Part 26
Ten slotte echter wischte het fanatisme der Christenen den ouden godsdienst der Pharaohs uit, evenals verschillende van zijn priesters en aanhangers. De tempel van Serapis werd, onder oproer en verwarring, bestormd en het laatste toevluchtsoord van het Egyptisch geloof verdween. Sindsdien leefden de mythen der oude goden alleen nog maar in de formules van de toovenaars, terwijl hun sombere geesten in de verlaten tempels, waarin zij nooit meer zouden heerschen, rondspookten.
Hoofdstuk IX
Egyptische kunst.
De productie van de groote Egyptische meesters der grafische kunst heeft feitelijk geen tegenhangers en al lijkt deze bewering op het eerste gezicht vermetel, men zal vinden, dat deze zich tegen een behoorlijk, nauwkeurig onderzoek verzet.
Wanneer wij het onvergelijkelijke borduurwerk van het oude Perzië beschouwen, het goddelijk mooie porcelein van het Middeleeuwsch China bestudeeren, of de houtsneegravuren van de groote Japansche kunstenaars uit de Ukiyoé school voor ons zien, van mannen als Hokusai, Utamaro, Hiroshige, Yeizan en Toyokuni, gevoelen wij zonder twijfel, dat wij hier iets beschouwen, dat van Europeesche kunst verschilt, doch slechts gedeeltelijk.
Hoe vreemd deze voorwerpen uit het Oosten ook zijn mogen, wij vinden in hen een zekere familiariteit, wij zien in hen de uitdrukking van emoties en gevoelens, welke ons niet geheel en al onbekend zijn. De Egyptische voorwerpen echter verschillen van dezen, want zij schijnen ons geheel en al nieuw toe; zij doen ons een betooverde wereld, door den voet der mensch niet betreden, aan de hand, misschien een bovennatuurlijke.
Hun vreemdheid, hun bijna onheilspellende ongemeenheid is echter niet moeilijk te verklaren; deze is niet alleen aan de merkwaardige conventie, waaraan de Egyptische meesters eeuwen achtereen zoo blind gehoorzaamden, doch ook aan het feit te danken, dat de kunsten oud-Egypte aangeboren waren.
Japan ontleende zijn schilderkunst ongeveer in de 14e eeuw n.C. aan China; Chineesch werk laat, op zijn beurt, verwantschap met dat van oud-Griekenland zien; de groote Italiaansche meesters der Renaissance hadden veel aan de Graeco-Romaansche school te danken, terwijl de oude Spaansche kunstenaars op hun beurt verplichtingen aan de Mooren en Arabieren hadden en in Engeland, in Schotland, in Duitschland en Frankrijk bloeide de schilderkunst niet, evenals een plant op, doch was eerder een buitenlandsch product, voornamelijk uit laag gelegen landen, geïmporteerd.
Kortom, zoowel in oude, als moderne tijden hadden de kunsten, bijna in ieder land, iets aan die van andere landen te danken, daar er voortdurend een groote wisseling plaats vond; de machtige werken van Egypte waren voor het meerendeel lang voor deze wisseling tot stand gekomen en het heeft den schijn, dat schilder- en beeldhouwkunst, architectuur en andere inlandsche kunst uit zichzelf in het land van Isis ontstaan zijn, daar gebloeid hebben en gedurende eeuwen zuivere Afrikaansche voortbrengselen tot ontwikkeling gebracht hebben, zonder dat zij in eenig opzicht door het handwerk van andere rassen beïnvloed werden.
Het is altijd moeilijk over den oorsprong van iets te spreken, want zelfs de oudste dingen hebben hun stamvader. En daar het mogelijk is over een bepaalde soort van de eerste groote periode der Egyptische kunst, de z.g. Thinitische te spreken, welke ongeveer 5000 v.C. begon, moeten wij ons herinneren, dat de productie uit dezen tijd geen uitzondering op den zoo even genoemden regel maakte, doch ook deze had haar stamvader, n.l. het werk van den prae-dynastieken tijd.
