Mythen en Legenden van Egypte

Part 23

Chapter 23 3,779 words Public domain Markdown

Wij hooren niet veel over dierverwisseling op aarde, d.w.z. er bestaan weinig verhalen, welke de gedaanteverwisseling van een toovenaar, of heks in een gestalte van een dier beschrijven. Voor zoover men beoordeelen kan, was de idee over een weerwolf, of een dergelijke gestalte, in oud-Egypte onbekend. Een daaraan verwant type echter, van grooten ouderdom, ontbrak niet, namelijk dat van den vampier.

Wij vinden den vampier in geen enkelen concreten vorm afgebeeld, doch als een spook, inderdaad als de kwaadaardige dood, welke aan de mythologie der Hindoe's, Birmanen en Maleiers zoo gemeenzaam is. Het Egyptische spook doodde de slapende kinderen, terwijl het hun adem uitzoog, en, vreemd genoeg, het toovermiddel, dat tegen zulk een wezen gebruikt werd, was hetzelfde, als men in onze dagen op het Balkan-Schiereiland tegen de aanvallen van den vampier gebruikt, namelijk een krans van knoflook, een plant, welke een vampier, naar men weet, verfoeit.

Het schijnt, dat de astrologische kennis der Egyptenaren hoofdzakelijk bij het trekken van horoscopen uitgeoefend is. Bepaalde goden beheerschten bepaalde tijdvakken, terwijl andere met de hemellichamen geïdentificeerd werden en men geloofde, dat allen macht hadden over de gebeurtenissen, welke in de tijdvakken, aan hun toezicht onderworpen, plaats vonden.

In de latere papyri heeft men geboortetafels gevonden; door middel van dezen kon het lot van een mensch uitgerekend worden uit data als het geboorteuur en zoo voorts. Zooals onder de meeste Oostersche volken, waren astrologische kalenders, welke aangaven, welke dagen gunstig varen, of niet, zeer veel in gebruik en steunden eenigszins op mythologische gebeurtenissen, welke op dezen, of dien datum plaats gegrepen hadden en verleenden aan dezen voor altijd een zeker gewicht.

Droomen.

Droomen werden eveneens met menschelijke zaken in verband gebracht. Men geloofde, dat dezen door de goden gezonden werden en het is waarschijnlijk, dat de Egyptenaar, die door zijn particuliere aangelegenheden gekweld werd, rust zocht, in de hoop, dat hem een droom gegeven zou worden, welke hem zijn gedrag in dezen voor zou schrijven.

Zulk een handelwijze is in onze dagen bij sommige Indianen-stammen van Noord-Amerika nog gebruikelijk. Onbeschaafde menschen gaan slapen in het vertrouwen, dat hun totem hun een visioen zal schenken, om hun zaken in de toekomst te regelen.

Indien de oude Egyptenaren zulk een opheldering verlangden, achtten zij het verstandiger, zich in een tempel, welke als orakel beroemd was, te slapen te leggen. Er bestond een klasse van beroepsuitleggers, wier taak het was de problemen van den droom op te lossen. Men dacht verder, dat ziekten genezen konden worden door kwakzalversmiddelen, welke door de goden, in den slaap, aangewezen werden.

Mummie-magie.

De behandeling der mummie en de verschillende ceremoniën, welke met de balseming in verband stonden, waren zonder twijfel magisch van oorsprong. Telkens als een windsel in de juiste ligging gelegd werd, uitte men bepaalde krachtwoorden, van welke men veronderstelde, dat zij de kracht hadden, het ingewikkelde deel te bewaren. Na de wijding riep de priester den gestorvene aan, daarop nam hij een vaas, welke vier reukwerken bevatte en hiermede besmeerde hij het lichaam tweemaal, van hoofd tot voeten, terwijl hij er zorg voor droeg, het hoofd geheel en al te zalven. De inwendige organen werden daarna op het lichaam gelegd en de ruggegraat in heilige olie, van welke men geloofde, dat zij een uitstraling uit de goden Shu en Geb was, gedompeld. Daarop legde men kostbare steenen op de mummie, en elk van dezen had zijn bepaalde magische beteekenis. Zoo verlichtte kristal zijn gelaat en carnelian gaf vastheid aan zijn voetstappen.

