Mythen en Legenden van Egypte

Part 25

Chapter 25 3,728 words Public domain Markdown

Hij gaat verder en zegt: "voor zoover wij kunnen oordeelen, was de opname van boomvereering in tempeldienst en mythologie altijd het resultaat van een compromis; de priester werd genoodzaakt concessies te doen aan het geloof der groote menigte en den eeredienst van de volksgoden in de tempels toe te laten; zij deden dat echter onwillig en dit verklaart de klaarblijkelijke onbeteekenendheid in den officieelen cultus van den plantengroei, in vergelijking met de vereering van de groote goden en hun cyclus."

In hun godsdienstig symbolisme zien wij den heiligen boom, welke in "de Groote Hal" van Heliopolis groeide, op de plaats, waar de zonnekat de groote slang van het kwaad, Apep, doodde, de plaats, waaruit de Phoenix verrees. De bladeren van dezen boom bezaten tooverkracht, want wanneer Thoth, of de godin Safekht, daarop den naam van den monarch schreef, werd hij met onsterfelijkheid begiftigd.

Daar was verder de wonderlijke boom, de tamarisk, welke zijn stam en zijn takken om de kist, welke het lijk van den dooden Osiris bevatte, wond. Nog hooren wij van een olijfboom, de woning van een god, wiens naam verder onbekend is.

De vijgeboom, waarvan de schaduw zoo welkom was in de helle schittering van het Egyptische land, had zijn tegenhanger in het Land der Dooden, en tegen dezen leunde een Hathor, de Meesteres der Onderwereld, terwijl zij steun en water aan de voorbijgaande zielen verleende. Soms is het een palmboom, bij welke zij de dooden helpt en misschien is het een blad van dezen boom, omgeven door ondersteboven gekeerde horens, welke het gewone symbool van Safekht, de godin van het leeren, beschermt. De vijgeboom schijnt echter eerst in de gunst gestaan te hebben en op sommige monumenten wordt deze afgebeeld, met boeren daaromheen, die hun gebed voor dezen opzeggen en offers, uit vruchten, groenten en kruiken met water gevuld bestaande, brengen.

Men hield den boom eveneens aan Nut en Hathor gewijd en men geloofde, dat haar dubbelgangster hier huisden, terwijl een bepaalde soort beschouwd werd als "het levend lichaam van Hathor op aarde"; Hathor uit Memphis werd inderdaad "de Meesteres van den Vijgeboom" genoemd.

Aangaande de latere ontwikkeling van dit geloof vertelt Wiedemann het volgende: "In den tijd der Ptolemaeën werden er systematisch pogingen aangewend, om dezen vorm van vereering in den tempel van iedere nome in te voeren; volgens de lijsten, welke op dit onderwerp betrekking hebben, vereerden 24 nomen den Nijl-acacia, 17 de Corda myxa, 16 de Zizyphus Spina Christi, terwijl andere boomen, b.v. de vijgeboom, de Juniperus Phoenica en de Tamarisk Nilotica slechts één-, of tweemaal, genoemd worden.

Tien soorten van heilige boomen worden hier vermeld, terwijl op zijn hoogst soms drie in dezelfde nomen vereerd werden. Het is verder waarschijnlijk, dat iedere tempel zijn heiligen boom en heilige boschjes had, terwijl men leest, dat zeldzame boomen, als kostbare buit, uit veroverde landen werden medegebracht; hun wortels werden zorgvuldig in groote bakken, met aarde gevuld, geteeld, om rondom tempels en paleizen geplant te worden.

De Lotus.

Onder de planten is de lotus de eenige soort, van welke men zeggen kan, dat zij heilig was. In het Egyptisch symbolisme en de decoratieve kunst kan men haar overal vinden.

Uit de kelk van een lotus-bloem komt de knaap Horus, de rijzende zon, te voorschijn en verder is zij het symbool der wederopstanding, wanneer Nefer-tem, bekranst met de bloemen, onafgebroken het leven schenkt, om in de wereld te verschijnen. Op de offeraltaren legde men haar bloemen in overvloedig aantal.

Godsdienst van den lateren tijd.

Het einde van het Nieuwe Rijk en de daarop volgende politieke chaos, bekend onder den naam van de Libysche periode, beteekende werkelijk, voor den Egyptischen godsdienst, het begin van het einde.

