat zij in het Nijldal vonden. Hoewel zij de taal hervormden, slaagden zij er slechts gedeeltelijk in den godsdienst te wijzigen, daar deze voor het grootste gedeelte van het Osiris-type bleef, doch zich ook met de vereering van Horus, in de gedaante van een havik, vermengde, welke door de vreemdelingen was ingevoerd. Eveneens ontbreekt het niet aan hen, die meenen, dat deze immigranten uit Arabië Hamieten waren, die reeds een grooten trap van beschaving bereikt hadden. Dezen zouden door Semitische horden vanuit het Noorden in het nauw zijn gebracht, de Roode Zee zijn overgestoken en zich eerst in Berenice gevestigd hebben.

De Egyptenaren, tot de dynastie behoorend, zijn Hamieten, een omstandigheid, welke dit laatste gezichtspunt kracht schijnt bij te zetten en tevens verschillen zij in type niet veel van de tegenwoordige Galla, doch hadden wellicht proto-Semitische elementen [11]; men stelt zich voor, dat zij zich geconcentreerd hebben in de nauwe en vruchtbare strook langs de oevers van den Nijl.

De geschiedenis der dynastieën van het oude Egypte strekt zich op zijn minst over een periode van meer dan 3000 jaren uit. Met het oog op chronologische moeilijkheden, vond men het geschikt het dynastieke systeem, dat door Manetho, een Egyptischen priester, die in de 3e eeuw v.C. leefde, uitgedacht werd, te aanvaarden.

Manetho nu verdeelde de Egyptische geschiedenis in 31 dynastieën en hiervan vullen 26 den tijd tusschen Mena en de Perzische verovering, terwijl de overige de periode der Perzische, Helleensche en Romeinsche suprematie vullen. Met de Perzische overheersching echter begint de ontbinding van het Egyptische rijk en eigenlijk eindigt op dit tijdstip de Egyptische geschiedenis.

Hoewel Manetho's dynastieke indeeling door moderne Egyptologen is aanvaard, wordt zijn chronologie niet zoo algemeen aangenomen, hoewel deze door één authoriteit op dit gebied, professor Flinders Petrie, wordt ondersteund.

Tegenwoordig is de opvatting overheerschend de minimum chronologie te aanvaarden, welke bekend is onder den naam van Berlijnsche school; deze plaatst Mena's verovering op 3400 v.C. en de 12e dynastie op ongeveer 2000 v.C., terwijl de opvatting van professor Petrie, welke minder algemeen wordt aangenomen, deze gebeurtenissen stelt op respectievelijk 5500 v.C. en 3400 v.C.

Het is gebruikelijk de verschillende dynastieën in drie perioden te verdeelen, n.l. het Oude Rijk, omvattende de 1e-8e dynastie, het Midden-Rijk, omvattende de 9e-18e dynastie, en het Nieuwe Rijk, loopende van de 18e-26e dynastie.

Deze verdeelingen echter vullen geen enkele onderbreking in den loop der Egyptische geschiedenis, doch worden alleen uit gewoonte gebruikt.

De volgende tafel geeft een vergelijking te zien tusschen het systeem van dateering, dat bij hen, die de Egyptische geschiedenis bestudeeren, in zwang is, overeenkomstig professor Petrie en de Berlijnsche school, door professor Breasted voorgestaan:

Petrie (1906) Berlijnsche School (1906)

I 5510 v.C. 3400 v.C. II 5247 ,, III 4945 ,, 2980 ,, IV 4731 ,, 2900 ,, V 4454 ,, 2750 ,, VI 4206 ,, 2625 ,, VII 4003 ,, 2475 ,, VIII 3933 ,, IX 3787 ,, 2445 ,, X 3687 ,, XI 3502 ,, 2160 ,, XII 3459 ,, 2000 ,, XIII 3246 ,, 1788 ,, XIV 2793 ,, XV 2533 ,, XVI 2249 ,, XVII 1731 ,, XVIII 1580 ,, 1580 ,, XIX 1322 ,, 1350 ,, XX 1202 ,, 1200 ,, XXI 1102 ,, 1090 ,, XXII 958 ,, 945 ,, XXIII 755 ,, 745 ,, XXIV 721 ,, 718 ,, XXV 715 ,, 712 ,, XXVI 664 ,, 663 ,, XXVII 525 ,, 525 ,, XXVIII 405 ,, XXIX 390 ,, XXX 378 ,,

Onderzoekingen van Egypte.

