Mythen en Legenden van Egypte

Part 3

Chapter 3 3,723 words Public domain Markdown

Onderzoekingen van jongeren datum hebben het bewijs geleverd, dat de meeste goden der Grieken en Romeinen tot oudere vormen kunnen worden teruggebracht; sommige van hen bezitten verschillende attributen, andere daarentegen zijn van eenvoudiger vorm dan de latere opvatting over hen zou doen vermoeden.

Verschillende goden, die later een andere strekking hebben gekregen, zijn zonder twijfel met de natuurverschijnselen verbonden. Op deze wijze ontstond er een verbinding tusschen de goden van den regen en den donder en bliksem; het bezit van een lichtenden pijl is vaak een aanduiding op de jacht of den oorlog; alle maangodheden zijn tevens goden der vochtigheid en beschermers der geboorten. Sommige regengoden zijn tevens de beheerschers der winden, van de dooden, het weerlicht, den oorlog, de jacht, de beschaving en zoo voorts.

De zonnegod, in zijn kwaliteit van beheerscher van den hemel, kan tevens alle meteorologische verschijnselen veroorzaken. Hij is de god van den wasdom, den rijkdom, daar het goud de gele kleuren van zijn stralen bezit; hij kan tevens de reizigers beschermen, daar hij zelf den hemel doortrekt en zoo bestuurt hij onbeperkt alle onderdeelen van het menschelijk bestaan.

Men kan zich verder voorstellen, dat uit het polytheisme langzamerhand een soort van monotheisme is ontstaan, waarbij één god de heerschappij over het geheele menschdom verkreeg of, om het anders uit te drukken, het is mogelijk, dat één god zoo populair werd, of de priesters van dezen zoo machtig werden, dat alle andere godsdiensten bij zijn verbreiding en groei in het niet zonken.

Aan den anderen kant echter kan het polytheisme zeer goed ontstaan zijn uit een vroegeren vorm van monotheisme, [8] terwijl dit weer op zijn beurt een voortbrengsel is van een volslagen fetisch of totem, want de attributen van een grooten eenvoudigen god kunnen in de handen van een volk, dat zich nog gedeeltelijk in een phase van animisme bevindt, zoo van een persoonlijkheid doordrongen worden, dat zij geheel en al aparte wezens schijnen te zijn.

Bij de behandeling van de goden, waarop in de Pyramiden-teksten wordt gezinspeeld en van wie verscheidene klaarblijkelijk zijn afgeleid, moeten wij ons herinneren, dat, hoewel het noodzakelijk is, hen meer of minder te omschrijven, men de stof van dit hoofdstuk in het oog moet houden.

Het is toch niet ons doel geheel en al over de natuur of de karakteristiek van de goden, in de Pyramiden-teksten vermeld, beschouwingen te houden, doch zuiver en alleen een korte schets van hen te geven, zoodat de lezer in staat is zich een idee te vormen over den Egyptischen godsdienst in het algemeen gedurende de oudste dynastieën.

De godin Net of Neith, die in de Pyramiden-teksten van Unas wordt vermeld, is een gestalte, waarin wij een personificatie van den mist of den regen kunnen ontdekken, daar zij met een pijl wordt afgebeeld, het symbool van den bliksem. Horus met zijn havik-hoofd (waarschijnlijk oorspronkelijk een havik-totem), is een van de manifestaties van den zonnegod, van wien hij wellicht is afgeleid en met wien hij verwant is. Khepera, dien men eveneens, in de teksten van Unas vindt, is een andere vorm van den zonnegod. Het bezit van de afbeelding van den kever is een symbolische voorstelling van de wijze, waarop de zon zich wentelt langs den hemel, zooals de Egyptische kever, of scarabaeus zijn eieren over het zand voortwentelt.

Khnemu, met een hoofd van een ram voorzien, wiens naam beteekent vernietiger, of vereeniger, was klaarblijkelijk de totemistische godheid van een vreemd volk, dat zich in Egypte vestigde, welke het tot een godheid bracht, of misschien het geloof aan één god wist te verwekken, dan wel tenminste voor schepper werd gehouden en in den Egyptischen godsdienst met al zijn attributen is opgenomen. Sebet, de krokodillengod, Ra en Ptah, twee andere gestalten van den zonnegod, Nu, de waterachtige massa van den hemel, deze allen komen eveneens in de Pyramiden-teksten van Unas en Teta voor, evenals Hathor.

