Part 24
"Nadat de prachtige begrafenis van den Apis voorbij is, zoeken die priesters, wier taak dit is, een ander kalf, aan het vorige gelijk en als zij een zoodanig gevonden hebben, wordt er een einde aan al het vroegere geweeklaag en gejammer gemaakt en de priesters, die daarmede belast zijn, leiden den jongen stier door de Nijlstad en voeren hem veertig dagen lang.
Daarna plaatsen zij hem in een boot, waarin zich een groote hut bevindt en brengen hem, als een god, naar Memphis en plaatsen hem in het heilige woud van Vulcanus. Gedurende de 40 bovenvermelde dagen worden alleen vrouwen toegelaten om hem te zien en dezen worden, naakt, voor zijn gezicht geplaatst.
Later wordt haar verboden, binnen het gezicht van den nieuwen god te komen. Voor de aanbidding van den stier geeft men verschillende redenen op. Men zegt, dat de ziel van Osiris in een stier overging en daarom wordt vanaf den tijd, waarop de eerste stier gewijd werd, tot op onzen tijd, de ziel van Osiris van den eenen stier in den anderen overgebracht. Anderen echter zeggen, dat de ledematen van Osiris (die door Typhon gedood werd) door Isis in een houten stier, met ossenhuiden bedekt, verborgen werden en hiernaar werd de stad Bubastis genoemd".
Aan de moeder van het uitgekozen kalf werd eveneens groote eer bewezen en vertrekken in den tempel werden voor haar, naast de schitterende, door den Apis ingenomene afgezonderd. Aan dit dier werd een prachtig bed gegeven om op te rusten, zijn voedsel was het zuiverste en meest uitgezochte, terwijl aan het dier alleen water uit een speciale bron in Memphis voorgezet werd, daar men dacht, dat het Nijlwater het te vet maakte.
Een aantal zorgvuldig uitgekozen koeien werden den Apis aangeboden en dezen hadden weer haar dienende priesters. Gewoonlijk hield men den stier afgezonderd, doch bij sommige gelegenheden verscheen hij in het openbaar, en een menigte jongens schreden in processie naast hem, terwijl zij heilige liederen zongen.
Het Apis-orakel.
In den tempel van Ptah werden dus aan den Apis-stier groote eerbewijzen gebracht en de Pharaohs gaven uit hun rijkdom op verkwistende wijze bijdragen voor dezen eeredienst en vreemdelingen, o.w. Alexander de Groote en Titus, begiftigden hem met geschenken. Men verwachtte van dezen god orakels en de wijze om dezen te verkrijgen, wordt aldus door Wiedemann beschreven:
"Hoofdzakelijk was de Apis vermaard om zijn orakels en dezen werden op verschillende wijze gegeven. Toen de stier de kleeren van den beroemden Eudoxus van Cnidus likte, was dit een aanwijzing voor den naderenden dood van den astronoom; een gelijk lot werd Germanicus voorspeld, toen het dier uit zijn hand weigerde te eten en de verovering van Egypte, door Augustus, was tevoren door zijn geloei aangekondigd.
Sommige vragen werden, door het heen en weer loopen van het dier van de eene kamer naar de andere, welke te zijner beschikking stonden, beantwoord en andere vragen door droomen, welke aan ondervragers gezonden en door heilige uitleggers verklaard werden.
Weer andere vragen, hoewel tot het dier zelf gericht, werden door de stemmen van kinderen, die voor den tempel speelden, beantwoord; hun woorden namen voor den geloovigen ondervrager den vorm van een rythmisch antwoord op de vraag aan. Profetieën van algemeene strekking hadden gedurende de processie van den Apis plaats".
Hierover lezen wij bij Plinius: "Daarop zongen de jongelingen, die hem vergezelden, hymnen te zijner eer, terwijl de Apis, die alle scheen te begrijpen en te verlangen, dat hij vereerd zou worden. Plotseling maakte de geest zich van de jongelingen meester en zij profeteerden".
Ook werden er offers aan den Apis gebracht en dezen bestonden, vreemd genoeg, uit ossen, met de grootste zorg uitgekozen. De kop van het geslachte dier werd in den Nijl geslingerd, onder het uitspreken van de volgende woorden: "Indien eenig kwaad op het punt staat dezen, die thans offeren, of het Egyptische land te overvallen, moge dit op dezen kop afgewend worden".