Zelfs in die zeer oude tijden vervaardigde men in Egypte ruwe afbeeldingen van levende wezens, natuurlijk van leem, daar dit materiaal gewoonlijk gebruikt werd; tevens vervaardigde men veel pottebakkerswerk, terwijl een deel hiervan met vreemde afbeeldingen gegraveerd was. Terwijl verscheidene van deze vazen en dergelijke voorwerpen niet beter zijn dan die van de meest primitieve kunstenaars, vertoonen andere daarentegen een diep gevoel voor vorm en proportie.
Evenmin schuwden de Egyptenaren uit dezen tijd de gewoonte, sedert onheugelijke tijden toegepast, de eigen gemaakte versiering; immers onder de oudste overblijfselen van de kunst van het land bevinden zich verscheidene eigen gemaakte versieringen, sommige van been, of schelpen, andere van steen en ivoor en eenigen zelfs van kostbaar metaal vervaardigd. Bovendien legde men zich vroeg op ruwe vormen van architectuur toe, terwijl dezen op haar beurt de aanleiding waren voor pogingen, om de muren te verfraaien.
In prae-dynastieke tijden werden de dooden gewoonlijk in ondiepe graven, zonder eenige verfraaiing, bijgezet, terwijl er slechts één beschilderd graf uit dien ouden tijd bekend is. Indien wij den tijd, welke hierop volgde, bestudeeren, trekt de kunst, om de graven te versieren, het eerst onze aandacht.
Zelfs niet in Roomsch Katholieke landen, of in China, heeft men over het welzijn der dooden zoo liefderijk, zoo voortdurend en ijverig gedacht als in Oud-Egypte. Het Egyptische graf uit dien tijd was een zeer degelijke zaak, gewoonlijk van kalk- of zandsteen, soms van graniet of breccia, uit de bergen van Arabië, gebouwd. Indien er sprake was van een aanzienlijk persoon, werden de wanden van zijn graftombe getrouw met de daden uit zijn leven op aarde gegraveerd en speciaal met afbeeldingen, welke zijn waarschijnlijke doorreis door de onderwereld illustreerden. Gewoonlijk verheerlijkte hem een standbeeld aan de buitenzijde van zijn graftombe; dit beeld was gewoonlijk uit albast, slangensteen, kalksteen, graniet of zandsteen vervaardigd; de beeldhouwer streefde niet in de eerste plaats naar versiering, doch meer naar een afbeelding van den gestorvene.
Zij schijnen verder zeer veel gewicht aan de kwestie van duurzaamheid gehecht te hebben, daar zij hun werk stevig aan zijn voetstuk vastmaakten, of nog vaker, dit een deel hiervan maakten en om een voorbeeld van de voorliefde der Egyptenaren hiervoor aan te halen, kunnen wij van twee werken, welke zich beiden in het Britsch Museum bevinden, melding maken; het een toont ons den Pharaoh Mykerinus zittend, het ander beeldt een groep van drie personen af, die eveneens gezeten zijn. In beide gevallen is het beeld uit groote rotsblokken, welke het schragen, gehouwen en kan daarvan met geen mogelijkheid verwijderd worden, behalve door een uitgebreide bewerking met hamer en beitel.
Een zeer groot aantal andere beelden, welke tot den oudsten dynastieken tijd behooren, zijn nog over en verscheidene van dezen bezitten buitengewone artistieke waarde. Terwijl men moeilijk hetzelfde beweren kan van de nog bestaande voorbeelden van het relief-snijwerk uit deze periode, worden wij herhaaldelijk getroffen door de bevalligheid van de oudste inlandsche kunst. Voornamelijk verdienen talrijke armbanden dezen lof, terwijl het museum te Kairo twee prachtig gegraveerde pooten van een stoel bezit, welke van een diepe artistieke opvatting blijk geven; dezelfde verzameling bevat verscheidene kleine afbeeldingen van apen, leeuwen, honden, terwijl al deze voorwerpen duidelijk de hand van een kunstenaar verraden, die een diep gevoel had voor de bijzondere schoonheid, welke in het grootsche verscholen ligt.