Vanaf dien tijd is er een gestadig verval in het oude geloof der Pharaohs merkbaar, een verval, dat de groote opleving der 8e eeuw en verder daarna, niet in staat was ongedaan te maken.

De steeds grootere toeneming en invoering van vreemde elementen, zoowel Grieksche als Perzische en Semitische en het bewaren van het droge omhulsel, waaruit de ziel reeds lang verdwenen was, dit alles verminderde de kracht en de mannelijkheid van den Egyptischen godsdienst, verhinderde werkelijke vooruitgang en hielp mede tot zijn verval, totdat hij geheel en al door de aanhangers van het Christendom overwonnen werd en in vergetelheid geraakte.

Bij het begin der Libysche periode was er een aantal onbeteekenende heerschers in het Egyptische land; een monarch regeerde te Tanis, in de Delta; in Thebe regeerden de priesters van Amen, andere districten werden door de opperhoofden onder de Libysche huursoldaten geregeerd.

Een van deze laatsten, Sheschonk genaamd, verkreeg ongeveer in het midden van de 10e eeuw v.C. de suprematie en daar Bubastis zijn hoofdstad was, werd Bast, de godin van die plaats, met den kop van een kat afgebeeld, een tijd lang de opperste godheid van Egypte, terwijl andere delta-goden eveneens in trek kwamen. Een deel der vereering viel ook Amen ten deel.

Nu is het opmerkelijk, dat de godheid zelf de regeerder was van de stad; zij werd door een goddelijke vrouw, steeds de oudste prinses der regeerende familie, voorgesteld. Zoo sterk was het geloof in het goddelijk bestuur van Thebe, dat geen enkele monarch in de latere periode, hoe krachtig hij ook was, eenige poging, de stad te nemen, waagde.

Ondertusschen voltrok zich een geheel veranderde gezindheid van gevoelens ten opzichte van Set, den boozen broeder van Isis en Osiris. Tot dat oogenblik was aan zijn positie onder de goden van het Egyptisch pantheon niet getwijfeld, doch thans werd hij van zijn hoog voetstuk neergehaald en met de slang Apep geïdentificeerd; hij was niet langer een god, doch een duivel.

De orakelvereering bloeide buitengewoon onder de periode van verval en gaf veel speelruimte aan de vindingrijkheid der priesters. De gebruikelijke manier om het orakel te raadplegen bestond hierin, dat men eenige woorden, of om raad, of een oordeel te vragen, op papyrus schreef; men geloofde, dat dezen in de mond van den god gelegd werden en dat hij, door knikken, zijn toestemming gaf.

Een godsdienstige reactie.

Ongeveer in het einde der 8e eeuw v.C. vond er een groote reactie op godsdienstig gebied plaats. Tot dien tijd had de schitterende aanvang van het Nieuwe Rijk, voornamelijk de tijd van Ramses II, een model voor de vromen van den lateren tijd gevormd; thans was echter het Oude Rijk, zijn monumenten, godsdienstige gebruiken en gewoonten, zijn innige vroomheid en zijn fier conservatisme, de modeltijd voor het geheele volk geworden.

Het was echter minder een trouwe copie, dan wel een caricatuur, van het Oude Rijk, dat de periode van verval liet zien. Alles wat het vreemdst en buitengewoonst was in den ouden godsdienst werd opgezocht en nagestreefd. Oude monumenten en godsdienstige literatuur werden bestudeerd; de taal en spellingsleer van lang vervlogen eeuwen herleefden en werden weer aangenomen en hoe meer dit voor het gros van het volk onbegrijpelijk was, des te meer maakte dit het mysterie juist nog heiliger.

In de begrafenisgebruiken van dien tijd kwam de liefde voor het ouderwetsche duidelijk aan den dag. Oude begrafenisliteratuur stond in hooge eere; de pyramidenteksten herleefden, oude lijkkisten en zelfs stukken van dezen gebruikte men bij het begraven der dooden.

Het huisraad in de graven werd mooi bewerkt--tenminste bij rijke personen--terwijl zelfs de armsten nog voor eenige voorwerpen in het graf gezorgd hadden. Ushabti figuren van blauw faience werden met de dooden begraven, om voor hen eenige gedwongen arbeid, waartoe zij in het rijk van Osiris opgeroepen zouden kunnen worden, te verrichten en scarabaeën werden eveneens in hun kist gelegd.