Sommige schrijvers vermelden, dat de Apis, na een bepaald aantal jaren, gedood werd en men een nieuwen zocht te verkrijgen, doch over het algemeen gelooft men, dat de Apis zijn natuurlijken dood stierf. Zijn lichaam werd gebalsemd en een algemeene rouw werd daarna betracht. De mummie werd in alle pracht en praal begraven [41].
In 1851 ontdekte Mariette het beroemde Serapeum, waarin de heilige stieren van Memphis vanaf het midden der 18e dynastie, begraven werden. Hier ontdekte men in de reusachtige sarcophagen, ieder ongeveer 58 ton wegende, eenige overblijfselen van deze dieren.
Klaarblijkelijk waren de kapellen van het Serapeum pelgrimsplaatsen, want verscheidene beelden en zuilen heeft men daar gevonden, aan den dooden Apis gewijd, "in de hoop, dat zij daardoor zijn gunst en de vervulling van hun wenschen verkrijgen zouden".
De Apis was, zelfs na zijn dood, minstens even krachtig, want zijn ziel werd met die van Osiris vereenigd en aldus ontstond de dubbele god Osiris-Apis, een naam, welke in den Griekschen vorm Serapis meer bekend is.
Aan dezen god schreven de Grieken de eigenschappen van hun eigen god Hades toe, overtuigd, dat hij op Osiris, den grooten god der onderwereld, geleek. Zoowel in Egypte, als in Griekenland, werd Serapis als de tegenhanger van Isis beschouwd. Onder de Romeinen verbreidde de Serapis-cultus zich naar alle richtingen en telde zijn vereerders onder alle klassen en standen. Zelfs drong deze dienst tot York, in het Noorden van Engeland, door.
In Heliopolis werd een andere stier, Mnevis, als voorstelling der zon, in haar levenverwekkende kracht, vereerd. Manetho schrijft de invoering van dezen dienst eveneens aan Kaiekhos der 2e dynastie, evenals die van de vereering van den ram van Mendes, toe.
Deze werd hoofdzakelijk in de steden der Delta vereerd, zooals in Hermopolis, Lycopolis en Mendes, terwijl zich in de laatste plaats de zeer beroemde tempel bevond. De oorsprong van dezen eeredienst was zuiver en alleen die van een localen en stamdiergod, welke zich gedurende de afwisselende beschaving staande hield; hij kreeg meer dan plaatselijken invloed, toen de stad in rijkdom en aanzien toenam, terwijl de priesters tot de rijkste en machtigste in Egypte behoorden; de diergod werd eerstens met den inheemschen god Osiris, ten tweede met den zonnegod Ra en ten derde met den grooten Ramgod van het Zuiden en Elephantine, n.1. Khnemu, geïdentificeerd.
Grieksche schrijvers leveren ons veel materiaal aangaande deze dierenvereering en in sommige gevallen waren zij ooggetuigen van den ritus, welke met hem verbonden was. Herodotus bij voorbeeld vertelt, dat Pan en andere op een bok gelijkende goden, met een rijkelijk symbolisch vertoon en pompeusen ritus, als goden der voortbrenging en vruchtbaarheid, vereerd werden.
Zooals in verscheidene landen, waar de dierenvereering in zwang was, werd het dier, dat voor aanbidding uitgekozen werd, uit een aantal dieren uitgekozen, vanwege eenige bijzondere kenmerken op zijn huid; het werd daarna met groote praal gewijd en ontving, na zijn dood, een indrukwekkende begrafenis van staatswege.
Op den zuil van Mendes, door Mariette ontcijferd, vond men een inscriptie, welke ons vertelt, dat Ptolemaeus II Philadelphus den tempel van Mendes herbouwde en persoonlijk zijn bijstand verleende bij de wijding van twee rammen en op een relief, op het bovenste gedeelte van een zuil aangebracht, kan men de gestalten van twee Ptolemaeën en een Arsinoë zien, die aan den ram en zijn tegenhangster Hatmehit, offers brengen.
De Krokodil.
De krokodil was de incarnatie van den god Sebek. Er is waarschijnlijk weinig twijfel mogelijk, of kruipende vrees was de aanleiding voor de vereering van dit afschuwelijke dier en tevens de gedachte, dat zijn booze en dreigende streken konden afgewend worden, door hem gunstig te stemmen, want in het droge seizoen wandelden deze reptielen over de bebouwde akkers en verslonden allen, die zij tegenkwamen.