Ook kan men die indrukwekkende monumenten van de werkzaamheid en vindingrijkheid van het oude Egypte, de Pyramiden en de Sphinx, tot een ouden tijd terugbrengen, werken, welke evenveel welsprekendheid, zoowel in proza als in poëzie hebben doen ontstaan, als de Monna Lisa van Leonardo da Vinci en de beelden van Phidias.
Terwijl men over het algemeen meent, dat deze werken in den bedoelden tijd tot stand gekomen zijn, is hun begin in duisternis gehuld. Hoe echter de ware oplossing van dit raadsel ook zijn moge, de Memphitische periode was zeer zeker een, welke van een belangrijke ontwikkeling in de Egyptische kunst getuigenis aflegt.
Er is weinig gelegenheid de architectuur van dien tijd te bestudeeren, daar de overblijfselen slechts uit losse steenen, of in de zon gedroogde baksteenen, bestaan; op het gebied der beeldhouwkunst echter zijn wij in staat vorderingen op te merken.
Tot hiertoe waren de afbeeldingen in de graven feitelijk een voorrecht voor de grooten en rijken geweest, doch thans werden alle soorten van graven, of, tenminste de graven van verscheidene betrekkelijk arme menschen, op deze wijze versierd en daar de gestorvene menigmaal in een houding afgebeeld werd, welke een aanwijzing was voor zijn karakter op aarde, werpen deze beelden een helder licht op het leven in Memphis.
Aldus vinden wij hier een man, die met brouwen bezig is, daar een ander, die het werk van een schrijver verricht, terwijl zijn houding met die van een hedendaagschen kleermaker overeenkomt. Tevens kunnen wij opmerken, dat de zorg voor het welzijn van een gestorven hoogwaardigheidsbekleeder op een ingewikkelder wijze dan tot nu toe geopenbaard werd.
Stel bijvoorbeeld, dat zijn vrienden en verwanten er bevreesd voor waren, dat hij in het leven hiernamaals niet goed gevoed zou worden, dan plachten zij zijn rustplaats met afbeeldingen, welke een keuken in werking voorstelden, te versieren. Soms ook beeldden zij in de grafkapel een groep musici af, ieder met zijn instrument in zijn hand. [43]
In al deze werken, evenals in verscheidene andere van verschillende natuur, kunnen wij een vlottere behandeling opmerken, dan over het algemeen bij die van de prae-dynastieke tijden, zooals het beeld, dat ongetwijfeld de kroon spant in den tijd der Pyramiden (4e dynastie) het beeld ten voeten uit van den Sheikh-el-Beled (zijn eigenlijke naam was Ka-aper), een beeld, dat krachtig en vol zelfvertrouwen vervaardigd is, als een beeld van de hand van Rodin, of Mestrovic.
Wij zien verder, dat de kunstenaars meer en meer aan hun respectievelijke eigenaardigheden uitdrukking beginnen te geven, dat zij aantoonen, dat zij minder het geldend régime slaafs willen volgen en het is kenmerkend, dat een van de beeldhouwers uit de Pyramidentijd, Ptah-Ankh, inplaats van zijn identiteit, evenals al zijn voorgangers, te verzwijgen, de gelegenheid vond een steenen relief te vormen, waarop hij zichzelf, in een boot gezeten, afbeeldde.
Het Schildermateriaal.
In dit verband moeten wij opmerken, dat deze Egyptische bas-reliefs gewoonlijk niet in één kleur gehouden werden, evenals in modern Europa, want de schilder werd gewoonlijk door den beeldhouwer te hulp geroepen, terwijl zelfs portretbeelden veelvuldig zoo gekleurd werden.