De godsdienstige gebruiken en plechtigheden, bij de mummificatie, waren een navolging van die van het Oude Rijk en werden zeer nauwkeurig uitgevoerd. Zelfs de graven van de leden der koninklijke familie in Thebe waren niet zoo prachtig, als die van particuliere personen in dezen tijd. Omdat hun inscripties bijna zonder uitzondering uit het Oude Rijk geput werden, is het moeilijk voor ons te gissen, wat hun werkelijke denkbeelden over den dood en de onderwereld waren. Misschien waren dezen ook ergens anders aan ontleend.

Uit de graven van vreemden, b.v. van Syriërs, die onder de 5e dynastie v.C. leefden, kan men eenige inlichtingen over den toestand der dooden in de onderwereld, welke waarschijnlijk de algemeene ideeën van dien tijd vertegenwoordigen, verkrijgen.

Herodotus verzekert, dat de Egyptenaren in dezen tijd in een zielsverhuizing geloofden en het is mogelijk, dat zij dit geloof in zekere mate koesterden. Misschien was het een ontwikkeling van de oudere idee, dat de ziel in staat was, zich in verschillende gedaanten, b.v. die van een vogel, of een ander dier, te veranderen.

Dierenvereering.

Een zeer in het oogvallend kenmerk van den godsdienst uit de latere periode, welke de reeds vermelde overdrijving goed in het oog doet vallen, was de dierenvereering, door de vrome Egyptenaren tot een bijna belachelijk hoogtepunt opgevoerd.

Katten, krokodillen, vogels, kevers, rammen, slakken en ontelbare andere dieren werden met een verkwistende praal en ritus, welke de Egyptenaren goed aan konden wenden, vereerd. Voornamelijk aan den Apis, den stier in den tempel van Ptah in Memphis, werd groote eer bewezen. Van den Saitischen koning Amasis, die zich veel met de herstelling van oude monumenten bezig hield, vertelt men, dat hij een groot vereerder van den heiligen stier was en dat hij voor hem de eerste van de kolossale sarcophagen te Saqquara oprichtte.

Deze uitgebreide begrafenisplechtigheden vielen niet aan heilige dieren afzonderlijk ten deel, doch zij werden geheele klassen bewezen. Het was b.v. een daad van vroomheid een doode kat te mummificeeren en de overblijfselen naar Bubastis, waar Bast, met den kop van een kat, regeerde, te brengen; daar werd het dier in een grafgewelf, met passend huisraad voorzien, begraven. Doode muizen en sperwers werden naar Buto gebracht; de ibis vond zijn laatste rustplaats in Esh-munen terwijl de koe, het heiligste van alle Egyptische dieren, na haar dood, in den Nijl geworpen werd.

Nu is het opmerkelijk, dat niettegenstaande de uitsluiting, welke deze phase van den Egyptischen godsdienst kenmerkte en de verachting, met welke de Egyptenaren alles, wat niet uit hun eigen land was, beschouwden, verschillende vreemde elementen hun geloof binnendrongen en zich daarin, gedurende de Saitische en Perzische overheersching, nestelden.

De orakels, welke een overwegende rol in het godsdienstig bestaan van het land speelden, waren waarschijnlijk niet van Egyptischen oorsprong; het brandoffer was een Semitisch gebruik, dat het volk van het Nijldal aangenomen had. Reeds was er in Egypte een belangrijk Grieksch element en ten tijde van Amasis was een Grieksche stad (Naukratis genaamd), daar gesticht.

Daarom is het niet onwaarschijnlijk, dat Grieksche ideeën eveneens den Egyptischen godsdienst binnendrongen, die aan de andere goden kleuren gaven en misschien aan Herodotus aanleiding gaven de goden van Egypte met die van Griekenland te identificeeren, zooals Osiris met Dionysus, Isis met Demeter, Horus met Apollo, Set met Typhon en zoo voorts.

Deze vereenzelviging werd natuurlijk in latere jaren, toen de Grieken in Egypte meesters werden, algemeen. Afgezien van deze vreemde ideeën, op den Egyptischen godsdienst geënt, waren er nog nieuwigheden, welke door de priesters zelf verzonnen waren, zooals het tot god verheffen van sommigen door de bevolking, vanwege hun bekwaamheid in leeren en toovenarij, bewonderd. Zulke heldgoden waren b.v. Imhotep, een bekend schrijver en architect onder koning Zoser, op een vroeg tijdstip van de geschiedenis der dynastiën en Amen-hetep, zoon van Hapu, van wien men geloofde, dat hij de goden gezien en met hen omgegaan had. Beide helden werden met de goden te Thebe en Karnak vereerd.

