# Mythen en Legenden van Egypte

## Part 20

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/mythen-en-legenden-van-egypte-14826/index.md

Na een lang twistgesprek met den prins en nadat ik hem verteld had, dat, als hij de bevelen van Amen-Ra volbracht had, vele goede dingen hem geworden zouden, aarzelde hij nog. Daarop vroeg ik, of ik een bode naar de andere vorsten, Smendes en Tantamounou, zenden mocht; hij zou dan zien, hoe zij mijn verzoek beantwoorden zouden en mij helpen.

Het scheen, dat de vorst van gedachte veranderde, want nadat hij mijn brief aan zijn bode gegeven had, beval hij, een schip met hout te bevrachten, zeven stukken in het geheel en het mede te nemen naar Egypte.

Zijn bode ging naar Egypte en keerde in de eerste maand van den winter terug. Spoedig zonden de vorsten, Smendes en Tantamounou, mij schepen, met verschillende giften beladen. Toen de vorst dit zag, was hij verheugd en spoedig daarop liet hij veel hout voor mij hakken.

Toen dit geschied was, zei hij, dat hij dat, wat zijn voorvaderen gedaan hadden, eveneens verricht had en hij bevel gegeven had, het hout in een schip te laden. Hij zei tevens, dat ik niet behandeld was als de gezanten van Khamois, die 17 jaar in het land geleefd hadden en daar gestorven waren. Terwijl hij zich tot een hoveling wendde, verzocht hij hem, mij hun graf te toonen. Ik koesterde echter volstrekt geen verlangen, dit te zien en sprak dit ook uit. Ik sprak daarbij: "De boden van Khamois behoorden slechts tot zijn huishouding, ik echter kwam als bode van den grooten god Amen-Ra".

Hier verzocht ik hem, een zuil op te richten en het volgende opschrift daarop te laten graveeren:

"Amen-Ra, de groote god der goden, zond mij een goddelijken bode, tezamen met Ounamounou, als zijn menschelijken gezant, om hout te halen voor de heilige bark. Ik liet hiervoor drie boomen omhakken en verschafte de vaartuigen, om het daarop naar Egypte te brengen. Ik deed dit om de onsterfelijkheid van den grooten god Amen te verkrijgen".

"En", vervolgde ik, "een bode zal uit het Egyptische land komen, die uw naam op den zuil lezen zal en gij zult het water van Amenti, evenals de goden, ontvangen".

Hij zei daarop: "Dat is iets wonderlijks, wat gij mij vertelt". Daarop verhaalde ik hem, dat ik, als ik teruggekeerd was, den hoogepriester van Amen in kennis zou stellen, dat hij, de vorst, alles gedaan had, wat hem bevolen was en dat hij ongetwijfeld de giften ontvangen zou.

Toen ik mij naar de kust begaf, waar het hout ingeladen werd, zag ik elf vaartuigen, welke uit Zakkala gezonden waren, om mij gevangen te nemen en mij te verhinderen, Egypte te bereiken. Daarop was ik bedroefd en protesteerde en een bode van den vorst naderde mij en sprak: "Wat hindert u?"

Ik legde hem uit, wat mij bedreigde en hij ging naar den vorst en vertelde het en deze was zeer bedroefd. Om mij moed te geven, zond hij mij giften, bestaande uit voedsel en wijn en tevens een zanger, Tantnouit, want hij dacht, dat zijn gezangen mijn verdriet zouden kunnen verjagen. De boodschap, welke hij mij brengen liet, luidde: "Eet, drink en wees niet verdrietig. Gij zult morgen mijn plannen hooren."

Toen de dag aangebroken was, riep de vorst zijn mannen bijeen; dezen gingen naar de mannen van Zakkala, spraken met hen en vroegen hen naar het doel van hun komst. Zij antwoordden, dat zij gekomen waren, om de vaartuigen en hun schelmachtige bemanningen, in bezit te nemen. Hij antwoordde: "Ik heb geen macht, den bode van Amen-Ra in mijn land gevangen te nemen. Ik zal hem laten gaan en daarna kunt gij met hem naar goeddunken handelen."