Een priester, die god Anubis, met het hoofd van een jakhals, voorstellen moest, trad dan naar voren, volbracht eenige symbolische ceremoniën op het hoofd van de mummie en legde daarover bepaalde windsels. Na nogmaals met olie ingewreven te zijn, verklaarde men, dat de gestorvene "zijn hoofd ontvangen had".

De linkerhand van de mummie werd daarop met 36 stoffen, welke men bij het balsemen gebruikt had, gevuld, waarschijnlijk een symbolische voorstelling van de 36 gedaanten van Osiris. Het lijk werd daarna met heilige olie ingewreven, de teenen werden in linnen gewikkeld en na een bepaalde toespraak was de plechtigheid geëindigd.

Hoofdstuk VIII

Vreemde goden en goden in diergestalte. De laatste periode.

Vreemde goden.

De houding der Egyptenaren, als natie, tegenover andere goden, schijnt bijzonder vrij van eenige dweperij voor hun eigen goden te zijn geweest, hoewel, zooals te begrijpen is, de priesters in dat opzicht naijveriger en conservatiever waren.

De midden- en lagere klassen echter namen vreemde goden op liberale wijze aan en langzamerhand vond het wijd en zijd verspreide geloof van eenige van dezen officieele erkenning en werd dientengevolge in het Egyptische pantheon opgenomen.

Verschillende redenen voor dit gemis aan uitsluiting zijn zeer in het oog vallend. De staatsgodsdienst namelijk was zuiver en alleen van gewicht voor het godsdienstige hof van edelen en ambtenaren, doch deze had geen permanent, of diep-zetelend effect op het volk in het algemeen, daar ieder district zijn plaatselijken cultus bezat.

Polytheistische vereering was aldus een nationale neiging en toen daarom het volk met vreemde goden, die menschelijke eigenschappen en macht bezaten, in aanraking kwam, was er geen voldoend beperkende kracht, in hun eigen godsdienst, om hen te verhinderen aanhangers van den vreemden god te worden.

Verder schijnt de goddelijkheid van den god van een ander volk nooit betwist te zijn, want indien een volk machtig was, was dit feit een duidelijk bewijs voor de goddelijke en magische kracht van zijn godheid en daarom moest de macht van dien god geëerd en gunstig gestemd worden.

Dat een element van vrees in groote mate bij deze godenadoptie aanwezig was, kan niet betwijfeld worden. Dit wordt vooral bewaarheid bij de soldaten, die die oorlogsgoden gunstig voor zich plegen te stemmen, die aan volken toebehooren, welke zich woest en geweldig in het oorlogvoeren betoond hebben en eveneens bij kooplieden; als dezen hun kostbare vracht vervoeren, zoeken zij de bescherming van de goden, die de zee regeeren.

Er is nog een ander aspect op de zaak en wel een belangwekkend. Volgens de idee der Egyptenaren was een oorlog tusschen volken eigenlijk een oorlog tusschen hun respectievelijke godheden, een meting van hun krachten; evenals de overwonnen koning en het overwonnen volk gevangen genomen werden, zoo konden de goden dit eveneens. Dit was inderdaad noodzakelijk; want zonder het bezit van den god kon men niet zeggen, dat de overwinning volledig en het koninkrijk gewonnen was.

Wij vinden sporen van verschillende van deze aannemingen, niet echter onder de officieele goden, op de talrijke kleine zuilen, welke aan particuliere personen behoorden en door hen aan de vreemde goden gewijd, eveneens op de kleine beelden, welke in de particuliere huizen stonden, terwijl verschillende inscriptie's op de rotsen der woestijn hun evenredig aandeel voor het bewijsmateriaal leveren.

Libye, Palestina, Phoenicië en Syrië voorzagen de Egyptenaren van nieuwe goden, evenzoo Aethiopië. Sommige schrijvers houden het voor waarschijnlijk, dat de godinnen Bast en Neith van Libyschen oorsprong waren, men kan dit echter niet positief bevestigen.

De vereering van Bast en Neith was hoofdzakelijk in dat gedeelte, waar de meerderheid van de bevolking Libysch was, overwegend en de laatste werd bijna veronachtzaamd, waar de bevolking van zuiver Egyptisch ras was.

Aziatische goden.

Semitisch Azië leverde het grootste aantal goden, die door de Egyptenaars gecopieërd werden, terwijl de voornaamste onder hen Baal, Ashtoreth, Anthat, Reshpu en de godin Qetesh waren. De grootste van allen is natuurlijk de Syrische Baal, de verschrikkelijke oorlogsgod, eveneens een personificatie van de verschikkingen der woestijn, de brandende zonnehitte en den vernietigenden wind.