Egypte met haar grootsche ruïnes, in duisternis en geheimzinnigheid gehuld, prikkelde sinds langen tijd de nieuwsgierigheid van den reiziger; de overleveringen immers over een hoogstaande beschaving, over haar godsdienst, bestuur en beschaving, leefden in de herinnering der menschen voort en daar heeft de mensch uit tempels, pyramiden, paleizen en steden daadwerkelijke bewijzen over het bestaan van dat oude koninkrijk gezocht en gevonden.

En niet alleen is de geschiedenis van Egypte voor de moderne wereld ontsluierd, doch tevens is die van andere volken en machten opgespoord; onder dezen van Perzië, Griekenland en Rome.

Het oudste voorbeeld voor de verzameling van Egyptische oudheden in Engeland is van het jaar 1863, toen een waardevolle zuil, welke tot het Oude Rijk behoorde, uit Saqquara werd overgebracht en aan het Ashmolean Museum te Oxford ten geschenke werd aangeboden, terwijl in de 18e eeuw een poging werd gedaan de Egyptische ruïnes te beschrijven en de ligging van eenige steden, door klassieke schrijvers vermeid, vast te stellen.

In 1798 vergezelde een wetenschappelijke commissie de militaire expeditie van Napoleon tegen Egypte en veel waardevolle arbeid is door deze geleerden volvoerd en het resultaat hiervan vult verscheidene deelen van de "Description de l'Egypte", terwijl de groote verzameling van oudheden, door hen bijeengebracht, w.o. de bekende steen van Rosette, welke de sleutel bleek te bevatten van het geheim der Egyptische hieroglyphen, in het jaar 1801 in Britsch bezit kwam.

In dit jaar, onder Mehemet Ali, werd Egypte voor Europeanen opengesteld en vanaf dien tijd werd een groot aantal oudheden aan dat land onttrokken en vond zijn weg naar de Europeesche verzamelingen en musea, voornamelijk het Britsch Museum, en de musea te Leiden, Berlijn en Turijn. De uitgebreidste verzameling van Egyptische voorwerpen bevindt zich te Caïro.

Oudste onderzoekingen.

In 1821 vond de ontcijfering van de Steen van Rosette, door Champollion, plaats en dit feit was een nieuwe aansporing voor onderzoek en verzameling. Champollion zelf, tezamen met Rosellini, werd door de gouvernementen van Frankrijk en Toscane voor een expeditie naar Egypte uitgezonden en veel werd gedaan door het copieeren van zuilen en inscriptie's.

De regeering van Pruisen echter nam in het jaar 1842 het initiatief tot een grootere onderneming, onder Lepsius, en deze strekte haar onderzoekingen tot Nubië en Khartoum uit en verder tot Syrië en Palestina. Deze expeditie, met haar wetenschappelijke methode, leverde een kostbaar resultaat op.

De officieele bescherming der oude monumenten en ruïnes, tegen de exploitatie door opkoopers, of vernieling door vandalen, werd het eerst door Mehemet Ali ter hand genomen; deze benoemde Mariette tot dezen moeilijken post en onder zijn verstandig en kundig beheer werd veel waardevols tot stand gebracht. Dit is onder de Britsche souvereiniteit tot ontwikkeling gekomen.