Later legde men hem welwillende attributen bij, doch de duistere kant bleef altijd bestaan. Uit een oogpunt van welwillende gezindheid wordt hij met Ra verbonden en dan weer met Osiris, doch in de legenden is hij zoowel de vriend, als de vijand van Osiris.
Een verhaal vertelt, dat een krokodil het lijk van Osiris op zijn rug, naar het land in veiligheid bracht, terwijl een ander bericht verhaalt, dat Isis, door Horus in een kleine ark, uit papyrusriet vervaardigd, te plaatsen, alleen in staat was, hem tegen de aanvallen van den boozen Sebek te beschermen.
Dit verhaal stelt hem duidelijk met Set, den moordenaar van Osiris, op één lijn en in dit verband worden de machten der duisternis symbolisch door vier krokodillen, die men in het Boek der Dooden de gestorvenen ziet dreigen, voorgesteld. De menschen zochten nog gedurende hun leven zich van deze verschrikkelijke gedaanten in de onderwereld te bevrijden door middel van tooverformules.
Tevens echter zegt men, dat hij de dooden goedgezind is en in de Pyramidenteksten geeft Sebek het licht aan de oogen der gestorvenen terug; hij doet inderdaad al hun talenten herleven, is hun gids in de nieuwe wereld en helpt hen om Set, den booze, die op iederen Osiris loert, te overwinnen. In dit karakter is hij de helper en beschermer van Horus het Kind. Zijn karaktertrekken zijn menigvuldig en men ziet, dat hij deel krijgt aan den ritus van alle andere goden van het Egyptische pantheon.
Geheel hiermede in overeenstemming is het feit, dat, terwijl men in sommige deelen van Egypte den krokodil voor heilig hield, hij in andere districten daarentegen gedood werd; ja, het jachtmaken op hem was een populaire sport onder de edelen van het Oude Rijk. Sommigen beschouwden den krokodil als een beschermer van Egypte, zoo beweert Diodorus "dat Arabische en Afrikaansche roovers zonder hem over den Nijl zouden zwemmen en het land in alle richtingen plunderen".
Ook Herodotus verhaalt ons de verschillende gezichtspunten aangaande den krokodil en tegelijk hiermede verschillende fabelachtige verhalen over zijn wijsheid en gewoonten. Hij vertelt ons, dat men de krokodillen te Thebe en bij het meer Moeris voor heilig hield en het volk hen, wanneer zij tam geworden waren, met juweelen behing, armbanden aan hun voorpooten vasthechtte en hen met de uitgezochtste spijzen voedde. Na hun dood werden hun lichamen gebalsemd, onder veel plechtigheden en in het onderaardsche labyrinth begraven; deze plaats werd voor zoo heilig gehouden, dat men Herodotus niet toestond, er binnen te treden.
Het middelpunt van de vereering van den krokodil was Krokodilopolis in de Fayum en Strabo, die Egypte, onder de regeering van Augustus, bezocht, vertelt ons het volgende verhaal: "de heilige krokodil wordt van andere dieren afgezonderd gehouden in een meer; hij is tam en voor de priesters zacht gestemd. Hij wordt gevoed met brood, vleesch en wijn; vreemdelingen, die naar hem komen zien, bieden hem steeds deze gaven aan.
Onze gastheer, een aanzienlijk man, die onze gids was in de stad, vergezelde ons naar het meer en bracht van den avondmaaltijd een kleine koek, met vleesch toebereid en een kleine kruik, met honig en melk, mede. Het dier lag aan den oever van het meer. De priesters gingen naar het dier, eenige van hen openden zijn bek, één duwde den koek daarin, daarop het vleesch en vervolgens goten zij den honig en de melk daarin. Het dier sprong daarna in het meer en zwom naar de overzijde.
Wanneer er een andere vreemdeling met zijn offeranden kwam, namen de priesters dezen, liepen om het meer naar het dier, en herhaalden de handeling op dezelfde wijze als zoo even."
Deze cultus hield tot ver in den Romeinschen tijd stand. Sebek had eveneens zijn orakel en voorspelde het overlijden van koning Ptolemaeus, door te weigeren naar hem te luisteren, of de priesters te gehoorzamen.
Op godsdienstige afbeeldingen wordt Sebek dikwijls als een man, met den kop van een krokodil, voorgesteld, terwijl hij de zonneschijf met een uraeus draagt, of bij een andere gelegenheid, een paar horens en de veeren van Amen.