De kunstvaardigheid in het schilderen op in de zon gedroogde klei was gedurende het Pyramiden-tijdvak tot geen bijzondere hoogte opgevoerd, evenmin het schilderen op papyrus, terwijl mummiekisten dikwijls met een groote massa kleuren bedekt werden.
De kleuren van verscheidene van deze oude Egyptische werken bezitten thans nog vrij veel donkerheid en glans, terwijl eenige inderdaad beter bewaard gebleven zijn, dan die van Italiaansche frescos uit de Renaissance en oneindig beter dan die van ontelbare schilderijen van Reynolds en Turner. Het is dus niet ongewoon, dat de vraag bij ons oprijst: "Welke soorten verf gebruikte men gewoonlijk in Egypte en wat was eigenlijk de modus operandi van de schilders uit dat land?
De Egyptische kunstenaar nu bewaarde zijn verf in den vorm van poeder en als hij aan het werk ging, maakte hij dit vloeibaar met een mengsel van water en gom; daarop gebruikte hij de oplossing met een rieten penseel, of borstel, van zacht haar gemaakt, terwijl sommige schilders de gewoonte hadden, twee borstels te gebruiken, een dikke en een dunne.
Wat verder de kleuren zelf betreft, de bereiding van het goud is spoedig verklaard, terwijl men zwart waarschijnlijk verkreeg door beenderen van dieren te verbranden en men wit uit gips, met honing en eiwit vermengd, vervaardigde. Rood en geel verkreeg men door een meer gemeenzaam proces; het eerste maakte men van zwavel, of kwikzilver, het laatste eenvoudig uit klei. Blauw, een betrekkelijk zeldzame tint, welke zelden in andere afbeeldingen der natuur voorkwam dan van de zee en de lucht en daarom moeilijk te verkrijgen was, werd uit lapis-lazuli gemaakt.
Wanneer het schilderstuk behoorlijk afgewerkt was, plachten sommige schilders dit met een doorschijnend vernis, uit de gom van den acacia vervaardigd, te bedekken; er waren er echter weinige, die dit deden en de kleuren in hun werk zijn niet goed behouden gebleven, niet zoo goed als bij meesters, die het vernis geheel en al weglieten.
Wij willen deze technische détails echter laten rusten en tot de geschiedenis van de Egyptische kunst terugkeeren; thans moeten wij over het Midden-Rijk spreken, dat met de 9e dynastie (pl.m. 2445) begint en tot de 17e dynastie reikt.
Gedurende dezen tijd ontwikkelde de kunstvaardigheid in het bouwen zich snel, terwijl de obelisk van Heliopolis onder de resultaten hiervan te rekenen is. Indien men deze werken liever uit een oogpunt van bewonderenswaardige kunstvaardigheid, op het gebied der werktuigkunde, dan uit dat van grooten artistieken smaak beschouwen wil, zoo komt deze laatste toch zeer zeker in twee andere grootsche bouwwerken uit den oudsten Thebaanschen tijd, uit, n.l. bij den tempel van Kom-es-Sagha en den zuilengang van Sa Renput I.
In dezen tijd vervaardigde men ook veel andere kunstige voorwerpen, zooals de diadeem en kroon van Khnemit, welke zich thans beiden te Kairo bevinden, getuigen kunnen. Een natuurlijke stijl kwam thans te voorschijn, zoowel bij bas-reliefs, als schilderingen.
Vele schetsen en schilderijen uit dezen tijd, voornamelijk die, welke zich met voorstellingen van oorlog en athletiek bezighouden, bezitten een uitdrukking en bezieling, welke ons toonen, dat de Egyptische kunstenaar meer kunstvaardigheid in de hanteering van het penseel verkregen had. Een van de merkwaardigste schilderingen uit deze periode is die te Beni-Hassan, en deze stelt een serie worstelwedstrijden voor.