De oude bouwterreinen worden door het Gouvernement gehuurd en de Oudheidkundige Dienst beschikt over een ruime jaarlijksche subsidie en heeft vele Europeanen en inboorlingen tot haar beschikking. Alle provincies ressorteeren onder haar en geen opgravingen zijn zonder haar toestemming geoorloofd en dezen worden alleen aan verantwoordelijke personen toegestaan en wel onder deze voorwaarde, dat de helft van de te vinden voorwerpen het eigendom zullen worden van het Egyptisch Gouvernement, terwijl de vinders de andere helft mogen behouden.

Sir Gaston Maspero, directeur van het Museum te Caïro, heeft veel tot de volmaking der Egyptische archaeologie bijgedragen.

Reeds in het jaar 1862 zag de Schotsche archaeoloog Rhind de noodzakelijkheid in tot een bepaald wetenschappelijk systeem van opgraven te geraken, indien men werkelijk waardevolle resultaten wilde verkrijgen, en hij beklaagde zich over het gebrek aan zulke methodes in zijn tijd. In 1883 werd van dit systeem van onderzoek te Tanis, onder professor Flinder Petrie, het eerst gebruik gemaakt. Ieder voorwerp, hetzij groot of klein, hetwelk men bij het ontgraven van een tempel, stad of graf vond, werd bij een verzameling gevoegd en verklaard, om zijn aandeel in het bewijsmateriaal aan te brengen. Deze methode geeft aan elk voorwerp zijn waarde.

De aandacht is niet alleen op één gebied geconcentreerd, sinds niets vernield of verloren is gegaan en de kennis van de kunsten en nijverheid, de gebruiken, de literatuur en de godsdienst van het oude Egypte is langzaam bijeengebracht en alles neemt de hem passende plaats in de geschiedenis, welke voor ons ontvouwd wordt, in.

Veel van het mysterieuse, dat over Egypte hing, is verdwenen, doch de betoovering, welke zij in het verleden uitoefende, is bijna even groot als ooit te voren. Deze is niet door de meer inwendige kennis van haar oude beschaving verminderd, maar integendeel honderdvoudig vergroot.

Het stilzwijgen van vele eeuwen is verbroken, de hieroglyphen hebben haar geschiedenis aan den modernen mensch verteld en deze luistert met steeds grootere belangstelling naar de stem van het verledene. Het zand der woestijn is weggevaagd en oude bouwwerken staan opnieuw in het zonlicht te schitteren en geven hun geheimen, welke eeuwen lang bedekt waren, prijs.

De graven vertellen voor de zooveelste maal van verdriet over den dood en de eeuwenoude verlangens der menschen. Nog afgezien van de letterkundige overblijfselen, papyri en inscripties is het materiaal onmetelijk groot. De oude topographie van het land is door de overblijfselen van wegen, kanalen, steengroeven en mijnen bekend geworden.

De platte gronden der steden met haar tempels, versterkingen en particuliere woningen zijn uitvoerig besproken, zoodat de getuigenis van den bouw, tot de decoratieve teekeningen der kunstenaars toe, bijna geheel compleet zijn. De plattegrond van iedere stad is, over het algemeen genomen, bijna dezelfde als van verscheidene, welke tot verschillende tijdvakken behooren; men hoogde de ruïnes van oude bouwwerken op en de nieuwe gebouwen begonnen verscheidene voeten hooger.

Deze aldus gevormde ophoogingen zijn somtijds 80 of 90 voet hoog. Deze fundeeringen schrikten de Egyptische architecten er niet van af hooge gebouwen er op te plaatsen, zooals bijvoorbeeld die in Memphis, want in verscheidene steden bestaan nog heden muren van 30 of 40 voet hoog. Om dezen te dragen werden zij aan den voet dikker gemaakt en het fundament weder versterkt.

Onder de ruïnes van kalksteen, van huizen afkomstig, vindt men soms stukken zandsteen, graniet en albast, uit tempelruïnes aangesleept en dit bewijst, dat de Egyptenaren uit die lang vervlogen dagen precies hetzelfde deden als hun nakomelingen en de verwaarloosde en ineengestorte monumenten van hun steen beroofden.

Plattegrond der steden.