Oudste begrafenissen.

De Egyptische godsdienstige leerstellingen bevorderden zorgvuldig de idee het menschelijk lichaam na den dood voor bederf te vrijwaren. In de oudste periode werpen de begrafenissen van dien tijd het meeste licht op de natuur van het godsdienstig geloof.

Het lijk werd, als het begraven werd, in een zoodanige houding neergelegd, dat men kan vermoeden, dat het tevoren dubbel was gevouwen. De knieën raakten de kin aan en de handen werden over het gelaat uitgespreid. Het hoofd werd naar het Westen gekeerd. In den lateren prae-historischen tijd werd het lichaam dikwijls stevig omwonden met lappen, welke strak werden aangetrokken, om alle beenderen evenwijdig aan elkander te doen liggen. In nog later prae-historischen tijd werd een minder stijve lichaamshouding toegelaten, welke een ruimere ligging gedoogde.

In nog lateren prae-historischen tijd omwond men het lijk met linnen kleedingstukken. Het werd met allerlei voorwerpen omringd, welke voor zijn gebruik, voedsel of verdediging in de andere wereld waren bestemd, of wellicht voor het gebruik van zijn _ka_; zoo treft men steenen vaatwerk aan met bier, verschillende soorten zalf, steenen messen en speerpunten, halssnoeren en andere voorwerpen, welke de overledene gedurende zijn leven had gebruikt. Men plaatste verder amuletten op zijn lichaam om dit tegen den invloed van booze geesten, zoowel op deze wereld, als in het leven hiernamaals, te beschermen.

In het Oude Rijk, dat men het tijdvak der Pyramiden kan noemen, komt een nieuwe wijze van begraven in zwang, en wel een eenvoudige soort van mummificatie. Men heeft goede reden aan te nemen, dat dit gebruik uit de vereering van Osiris, den god der dooden, is ontstaan en dat dit op krachtige wijze zijn invloed heeft doen gelden op de toekomstige begrafenisgebruiken en alle theologische gedachten en gebruiken.

Tusschen den tijd echter, welken wij den prae-historischen kunnen noemen en dien van de Pyramiden, waren nog verschillende andere wijzen van begraven gebruikelijk. De Pharaoh werd, gedurende de eerste dynastie, in een ruim rechthoekig gewelf van baksteen, dat verschillende kamers bevatte, doch van buiten af ontoegankelijk was, bijgezet. In een van deze kamers werd het lichaam van den koning neergelegd en in de andere vertrekken verschillende offeranden en gereedschappen geplaatst.

Het geheel was louter een verdere phase van de prae-historische wijze van begraven. In het uitwendige van de graftombe bevonden zich nissen, door welke de _ka_ van den gestorven koning in staat zou zijn naar believen de graftombe te verlaten en weer binnen te gaan.

Rondom het geheele gewelf was een muur gebouwd, van tijd tot tijd werden versche offeranden voor den gestorven heerscher in de nissen geplaatst en waarschijnlijk was over het geheel een hoogte van aarde, of baksteen aangebracht.

De naam van den monarch werd in hieroglyphen op een groote, marmeren gedenkplaat aan de buitenzijde gegrift, zonder eenige nadere aanduiding over zijn leven, karakter, of daden. Verscheidene van deze oude koningsgraven bevatten tevens de graven van vrouwen, bedienden en honden. Deze wijze van offering, welke inderdaad tot het Neolithisch tijdvak behoort, had ten doel den koning gezelschap te geven en hem van dienst te zijn bij zijn verlangens en behoeften in het nieuwe leven; later echter hield men met deze offers op en in plaats van het offer zelf werden de beeltenissen van vrouwen, of onderkoningen, in de koninklijke tombe aangebracht.

De Pyramiden.

Langzamerhand is uit deze rustplaats de grootsche opvatting der pyramiden ontstaan. Inderdaad is de pyramide niets anders dan een groot grafgewelf, een reusachtige grafheuvel, waarop in plaats van steenen of rotsblokken, groote blokken graniet werden opgestapeld. Dikwijls is de grafkamer, welke zij bevat, niets anders dan een gewelf, dat men door een nauwen doorgang, of galerij, kan bereiken, en dat men terstond na de begrafenis van den koning zorgvuldig dichtmetselde.