Ik scheepte mij in en verliet de haven en de wind deed mij koers zetten naar het land Alasia. Daar kwam het volk van de stad op mij af, om mij te dooden en sleepte mij naar Hatibi, de vorstin van de stad. Ik keek naar de menschen rondom mij en vroeg of er niet één was, die Egyptisch verstond. Eén trad daarop naar voren en zei, dat hij het verstond. Ik zei nu, dat ik gehoord had, dat, zoo ergens, men in Alasia gerechtigheid kon vinden en zij thans op het punt waren, een onrecht te plegen. De vorstin liet vragen, wat ik gezegd had.

Wederom sprak ik en verdedigde mij, dat zij mij niet mochten dooden, daar de wind mij naar hun land gedreven had, want ik was in waarheid een bode van god Amen-Ra. Daarop trachtte ik hun duidelijk te maken, dat, indien mij eenig letsel zou overkomen, men mij zou wreken. Terwijl de vorstin haar mannen riep en hen trachtte over te halen, hun booze plannen te laten varen en tot mij zei: "Wees niet bevreesd"....

Hier eindigt de papyrus. Het is zeer te bejammeren, dat wij niet te weten komen, hoe Ounamounou het inrichtte, naar Egypte terug te keeren, doch wij kunnen er verzekerd van zijn, dat iemand van zulk een vindingrijkheid en vastberadenheid, om niet te zeggen uithoudingsvermogen, in alles, wat hij wenschte, geslaagd is.

De Geschiedenis van Rhampsinites.

De oudste vorm van deze legende is ons door Herodotus overgeleverd. Zij komt in de oude folklore, zoowel van Oostelijke als Westelijke volken, voor en over haar oorsprong heeft men dikwijls geredetwist.

Al is zij ook niet werkelijk Egyptisch van oorsprong, dan is zij toch zeker ver-Egyptischt, toen Herodotus haar ontdekte.

De legende dan vertelt, dat koning Rhampsinites zooveel schatten bezat, dat geen enkele van zijn opvolgers hem overtrof, of nabij kwam.

Om deze schatten veilig te bewaren, had hij een oogenschijnlijk onneembaar steenen huis laten bouwen en hierin had hij zijn geheelen rijkdom laten opbergen. De architect echter, die het huis gebouwd had, wist, door een slim plan, zich toegang tot het gebouw te verschaffen. Hij deelde een van de steenen in twee stukken, zoodat een deel van zijn plaats genomen kon worden; de twee stukken waren echter zoo kunstig tegen elkaar geplaatst, dat zij een geheel effen oppervlak vertoonden, alsof zij een enkelen steen vormden.

Voor zijn dood stelde de bouwmeester zijn twee zonen met het geheim van de schatkamer op de hoogte en na zijn dood talmden zij niet lang, hun wetenschap in praktijk te brengen. 's Nachts gingen zij naar het gebouw, vonden den steen zonder veel moeite, draaide dezen om, stalen een groote som gelds en brachten den steen weer in zijn vroegeren toestand.

Toen de koning bemerkte, dat dieven een bezoek aan zijn schatkamer gebracht hadden, stelde hij een val op. In zekeren nacht kwamen de broers, als gewoonlijk en één van hen raakte in den val vast. Toen hij het gevaar, waarin hij verkeerde, bemerkte, riep hij zijn broer en sprak tot hem: "Wij beiden zullen omkomen en de schat zal voor ons verloren zijn, als jij niet mijn hoofd afsnijdt en het medeneemt, zoodat niemand ons als de dieven herkennen zal.

