Part 21
De koningin sliep op een legerstede, in den vorm van een leeuw vervaardigd en toen zij haar aanschouwden, zagen zij, dat Thoth de waarheid gesproken had; zij was inderdaad de schoonste van alle sterfelijke vrouwen en zij stonden sprakeloos door bewondering over haar schoonheid.
De heerlijke reuk echter, welke zij uit het land Punt medegebracht hadden, deed het meisje ontwaken en vol verbazing keek zij naar de bovennatuurlijke wezens. Schitterend was de aanblik van Amen-Ra, den koning der goden, den schepper der menschen, toen hij voor de koningin stond. Kostbare edelgesteenten versierden zijn persoon en zijn schoonheid was aan die van de zon gelijk, zoodat het hart van het meisje verrukt werd.
Amen-Ra legde in haar hand het levensteeken en het embleem der kracht, en de godinnen lichtten haar legerstede op, opdat zij zich boven de aarde zou bevinden, terwijl zij zich met de goden onderhield.
Ten slotte keerden de goden naar het land Punt terug, en Amen-Ra, liet Khnum, den schepper, den maker van de lichamen der menschen, roepen.
"Maak voor mij", sprak Amen-Ra, "het lichaam van mijn dochter en het lichaam van haar ka. Ik zal van haar een groote koningin maken, en eer en kracht zullen haar deel zijn, al haar levensdagen".
"O Amen-Ra", antwoordde Khnum, de schepper, "het zal geschieden, zooals gij gesproken hebt. De schoonheid van Uw dochter zal alle goden overtreffen, en zij zal haar aanzien en roem waardig zijn".
Aldus vormde Khnum het lichaam van Amen-Ra's dochter en dat van haar ka, terwijl de twee gestalten volkomen aan elkander gelijk waren en schooner dan de dochters van menschen. Hij maakte haar uit leem, aan zijn pottebakkerswiel en Hekt, de godin der geboorte, knielde aan zijn zijde, terwijl zij het levenssymbool bij het leem hield, opdat de lichamen van Hatshepsut en haar ka met den levensadem gevuld zouden worden.
Daarop lieten de goden de lichamen naar het paleis van den Egyptischen koning brengen. Khnum, de schepper en Hekt, de godin der geboorte, Isis, de groote moeder en haar tweelingzuster Nephthys, Bes, de beschermer, der kinderen, Meskhent en Ta-urt, allen waren tegenwoordig om de geboorte van Hatshepsut, de groote koningin, de dochter van Amen-Ra en koningin Aahmes te begroeten.
Groot was de vreugde, toen het kind geboren werd, en luide klonken de liederen, welke te harer eere aangeheven werden. Na verloop van tijd werd zij heerscheres over alle landen, rijk en machtig, bemind door Amen-Ra, de groote koningin, die door den koning der goden geschetst was.
In het Nijldal werd een tempel ter eere van koningin Hatshepsut opgericht. De tempel staat daar nog heden ten dage en is thans bekend onder den naam van Deir-el-Bahari, het Noordelijk klooster.
Hoe Thoutii de stad Joppe nam.
De fragmenten van deze geschiedenis zijn in den Harris Papyrus vervat. Evenals de geschiedenis van den prins, wiens lot voorbeschikt was, werden zij in 1874 door Goodwin ontdekt; deze ontdekte hen in de overblijfselen van een historisch verhaal en stelde de Archaeological Society met zijn vondst in kennis. Het begin is echter verloren gegaan.
Bij het punt, waarop het verhaal begint, zien wij drie hoofdpersonen: een Egyptisch officier, Thoutii genaamd, den vorst van een stad in Syrië en zijn stalmeester. Het verhaal behandelt de inname van Joppe (een stad in Palestina, welke in den Bijbel vermeld wordt) en wel door een krijgslist van Thoutii. De toegepaste list vertoont eenige gelijkenis met die, welke wij in de geschiedenis van den rooverhoofdman in de Duizend en een Nacht verhalen vinden. Het verhaal luidt aldus:
Onder de regeering van Thothmes III, koning van Egypte (18e dynastie), stond de vorst van Joppe op en doodde alle Egyptische soldaten, die zich in zijn stad bevonden.
De tijding hiervan wekte begrijpelijkerwijs de woede van den Pharaoh op, hij riep zijn edelen, generaals en schrijvers bijeen, om te overleggen, wat er gedaan kon worden. Niemand van hen echter wist raad, behalve Thoutii, een schitterend, jong officier van het voetvolk.