Oorspronkelijk waren deze grafkamers van geen enkele versiering voorzien en eerst tegen het einde van het Midden-Rijk werd het gewoonte ze met teksten te beschrijven, welke op het toekomstig leven betrekking hadden. Op deze wijze ontstonden deze wondervolle pyramiden-teksten, uit welke wij zooveel over het leven van het oude Egypte hebben geleerd.

Aan de Oostzijde van de pyramide werd een tempel gebouwd, welke aan de vereering van den gestorven monarch was gewijd en in welke plichtsgetrouw en punctueel offeranden aan zijn schim werden gebracht. Daar hij na zijn dood tot een godheid werd verheven, werd zijn beeld in deze kwaliteit van godheid in een vertrek geplaatst, dat speciaal hiervoor was ingericht.

De eigenlijke steenmassa, waaruit de pyramide zich heeft ontwikkeld, kan teruggebracht worden tot de beschermende muur van de graftombe. In de derde dynastie heeft men deze kleine afsluitmuur met een dak voorzien en tot een stevige massa van metselwerk uitgebreid, welke door de Arabieren Mastaba werd genoemd, eigenlijk een afgeknotte pyramide.

Dit metselwerk werd later gedurende dezelfde dynastie in steen nagebootst, zooals bij Saqquara en door herhaalde toevoegingen en successievelijke bekleedingen van metselwerk vergroot. Ten slotte kreeg het geheel een omhulsel van blokken kalksteen en krijgen wij een bouw zooals de pyramide van Medum.

Pyramidenbouw.

De bouw in den vorm van pyramiden is typisch Egyptisch en zelfs daar beperkt zij zich tot het tijdvak tusschen de 4e en 11e dynastie, of voor 3000 v.C. Ten onrechte heeft men de teocalli van Mexico en Midden-Amerika, ook trappentempels genoemd, over 't algemeen met de pyramiden vergeleken; deze laatsten toch waren een plaats van vereering, terwijl de Egyptische vorm alleen een begraafplaats was. Een vast plan lag aan deze reusachtige bouw ten grondslag. Sommige schrijvers hebben opgemerkt, dat de pyramiden door het bloote toeval zijn ontstaan en door woeste krachten. Het is er ver van af, dat dit juist is; integendeel, zij werden met groote zorg gebouwd en wiskunstige berekeningen, buitengewoon ingewikkeld, liggen aan het plan van den bouw ten grondslag.

De oudste pyramiden werden samengesteld uit horizontale lagen van ruw gehouwen steenblokken, voornamelijk door hun eigen gewicht bijeen gehouden, doch de tusschenruimten werden met kalk aangevuld. In de latere phase van den bouw bestond de kern hoofdzakelijk uit puin, waarvan steenen en leem de voornaamste bestanddeelen uitmaakten. Dit werd aan de buitenzijde met een fijn steenen omhulsel bedekt en zorgvuldig bekleed en de doodenkamers geven een gelijke zorgvuldige constructie te aanschouwen. Dezen werden gewoonlijk beneden den beganen grond gemaakt en door een gang aan de Noordzijde der pyramide kreeg men tot dezen toegang. Gewoonlijk waren de doodenkamers één- of meermalen door granieten blokken uit één stuk versperd en soms werden zij door steenen deuren afgesloten, welke om een spil konden draaien, opdat de priesters, indien zij dat begeerden, er binnen konden gaan.

De eerste pyramide wordt op naam gezet van Cheops of Khufu en bevindt zich bij Gizeh. De tweede wordt toegeschreven aan Dad-ef-ra en werd bij Abu Roash gebouwd. Khafra werd in de tweede pyramide van Gizeh bygezet en de pyramide bekend onder den naam van "Bovenste", welke zich op dezelfde plaats bevindt, werd door het lichaam van Menkaura ingenomen. De kleinere bouwwerken bij Gizeh naast de groote en derde pyramide werden voor de familieleden van Khufu en Khafra opgericht.

Verloren gegane pyramiden.

Verscheidene pyramiden, waarop in de teksten toespelingen worden gemaakt, zijn of geheel en al verdwenen, of kunnen niet meer geïdentificeerd worden.