Toen de koning nu den romp zonder hoofd vond, was hij nog meer met de zaak verlegen, want er was geen spoor van in- of uitgang uit de schatkamer te ontdekken; daarom bedacht hij het volgende: hij liet het lijk op den muur van de stad plaatsen, zette er een wacht bij en gaf aan deze de opdracht, goed acht te geven, of een van de voorbijgangers eenige sporen van verdriet vertoonde, wanneer hij langs het lijk ging. Deze handelwijze was niet in overeenstemming met de gewoonte der Egyptenaren, daar zij gewoonlijk te veel eerbied voor de dooden hadden, om dit toe te staan. Zelfs in geval een misdadiger terecht gesteld werd, gaf men het lijk aan de verwanten terug, om het te laten balsemen.

Desniettemin achtte Rhampsinites zichzelf gerechtigd, een dergelijken maatregel te nemen. Het lijk werd tentoongesteld en de moeder, hoewel zij geen enkel teeken van droefheid gegeven had, toen zij voorbij het lijk ging, drong toch bij haar anderen zoon aan, het lijk van zijn broer bij haar te brengen; zoo niet, dreigde zij hem, het geheim aan den koning te zullen openbaren.

Daar de zoon zag, dat hij zijn moeder gehoorzamen moest, bedacht hij een krijgslist. Hij zadelde eenige ezels en belaadde hen met eenige geitenleeren zakken, met wijn gevuld (leeren zakken gebruikte men in Egypte meestal voor water alleen, terwijl men wijn in kleine kruiken bewaarde). Daarop dreef hij zijn ezels langs de wachters en toen hij voorbijging, maakte hij ongemerkt een van de zakken los; toen de wijn over den grond stroomde, begon hij zich op het hoofd te slaan en groot misbaar te maken.

De wachters kwamen snel met emmers aanloopen, om het kostbare vocht te redden; zij kwamen zelfs op vertrouwelijken voet met den dief en gaven hem voedsel; in ruil hiervoor offerde hij hun een van zijn zakken wijn.

Allen zetten zich daarop bij elkaar, om wijn te drinken en toen zij door den wijn in een vroolijke stemming kwamen, gaf hij hun ook nog den overigen wijn; ten slotte werden zij allen dronken.

Het is onnoodig te zeggen, dat de dief zich alle moeite gegeven had, nuchter te blijven. Toen de wachters in diepen slaap gedompeld waren, wachtte hij, totdat de nacht ingevallen was, maakte het lijk van zijn broer los en nam het op de ezels mee naar het huis van zijn moeder. Bovendien had hij, nadat hij de wachters verliet, al het haar aan de eene zijde van hun gezicht afgeschoren.

Toen de koning van deze schelmenstreek hoorde, was hij buiten zichzelf van woede en vastbesloten, op alle mogelijke manieren den bewerker te ontdekken, verzon hij het volgende plan. Hij beval aan zijn dochter, de prinses, ieder man uit het land, zonder onderscheid, bij zich te ontvangen en hem iedere gunst toe te staan, welke hij van haar vroeg, doch eerst moest hij haar vertellen, wat het slimste en behendigste was, dat hij ooit gedaan had. Indien de dief dan zijn slim plan vertellen zou, moest zij hem vasthouden, voordat hij ontsnappen kon.

De prinses was bereid te doen, wat haar vader haar vroeg, doch de dief, die heel goed begreep, wat de koning in zijn schild voerde, besloot hem voor den derden keer in list te overtreffen.

Hij sneed een arm van zijn dooden broer af, verborg dezen onder zijn kleeren en vroeg, bij de prinses toegelaten te worden. Toen zij daarop tot hem dezelfde vraag richtte als tot alle andere bezoekers, vertelde hij haar eerst, dat hij het hoofd van zijn broer afgesneden had, toen deze zich in den val bevond en daarop vertelde hij haar verder, dat hij de wachters dronken gemaakt had en het lijk van zijn broer medegenomen had.