Deze god werd den Egyptenaren het eerst onder de 18e dynastie bekend, toen zij gedurende eeuwen met de Syriërs in oorlog waren en daar zij zich alles behalve gemakkelijk te overwinnen tegenstanders betoond hadden, moesten hun goden met eerbied en ontzag beschouwd worden.

De Ramessiden vooral achtten dezen god zeer hoog en hadden er een bijzondere voorliefde voor, zichzelf even dapper en machtig als Baal in den hemel te noemen en onder Ramses II bestond er een tempel van dien god in Tanis en daar voerde de koning zijn bouwwerken op zulk een uitgebreide schaal uit.

Baal werd tot in zekeren graad met Set geïdentificeerd, want een gestalte van het fabelachtige dier, waarin de laatste geïncarneerd werd, wordt door de Egyptenaren achter hun vertalingen van den naam Baal geplaatst en hieruit is het evident, dat zij geloofden, dat de twee goden eigenschappen en attributen gemeen hadden. In één geval inderdaad, in de teksten van Edfu, waarin de legende van de gevleugelde schijf verhaald wordt, is de naam van Baal voor dien van Set in de plaats gesteld. Ongelukkigerwijze is van zijn gedaante en ritus niets bekend.

Anthat was een oorlogsgodin, wier cultus in Syrië wijd en zijd verbreid was en ten tijde, dat de Egyptenaren hun Aziatisch Rijk vormden, werd zij natuurlijk een der aangenomen godheden. Het zoo groot aantal Syrische krijgsgevangenen, dat naar Egypte gebracht werd, voerde hun vereering, evenals die van andere, in het land binnen en daarom is het niet te verwonderen, als wij zien, dat onder de regeering van Thothmes III een heiligdom voor Anthat in Thebe opgericht werd.

Ramses II (19e dynastie), eert deze godin meermalen in zijn inscripties en deze gewoonte werd door Ramses III gevolgd, die eveneens een groot krijgsman was; de laatste gaf aan zijn lievelingsdochter den naam Banth-Anth, dochter van Anth. Over den vorm van haar vereering is weinig bekend, doch op Egyptische monumenten wordt zij genoemd: de heerscheres des hemels en meesteres der goden; men beeldt haar, of op een troon gezeten, of rechtop staande, af.

Indien men haar zittend voorstelt, hanteert zij met haar linkerhand een knots en in haar rechterhand houdt zij een speer en schild vast; wanneer zij staat, ziet men haar met een pantervel bekleed, terwijl zij het levensembleem in haar linkerhand houdt en haar rechterhand een scepter van papyrus vasthoudt. Op haar hoofd draagt zij de witte kroon. Haar vereering was in Egypte stevig gegrondvest en langzamerhand werd zij met de inheemsche goden geïdentificeerd en men vertelde zelfs, dat zij door Set voortgebracht was.

Ashtoreth.

Ashtoreth werd door de Egyptenaren de meesteres der paarden, beschermster van den strijdwagen, bewoonster van Apollinopolis magna genoemd. Zij is een Syrische godin en waarschijnlijk is haar eeredienst gedurende de Syrische krijgstochten van Thothmes III in Egypte ingevoerd.

Het schijnt, dat haar dienst voor goed in het land gevestigd is ten tijde van Amen-hetep III, want uit een brief van Thusratta, koning van de Mitanni, aan dezen Pharaoh spreekt deze over "Ishtar van Nineveh, heerscheres over de wereld, die in zijn rijk en dat van zijn vader naar Egypte overging" en hij schijnt opgemerkt te hebben, dat haar vereering daar achteruit gegaan was, want hij verzocht Amen-hetep deze tienvoudig te vergrooten.

Dat haar vereering wijd en zijd verbreid was, kan niet betwijfeld worden. In de delta vooral bloeide zij en was daar tot aan de Christelijke tijdrekening bekend. Het Oostelijk kwartier van Tanis was aan Ashtoreth gewijd en er bevond zich dicht daarbij een tempel, aan de oevers van het Serbonische meer.