De plattegrond van een uitgegraven stad toont ons, dat de huizen om een tempel en diens vierkanten bouw zijn samengebracht.

Deze diende als versterking en tot toevluchtsoord voor het geval, dat de stad werd aangevallen. De plattegrond van steden, in een bepaalde periode gebouwd, was gewoonlijk voorzien van breede geplaveide straten, welke rechte hoeken vormden en voorzien waren van steenen goten, om het water af te voeren. De gebouwen werden op een vaste lijn geschikt.

In steden echter, welke het product van verschillende eeuwen vormen, vindt men een zeer groote onregelmatigheid. Men ziet er huizen in een doolhof van donkere lanen en donkere, nauwe straten. Over het algemeen vindt men in iedere straat een plein, door wilde vijgeboomen beschaduwd, dat men twee- of driemaal per maand voor marktplaats gebruikte.

De armere klassen waren in hutten gevestigd, gewoonlijk niet meer dan 12 of 16 voet in lengte, en weinig beter dan de hutten der fellahs van heden ten dage. De huizen der middenklasse, van winkeliers, lagere beambten en hoogere bedienden hadden een beter aanzien, maar waren vrij klein.

Gewoonlijk bevatten zij een half dozijn kamers en sommigen waren twee of drie verdiepingen hoog, terwijl nauwe binnenplaatsen hen van de straat afscheidden; vaker echter grensde het huis direct aan de straat en werd met drie zijden om een binnenplaats gebouwd.

Men heeft veelvuldige bewijzen, dat zeer zorgvuldige hygiënische toestanden in het oude Egypte bekend waren, want zelfs vrij armoedige huizen in Kahûn kunnen zich op een steenen regenbak beroemen en deze weelde was algemeen, uitgezonderd bij de allerarmsten. In Tell el Amarna heeft men in een huis van een aanzienlijk beambte, tot de 18e dynastie behoorende, een mooi bewerkt bad en een kunstig systeem om het water aan te voeren, ontdekt.

De inrichting van het gewone huis was ongeveer dezelfde als in het Oosten van onze dagen; de benedenverdieping bevatte bergplaatsen, schuren en stallen; de daarop volgende verdieping diende om er in te huizen en te slapen; het dak om er zomers te rusten, terwijl de vrouwen hier ook babbelden en kookten. Een trap, welke zich aan de buitenzijde van het huis bevond, nauw en zeer steil, leidde naar de bovenvertrekken. Dezen waren langwerpig van vorm en de deur alleen diende voor ventilatie en verlichting. Soms werden de muren bij wijze van versiering met wit bestreken, met rood en geel versierd, of met huiselijke tafereelen beschilderd.

Paleizen en heerenhuizen.

De paleizen en heerenhuizen stonden gewoonlijk in het midden van een tuin of hof, met boomen beplant, en omringd door muren, van schietgaten voorzien, alleen door een ingang onderbroken, welke dikwijls de maatschappelijke hooge positie der familie aantoonde. Soms vond men een gaanderij, door zuilen geschraagd, en met standbeelden versierd; bij andere een staatsiepoort, gelijkend op die, welke men bij den ingang van tempels aantreft.

"Het inwendige", aldus zegt Maspero, "geleek bijna altijd op een kleine stad, in kwartieren verdeeld door onregelmatige muren. In sommige gevallen stond het woonhuis op een meer afgelegen afstand, terwijl de graanschuren, stallen en kantoren der bedienden over verschillende deelen van de afgesloten ruimte waren verdeeld".

Schilderingen en plattegronden op de muren van graven aangetroffen, de overblijfselen van huizen te Tell el Amarna en van het paleis van Akhenaten, hebben nog een nadere aanvulling gebracht in de details, welke ons kunnen onderrichten. De schilderachtige plattegrond van een Thebaansch huis, half paleis, half villa, wordt door Maspero aldus beschreven.

"De ingesloten ruimte is rechthoekig en omgeven door een muur, van schietgaten voorzien. De hoofdingang komt uit op een weg, door boomen beplant, langs een kanaal, of een Nijlarm.