Toen zij dit hoorde, gaf zij een schreeuw en trachtte hem te grijpen; hij echter legde de hand van den doode in haar hand, deze greep zij stevig vast, in de meening dat het die van den dief was en op deze wijze kon hij ongemerkt uit de kamer, welke donker was, ontsnappen.

De koning gaf thans toe, dat hij geslagen was; hij liet bekend maken, dat hij den dief kwijtschelding van straf schonk en groote belooningen wilde schenken aan den man, die hem op zoo'n brutale wijze verschalkt had. De dief vertrouwde op dit woord van den koning, meldde zich bij dezen aan en ontving niet alleen, wat Rhampsinites beloofd had, doch tevens de hand der prinses, omdat hij den dief voor den slimsten aller menschen hield, daar hij de Egyptenaren, die op hun slimheid prat gingen, daarin nog overtroffen had.

Burgeroorlog in Egypte. Het gestolen Harnas.

Onder de regeering van den Pharaoh Petoubastis waren de Delta en een groot gedeelte van Beneden-Egypte, in twee partijen verdeeld; de eene werd door Kamenophis, vorst van Mendes, aangevoerd en de andere door den koning-priester van Heliopolis, Ierharerou en zijn bondgenoot, Pakrourou, den grooten bevelhebber van het Oosten.

Slechts vier nomen van Midden-Egypte waren aan Kamenophis onderworpen, terwijl Ierharerou er in geslaagd was, of zijn kinderen, of zijn verwanten, in de meeste andere nomen te vestigen.

Nu bezat Ierharerou een harnas, waaraan hij groote waarde hechtte en dat over het algemeen als een talisman beschouwd werd. Bij zijn dood maakte Kamenophis van den algemeenen rouw en verwarring, in Heliopolis, gebruik, nam het harnas en plaatste het in een van zijn vestingen.

Prins Pimoni "de kleine" ("Pimoni met de sterke vuist", zooals hij somtijds in het verhaal genoemd wordt), de opvolger van Ierharerou, wenschte het harnas terug te hebben. Kamenophis echter weigerde dit en hierdoor ontstond een strijd, waarin alle provincies gewikkeld werden.

Pimoni en Pakrourou wendden zich beiden tot koning Petoubastis en verzochten zijn toestemming, zich op Kamenophis te wreken; de Pharaoh echter, die begreep, dat dit den burgeroorlog ontketenen zou, deed zijn best, Pimoni af te raden, stappen tegen Kamenophis te ondernemen en verbood hem zelfs, zijn plannen uit te voeren; als vergoeding beloofde hij een schitterende begrafenis voor Ierharerou.

Onwillig gehoorzaamde Pimoni voor het oogenblik, doch toen de begrafenisplechtigheden achter den rug waren, woedde de haat in zijn binnenste voort en hij en Pakrourou, "de groote aanvoerder van het Oosten", richtten zich nogmaals naar het hof van Petoubastis, in Tanis. Hij ontving hen thans onwillig en vroeg hen, waarom zij hem voor de tweede maal lastig vielen en verklaarde, dat hij niet zou toelaten, dat er gedurende zijn regeering een burgeroorlog uitbrak.

Zij namen hiermede echter geen genoegen en zeiden, dat zij niet met het feest, dat op de begrafenisplechtigheden van Ierharerou moest volgen, door konden gaan, indien het harnas niet aan den rechtmatigen eigenaar teruggegeven was.

Phaoraoh zond hierop een bode naar Kamenophis en verzocht hem dringend, het harnas terug te geven, doch hij weigerde dit hardnekkig.

Daarop sprak Pimoni: "Bij Tem, den heerscher van Heliopolis, den grooten god, mijn god, indien het niet uit eerbied voor het besluit van den Pharaoh was, zou ik u op staanden voet dooden".

Kamenophis antwoordde: "Bij het leven van Mendes, den grooten god, de oorlog, welke in de nomen uit zal breken, de strijd, welke uit zal barsten in de stad, zal den eenen stam tegen den anderen en den eenen man tegen den anderen aanzetten, voordat het harnas uit de vesting, waar ik het gelegd heb, te voorschijn zal gebracht worden.