De Leeuw.
De leeuw kon er moeilijk aan ontkomen, het middelpunt van een vereering te zijn en er zijn veel bewijzen, dat hij, vanaf zeer oude tijden uit de dynastieën, om zijn groote kracht en moed, vereerd is. Hij werd met de zonnegoden, met den zonnegod Horus, of Ra, geïdentificeerd.
De Delta was de woonplaats van den Egyptischen leeuw en het voornaamste middelpunt van zijn vereering was de stad Leontopolis, in het Noordelijk deel der Delta en hier werden, volgens Aelianus, de heilige dieren met gedoode dieren gevoed en soms werd een levend kalf in hun hol geworpen, om hun het genoegen te schenken, het te kunnen dooden. Gedurende het voeden zongen de priesters heilige liederen. Dezelfde schrijver echter vertelt, dat men leeuwen in den tempel te Heliopolis hield, evenals in verscheidene andere plaatsen in Egypte.
De Leeuw als Bewaker.
De voornaamste karaktertrek van den leeuw was die van bewaker en dit kan men vinden in de rol, welke de oude leeuw-god Aker speelde, welke de poort van de schemering, waarlangs de zon iederen morgen passeerde, bewaakte. De latere idee, dat de zonnegod langs een duisteren doorgang in de aarde, welke zijn licht verborg, ging en aldus de duisternis van den nacht veroorzaakte, terwijl het daaruit te voorschijn komen het signaal van den dag was, gaf noodzakelijkerwijze het aanzien aan twee leeuwenwachters, genaamd Sef en Dua, dat wil zeggen: "Gisteren" en "Morgen". Hierdoor ontstond de gewoonte beelden van leeuwen bij de deuren van paleizen en graven te plaatsen, als wachters, zoowel van dooden, als levenden, tegen alle kwaad.
Aan deze beelden gaf men dikwijls de hoofden van menschen en dezen zijn bij de Grieken onder den naam Sphinxen bekend, hoewel de eigenschappen van het Egyptische leeuwenbeeld zeer verschilden van die van Grieksche sphinx.
De meest bekende van allen is natuurlijk de beroemde Sphinx van Gizeh, het symbool van den zonnegod Ra, of liever zijn kolossale woning, daar opgericht, met het gezicht naar de opkomende zon, om de dooden, die daar in de graven rondom rustten, te beschermen.
Er waren verschillende goden en godinnen, met den kop van een leeuw voorzien, in sommige gevallen de verpersoonlijking van de vernietigende kracht. In de onderwereld bewaakten sommige goden met een leeuwenkop eenige hallen, of pylons, daar ter plaatse en dat de leeuw op een of andere wijze met de dooden verbonden was, bewijst het feit, dat de lijkbaar altijd in den vorm van een leeuwenkop vervaardigd werd, terwijl de pooten niet zelden met een leeuwenklauw versierd waren.
Nu is het merkwaardig, dat het klaarblijkelijk geoorloofd was de leeuwen van een ander land te dooden, want wij lezen, dat Amen-hetep III zich er op beroemde, met zijn eign boog 102 krachtige leeuwen geschoten te hebben.
Ramses II en Ramses III hielden beiden een tammen leeuw; deze vergezelde hen in den strijd en viel zelfs den vijand aan. In dit geval is het echter duidelijk, dat de leeuw oorspronkelijk een symbool van bescherming vormde.
De Kat.
De kat werd zoowel als een incarnatie van Bast, de godin van Bubastis, beschouwd en was daarom aan haar gewijd, doch was tevens een personificatie van de zon. Door de geheele Egyptische mythologie heen, kan men haar vinden en gewoonlijk als welwillend voorgesteld.
In het Boek der Dooden snijdt een kat het hoofd van de slang der duisternis af en helpt bij de vernietiging van de vijanden van Osiris. Aan alle kanten is het zeer duidelijk, dat men de kat door Egypte in groote eere hield, na de 22e dynastie. Hier zijn de klassieke schrijvers wederom onze bronnen.
Diodorus verhaalt, dat de katten met brood, melk en stukjes Nijlvisschen gevoed werden en dat de dieren op een bepaald roepen naar hun voedsel kwamen.