De tuin wordt symmetrisch verdeeld door lage, steenen muren. In het midden bevindt zich een groot traliewerk, gestut door vier rijen kleine zuilen; aan den rechter- en linkerkant zijn vier bassins vol eenden en ganzen, twee broeikassen met bladeren bedekt, twee zomerhuizen, lanen van wilde vijgeboomen en dadelpalmen. Achterin bevindt zich dan het huis zelf, recht tegenover den ingang, twee verdiepingen hoog, doch van kleine afmetingen, bedekt door een beschilderde kroonlijst".

Op een der graven van Tell el Amarna kan men een voorstelling zien van het paleis van Aï, die later den Egyptischen troon beklom. Dit is van grooter formaat, rechthoekig van vorm, met een breedere voor- dan zijgevel. De trappen, welke naar den terrasvormigen zolder leiden, geven toegang tot twee kleine kamers, beiden aan den achterkant. Het woonhuis zelf bevond zich in den uitbouw en was het heiligdom der familie en alleen intieme vrienden hadden recht daar binnen te treden.

De overblijfselen van het paleis van Akhenaten in Tell el Amarna zijn volgens hetzelfde plan ingedeeld; alleen is hier een paviljoen voor de koningin aan toegevoegd; dit bevat een ruime hal, van een afmeting van 51 bij 21 voet. In dit paleis bevindt zich een andere hal van 423 bij 234 voet. Deze bevatte 542 leemen pilaren, van ongeveer 100 vierkante c.M. Deze hal stond in verbinding met 5 kleinere. "De pilaren waren wit gemaakt en de zoldering was met afbeeldingen van wijnranken en druiventrossen, op een gelen achtergrond, beschilderd".

Vele paleizen en huizen vertoonen verscheidene kenmerken van de decoratieve kunst van die dagen. Overblijfselen van de architectuur uit het Oude Rijk zijn niet menigvuldig, maar de plattegrond schijnt niet veel van die uit de latere perioden te hebben verschild.

De kleine voorwerpen, welke men ontdekt heeft, zooals huisraad, kleeren, wapens, amulets, schilderen ons het huiselijk leven van het oude Egypte, terwijl tempels, versterkingen en monumenten ons over den godsdienst, de wijze van oorlogvoeren en den ondernemingsgeest in dien ver van ons verwijderd liggenden tijd inlichten.

Deze opgravingen strekken zich over een groote tijdruimte uit. Boven-, Beneden- en Midden-Egypte en Nubië zijn op uitgebreide schaal onderzocht, eveneens het Sinaï-Schiereiland en Syrië, met haar talrijke gedenkteekenen van verovering. In Nubië is, volgens een deskundige, de armoede van het land en de schaarsche bevolking in aanmerking genomen, het percentage der nog aanwezige monumenten grooter dan in Egypte.

Verscheidene tempels, graven, kanalen, versterkingen, grotten en pyramiden heeft men nog in goeden staat aangetroffen. In Boven-Egypte kan men de groote pyramiden en de nekropolis van Memphis vinden, benevens kleinere pyramiden, meer naar het Zuiden en tevens kan het zich op de bewonderenswaardige ruïnes van Thebe, aan beide zijden van de rivier, beroemen, daarbij nog op de graven en kanalen van Assuan en de tempels van Philae, doch hiermede is de lijst van uitgegraven bouwwerken nog niet uitgeput, daar het bekend is, dat verscheidene nog geheimen verbergen, tot dusver onaangeroerd.

Levenswijze in Oud-Egypte.

Het bestaan van Egypte, als een inheemsche monarchie, strekt zich over een zoo langdurige periode uit, dat het buitengewoon moeilijk is over de methode van bestuur of de levenswijze van het volk te generaliseeren. Hierbij moet tevens worden opgemerkt, dat geen enkele beschaving, met een verleden van duizenden jaren, minder verandering in staatkundige of inwendige aangelegenheden vertoont.