Oorlogsverschrikkingen.

Pakrourou sprak daarop tot den koning: "Is het rechtvaardig, wat Kamenophis gedaan heeft en worden de woorden, welke hij zooeven gesproken heeft, niet geuit, om ons toornig te maken, zoodat wij onze krachten met de zijne meten moeten? Ik zal maken, dat Kamenophis en de nomen van Mendes, zich over deze woorden, welke uitgesproken zijn, om den burgeroorlog uit te lokken, welken de Pharaoh verboden heeft, zullen schamen; ik zal hen met oorlog verzadigen. Ik zei niets, omdat ik wist, dat de koning den oorlog niet wenschte; indien de koning echter neutraal blijft, zal ik mij niet langer stil houden en de koning zal alle verschrikkingen van den burgeroorlog zien".

De Pharaoh antwoordde: "Wees noch pralend, noch bevreesd, Pakrourou, groote aanvoerder van het Oosten; laat nu ieder uwer naar zijn nomen en steden in vrede gaan; geef mij slechts 5 dagen en ik zweer bij Amen-Ra, dat ik zal maken, dat het harnas op de plaats, vanwaar het genomen werd, terugkomt".

Pimoni zei daarop, dat, als het harnas op zijn plaats werd gebracht, er niet meer over gesproken zou worden en er geen oorlog zou zijn; indien het echter gehouden werd, zou hij er voor strijden, zoo noodig tegen geheel Egypte.

Kamenophis vroeg daarop eerbiedig toestemming aan den Pharaoh, zijn mannen te wapenen en met hen naar het Gazellenmeer te gaan, om zich gereed te maken te strijden. Dit werd hem toegestaan.

Daarop zond Pimoni, die door Pakrourou moed gevat had, boodschappen van gelijk gewicht naar al zijn nomen en steden. Pakrourou raadde hem daarop, zich naar het Gazellenmeer te haasten en daar te zijn, voordat Kamenophis al zijn mannen verzameld had; Pimoni volgde zijn raad op en was met slechts een kleinen troep het eerst in het veld met de bedoeling te wachten tot zijn broers, aan het hoofd van hun respectievelijke troepen, zich met hem vereenigen zouden.

Het bericht hierover bereikte Kamenophis en haastig wapende hij zijn vier nomen Tanis, Mendes, Tahait en Sebennytos. Bij het meer gekomen, daagde hij Pimoni terstond tot den strijd uit en Pimoni nam de uitdaging terstond aan, hoewel zijn overige strijdkrachten nog niet aangekomen waren.

Pimoni trok daarop een hemd van byssus aan, met zilver en goud geborduurd, hierover een tweede hemd van goudlaken; eveneens trok hij zijn koperen borstharnas aan en droeg twee gouden zwaarden; daarna zette hij zijn helm op en trok op, om Kamenophis te ontmoeten.

Terwijl zij aan het strijden waren, rende Zinonfi, de jonge dienaar van Pimoni, weg, om naar de strijdkrachten uit te zien, welke op komst waren, om Pimoni te helpen; spoedig ontdekte hij een zoo groote vloot, dat de rivier ternauwernood alle schepen kon bevatten.

Het was het volk van Heliopolis, dat zijn aanvoerder te hulp kwam. Zoodra zij op gehoorsafstand gekomen waren, schreeuwde Zinonfi hen toe zich te haasten, daar Pimoni door Kamenophis in het nauw gebracht werd. Dit was inderdaad waar, want zijn paard was onder hem gedood.

Kamenophis verdubbelde zijn krachtsinspanning, toen hij zag, dat er versche troepen aankwamen, en Petekhousou, de broer van Pimoni, daagde Anoukhoron, den zoon van den koning, tot een tweegevecht uit. In eigen persoon ging hij naar het slagveld en verbood de strijders vooruit te gaan, en kondigde een wapenstilstand af, totdat alle strijdmachten verzameld zouden zijn.