Er wordt van een priester melding gemaakt, uit Memphis, die Ashtoreth, tegelijk met den maangod Ah, diende, want zij werd ook als godin der maan beschouwd en geïdentificeerd met een van de gedaanten van Hathor, of Isis--Hathor. In het verdrag, tusschen de Geta en de Egyptenaren gesloten, wordt van haar als van de nationale godin der Syriërs melding gemaakt, hoewel zij in dezen tijd eveneens een godin was, waarmede de Egyptenaren vertrouwd waren, want eigennamen, welke uit haar naam samengesteld waren, kwamen zeer veel voor; Ramses II, die zijn dochter naar Anthat genoemd had, noemde een van zijn zoons naar Ashtoreth, nl. Mer-Ashrot.

Haar benaming: "meesteres over paarden en strijdwagens", toont ons aan, dat zij op een betrekkelijk laat tijdstip haar intrede in Egypte gedaan heeft, want ongeveer 1800 v.C., op zijn vroegst, gedurende den tijd der Hyksos, leerden de Egyptenaren van de Semieten, uit de Woestijn in het Oosten, het gebruik van paarden in den oorlog, om een aanval te doen, of strijdwagens te trekken. Ashtoreth wordt afgebeeld met den kop van een leeuwin en staande op een vierspan; zij drijft haar onstuimige paarden over ter neer liggende vijanden en was aldus de geleidster van den in razenden vaart voortijlenden strijdwagen over het slagveld.

Qetesh schijnt in haar vaderland Syrië als een natuur-godin vereerd te zijn met een ritus, welke een losbandige strekking had. In Egypte werd zij met een van de gestalten van Hathor, de godin der liefde en schoonheid, geïdentificeerd, eveneens als maangodin. Sommige schrijvers zien in haar een andere vorm van Ashtoreth.

In de Egyptische kunst wordt zij voorgesteld, terwijl zij, geheel naakt, op een leeuw staat; in haar rechterhand houdt zij lotusbloesems en een spiegel vast en in haar linkerhand bevinden zich twee slangen.

In later tijd wordt zij nog in dezelfde gedaante afgebeeld, doch op haar hoofd draagt zij de haardracht van Hathor. In inscripties der 18e en 19e dynastie wordt zij "de heerscheres des hemels, de meesteres over alle goden, het oog van Ra, die haars gelijke niet heeft", genoemd.

Men bad tot haar om leven en gezondheid en op hoogen leeftijd een goede begraafplaats te ontvangen in het Westen van Thebe; dit bewijst, dat haar vereering in de hoofdstad van het land plaats vond. Soms verschijnt zij in vereeniging met Amsu en Reshpu; met dezen schijnt zij als een van de drieëenheid vereenigd te zijn.

Reshpu is een andere Syrische god, wiens cultus in Egypte bekend werd, terwijl Het-Reshp het middelpunt van zijn vereering vormde (in de Delta gelegen). In Syrië werd hij voor een oorlogsgod gehouden en op Egyptische monumenten en gebouwen wordt hij als soldaat afgebeeld, met schild en speer in zijn linker- en een knots in zijn rechterhand. Boven zijn voorhoofd steekt een gazellekop vooruit; dit is wellicht een oud symbool van den god, dat een aanwijzing is voor zijn heerschappij over de woestijn.

Zijn titels, welke hem in de Egyptische teksten gegeven worden, zooals "de groote god, de heer der eeuwigheid, de vorst van het eeuwige leven, de heer der dubbele sterkte onder het gezelschap der goden", zijn hem rijkelijk van de inheemsche goden geschonken. Reshpu stemt met den god overeen, die aan de Phoeniciërs bekend was en op Cyprus en in Carthago vereerd werd en sommige schrijvers beschouwen hem als een god van de brandende en vernietigende kracht van het vuur en eveneens van het licht.

Semitische en Afrikaansche invloed.

Behalve dat zij den Egyptenaar van eigenaardige goden voorzag, had de Semitische gedachte grooten invloed op zijn ideeën betreffende de mythologie en de natuur van zijn eigen goden.

Sommige levenlooze voorwerpen, speciaal steenen en in sommige gevallen boomen, begon men onder dezen invloed, als de woonplaats van een god te beschouwen, zooals die van den zonnegod in Heliopolis, terwijl een teeken, dat de archaistische vorm van het symbool Kh voorstelt, de gewone aanwijzing voor den naam Set is.