Na hun dood werden de katten zorgvuldig gebalsemd en in linnen lakens gewikkeld, tezamen met specerijen en kruiden. Er stond doodstraf op, indien iemand een kat doodde, hetzij bij ongeluk, of met opzet en wij hooren van een geval, dat een Romein een kat gedood had, door de woedende menigte aangevallen werd en deze daad met zijn leven betalen moest.
Een passage bij Herodotus geeft ons verder een levendig beeld van de achting, welke deze dieren genoten. Hij vertelt het volgende:
"Indien er een brand uitbreekt, maakt zich van de katten een bovennatuurlijke aandrift meester. Want de Egyptenaren, die op een afstand staan, houden het oog op de katten gericht en denken er niet aan, het vuur te blusschen. De katten weten te ontsnappen, springen over de menschen heen en werpen zich zelf in het vuur; wanneer dit geschiedt, ontstaat er onder de Egyptenaren groote weeklacht.
In ieder huis, waarin een kat sterft, scheert de geheele familie zich de wenkbrauwen af, doch indien een hond sterft, scheren zij hun geheele lichaam en ook het hoofd. Alle gestorven katten worden naar bepaalde, heilige huizen gebracht; hier worden zij eerst gebalsemd en daarna in de stad Bubastis begraven".
De Hond.
Honden stonden bij de Egyptenaren in hooge eer, met name in de stad Cynopolis; vreemd genoeg echter werden zij nooit als de mogelijke incarnatie van eenig god beschouwd, ofschoon er eenige verwarring van den hond met den jakhals geheerscht schijnt te hebben; deze was aan Anubis, die een helper van Osiris was en de zielen van de gestorvenen geleidde, gewijd.
Een ander dier, dat men eveneens verwarde, was de wolf; deze werd in het bijzonder in Lycopolis vereerd. De omstandigheid, dat de jakhals hoofdzakelijk in woestijnen en op bergen gevonden wordt en men daar gewoonlijk graven aanlegde, leidde in de Egyptische mythologie tot zijn vereeniging met de onderwereld en dit wel op een vroeg tijdstip; men schreef hem een goedaardig karakter toe en beschouwde hem als gids.
Het Nijlpaard.
Een andere cultus, waarschijnlijk op vrees gebaseerd, was die van het nijlpaard. Ta-urt, de nijlpaard-godin, werd langzamerhand met bijna iedere godin in het Egyptisch pantheon geïdentificeerd en hoewel haar attributen, die van welwillendheid en bescherming waren, werden de oorspronkelijke trekken van vernietiging niet geheel en al uitgewischt, want wij vinden dezen gepersonificeerd in het monster, half-nijlpaard, Amemt genaamd; deze helpt bij het Laatste Oordeel. Op dezelfde afbeelding vinden wij den aap met den kop van een hond, welke daar bij zit en op de wijzers van de schaal let en het resultaat aan Thoth mededeelt. Dit dier werd door de Egyptenaren grootelijks vereerd. Deze eeredienst is waarschijnlijk zeer oud. Apen hield men in verschillende tempels, voornamelijk in die van de maangodheden, zooals die van Khensu, te Thebe.
Andere Dieren.
Twee dieren, de ezel en het zwijn, verkregen een bijzonder kwaden roep, hoewel men hen in sommige opzichten als onschendbaar beschouwde. Zij werden altijd met de krachten van duisternis en kwaad verbonden. Bij den ezel schijnt de meening niet vast geweest te zijn, want in sommige gevallen doet dit dier als de personificatie van den zonnegod Ra dienst.
Verschillende kleinere dieren treft men verder nog in de mythologie van Egypte aan en onder dezen den haas, die als een god vereerd werd, verder de spitsmuis, aan de godin Buto gewijd, de pharaoh-rat en de vleermuis, terwijl de reptielen door de schildpad, met den nacht en daarom met de duisternis en het kwade verbonden en de slang klaarblijkelijk in den beginne uit vrees gunstig gestemd, doch later van welwillende motieven voorzien.
De uraeus werd het symbool van goddelijkheid en koninklijkheid, een symbool, door goden en koningen gedragen. De kwade zijde was in den geest der Egyptenaren overheerschend, want alle verschrikkingen van den dood en het Onbekende waren in het monster, de slang Apep, vereenigd; deze toch voerde zijn slangengebroed in de duisternis der onderwereld, zoowel tegen goden, als menschen.