Petoubastis en al de aanvoerders namen hooggelegen posities in, zoodat zij in het oog konden houden, wat geschiedde; de mannen waren even ontelbaar als het zand van de kust, en de woede tegen elkander was niet te bedwingen. De troepen der vier nomen werden achter Kamenophis opgesteld en die van de nomen van Heliopolis achter Pimoni den kleinen.

Daarop gaf Petoubastis een teeken aan Pakrourou, wapende zich zelf en begaf zich onder de strijdkrachten, terwijl hij hen allen tot dappere daden aanzette; hij vuurde den eenen man tegen den anderen aan, en groot was de strijdwoede, welke hij onder hen opwekte.

Hulp van Pakrourou.

Nadat Pakrourou het strijdgewoel verlaten had, ontmoette hij een man, machtig in de wapenen, die veertig galeien en 8000 soldaten aanvoerde. Het was Moutoubaal, een Syrisch vorst, in een droom gewaarschuwd, zich naar het Gazellenmeer te begeven, om mede te helpen het gestolen harnas te hernemen.

Pakrourou gaf hem nog geen plaats, ofschoon alle strijdkrachten nu opgesteld werden; hij beval hem zich niet in het gevecht te begeven, voordat zijn tegenstanders--de mannen van Kamenophis--hun vaartuigen aan zouden vallen.

Moutoubaal bleef daarna in zijn schip en Pakrourou ging naar zijn gunstig gelegen positie, om den loop van het gevecht te volgen. De twee partijen vochten vanaf vier uur in den morgen tot negen uur 's avonds. Tenslotte zwichtte Anoukhoron, de zoon van den koning, onder den druk van de benden van Sebennytos en dezen renden naar de booten.

Daarop maakte Moutoubaal van de gunstige gelegenheid gebruik, trok tegen de benden van Sebennytos op en haalde hen in. Hij ging door, de strijdkrachten van Kamenophis te vernietigen, totdat Pharaoh hem beval op te houden. Daarna ging hij met Pakrourou naar Moutoubaal en verzocht hem, op te houden en beloofde hem, dat hij er voor zorgen zou, dat het schild teruggegeven werd.

Moutoubaal hield daarna op, nadat hij onder de mannen van Kamenophis groote verwoesting aangericht had. Daarop gingen de Pharaoh en Pakrourou naar de plaats, waar men Pimoni in een strijd op leven en dood met Kamenophis gewikkeld vond. Pimoni had de overhand en was op het punt zijn tegenstander neer te slaan, toen zij hem tegenhielden en Pharaoh beval Kamenophis, op te houden met den strijd.

Hierop werd Anoukhoron, de koninklijke prins, door Petekhousou, den broer van Pimoni, ingehaald; de Pharaoh echter kwam tusschenbeide en overreedde Petekhousou, zijn zoon te sparen en aldus kon de jonge man ongedeerd ontkomen.

De koning sprak thans: "Bij Amen-Ra, de scepter is aan de handen van Kamenophis, den vorst van Mendes, ontvallen. Petekhousou heeft mijn zoon overwonnen en de troepen van de vier sterkste nomen in Egypte zijn overwonnen.

Het Schild wordt teruggegeven.

Daarop naderde Minnemai, de vorst van Eupuantine, de zoon van Ierharerou, den priesterkoning, aan wien het schild toebehoord had, uit Thebe, met al zijn strijdkrachten. Zij wezen hem een plaats naast het schip van Takhos, den hoofdman van Mendes aan en het trof toevallig, dat in de galei van Takhos het harnas zelf lag.

Minnemai riep de goden aan hem te helpen het harnas van zijn vader terug te krijgen, en dit zelf te bewerkstelligen. Hij wapende zich zelf, ging naar de galei van Takhos en stiet daar op negen duizend soldaten, die het harnas van Ierharerou, den zoon van Osiris, bewaakten.