Godsdienst gedurende de Perzische overheersching.

Terwijl de Saitische heerschers pogingen aanwendden met de priesters op goeden voet te blijven, deden de Perzische monarchen in geen enkel opzicht hierin voor hen onder. Zelfs de vermetelsten onder hen vonden, dat het voordeelig voor hen was, zich voor de inheemsche goden te buigen en dezen te beschermen.

Ondertusschen stond men de Egyptische vorsten, die gelijktijdig met de Perzen regeerden, ongehinderd toe, met het bouwen van tempels en monumenten door te gaan.

Vreemd genoeg werd deze periode door een haat en verachting van den kant der Egyptenaren voor alle vreemden, die in hun steden woonden, gekenmerkt. Kambyses, die den Apisstier met smaad overlaadde en hem ten slotte doodde, werd later door zijn geneesheer Usahor-res-net overreed zijn ketterij te beroepen en verder genoopt vreemdelingen uit de tempelruimten te verbannen en hun huizen te vernielen. Andere heerschers hieven belasting op de Grieksche importwaren en wijdden de opbrengst hiervan aan de godin Neith.

De Ptolemaeën-tijd.

Zooals reeds opgemerkt is, hadden Grieksche denkbeelden reeds hun weg naar den Egyptischen godsdienst gevonden, voordat de verovering van Alexander den Grooten in de 4e eeuw v.C. den Griekschen invloed overheerschend maakte. De oude godsdienst behield nog zijn oude basis en handhaafde zijn eigenlijk karakter.

De Grieksche vorsten wedijverden met hun voorgangers in verdraagzaamheid en eerbied, welken zij aan den godsdienst van het land bewezen. Zij handhaafden de Egyptische godheden in hun schitterenden staat; zij gaven standbeelden, boeken en andere voorwerpen, welke de Perzen uit het land medegenomen hadden, terug; zij vereerden zelfs de dwaze diergoden der Egyptenaren.

Dit was de groote tijd van den tempelbouw in Egypte. De tempels van Dendereh, Edfu, Kom Ombo, Philae en verschillende andere beroemde bouwwerken, verrezen onder de Ptolemaën en de Romeinsche heerschers.

De priesters waren voor de gunsten, hun door de veroveraars bewezen, innig dankbaar, in die mate zelfs, dat zij hun heerschers nog bij hun leven tot goden verhieven. Men sprak b.v. van Ptolemaeus en zijn gezelschap, die de welwillende goden de tempels in het land met weldaden overladen en de waardigheid der goden buitengewoon vergroot hadden. Op alle mogelijke wijzen hadden zij voor Apis, Mnevis en andere heilige dieren, welke vereerd werden, met groote uitgaven en kosten gezorgd. Er werd zelfs een nieuwe priesterorde [42], bekend onder den naam van: "de priesterschap van de weldadige goden", ingesteld.

Gedurende den Romeinschen invloed was de hoogepriester de gewichtigste godsdienstige ambtenaar; hij was de vertegenwoordiger van een nog hoogeren Romeinschen ambtenaar, den hoogepriester van Alexandrië, die boven alle anderen in Egypte stond.

De priesters der groote tempels, die rijkelijk geschenken in geld en land ontvangen hadden, waren waarschijnlijk goed verzorgd, doch in de kleinere tempels was de toestand geheel anders, indien wij uit de ons ten dienste staande gegevens oordeelen kunnen.

De Thebaansche priesters beschouwde men voornamelijk als zeer ervaren in oudheidkunde en daarom werden zij later door reizigers uit Rome veel bezocht. In Thebe vond men eveneens priesteressen voor den dienst van Amen, den god van dat district, bestemd; zoowel de Grieken, als de Egyptenaren, bewezen dien god eer, daar hij met Zeus geïdentificeerd werd.

De dierenvereering ging gedurende den Hellenistischen tijd onafgebroken voort, ja, het is zelfs waarschijnlijk, dat deze phase van den Egyptischen godsdienst onder het Grieksche bestuur meer geprononceerd was, want Strabo, die in Augustus' tijd schreef, vermeldt, dat afbeeldingen van heilige dieren eigenlijk de beelden der goden vervangen hadden. De heilige ram (Khnemu) van Mendes, werd zoowel door veroveraars, als veroverden, vereerd, evenals de Apis en de heilige krokodil en wellicht werden de inkomsten der tempels soms door het vertoonen van deze dieren aan de nieuwsgierige menigte van vreemdelingen vermeerderd.