Andere dieren waren de schorpioen, die soms met het kwaad verbonden werd, doch ook aan Isis gewijd was en de kikvorsch, in prae-dynastieke tijden als het symbool van geboorte en vruchtbaarheid vereerd. Deze cultus was de oudste in Egypte en werd met de scheppingsmythe verbonden. De godin Heqt, met Hathor vereenzelvigd, wordt met den kop van een kikvorsch afgebeeld.
De Ibis.
Onder de vogels, die door de Egyptenaren vereerd werden, was de ibis een van de belangwekkendste. Zij werd met Thoth en de maan verbonden en in de oudste tijden was de stad Hermopolis het middelpunt van haar vereering. Een passage bij Herodotus geeft veel interessante bijzonderheden aangaande de ideeën, welke men over dien vogel koesterde.
Hij vertelt ons, dat hij naar een plaats in Arabië, dicht bij de stad Buto, ging, om iets te weten te komen aangaande de gevleugelde slangen, welke door de Westenwind naar Egypte gebracht werden; men geloofde, dat dezen door de ibis, tegelijk met andere slangen, die in dat land gewoon zijn, vernietigd werden. Toen hij daar aankwam, zag hij de ruggegraten en ribben van slangen, in ongelooflijk groot aantal; er waren groote hoopen van deze ribben, sommigen groot, anderen klein, anderen weer van een middelmatige hoogte. De plaats, waar deze beenderen lagen, bevindt zich bij den ingang van een nauwen bergpas, tusschen steile bergen, uitkomende op een uitgestrekte vlakte, welke met de groote Egyptische vlakte in verbinding staat.
Het verhaal gaat, dat bij het aanbreken van de lente de gevleugelde slangen uit Arabië naar Egypte komen aanvliegen, doch in den nauwen bergpas op de zoogenaamde ibissen stuiten; dezen versperren hen den toegang en vernietigen hen.
De Arabieren beweren, en de Egyptenaren geven dit toe, dat de Egyptenaren de ibis in zoo'n hooge eer hielden vanwege dezen dienst. De ibis is een vogel van een zwarte kleur, met pooten als van een kraanvogel, zijn bek is buitengewoon krom en zijn vorm die van een spriet. Dit is een beschrijving van de ibis, die met de slangen strijdt".
Een andere vogel, die groote eer genoot, was de bennu, een vogel van de reigersoort, die het aanzien aan den mythischen vogel, den phoenix, gaf. Hij wordt met de zon, als symbool van de op- en ondergaande zon, geïdentificeerd. Verschillende fabels ontstonden er over dezen vogel, welke door Herodotus en Plinius verhaald worden.
Een andere zonnevogel was de valk, aan Horus, Ra en Osiris gewijd en deze werd door geheel Egypte, gedurende den prae-dynastischen tijd vereerd. In een anderen vorm, met een menschelijk hoofd voorgesteld, werd hij het symbool der menschelijke ziel, een onderscheiding, die hij met den reiger en de zwaluw deelde, daar men geloofde, dat de ziel der menschen zich daarin reïncarneeren kon.
Plutarchus vertelt, dat Isis, in de gestalte van een zwaluw, den dood van Osiris bejammerde. De gans was eveneens aan Isis gewijd, ofschoon één soort van haar aan Amen-Ra gewijd was; de gier was het symbool van de godinnen Nekhebet en Mut. Er is eenige waarschijnlijkheid, dat sommige visschen voor heilig gehouden werden en zij, vanwege hun mythologische verbinding met verschillende goden en godinnen, vereerd werden.
Heilige boomen.
Hoewel Egypte, als land, niet rijk aan boomen was, speelden sommige boomsoorten een niet onbelangrijke rol in den cultus en wel in die mate, dat boomvereering door de meeste Egyptologen als een feit aangenomen is. Het feit dat deze boomen bijzonder vereerd werden, zou dit geloof nog kunnen ondersteunen, hoewel voorbeelden van werkelijke boomvereering zeldzaam zijn.
Wiedemann schrijft dit aan dezelfde reden toe, welke voor de karige vermelding in de Egyptische teksten van de dierenvereering gemaakt, verantwoordelijk is, hoewel wij uit andere bronnen weten, dat het de belangrijkste rol in den populairen godsdienst vervulde.
De reden is, dat de officieele godsdienst slechts weinig notitie van de mindere goden nam; immers het volk richtte zich liever naar de grootere goden en de priesterkaste liet ongaarne de landelijke en plebeische goden tot de lagerere klassen van hun pantheon toe.