Minnemai plaatste 34 wachters bij de voetbrug van de galei om te beletten, dat iemand daaraf ging, en hij viel de soldaten, die het harnas bewaakten, aan. Takhos vocht dapper, en doodde 54 man; ten slotte echter moest hij den strijd opgeven en trok zich naar zijn vaartuig terug, hier volgde Minnemai hem met zijn Aethiopische strijders. De kinderen van Ierharerou ondersteunden hem en zij namen het harnas van Ierharerou.

Aldus werd de wapenrusting genomen en naar haar vroegere plaats teruggebracht. Er heerschte onder de kinderen van Ierharerou en de troepen van Heliopolis groote vreugde. Zij begaven zich naar den Pharaoh en zeiden: "Groote meester, laat de geschiedenis van den strijd om het harnas opschrijven en daarbij de namen van de strijders, opdat de nakomelingen mogen weten, dat er in Egypte om een harnas een oorlog ontstaan is, zoowel in de nomen, als in de steden. Laat de geschiedenis op een steenen zuil in den tempel van Heliopolis graveeren". Koning Petoubastis deed, zooals hem verzocht werd.

De geboorte van Hatshepsut.

De volgende geschiedenis over de geboorte van Hatshepsut, de groote koningin, de lievelinge van de goden, de heerscheres over alle landen onder de zon, is niet een letterlijke vertaling van den ouden papyrus, welke deze geschiedenis bevat, doch wordt met de eigen woorden van den schrijver weergegeven. De geschiedenis luidt aldus:

In het land der goden hield Amen-Ra zitting. Amen-Ra was koning van de goden en de schepper der menschen. Aan zijn rechterhand bevond zich Osiris, met de tweelinggodinnen Isis en Nephthys, Hathor, de godin der liefde, Horus en Anubis. Aan zijn linkerzijde bevond zich Mentu, de oorlogsgod, met Geb, den god der aarde en Nut, de godin van de lucht, verder de goden Atmu en Shu en de godin Tefnut. Tot de verzamelde goden sprak Amen-Ra als volgt:

"Ik wil een groote koningin, die over Egypte en Syrië, Nubië en Punt heerschen zal, aanstellen, zoodat alle landen onder haar scepter vereenigd zullen zijn. De vrouw moet haar groote bezittingen waardig zijn, want zij zal de geheele wereld beheerschen".

Terwijl hij sprak, trad de god Thoth binnen, hij, die de gestalte van een ibis had, zoodat hij sneller dan de snelste vogels kon vliegen. Stilzwijgend luisterde hij naar de woorden van Amen-Ra, den machtigsten onder de goden, den schepper der menschen. Daarop sprak hij:

"O Amen-Ra, er bevindt zich in het Egyptisch land een meisje van buitengewone schoonheid. De zon verlicht in haar loop geen schooner wezen. Het is voorzeker gepast, dat zij de moeder van de koningin zal zijn, over wie gij spreekt".

"Gij spreekt juist", antwoordde Amen-Ra. "Waar moeten wij echter die schoone prinses vinden? Wat is haar naam".

"Haar naam is Aahmes", antwoordde Thoth, "zij is de vrouw van den koning van Egypte en woont in zijn paleis. Ik zal haar tot u geleiden".

"Het is goed", sprak Amen-Ra.

Daarop vloog Thoth, in de gestalte van een ibis, naar het Egyptische land en met hem ging Amen-Ra, in de gestalte van den Egyptischen koning, en alle goden en godinnen met hem, onder welke Neith, de godin van Sais en de schorpioen-godin Selk; op haar hoofd bevond zich een schorpioen, welke in iedere klauw het levenssymbool droeg.

Stilzwijgend traden de goden en godinnen het paleis binnen, dat in slaap verzonken was; door Thoth werden zij naar de kamer van koningin Aahmes geleid.