Fusie van Grieksche en Egyptische ideeën.

Langzamerhand versmolten de Grieksche en Egyptische denkbeelden meer en meer. Amen werd met Zeus vereenzelvigd, Isis met Demeter, Hathor met Aphrodite, Osiris met Pluto, Set met Typho, Bast met Artémis en Horus met Apollo.

Deze eigenaardigheid is zeer treffend bij den god Serapis, een god, op gelijke wijze door Egyptenaren en Grieken vereerd. Serapis, zooals de laatsten hem noemen, of Asar-Hapi, onder welken naam hij bij de eersten bekend was, was een naam, uit Osiris en Apis samengesteld. Op zijn vroegst ten tijde van het Nieuwe Rijk. werden deze twee goden, Apis de heilige stier van Mendes en Osiris, de Stier van het Westen, in zekeren zin geïdentificeerd en ten slotte gaf men aan den Apis de attributen der onderwereld. Wellicht scheen het de Grieken toe, dat Serapis de gestalte was, door den gestorven Apis aangenomen. De overlevering schrijft de vereenzelviging van Serapis met Pluto aan de regeering van Ptolemaeus Soter toe. Plutarchus geeft de volgende lezing over de legende:

De Legende van Serapis.

"Ptolemaeus, bijgenaamd de Heiland, had een droom, waarin hem een kolossaal beeld, zooals hij nog nooit gezien had, verscheen en hem beval, dit zoo spoedig mogelijk van de plaats, waar het thans stond, naar Alexandrië over te brengen.

Hierdoor was de koning ten zeerste in verwarring, daar hij noch wist, aan wien het beeld behoorde, noch waar hij het zoeken moest.

Toen hij dit droomgezicht aan zijn vrienden vertelde, verklaarde een zekere Sosibius, die veel gereisd had, dat hij een beeld, dat er even zoo uitzag, als de koning beschreef, te Sinope gezien had. Soteles en Dionysius werden onmiddellijk daarop uitgezonden met de opdracht, het beeld met zich mede te nemen en dit bevel volbrachten zij ten slotte niet zonder veel moeite, terwijl de voorzienigheid klaarblijkelijk haar medewerking verleend had.

Timotheus de Uitlegger, en Manetho maakten, zoodra hun het beeld getoond werd, uit den Cerberus en de Slang, waarvan de afbeeldingen zich eveneens op het beeld bevonden, op, dat het Pluto voor moest stellen en overtuigden den koning, dat het de Egyptische Serapis was; want men moet wel bedenken, dat het beeld dezen naam niet had, voordat het naar Alexandrië gebracht was, terwijl deze later door de Egyptenaren gegeven werd, omdat het, volgens hun meening, de equivalent was van het oude beeld van Pluto".

Een andere lezing vertelt, dat het volk van Sinope niet van het beeld van zijn god scheiden wilde en dat het daarom uit eigen beweging naar Alexandrië koers zette en het deze stad na drie dagen bereikte. Welke ook de bedoeling van Ptolemaeus was, het beeld naar Egypte te brengen, er is geen twijfel mogelijk, of het scheppen van een god, die zoowel door Grieken als Egyptenaren vereerd kon worden, zonder schending van de principes van een van beide volken, was een diplomatieke zet, welke, gezien het resultaat, gerechtvaardigd was.

In de tempels werd Serapis als mummie, met een hooge kroon en een gevlochten baard, afgebeeld, of, als Asar-Hapi, in de gedaante van een stier, met de zonneschijf en uraeus tusschen zijn horens, voorgesteld. Op de kleinere beeldjes, welke in eigen huis vereerd werden, ziet men een menschelijke gestalte, van een baard en krulhaar, volgens Grieksche mode, voorzien.

Terwijl Serapis een van de gewichtigste goden uit dezen tijd was, kunnen wij Horus het Kind een van de meest geliefde godheden noemen. In de eerste eeuwen der Christelijke jaartelling zien wij hem als kind afgebeeld, soms in een lotusbloem, bij een andere gelegenheid in een schip, of op een boom gezeten, als volgeling van den zonnegod; vaak draagt hij een hoorn des overvloeds, of een kruik.