Het Nieuwe Rijk.
In de periode van het Nieuwe Rijk (18e-31e dynastie) maakt de beoefenaar der Egyptische kunst met een werkelijk overstelpenden rijkdom op het gebied der architectuur kennis. Deze tijd zag de voltooiing van zulke indrukwekkende bouwwerken als de zuilenhal te Karnak, den tempel van Ramses III te Medinet-habû en de groote verzameling van tempelgebouwen te Dêr-el-Bahari. De schoonste en indrukwekkendste gebouwen te Luxor behooren eveneens tot dit tijdvak, evenals de rotstempels te Bêt-el-Wálî en Abu-Simbel.
De beeldhouwers uit dezen tijd behaalden altijddurende triumfen, speciaal bij de twee kolossale Memnon-zuilen te Thebe en de vermaarde Sphinxen-laan te Karnak. De beelden van Thothmes III, Amenophis, den zoon van Hapu en koningin Tyi hebben eveneens groote aesthetische waarde. Wat het bas-relief betreft, trekken de beelden van Seti I (Abydos), Septah Meneptah en koningin Aahmes (een gipsafgietsel in den tempel te Dêr-el-Bahari) onze aandacht, terwijl het laatstgenoemde de lieflijkste van alle werken van dat soort is. De teerheid en fijnheid van dit meesterwerk overtreft bijna elk ander beeldhouwwerk, dat in Egypte van dezen tijd is bewerkt.
Er begint inderdaad uit de Egyptische kunstwerken van dezen tijd een grootere verfijning te spreken, zelfs in de voorwerpen van huiselijk gebruik. Op het tafelgereedschap ziet men fijne lijnen getrokken, terwijl een gelijke kunstvaardigheid op verscheidene amuletten en juweelen uit die periode zichtbaar is.
Doosjes, handvaten van spiegels en lepels zijn in vele gevallen het resultaat van een hoogstaande kunstvaardigheid. Op een van de lepels ziet men een vrouw afgebeeld die achter een zwaan aanzwemt en deze afbeelding roept onwillekeurig de herinnering aan de mythe van Leda op.
Ten slotte werd er in dezen tijd veel prachtig huisraad vervaardigd en misschien is het fraaiste exemplaar wel een stoel, in het Museum van Caïro; de leuningen van dezen zijn handig in den vorm van panters, met een loerenden blik, gesneden.
In dezen tijd schijnt het gebruik van hout, om daaruit kunstvolle voorwerpen te vervaardigen, te zijn toegenomen. Gelijktijdig hiermede werd de kunst van metaalgieten verbeterd en daarna geheel en al volmaakt en deze volmaking oefende een krachtigen invloed op de beeldhouwkunst uit.
Dit was eveneens het tijdvak, waarin de Egyptische kleurenkunstenaars tegen de conventie, welke in oude tijden hun kunst verlamde, in verzet kwamen. Tot op dezen tijd hadden zij niet getracht naar de werkelijkheid te kleuren. Bepaalde voorwerpen werden volgens de traditie, zooals hen in hun scholen geleerd werd, geschilderd.
Het vleesch van een man werd bijvoorbeeld door een roodachtig bruine, dat van een vrouw door een gele, dat van een priester door een blauwe kleur en zoo voorts, weergegeven. Eerst tegen den tijd van het Nieuwe Rijk begonnen de kunstenaars ernstig tegen dit systeem in opstand te komen. Een onbekend meester ging zoo ver, dat hij een rose vleeschkleur gebruikte en het is natuurlijk, dat wij thans onderzoeken, of het een vreemde invloed was, welke tot dezen beeldenstorm aanleiding gaf. Hoe dit ook zijn moge, het is niet te betwijfelen, of de Egyptische kunstenaars begonnen van die uit andere landen te leeren--b.v. de Assyriërs--en deze omstandigheid maakt de studie van de Egyptische kunst, gedurende dezen tijd, eenigszins moeilijk en ingewikkeld.
De laatste periode, de Saïtische, begint ongeveer 721 v.C. Gedurende dit tijdvak zien wij, dat de invallen der Perzen, Grieken en ten slotte die der Romeinen, op de voortbrengselen van het land grooten invloed uitgeoefend hebben, dikwijls echter tot hun nadeel; inplaats toch dat de Egyptische kunstenaars natuurlijk werk leverden en hun eigen nationalen stijl ontwikkelden, waren zij meer tot navolging geneigd, terwijl zij zich aarzelend in vormen, aan andere rassen ontleend, uitten.
Het is echter een onjuiste bewering, zooals men soms wil doen voorkomen, dat dit verval van verheven tradities juist met het aanbreken van de Saïtische periode begint. Het is eveneens onjuist, dat na dien tijd door de Egyptenaren geen levende kunst meer beoefend is. Niet voor den tijd, welke vlak na Christus' geboorte valt, begint het Egyptische juwelierswerk en de overige kunstindustrie in verval te geraken en wat de architectuur betreft, spreekt Herodotus op de meest lofwaardige wijze over de groote gebouwen te Saïs.
Ongelukkigerwijze zijn de meeste van dezen verwoest en kunnen wij ze niet meer uit de eerste hand bestudeeren. De Pharaohs van den Saïtischen tijd hadden niet meer die onbegrensde arbeidskrachten van hun voorgangers uit Thebe en Memphis; desniettemin zag de avondschemering van de laatste periode in de Egyptische kunst de voltooiing van verscheidene aanzienlijke gebouwen.
De pronaos van Komombos, de tempel van Isis te Philae en de kiosk van Nectanebu, op dezelfde plaats, vereischen hier vermelding en eveneens de Mammisi en tempel van Horus te Edfû. Nog overal kan men bouwwerken uit deze periode, door Grieksche en Romeinsche ideeën beïnvloed en andere, welke klaarblijkelijk het werk zijn van Egyptische metselaars, die onder de bevelen van vreemde meesters werkten, zien.
Het schilderwerk van dezen tijd omvat verschillende werken, welke tegen ieder werk van vroegere tijden opwegen, b.v. het vignet van het Oordeel van Osiris, waarvan het verhaal in den papyrus van koningin Mat-ka-ré voorkomt. Tevens zien wij Egyptische kunstenaars, die hun tijden lang geëerde kleurenschema's verzaakten en tinten als groen en mauve gebruikten, waarschijnlijk van Grieksche decoraties gecopieerd.
In de bas-reliefs uit dien tijd vinden wij verder veel, dat louter mechanisch werk is en wel zoo, dat wij overtuigd zijn, dat het aan teekeningen, door vreemden aan de hand gedaan, ontleend werd.
De geschiedenis der beeldhouwkunst uit de Saïtische periode verschilt niet veel van de kunst, hierboven vermeld, want, terwijl in den beginne een groote hoeveelheid schitterende voorwerpen vervaardigd werd (hieronder moeten wij voornamelijk een schets van een rustenden Osiris en een portret van Bubastis vermelden) baant het mechanisch element zich hier den weg, evenals het zich naar al het overige gedaan had. Beeldhouwers werden zuivere handwerkslieden en reproduceerden slaafs voorgeschreven modellen. Sommigen hadden vooraf gereedgemaakte modellen van een menschelijk lichaam in voorraad; de hoofden werden dan op verzoek van cliënten er aan toegevoegd.
Invloed der Egyptische kunst.