Het is verder een omstandigheid, welke eenig gewicht in de schaal legt, dat de Aziatische godheden, wat hun lichamelijke verschijning en symbolische voorstelling betreft, in overeenstemming met de Egyptische godsdienstige conventioneele opvatting afgebeeld worden; met de goden van Afrikaanschen oorsprong is dit echter geheel anders gesteld. Zij worden als afzichtelijke, vreeswekkende, misvormde en enorm dikke wezens afgebeeld, geheel en al op den neger-fetish, welke men nog heden ten dage onder Afrikaansche stammen vinden kan, gelijkend.

Bes is de belangwekkendste van de Afrikaansche goden en hoewel hij, in den loop der tijden, vele veranderingen onderging, een omstandigheid, welke een aanwijzing voor andere oorsprongen schijnt te zijn, is de oorspronkelijke opvatting over hem beslist Afrikaansch en zijn cultus in Egypte is even oud als de beschaving der dynastieën.

De voorstellingen van hem duiden een oorsprong onder wilde volken aan. Hij wordt n.1. afgebeeld als een wanstaltige dwerg, met grooten buik, kromme beenen en een groot gezicht, met een baard voorzien. Tusschen zijn dikke lippen komt een uitstekende tong te voorschijn; zijn neus is plat, terwijl zijn wenkbrauwen zeer ruig zijn.

Hij draagt een tiara van veeren [40] op zijn hoofd en rondom zijn lichaam een pantervel; het uiteinde daarvan raakt gewoonlijk den grond achter hem aan. Een ander onderscheid is nog, dat hij gewoonlijk en face voorgesteld wordt, terwijl de Egyptische goden gewoonlijk en profil afgebeeld worden.

Hoewel hem later verschillende namen gegeven werden, was Bes zijn gewone benaming, een naam, welke volgens Wiedeman afgeleid is van besa, een woord voor een van de groote felidae, den cynaelurus guttatus, wier vel zijn kleeding vormde.

Zijn cultus heeft langen tijd bestaan, van het Oude Rijk tot den Romeinschen tijd en zijn orakel te Abydos werd tot op een later tijdvak geraadpleegd; zijn invloed kan men nog in de Alexandrijnsche, Hellenistische en Phoenicische kunst naspeuren. De god Bes had verschillende karakteristieke eigenschappen. Hij werd met de geboorte verbonden en een van de oudste voorstellingen van hem kan men op een relief in den tempel van Hatshepsut vinden, waar hij als helper bij de geboorte van de groote koningin verschijnt.

In dit verband zien wij hem in alle "Geboortehuizen" van Egyptische tempels, plaatsen, waarin men veronderstelde, dat de beschermgoden geboren waren. Men geloofde, dat, als het kind opgroeide, Bes het van spelen voorzag en men ziet hem dan ook afgebeeld, terwijl hij tegen een kind lacht, op grappige wijze danst en op de harp speelt.

Hierdoor was hij de god van den dans, de muziek en de vroolijkheid, hierna van de rust, het genoegen en de vreugde; zijn zonderling beeld kan men op het handvat van spiegels, op palets en vaatwerk ingesneden zien.

Hij werd als bewaker van den jongen zonnegod aangewezen en werd daarom de vijand van alle slangen en men ziet hem afgebeeld, terwijl hij dezen in zijn hand vasthoudt, worgt, of hen in stukken bijt.

Langzamerhand werd hij geheel en al met zijn pupil Horus geïdentificeerd en met alle symbolen en attributen van dien god afgebeeld, hoewel zijn bijzondere zonneprovincie het Oosten was.

In de onderwereld onderging Bes een gedaanteverwisseling. Hij werd een god der wrake, droeg een mes, waarmede hij dreigde en hiermede beproefde hij de harten der zondigen uit te rukken; voor de goeden en de waardigen was hij altijd een trouw en dierbaar gezel.

In deze dreigende gestalte werd hij "de krijgsman" genoemd en soms werd hem ook op aarde dit karakter toegeschreven; hier droeg hij een schild en zwaaide een zwaard en nam den strijd op voor hen, die onder zijn bescherming stonden en voor hen, die zijn beeld, als amulet, droegen.

Heilige Dieren.

Uit de vele bronnen, waaruit onze kennis van oud-Egypte stamt, kan men een vrij compleet overzicht over den grooten invloed en uitgebreidheid verkrijgen, welke de dierenvereering, in dit land, bereikt had. Vanaf de oudste tijden had deze de overhand en was veel ouder dan de Egyptische beschaving.

Dat veel hiervan uit totemistische bron stamt, kan niet ontkend worden, een bron, welke men onder de prae-dynastieke stammen, uit welke het Egyptische volk ontsproot, moet opsporen.