Het was in zijn gedaante van kind, dat hij door het volk geliefd en vereerd werd, hierdoor was hij geheel en al een gunsteling. Een andere populaire godheid was Isis; sommige van hare gedaanten waren beslist Grieksch. Zij was de godin van Alexandrië en de beschermster der zeevaart, de Aphrodite van de Grieken en de Isis der Egyptenaren en soms wordt zij met Hathor vereenzelvigd.

Zij en Osiris worden eveneens als slangen afgebeeld, ofschoon de god der dooden vaker in zijn Serapis-gedaante voorgesteld wordt, heerschende in de onderwereld en vergezeld door Cerberus.

Een andere god, die gedurende den Hellenistischen tijd populair werd, hoewel hij vroeger in het Pantheon een zeer ondergeschikte positie innam, was de god Bes, in de gedaante van een gewapend krijgsman, hoewel hij toch zijn grotesk karakter behoudt. Een afbeelding, welke ongetwijfeld aan het Christendom ontleend is, stelt Isis en Horus in een houding voor, welke sterk aan de Madonna en haar kind doet denken.

Een renaissance op het gebied der bouwkunst.

De cultus van het Oude Rijk hield zich gedurende de eerste en misschien zelfs tot de latere tijden van de Hellenistische periode staande. De tempels, in dien tijd verrezen, vertoonen een sterke gelijkenis met die van het Oude Rijk. Dendereh, om een voorbeeld te noemen werd naar een ontwerp uit den tijd van Cheops gebouwd en Imhotep, de halfgod, was de architect van Edfû.

De muren van de Ptolemaeëntempels werden bedekt met inscripties, welke zich met den ritus en gebruiken, daarin uitgeoefend, bezighielden. Ceremonies en feesten, zooals die van Horus in Edfû, hield men evenals in oude tijden. De oude schrijftaal werd door de priesters beoefend en op deze wijze hadden zij een taal, welke aan de leeken onbekend was, tot hun beschikking.

Een terugkeer tot de oude dingen was in iedere phase van den Egyptischen godsdienst duidelijk zichtbaar en de Grieken verbanden de duisternis uit deze lang vervlogen tijden in het geheel niet, doch lieten zich eveneens door den tijdgeest beïnvloeden; zij beschermden de oude gebruiken en vereerden zelfs de heiligdommen van katten, koeien en krokodillen. Voorwaar een vreemde houding voor de vaders van het classicisme!

Gedurende de eerste eeuwen van het Christendom begonnen vreemde godsdiensten het land der Pharaohs binnen te dringen en zich met het Grieksch-Egyptisch element op een wijze, welke iemand, die deze periode bestudeert, buitengewoon verbaast, te vermengen. Het overheerschende vreemde geloof, dat ten slotte de zege behaalde, was het Christendom.

Osiris, de Grieksche goden en de aartsengel Sabaoth werden in één adem genoemd. Vooral komt deze fusie in de tooverteksten uit, want zij vertoonen dikwijls Christelijke, Joodsche, Grieksche en Egyptische toespelingen. Zonder twijfel redeneerden de toovenaars aldus bij zichzelf, dat, als de goden van één geloof hen in den steek lieten, die van een ander wellicht hun meer succes konden opleveren en om zoo de zekerheid te verdubbelen, namen zij alle goden, die zij kenden, in hun tooverformules op.

Veranderde opvatting over de onderwereld.

Ondertusschen voltrok zich een verandering in de opvatting van het volk over de onderwereld; het was nog de Duat, door Osiris of Serapis bestuurd, doch thans werd zij als een plaats van bestraffing aan de boozen voorgesteld; hier werd de toekomst van den gestorvene minder dan zijn huisraad in het graf en de inscripties, dan wel door zijn gedrag, gedurende zijn leven, beïnvloed.

Desniettemin bleven de begrafenisplechtigheden prachtig en kostbaar. Men paste de mummificatie, zelfs onder Christenen nog op uitgebreide schaal toe en amuletten werden hun in hun lijkkisten medegegeven. In de 4e en 5e eeuw bevond zich nog een aanzienlijk aantal heidenen in het land; in Alexandrië was Serapis de voornaamste god, in Memphis werd Imhotep onder den naam Asklepios vereerd; Zeus, Apollo en Rhea waren geliefde goden, terwijl in Abydos het orakel van Bes veelvuldig geraadpleegd werd.

Godenschemering.