"Geef mij", zoo sprak hij, "een tooverstok, mijn koning, en een troep voetknechten en voerlieden en ik neem op mij, den vorst van Joppe te dooden en de stad te nemen".
Pharaoh, die den officier hoogachtte en op zijn woorden vertrouwde, stond alles toe, wat hij vroeg, hoewel het niet gering was; de stok toch was een talisman, van wien men dacht, dat hij iedereen, die hem in bezit kreeg, onzichtbaar maken kon.
Thoutii trok daarop met zijn mannen naar Palestina. Daar aangekomen, liet hij een grooten leeren zak maken, groot genoeg om een man te bevatten; tevens had hij ijzeren hand- en voetboeien laten vervaardigen, terwijl één paar bijzonder groot en sterk was; verder jukken van hout en vierhonderd kisten.
Daarop zond hij de volgende boodschap naar den vorst van Joppe: "Ik ben Thoutii, de Egyptische generaal der infanterie. Koning Thothmes was ijverzuchtig op mij, vanwege mijn dapperheid en zocht mij te dooden; ik ben echter ontsnapt en heb zijn tooverstok gestolen; deze is in mijn bagage verborgen en, als gij er niets op tegen hebt, zal ik dezen aan U geven en mijn strijdkrachten, welke het puikje van het Egyptische leger vormen, met de Uwe vereenigen.
Het is te begrijpen, dat de vorst van Joppe dat bericht zeer aangenaam vond, want hij kende den roep, welken van Thoutii uitging, en wist, dat hij in geheel Egypte zijns gelijken niet had.
Hij zond een bericht naar Thoutii, dat hij zijn aanbod aannam en beloofde hem een stuk van zijn gebied. Daarop verliet hij Joppe, nam zijn ruiterij, vrouwen en kinderen met zich, om den man te begroeten, dien hij als een nieuwen bondgenoot aan wilde nemen. Hij verwelkomde hem hartelijk en noodigde hem in zijn kamp, om met hem het middagmaal te gebruiken. In den loop van het onderhoud, terwijl zij aan het eten en drinken waren, vroeg hij Thoutii over den tooverstok. Thoutii antwoordde, dat deze in de bagage, waarmede zijn paarden beladen waren, verzegeld was. Hij verzocht daarop, dat zijn mannen en paarden naar het kamp gebracht zouden worden, om verfrischt te worden en uit te rusten.
Aldus geschiedde; zijn paarden werden gevoerd, de bagage werd onderzocht en de tooverstok werd gevonden.
De List.
Toen de vorst dit hoorde, was hij zeer begeerig, den tooverstok te zien. Thoutii ging dezen daarop halen; plotseling pakte hij daarop den vorst bij diens kleeren vast en sprak: "Ziehier den tooverstok van koning Thothmes" en met dezen hief hij zijn hand op en sloeg den vorst zoo hevig op zijn voorhoofd, dat hij bewusteloos voor hem neer viel. Daarop deed hij hem in den grooten leeren zak, maakte de handboeien aan zijn polsen vast en de voetboeien aan zijn voeten.
Daar het gelaat van den doode onzichtbaar was, was het Thoutii's doel, het lijk voor het zijne te laten doorgaan. Hij had de tweehonderd soldaten in een even groot aantal van de 400 kisten gelegd, welke hij met zich mede gebracht had en vulde de overblijvenden met de touwen en houten boeien; daarop verzegelde hij dezen, omwond hen met touwen, gaf hen aan verscheidene sterke soldaten en zei het volgende: "Gaat vlug en vertel aan de ruiterij uit Joppe, dat ik gedood ben. Laat de aanvoerder gaan en aan zijn meesteres, de vorstin van Joppe, zeggen, dat Thoutii overwonnen is en dat zij de poorten der stad opent, om het lijk van den overwonnene en de buitgemaakte kisten, welke men van hem afgenomen heeft, in ontvangst te nemen.
De aanvoerder van de ruiterij ontving deze boodschap en vertelde dit bericht ijlings aan zijn meesteres. De poorten der stad werden geopend en Thoutii's mannen brachten de kisten, welke zijn overige mannen bevatten, in de stad. Daarop bevrijdden zij de inzittenden, de Egyptische strijdkrachten overvielen de inwoners der stad, namen hen gevangen en bonden hen.
Nadat hij tot rust gekomen was, zond Thoutii een bericht naar den Pharaoh en liet zeggen: "Ik heb den vorst van Joppe gedood en alle bewoners van Joppe zijn krijgsgevangen gemaakt. Laat hen naar Egypte vervoeren, opdat uw huis met mannelijke en vrouwelijke slaven, die u steeds zullen toebehooren, gevuld wordt. Laat Amen-Ra, uw vader, de god der goden, verheerlijkt worden."
Hoofdstuk VII
Magie.
Aan de volken der oudheid scheen het toe, dat Egypte de moeder der magie was. In het geheimzinnige Nijldal vonden zij een magisch stelsel, dat veel meer ontwikkeld was, dan eenig ander in hun eigen omgeving en het scheen, dat de doodenvereering, waarmede de Egyptische godsdienst zoo nauw verbonden was, een magischen bijsmaak bezat. Afgezien van het materiaal der tooverpapyri, zijn de berichten, welke wij over de Egyptische magie bezitten, bijna alle uit den vreemde afkomstig, zoodat het verstandiger is, onze gegevens dienaangaande van de oorspronkelijke bronnen af te leiden, indien wij tot een begrijpen van de Egyptische toovenarij wenschen te geraken.
Het meerendeel van datgene, wat door Egyptologen over Egyptische magie geschreven is, steunt op de veronderstelling, dat magie, of een vorm van godsdienst is, of de grondslag daarvan. Dit is een van de resultaten van den archaeloog, die een terrein betreedt (n.l. dat van de anthropologie), waarin hij gewoonlijk in verlegenheid geraakt.
Wij vinden b.v. dat Maspero beweert, dat: "de oude magie de werkelijke grondslag van den godsdienst vormde. De geloovige, die van een god een gunst wenschte te ontvangen, had geen kans van slagen, tenzij hij zijn handen op den god legde en dit beslag kon alleen door middel van een bepaald aantal riten, offers, gebeden en gezangen plaats vinden, welke de god zelf ontsluierd had en welke hem verplichtte te doen, wat men hem vroeg." [34]
Vervolgens hooren wij, dat Dr. Budge beweert, dat wij uit de godsdienstige teksten en werken zien kunnen, dat de magie de helpster der godsdienst geworden is en dat, terwijl niet-Egyptische rassen hun kunstgrepen tegen de machten der duisternis richtten en een klasse van gunstig gezinde wezens aanriepen, de Egyptenaren er naar streefden, de algeheele controle over hun goden te verkrijgen.
Laat ons voor een oogenblik de kwestie van den oorsprong der magie beschouwen. Onder de tegenwoordige anthropologisten bestaat er op dit punt een groote verscheidenheid van opvatting en de werken van Frazer, Marett, Hubert, Mauss e.a., hebben veel licht over een tot dusver duister probleem doen opgaan, hoewel zij over den oorsprong wijd uiteenloopende gezichtspunten hebben.
Alle schrijvers echter over dit onderwerp, schijnen een belangrijk punt over het hoofd gezien te hebben en wel het element van wonderen, dat inderdaad de oorsprong en bron van de magie is. In overeenstemming met alle verschillende scholen der anthropologie, is bijna alle magie van nature medevoelend, of nabootsend.
Om een voorbeeld te noemen: Wanneer een barbaarsch geneesheer wenscht, dat er regen komt, klimt hij in een boom en sprenkelt water op de verschroeide aarde onder zich, in de hoop, dat de godheid, welke voor het weer verantwoordelijk is, hetzelfde zal doen; indien de onwetende zeeman wind wenscht, bootst hij het gieren van den wind na.
Dit systeem is algemeen geldend, doch indien onze conclusies juist gebaseerd zijn, steunen deze handelingen niet op een magische basis. Het moet in het oog vallen, zooals Frazer aangetoond heeft, dat, wanneer de wilde een handeling van medevoelende magie tot stand brengt, hij deze niet als werkelijk magisch beschouwt, dat wil zeggen, zij bevat in het geheel geen wonderlijk element in zijn wijze van denken. Hij beschouwt zijn handeling als een aanleiding, welke het verlangde effect te weeg zal brengen, juist zooals de man der wetenschap van onze dagen gelooft, dat hij resultaat zal hebben, indien hij zich aan bepaalde formules houdt. Nu redeneert de werkelijke magie van wonderen van uitwerking tot oorzaak; zoo kan het schijnen, dat, evenals medevoelende magie zuiver een soort van proto-wetenschap is, te wijten aan geestelijke processen, geheel gelijk aan die, waardoor wetenschappelijke wetten gevormd worden en wetenschappelijke handelingen verricht worden, er een geest van zekerheid bestaat, welke men b.v. niet in de magie der bezweringen vindt.
Het zou echter te overijld zijn, medevoelende magie geheel en al te scheiden van die, welke ik magie van wonderen zou willen noemen; onze kennis van de grondwetten der magie is inderdaad te gering, om een dergelijke handelwijze te rechtvaardigen.
Wij vinden tusschen de stelsels belangrijke aanknoopingspunten. Een van de manieren b.v. waarop boosgezinde menschen zichzelf in weerwolven veranderen kunnen, bestaat hierin, dat zij zich omgorden met een gordel van wolfsvel.
Wij zien dus, dat bij dit voorbeeld de werkelijke wonder-magie, om zich in een dier te veranderen, in zekere mate met het medevoelende proces verbonden is, daar het denkbeeld bestaat, dat het aantrekken van een wolfsvel, of zelfs het ombinden van een stuk van de huid van het dier, voldoende is de natuur van het dier op den drager zelf over te brengen.
In het voorbijgaan zou ik nog volledigheidshalve op willen merken, dat de magie der wonderen bijna geheel en al spiritistisch van natuur is en dat zij uit bezweringen en dergelijke handelingen bestaat.
Men zou in dit verband tegen mijn redeneering kunnen aanvoeren, dat bepaalde reukwerken, teekens der planeten en andere middelen, van welke men meent te weten, dat zij voor zekere bovennatuurlijke wezens aantrekkingskracht hebben, aangewend worden op het oogenblik, dat zij opgeroepen worden. Nog eens geef ik toe, dat de twee stelsels aanknoopingspunten hebben; dat echter zal mij niet overtuigen, dat zij in wezen dezelfde zijn [35].
Oudheid der Egyptische magie.
Evenals alle magie, was die der Egyptenaren van prae-historischen oorsprong. Evenals de onbeschaafde volken van onzen tijd van het medevoelende proces gebruik maken, zoo deden de wilden uit het Egyptisch Steenen Tijdperk eveneens. Dat zij eveneens bekend waren met de spiritistische zijde der magie is zeker. Animisme is de moeder van het spiritisme.
De opvatting over de ziel was op een betrekkelijk laat tijdstip bij den mensch opgekomen. Het verschijnsel van den slaap was hem een raadsel. Waarheen begaf de mensch zich, gedurende de uren van den slaap?
De mensch uit het Palaeolitisch tijdperk keek naar zijn slapenden broeder en het scheen hem toe, dat deze eigenlijk dood was, ten minste met het oog op waarneming en het werkelijke leven. Iets scheen den slaper ontsnapt te zijn, het werkelijk levende en levenmakende element had hem tijdelijk verlaten.
Uit zijn eigen ervaring nu wist de wilde, dat het leven met den slaap niet ophoudt, want in een meer schaduwachtige en onwezenlijke spheer ziet hij de tooneelen van zijn dagelijksch bestaan weer voor oogen.
Indien de mensch, gedurende den slaap, in droomenland, of in ver afgelegen gedeelten, gewaarwordingen had, was de eenige aannemelijke uitlegging van dit feit, dat zijn tweede ik tijdelijk het lichaam verlaten had. Dit toegegeven zijnde, hebt gij twee, van elkander afgescheiden, wezens, lichaam en ziel, in voorkomen gelijk, omdat de laatste in de sfeer der droomen functies verrichtte, welke met die van de eerste in de lichamelijke spheer identisch waren.
De wandelende Geest.
De logica der prae-historische tijden echter stelde zich hiermede niet tevreden. Dit alles vooropstellende, strekte zij haar zielentheorie tot alle levende wezens uit en zelfs tot de onbezielde. Waar gingen b.v. de zielen der menschen, na den dood, heen? Hun lichamen vergingen, daarom was het alleen aannemelijk, dat zij naar andere lichamelijke media voor de ziel zochten. Daar zij niet in staat was, het lichaam van een pasgeboren kind binnen te gaan, nam zij, volgens hun opvatting, haar intrek in een boom, een rots, of een ander passend voorwerp der natuur en de angstige, onbeschaafde mensch meende haar stemmen in het geloei van den wind te ontdekken, of in het ruischen van de bladeren van het woud, terwijl zij waarschijnlijk schreeuwde, of smeekte, om dat voedsel en die beschutting, welke zij in haar onlichamelijken toestand niet verkrijgen kon.
De geheele natuur werd dus voor de eerste menschen bezield en niet alleen voor deze Egyptenaren, maar voor alle prae-historische menschen. Hun leven, voornamelijk aan de jacht gewijd, had hen echter buitengewoon slim en vindingrijk gemaakt en spoedig kwam het bij hen op (op welke manier kunnen wij niet zeggen, daar dit punt nog grootelijks opheldering vereischt), dat zij wellicht van die wandelende en onbeheerde geesten, van welke zij meenden, dat zij op zijn roepen gehoor gaven, gebruik konden maken.
In dit verlangen schijnt het mij toe, (indien de bewering niet oppervlakkig is), dat wij een van de oorsprongen van de magie der wonderen hebben en zeer zeker den oorsprong van het spiritisme. Speculeerende op den wensch van den geest zonder lichaam, om zich te materialiseeren, maakte de prae-historische mensch een fetisch, hetzij in de gestalte van een mensch, of van een dier, of in eenige bovennatuurlijke voorstelling, welke met zijn ideeën over een geestesbestuur overeen kwam.
Gewoonlijk maakte hij dezen fetisch van niet groote afmeting, daar hij niet geloofde, dat zijn tweede ik, of ziel, van een groot formaat was. Door bedreigingen, of vleierijen, had hij de overhand op den wandelenden geest; dezen stelde hij zich, evenals de dooden, koud, hongerig en zonder woning voor; hij dwong hem het kleine beeld binnen te gaan en dit werd zijn lichamelijke woning, terwijl de lippen hiervan op vrome wijze met het bloed van dieren, op de jacht gedood, besmeerd werden en het zelf zorgvuldig vereerd werd. Aan den anderen kant verwachtte men, dat de ziel in den fetisch, door de kracht van haar bovennatuurlijke kennis, haar meester, of helper, op alle mogelijke manieren bij zou staan.
Het bedwingen der Goden.
De Egyptische magie verschilde van de meeste andere stelsels door de omstandigheid, dat de inheemsche toovenaar sommige goden trachtte te dwingen tot een daad ten zijne behoeve.
Voorbeelden hiervan zijn elders zeer zeldzaam en misschien hebben de Egyptische goden, in verschillende gevallen, zich uit zuiver animistische opvattingen ontwikkeld. Dit is inderdaad het geval bij alle godheden, doch de meeste goden komen op een zeker punt in hun geschiedenis tot zulk een hoogte, dat zij zich ver boven de mogelijkheid verheffen, ooit door een toovenaar als ruimer werktuig voor hun persoonlijke doeleinden gebruikt te worden. Dikwijls echter vinden wij de gebroken, of verlaten, godheid door den toovenaar beheerscht.
Beëlzebub kan men als een passend voorbeeld voor deze soort nemen. Een groote reputatie is een hard ding om te verliezen en het is mogelijk, dat de toovenaar in den verlaten en daarom ijdelen, god een passend medium voor zijn doel ontdekt.
Wij vinden echter, dat de Egyptische godheden, door schrikaanjagen, gedwongen zijn hun macht te gebruiken ten behoeve van een nederig tovenaar, zelfs toen zij op het toppunt van hun roem stonden.
Eén ding is natuurlijk onontbeerlijk voor een compleet stelsel van toovenarij en wel het bestaan van een aantal geesten, de overblijfselen van een verdwenen, of in het niet gezonken, godsdienst. Zooals wij weten, waren er verschillende lagen in den Egyptischen godsdienst--meer dan één geloof heeft op de oevers van den Nijl geheerscht--en het kan zijn, dat de vereerders van de godheden van één stelsel, die van een ander als magisch beschouwden, bij de invoering van een nieuw stelsel; dezen kunnen inderdaad afwisselend geweest zijn, en het is mogelijk, dat zij langzamerhand deel kregen aan de gewoonte, welke zoo algemeen was geworden, dat zij onmogelijk in onbruik geraken kon.
Indien onze conclusies juist zijn, is waarschijnlijk de bewering van Maspero, dat de magie de grondslag van den godsdienst is, moeilijk hiermede in overeenstemming te brengen. Wij hebben gezien, dat het grootste deel van de zoogenaamde magie bij de onbeschaafde volken (d.w.z. medevoelende magie) waarschijnlijk in het geheel niet tot de natuur der magie behoort, zoodat de gezichtskring van deze bewering tamelijk verkleind wordt.
Budge's gezegde, dat de magie van ieder ander volk van het Oude Oosten, behalve die van de Egyptenaren, geheel en al tegen de krachten der duisternis gericht was, en uitgevonden om hun booze plannen te verijdelen, door een klasse van welgezinde wezens aan te roepen, is in zooverre een dwaling, dat de volken uit het Oude Oosten op gelijke wijze kwade en goede wezens aanriepen.
Tevens moet men toegeven, dat de Egyptische magie meer dingen met godsdienst gemeen heeft, dan de meeste andere magische stelsels en dit komt door de buitengewone omstandigheden, waaronder de godsdienst op den Egyptischen bodem zich ontwikkeld heeft.
Krachtnamen.
Een van de meest treffende eigenaardigheden der Egyptische magie was het gebruik van die namen, welke men "krachtnamen" zou kunnen noemen. De wilde stelt zich voor, dat er een zeer groote band tusschen een mensch en diens naam bestaat, dat men inderdaad even gemakkelijk tooverkunst op den man kan uitoefenen door zijn naam, als door het bezit van zijn haar, of zijn nagels.
De primitieve mensch beschouwt inderdaad zijn naam als een edel deel van zichzelf. Sir John Rhys heeft aangetoond, dat er onder de oude Kelten algemeen het geloof heerschte niet alleen, dat de naam een deel van den mensch uitmaakte, doch het 't deel van hem was, dat de ziel genoemd wordt en vele barbaarsche stammen uit onze dagen beschouwen hun namen als edele deelen van zichzelf en nemen de zorgvuldigste voorzorgsmaatregelen, hun ware namen te verbergen uit vrees, dat deze aan een heks gelegenheid geeft hun eigenaar leed te doen.
Howitt heeft, in een beschrijving van de Australische medicijnmeesters, aangetoond, dat de inboorling uit Australië gelooft, dat, indien een vijand zijn naam heeft, hij iets heeft, dat hij bij betoovering gebruiken kan ten zijnen nadeele. De Australische neger is er altijd huiverig voor, zijn naam aan iemand te openbaren.
Daarom geeft een man onder verscheidene Australische stammen zijn naam voor goed op, wanneer hij in de plechtigheden ingewijd wordt, welke hem de voorrechten van den mannelijken leeftijd schenken. Dit blijkt uit het gebruik van titels onder de leden der stammen, welke broeder, of neef, beteekenen.
Waarschijnlijk geeft men dus nieuwe namen bij de inwijding en zorgvuldig houdt men dezen geheim, uit vrees voor toovenarij. Sporen van hetzelfde bijgeloof vinden wij in Abessinië, Chili, Senegambië, Noord-Amerika en ontelbaar andere landen.
Doch om tot Egypte terug te keeren, wij vinden, dat verscheidene Egyptenaren twee namen ontvingen, den grooten en den kleinen naam, of den waren en goeden naam; de laatste was die, welke bekend gemaakt werd, doch de ware, of groote naam werd zorgvuldig geheim gehouden. [36]
Wij vinden het gebruik van deze krachtnamen zeer algemeen verspreid, over het geheele Oosten. Zelfs heden ten dage vertalen de Joden den naam Jahveh, als ze dezen lezen met: Adonai, doch nergens was dit zoo zeer in zwang als in Egypte.
Een zeer goed voorbeeld voor de macht, welke men aan iemand, die een naam in zijn bezit heeft, toekent, kan men vinden in de legende, waarin verteld wordt, op welke wijze Isis er in slaagde, den geheimen naam van Ra te weten te komen.
Daar Isis genoeg had van de wereld der stervelingen, besloot zij, die van de goden binnen te treden en om dit doel te bereiken, vatte zij het plan op, den geheimen naam van den almachtigen Ra op slinksche wijze te weten te komen. Deze naam was aan geen enkel sterveling bekend en zelfs aan geen god, behalve hem zelf.
In dezen tijd was Ra oud geworden en evenals verschillende andere eerwaardige personen, liet hij dikwijls het speeksel uit zijn mondhoeken vliegen. Een gedeelte hiervan viel op den grond; Isis mengde dit met aarde, kneedde het in de gedaante van een slang en legde het op slimme wijze op den weg, welken de groote god iederen dag bewandelde.