De uitdrukking van de ziel van een volk verdwijnt echter niet geheel en al en ook al werden de Egyptische kunstenaars tenslotte door de Romeinen, de veroveraars, beïnvloed, kwamen de Italiaansche kunstenaars niet minder onder den invloed der Egyptische scholen en zooals in het begin van dit hoofdstuk opgemerkt is, inspireerden de Romeinen vele werken van de Italiaansche meesters der Renaissance, wier werken langen tijd als de bloem der Europeesche kunst beschouwd werden.
In Spanje vinden wij sterk den Egyptischen invloed, want de kunst van het Nijldal had haar machtige tooverspreuk over de Arabieren uitgesproken en dezen werden nagenoeg de vaders van de kunst van het Iberisch schiereiland. Zoo kan het ons niet verbazen, dat wanneer wij de Spaansche sieraden beschouwen, zij een gelijkenis met de gelijksoortige artikelen voor de schoonen van Memphis, of Thebe, vervaardigd, vertoonen.
Evenzoo ondervond Frankrijk minder den directen invloed uit Egypte, dan dien, welke haar indirect uit Italië bereikte.
De karakteristieke kunst van het Fransche Keizerrijk werd direct aan de Egyptische ontleend. Onder Lodewijk XIV waren Fransche schilderijen en kunstvoorwerpen buitengewoon schoon en prachtig, doch onder de volgende regeering stond weelderigheid in alle onderdeelen van het leven niet in aanzien. Een nieuwe eenvoud werd voorgeschreven en terwijl kunstenaars naar voorbeelden, voor dezen smaak geschikt, zochten, gaf de Comte de Caylus zijn monumenteel werk over de oudheden van Griekenland, Rome en Egypte uit, terwijl de bladzijden door afbeeldingen, van de eigen hand van den schrijver, versierd werden [44].
Spoedig inspireerde dit werk den geest van verscheidene kunstenaars en aan dezen invloed mogen wij eenige stukken van het smaakvolste en schoonste huisraad, dat ooit ontworpen is, toeschrijven. De expeditie van Napoleon gaf eveneens den stoot tot den invoer van Egyptische artikelen en vanaf dezen tijd, tot aan den vooravond van Waterloo, is er nauwelijks een tafel, stoel of spiegel van Fransch maaksel, welke eenige aanspraak op kunstvaardigheid maakt, of zij verraadt eenigen invloed der Egyptische scholen. Niet alleen ontleende men werkelijke vormen, doch het werd gewoonte huisraad met pseudo-Egyptische beeldjes en reliefs, of met metalen platen, welke in navolging van deelen van Egyptische schilderingen gedreven waren, te versieren.
De pseudo-Egyptische kunst van het Keizerrijk--zoo geheel en al een uitdrukking van den aard der Fransche gedachte in dien tijd--kan men zeer goed te Fontainebleau, of in Marlbourough House in Londen bestudeeren, terwijl deze natuurlijk op den achtergrond van verschillende schilderijen uit het Keizerrijk, voornamelijk die van Louis David, zichtbaar is.
Deze meester zelf, de invloedrijkste schilder van zijn tijd, was iets aan de Egyptische school verplicht, terwijl waarschijnlijk verscheidene werken van de beeldhouwers Chinard en Houdon in hetzelfde geval verkeerden. Een studie van de gebouwen uit het Keizerrijk doet ons zien, dat de architectuur uit dien tijd, hoe innig verknocht zij in hoofdzaak ook was aan Oud-Griekenland en Rome, evenmin door de kunst van het land der Pharaohs onbeïnvloed bleef.
Dit geldt echter niet alleen voor de Fransche architecten, want de groote Schotsche beeldhouwer Robert Adam, die in het jaar stierf, waarin de Fransche republiek ingesteld werd, schijnt eveneens in deze aantrekkingskracht gedeeld te hebben. Dikwijls voerde hij Egyptische voorwerpen in zijn decoratieve ontwerpen binnen, terwijl de groote, indrukwekkende eenvoud, welke hij gewoonlijk bereikt, zich door bekende Egyptische bouwwerken sterk liet suggereeren.