Zoo is de plaats, waar Shepseskaf is begraven en welke onder den eigenaardigen naam van "de Koele" bekend is, onbekend. Wij kunnen ons de zorgvuldig geschoren priesters voorstellen, die een toevlucht zochten in de dicht beschaduwde gangen, om zich tegen de gloeiende Egyptische zon beschutten. Zonder eenigen twijfel vond de _ka_ van Shepseskaf de schaduw van zijn begraafplaats aangenaam genoeg, wanneer hij met zijn mummie het damspel beoefende in zijn ontoegankelijke vertrekken. Men weet thans, dat de pyramide van Menkauhor, "het goddelijkste gebouw" zich ergens in de buurt van Saqquara bevindt, doch welke van de statige bouwwerken daar ter plaatse aan hem kan worden toegeschreven, kan men onmogelijk uitmaken.

Hetzelfde is het geval met de pyramide van Assa, welke op tafeltjes wordt vermeld te Saqquara, Karnak en elders. Deze was "de Schoone" genaamd. Evenmin kan "de schoon oprijzende" van Rameses en het "krachtige leven" van Neferarkara voldoende worden aangewezen.

Het is zeer onwaarschijnlijk, dat deze bouwwerken zoo geheel en al in puin zijn gestort, dat er geen enkel spoor van is overgebleven, tenzij zij van steenen, uit leem vervaardigd, zijn gebouwd. De pyramide van Amenemhat III, welke uit deze grondstof was gebouwd, bestaat echter nog, evenals die van Senusert III bij Dahshur.

Er is in den laatsten tijd zooveel geschreven over de pyramiden, dat het geen doel zou hebben, verder op dit onderwerp in te gaan in een werk als het onze, daar dit zich slechts ten doel stelt over de mythologie der Egyptenaren te verhalen en een schets te geven van hun beschaving en kunst. De lezer kan in het algemeen weinig belangstelling koesteren in louter afmetingen en ruimtebeschrijvingen.

Mummies.

Zooals reeds is opgemerkt, was de mummieficeering blijkbaar een uitvinding, bij den dienst van Osiris behoorende. De priesters van Osiris leerden, dat het menschelijk lichaam een heilig voorwerp was en dat het niet mocht overgelaten worden aan de wilde dieren der woestijn omdat hieruit het schitterend en herboren omhulsel van den gereinigden geest zou ontstaan. Het schijnt, dat men in prae-historischen tijd proeven heeft genomen het lichaam voor bederf te bewaren, of door het in de zon te laten drogen, of door het lichaam met een harsachtig preparaat in te smeren en in den loop der eeuwen ontwikkelde deze eenvoudige behandeling zich tot de kunst van het balsemen, tot in de kleinste bijzonderheden nauwkeurig uitgevoerd, met weliswaar duister, doch schilderachtig ceremonieel.

In de tijden van het Midden-Rijk, zooals men kan zien uit de graven van Beni Hassan, heerschte het gebruik de inwendige organen te verwijderen en dezen in een kruik te leggen, in vier afdeelingen verdeeld, welke betiteld waren met de namen der 4 hemelgoden, die hen bewaakten.

In sommige graven uit dezen tijd maakten zij, die voor de begrafenis te zorgen hadden, eenvoudig pakjes, van welken men, door een opschrift op dezen, veronderstelde, dat zij de bedoelde organen bevatten, terwijl zij zonder eenigen twijfel geloofden, dat deze schriftelijke verklaring een magische kracht had en evenzeer voldoende was, als wanneer zij werkelijk daar aanwezig waren.

Tot de periode van het Nieuwe Rijk vinden wij niet, dat het proces van mummieficeering eenigen graad van nauwkeurige bewerking heeft bereikt. In het begin werd zij tot de Pharaohs alleen beperkt, daar dezen met Osiris werden geïdentificeerd; de noodzakelijkheid evenwel van een gevolg, hetwelk hen in de duistere woningen van de Tuat moest dienen, schreef voor, dat hun hovelingen eveneens werden gebalsemd.

De gewoonte werd daarna door de rijken overgenomen en drong van rang tot rang door, totdat ten laatste zelfs het lijk van den armsten Egyptenaar op zijn minst aan een proces van indompeling in een bad van natron onderworpen was.

In de 20e dynastie bereikte de kunde haar hoogtepunt. In dezen tijd was het proces zeer kostbaar en een mummieficeering, welke tot in alle nauwkeurigheid was uitgewerkt kostte ongeveer f 7200, volgens onze munt berekend.

Wanneer de verwanten van den gestorvene de beroepsbalsemers raadpleegden, toonden dezen hun verschillende modellen van mummies en uit dezen kozen zij er een. Het lijk werd daarna aan de balsemers toevertrouwd. Om te beginnen spoten zij een bijtend vocht in de hersenholte, hierna werd de zacht gemaakte inhoud van deze door middel van met haken voorziene instrumenten door de neusgaten verwijderd.

Een mummiemaker, wiens beroep hem bijna tot een pariah maakte, voor zoo heilig hield men namelijk het menschelijk lichaam, maakte met een steenen mes een insnijding in het lichaam, een werktuig, dat hierdoor bewijst eenmaal in den prae-historischen tijd van nut te zijn geweest. De voornaamste inwendige organen werden uit het lichaam verwijderd, gewasschen en in palmwijn gedoopt.

Hierna onderging het lichaam een uitdrogingsproces en werd in sommige tijden of van het vleesch ontdaan terwijl de huid alleen overbleef, of met zaagsel, dat zorgvuldig door inkervingen in het lichaam werd gebracht, opgevuld, zoodat de natuurlijke vorm geheel en al werd hersteld.

De holten, door het wegnemen der organen ontstaan werden wellicht opgevuld met myrrhe, cassia of andere kruiden. Wanneer het lichaam weer was dichtgenaaid, werd het daarop in een bad van natron gelegd en wel gedurende een tijd van zeventig dagen en vervolgens in linnen gewikkeld, dat in een kleverige vloeistof was gedoopt. Een kist werd vervaardigd, welke den vorm van het menschelijk lichaam had en op levendige en kunstige wijze beschilderd was met afbeeldingen van goden, amulets, symbolen en eenige voorstellingen van een begrafenis.

Een afbeelding van het gelaat van den gestorvene kwam nog bij deze schilderingen en de korte vleugel, het zinnebeeld van den levenden Egyptenaar, prijkte in meer of minder fraaie kleuren boven dit conventioneele doodenmasker, dat over het algemeen slechts weinig gelijkenis met den doode vertoonde.

De kruiken, waarin de ingewanden werden gelegd, hadden deksels, welke zoo gesneden waren, dat men er de afbeelding van een menschelijk hoofd uit kon opmaken, maar na de 18e dynastie werden de hoofden van de vier zoons van Horus, Medi, met het menschelijk hoofd, Hapi, die met den kop van een aap wordt afgebeeld, de jakhals Tuamutef en de valk Qebhsennuf, de beschermgeesten van het Noorden, Zuiden, Oosten en Westen op de deksels der kruiken afgebeeld.

In de kruiken werden de maag, de longen, het hart, de lever en de galblaas gelegd. Deze kruiken werden in de graftombe naast de mummie geplaatst, zoodat deze, bij zijn herrijzenis, gemakkelijk de beschikking er over kon hebben. Nu is het een treffende bijzonderheid, dat wij een gelijkenis met deze genii vinden onder de oude Maya van Midden-Amerika, die vier goden bezaten aan ieder punt van het kompas geplaatst, om den hemel te schragen. Hun namen waren Kan, Muluc, Ix en Cauac, of volgens andere schrijvers Hobnil, Kanzicnal, Zaczini en Hozanek en men heeft vastgesteld, dat de Maya bij hun begrafenissen gebruik maakten van grafkruiken, bacabs genaamd, welke de ingewanden van den doode bevatten [9]. Vreemd genoeg maakten de oude Mexicanen eveneens gebruik van een soort mummificeeren, evenals de inwoners van Peru [10].

Begrafenisoffers.

Het huisraad in de graven der Egyptenaren uit de hoogere standen was kunstig bewerkt en kostbaar; men vindt daar stoelen, kruiken, wapens, spiegels, ja soms zelfs wagens en pruiken! Vanaf den tijd van het Midden-Rijk (de 18e dynastie) werden kleine beeldjes, ushabtiu genaamd, in elke graftombe geplaatst. Dezen stelden verschillende beroepen voor en men veronderstelde, dat zij de gestorvenen in de andere wereld bijstonden, of dienden. De muren van de grafkamer en de zijden van sarcophaag werden gewoonlijk ingenomen door teksten uit het "Boek der Dooden" of formules, geloften inhoudende, brooden, ganzen, bier en andere behoeften aan den ka van den gestorvene te zullen offeren.

De begrafenisplechtigheid was statig en indrukwekkend. Soms gebeurde het, dat het lijk over water moest gevoerd worden en in dat geval had de processie plaats door middel van fraai geschilderde booten; in het andere geval bewoog zich de schare van rouwdragenden langzaam langs den Westelijken oever van de rivier den Nijl.

De begrafenisplechtigheid schijnt bijna altijd een theatraal karakter te hebben gedragen en was een symbolische voorstelling van de nachtelijke reis van Ra-Osiris. De voorgeschreven gebeden werden opgezegd en daarna werd wierook verbrand. De nabestaanden van den gestorvene waren luidruchtig in hun klachten en werden in dezen bijgestaan door mannen, die van dit klagen een beroep maakten; dezen begonnen luide en doordringend te klagen, wanneer de stoet langzaam de mastaba, of graftombe naderde, waarin de mummie zou worden bijgezet.

Deze werd uit de kist genomen, wanneer zij de deur van haar toekomstig verblijf had bereikt en rechtop tegen den muur van de mastaba geplaatst door een priester, die een masker van god Anubis, met het hoofd van een jakhals, droeg. Was men zoo ver gekomen, dan begon een nieuwe uitvoerige plechtigheid, bekend onder de benaming van het openen van den mond. Onder vele formules en symbolen werd de mond van den gestorvene door middel van een haak geopend, waarna men geloofde, dat hij in staat was te spreken, te eten of te drinken. Een speciale lectuur is over dit gebruik ontstaan, bekend onder den naam van: "Het boek betreffende het openen van den mond". Zorgvuldig bewerkt en talrijk waren de werktuigen, welke men voor deze plechtigheid gebruikte: de pesh-ken, of haak, vervaardigd van een steen van rose kleur, het mes van grijs-groenachtige steen, de vazen, kleine steenen messen, welke het "metaal van het Noorden" en het "metaal van het Zuiden" voorstelden, de zalven, olie enz.

Onbegrensd was het ceremonieel, indien de overledene een man van aanzien was, daar op zijn minst 28 formules moesten worden opgezegd, terwijl verschillende van dezen vergezeld gingen van reiniging, zuivering en verwisseling van kleeding door de priesters, die den dienst leidden. De kist, welke de mummie bevatte, werd daarna in het grafgewelf neergelaten door een lang touw en door de doodgravers aangenomen.

De Ka.

De gestorvene was eigenlijk voor het bestaan in de onderwereld aan de genade van de levenden overgeleverd. Indien zijn nabestaanden niet doorgingen met offers te brengen, dan was hij inderdaad in een ellendigen toestand, want zijn _ka_ moest in dat geval sterven. Deze ka was zijn dubbelganger en kwam op hetzelfde tijdstip als hij op de wereld.

De ka moet scherp onderscheiden worden van de _ba_, of ziel, welke gewoonlijk na den dood van hem, die haar bezat, de gedaante van een vogel aannam en zij was inderdaad in staat de gedaante aan te nemen, welke zij wenschte, indien de begrafenisplechtigheden correct in acht genomen waren.

Sommige Egyptologen zien in de ka een bijzondere, actieve kracht, welke het menschelijk wezen met leven vervult en zien hierin een equivalent met de Hebreeuwsche uitdrukking voor "geest", in onderscheid met "ziel". In het boek Genesis hooren wij, dat God den levensadem in den mensch blies en hij leefde. Op gelijke wijze legde de God der Egyptenaren zijn arm achter de oergoden en terstond kwam zijn ka over hen en zij leefden.

Als de mensch stierf, verliet zijn ka het lichaam, maar hield toch niet op hierin belang te stellen en bij gelegenheid bezielde hij het weer. Het was voor de ka, dat de Egyptische graven zoo goed voorzien waren van eten en drinken en alle noodzakelijke behoeften, om niet te zeggen weelde, voor het bestaan.

De Ba.

De ba bleef niet, zooals we reeds zagen, bij het lichaam, maar nam na den dood vleugels aan. Onder onbeschaafde volken--b.v. de inboorlingen van Amerika--heerscht dikwijls de opvatting, dat de ziel de gedaante en eigenschappen van een vogel bezit. Het gemak, waarmede de vogel zich door het onmetelijk luchtruim voortbeweegt, zijn vermogen om te vliegen, hetwelk men niet begrijpt, zijn geheimzinnig gezang, zijn verwantschap met den hemel zijn oorzaak, dat hij tegelijk een vreemd en benijdenswaardig wezen is.