De oorzaak van de dierenvereering was ongetwijfeld in den beginne niets meer, of minder, dan vrees, vermengd met een eerbiedige bewondering voor de buitengewone macht en kracht van den schepper. Later ontwikkelde zich de idee over dieren, als voorstelling van goden, de belichaming van goddelijke en bovenmenschelijke eigenschappen.

Aldus stelden de stier en de ram, bezitters van buitengewone vruchtbaarheid, natuurgoden en de verschijnselen van de jaarlijksche herleving voor, zooals Wiedemann opmerkt: "De voortbrengingskracht in het dier was met de kracht, waardoor het leven in de natuur vernieuwd wordt evenals in den mensch, na den dood, identisch". Door geheel Egypte werden de stier en de koe, de laatste als voorstelling der vruchtbaarheid, als goden van den landbouw, vereerd.

Voor den Egyptischen geest echter, welke zich van een abstract begrip geen voorstelling kon maken, was een onstoffelijke godheid, welke men niet aan kon raken, een onmogelijke opvatting. Een god moest duidelijk te zien zijn en in een werkelijk lichaam functioneeren.

Men geloofde, dat de koning een incarnatie van een god was, doch hij was apart en een enkeling en daar de Egyptenaar overal om de verschijning van en gemeenschap met zijn goden smeekte, kwam het aldus, dat de incarnatie van een godheid en zijn menigvuldige attributen verveelvoudigd werden.

Bepaalde dieren konden dezen in hoogere mate dan de mensch vertegenwoordigen, hoewel natuurlijk voor den Egyptenaar de mensch de maatstaf was, waarnaar alles in het heelal moest afgewogen en gemeten worden. De goden waren slechts een weinig grooter dan menschen; zij waren begrensd en kenden wellicht den dood. Hun onsterfelijkheid werd alleen door hun vermogen, van het eene lichaam naar het andere te verhuizen, verkregen, terwijl zij aan den dood ontsnapten, door over te gaan in op elkander volgende gestalten en door een vernieuwing van de levenskrachten.

Het symbolisme van den Egyptischen godsdienst wordt meestal door middel van dieren voorgesteld. Zoo wordt over den doodsgod als over een jakhals gesproken, over den god van het water als een krokodil, terwijl de lucht een koe, de zon een valk en de maan een ibis is.

Door deze verheffing van sommige dieren, werden geheele soorten voor heilig gehouden en dit leidde tot de zeer vreemde opvattingen en gewoonten onder de Egyptenaren, welke zoo dikwijls door klassieke schrijvers vermeld zijn, zoo hield men b.v. een man voor gelukkig, die door een krokodil opgegeten was.

Wanneer deze dieren stierven, weende de eigenaar over hen, als over verwanten en men besteedde de meeste zorg, hun overblijfselen te bewaren. Koeien ontvingen een zoodanige vereering, dat haar lijken in de heilige wateren van den Nijl geworpen werden en een stier werd buiten de stad begraven, terwijl zijn horens boven den grond uitstaken, om de plaats, waar hij begraven lag, aan te duiden. Nog andere voorbeelden zou men kunnen aanvoeren.

De Apis.

Vanaf de oudste tijden werd de stier in Egypte als de personificatie van sterkte, mannelijkheid en strijdkracht vereerd. Manetho brengt de vereering van den Apis tot Kaiekhos, een koning der 2e dynastie terug; deze maakte een uitgelezen stier, Hap, tot god: Aelianus echter schrijft deze daad aan Mena, den eersten historischen koning van Egypte, toe.

Veel van onze kennis aangaande dezen cultus stamt uit Grieksche bronnen. Herodotus geeft de volgende beschrijving van den Apis: "Hij is het kalf van een koe, welke niet in staat is, verder een jong voort te brengen; de Egyptenaren beweren, dat een licht uit den hemel op de koe neerdaalt en dat zij daardoor den Apis voortbrengt. Het kalf heeft de volgende kenteekenen: het is zwart en heeft een vierkante, witte plek op zijn voorhoofd, op zijn rug een figuur als van een adelaar, in zijn staart dubbele haren en op zijn tong een afbeelding van een kever".

Diodorus geeft verder een verhaal over het vinden van den Apis en de wijze, waarop hij geïnstalleerd wordt, na den dood en de begrafenis van een vroegere incarnatie van den god Osiris; wij lezen bij hem het volgende: