Mythen en Legenden van Egypte

Part 2

Chapter 2 3,866 words Public domain Markdown

Het fundamenteele verschil tusschen de persoonlijke totem en die van een familie is nog niet geheel opgehelderd, maar het zal voor ons doel voldoende zijn de laatste te behandelen.

De meest bekende tegenstander van de theorie, dat sommige godheden van het oude Egypte van totemistischen oorsprong waren is Dr. E. A. Wallis Budge, de welbekende Egyptoloog.

In zijn werk getiteld: "Gods of the Egyptians" zegt hij o.a. het volgende: "Het schijnt nu over het algemeen door de ethnologen te worden aangenomen, dat er drie hoofdoorzaken waren, welke de menschen tot het aanbidden van dieren heeft gevoerd; zij hebben hen n.l. of aangebeden als dieren, of als wezens, waarin een godheid huisde, of als vertegenwoordigers van de stamvaders der familie.

Er is geen enkele reden om er aan te twijfelen, dat de oudste Egyptenaren, in het neolithisch tijdvak, de dieren in hun kwaliteit van dieren en als niet anders hebben vereerd".

Geen van de bovengenoemde stellingen komt de definitie van het totemisme nabij. De theorie, dat de totem een stamvader der familie is, wordt thans betwijfeld. Dr. Budge gaat daarna aldus voort: "De vraag of de Egyptenaren dieren aanbaden, als representanten van stamvaders of totems, heeft tot vele discussies aanleiding gegeven en men kan zich daarover niet verbazen, want het onderwerp is zeer lastig.

Wij weten, dat op verscheidene standaards, welke de nomen van Egypte voorstellen, afbeeldingen van vogels en andere dieren voorkomen, o.a. van een havik, een stier, een haas enz. Doch het is niet duidelijk, of men de bedoeling heeft gehad door deze afbeeldingen "totems" aan te duiden, of niet.

De afbeelding van een vogel of een ander dier, dat zich boven op een standaard van den nome bevond, was niet bedoeld als fetisch of stamvader, maar slechts als een wezen, dat als een godheid werd beschouwd, onder wier bescherming de bevolking van een bepaalde streek was geplaatst en wij mogen aannemen, dat het niet geoorloofd was, binnen de grenzen van dat gebied een zoodanigen vogel of een dergelijk dier te dooden". Totems worden altijd gedragen op banieren, stokken en schilden en het is door de wet verboden hen te dooden. Hij stelt dan vast, dat de theorie over de totems eenige opheldering kan brengen bij bepaalde feiten, welke met de dierenvereering van verschillende woeste en half-beschaafde stammen in eenige deelen der wereld in verband staan, maar het kan niet in de bedoeling van den schrijver liggen, ons een uitlegging van de dierenvereering der Egyptenaren te geven.

Waarom, kan men vragen, zou Egypte alleen van den invloed van het totemisme bevrijd zijn gebleven? Dr. Budge vervolgt en heeft hierbij de bedoeling, de geheele theorie over de totems te weerleggen, dat op de standaards van sommige nomen de afbeeldingen van nog andere voorwerpen, behalve die van dieren werden vereerd en als goden werden beschouwd, of dat zij de symbolen van goden zijn geworden, die in hun gedaante werden vereerd.

Zoo beeldde men op sommige standaards heuvels, pijlen, visschen en andere dingen af. Dr. Budge meent, dat deze voorwerpen niet van fetischistischen, of totemistischen, oorsprong kunnen zijn. Dr. Budge kan, om een voorbeeld te noemen, er geen verklaring voor vinden, dat drie heuvels met een of anderen god in verbinding kunnen staan.

Dit is echter een mythologisch probleem, dat niet zeer lastig op te lossen is. In verschillende deelen der wereld zijn bergtoppen, hetzij afzonderlijk, hetzij groepsgewijze, voorwerpen van directe vereering; een berg kan vereerd worden, omdat hij de woonplaats van een god is; dit kan zijn om zich zelf, zooals bijv. de Olympus, de Sinaï en de berg Karmel, welke later de verheven woonplaats van goden werden, of zij kunnen ook vereerd worden, omdat zij de geboorteplaatsen van bepaalde stammen zijn.

Zoo b.v. had in het oude Peru, zooals de Indische schrijver Salcamayhua ons vertelt, iedere plaatselijke tribus haar z.g. paccarisca of geboorteplaats, en velen van dezen waren bergen, welke door de inboorlingen onder de volgende versregel werden aangesproken:

"Gij zijt mijn geboorteplaats, Gij zijt mijn levenslente, Bescherm mij tegen den boozen demon, O paccarisca!"

Natuurlijk waren deze bergen tevens plaatsen, waar een orakel was gevestigd, evenals die, welke op de Egyptische standaards waren afgebeeld. Dat zij als orakels werden vereerd alleen om de plaats zelf en niet als de verblijfplaats van een godheid, kan men wellicht hieruit bewijzen, dat zij, liever dan de godheid, op de standaards werden afgebeeld.

Evenmin kan Dr. Budge op mythologische gronden een verklaring vinden voor de afbeelding van twee pijlen, met de inkervingen naar elkaar toe gericht en met een dubbele punt naar buiten gekeerd. Pijlen van deze soort komen als fetisch veelvuldig voor, in alle deelen der wereld. Onder de Indianen in de Plains is een getal van vier pijlen, welke heelende kracht bezitten, een palladium van den stam en zij verzekeren, dat zij dezen vanaf het begin der wereld hebben gehad; jaarlijks worden dezen bij ceremonies in hun stam gebruikt, zoo kortelings nog in het jaar 1904.

Zij hadden zelfs een plechtigheid, welke het vastmaken der pijlen werd genoemd, door bepaalde priesters, voor dit doel aangewezen, verricht, die deze fetisch moesten bewaken. [4]

Er zijn echter nog veel meer andere, overtuigende bewijzen voor de totemistische natuur van een groot aantal Egyptische godheden. Het is b.v. duidelijk, dat Bast, die met den kop van een kat wordt afgebeeld, en die eerst in de gedaante van een kat werd vereerd, oorspronkelijk een kat-totem was. De krokodil was de incarnatie van den god Sebek en woonde in een meer in de buurt van Krokodilopolis.

Ra en Horus worden met een havikkop afgebeeld en Thoth met den kop van een ibis; Anubis heeft het hoofd van een jakhals. Dat sommige van deze gestalten totemistisch waren, is niet te betwijfelen. Het was echter een totemisme, dat in verval was en hierbij was het oorspronkelijk geloof geconcentreerd op bepaalde dieren, welke men als goddelijk beschouwde, totems, welke godheden waren geworden, van vleugels voorzien.

De Egyptenaren droegen standaards, waarop hun totemistische dieren waren voorgesteld, evenals de inboorlingen van Upper-Darling hun totems op hun schilden graveeren, of zooals verschillende Amerikaansche stammen in oorlogstijd stokken dragen, waaraan stukken boomschors zijn bevestigd, op welke men de totems van dieren heeft geschilderd.

Diodorus heeft een bericht, waarbij op de bescherming door een totem wordt gezinspeeld. Hij vertelt, dat er in Egypte een verhaal de ronde deed, dat een der oude koningen door een krokodil van den dood was gered. Tenslotte werden in eenige nomen van Egypte bepaalde dieren door de inwoners niet als spijs genuttigd. Dit is ongetwijfeld een aanwijzing van het bestaan van totemisme en geen meer overtuigend bewijs kan men hiervoor aanwijzen.

Daarentegen is er geen enkele reden om te vermoeden, dat in later tijd in Egypte alleen dieren zijn vereerd om totemistische redenen. Het kan zijn, dat de latere dierenvereering een overblijfsel van totemisme is geweest, doch het is meer waarschijnlijk, dat deze zuiver symbolisch van karakter is geweest.

Juist wanneer de gewone vormen van vereering en geloof, welke met het totemisme verbonden zijn, tenslotte herzien worden, kan het totem dier zijn dierlijke gestalte behouden, en in plaats daarvan neemt dit een halfmenschelijke gedaante aan.

Er is een hit-totem, welke door een bepaalde stam van Noord-Amerika wordt vereerd; deze maakt op het oogenblik een evolutie door en is een godheid geworden, met vleugels voorzien, maar toch heeft hij nog steeds zijn gestalte van paard behouden.

Verder is het gemak, waarmede de Egyptische goden zichzelf in dieren kunnen veranderen, door middel van tooverformules [5], in verschillende gevallen een evident bewijs voor hun totemistischen oorsprong.

Er is gezegd, dat niet alleen afzonderlijke dieren, maar alle dieren van een klasse in sommige nomen heilig waren. "Bij deze gevallen", zegt Wiedemann, "werden de dieren niet als goden vereerd, maar eerder, omdat zij in het bijzonder door de goden werden vereerd". Daar dit echter juist onder de volken in de totemistische phase voorkomt, kan deze bewering niet steekhoudend blijven.

Scheppingsmythen.

Er zijn verschillende berichten, welke op de schepping der wereld en der menschen betrekking hebben.

In de teksten der Pyramiden vinden wij toespelingen op het bestaan van acht goden, die de scheppers van het heelal zouden zijn geweest.

Nu en zijn gezellin Nut waren de goden van het firmament en den regen, welke daaruit te voorschijn komt. Hehu en Hehut schijnen de personificatie van het vuur te zijn en Kekui en Kekuit stellen de duisternis voor, welke over de oorspronkelijke watervlakte hing. Kerh en Kerhet schijnen verder den Nacht of den Chaos te personificeeren.

Sommige van deze goden worden afgebeeld met den kop van een kikvorsch [6], andere met dien van een slang en in dit verband worden wij vanzelf aan die goden herinnerd, over wie in de scheppingsmythe in de Popol-Vuh, het heilige boek der Kiche Indianen van Guatemala wordt verhaald; twee van deze goden, Xpiyacoc en Xmucane, worden in dit verhaal genoemd: de oude slangen, met groene veeren bedekt, een mannelijke en een vrouwelijke.

Wij vinden in dit bericht over de geschiedenis der schepping, waarvan thans sprake is, de toevoeging van de levenskiemen, in diepe duisternis gehuld, aanwijzingen, welke aan ieder, die de mythologie bestudeert, bekend zijn als symptomen der scheppingsgeschiedenis, over de geheele wereld.

Een papyrus (van het jaar 321 v.C.), welke in het Britsch Museum wordt bewaard, bevat een aantal hoofdstukken van een magisch karakter, welke zich ten doel stellen Apepi, den vriend van de duisternis te vernietigen; in dezen vinden wij twee verhalen over de geschiedenis der schepping, welke een beschrijving geven van het ontstaan der zon.

In één verhaal vertelt god Ra, dat hij zelf de gestalte van Khepera aannam, den god, van wien men geloofde, dat hij de gave van schepping in zich droeg. Hij vertelt verder, dat hij voortging nieuwe voorwerpen te vormen uit die, welke hij reeds had gemaakt en dat dezen uit zijn mond te voorschijn kwamen.

"De hemel", aldus verhaalt hij, "bestond niet en de aarde was nog niet in wording, en de dingen op aarde en de kruipende wezens bestonden nog niet, maar ik deed hen uit Nu te voorschijn komen, uit het niet".

Dit beteekent dus, dat Khepera het leven in het heelal deed ontstaan uit een materie, welke uit de diepte van Nu was geschept.

"Ik vond geen plaats", zegt Khepera verder, om te staan. Ik liet een toovermiddel op mijn eigen hart inwerken. Ik legde den grondslag voor Maät. Ik maakte iedere gestalte; ik was geheel alleen; ik had Shu niet uit mijzelf te voorschijn laten komen en de godin Tefnut niet uit mijzelf gespuwd. Er was geen ander wezen, dat met mij samenwerkte".

Het zooeven gebruikt woord Maät beteekent wet, orde of regelmaat en uit de toespeling, dat hij een toovermiddel op zijn hart liet inwerken, mogen wij de conclusie trekken, dat Khepera bij het scheppingsproces van tooverkunst gebruik maakte, of het kan ook in den stijl van de Schrift beteekenen, dat hij bij zichzelf nadacht een wereld te scheppen.

De god gaat dan voort, dat uit den grondslag van zijn hart een menigte dingen te voorschijn kwam. De zon echter, het oog van Nu, was verborgen achter Shu en Tefnut en eerst na een onbepaalden tijd rezen deze twee wezens uit de watermassa op en brachten het oog van hun vader met zich.

In verband hiermede vinden wij, dat de zon, als oog, een zekere verwantschap met water heeft. Op dezelfde wijze verpandde Odin zijn oog aan Mimir voor een teug water uit de bron der wijsheid en wij zien, dat aan bronnen, welke beroemd zijn, doordat zij blindheid kunnen heelen, dikwijls legenden zijn verbonden van heiligen, die hun eigen gezicht opofferden. [7]

De kern van deze legende is waarschijnlijk de omstandigheid, dat de zon, als hij in het water wordt weerkaatst, het uiterlijk van een oog heeft. Zoo volgde het oog van Nu, Shu en Tefnut, toen zij uit het water oprezen. Shu is hierbij waarschijnlijk de voorstelling van het daglicht en Tefnut van de vochtigheid.

Khepera stortte hierop rijkelijk tranen en uit dezen kwamen de man en de vrouw te voorschijn. De God maakte hierna een ander oog; waarschijnlijk is hier de maan bedoeld. Hierna schiep hij de kruiden en planten, al het kruipend gedierte, onder welken de slangen, terwijl uit Shu en Tefnut, Geb en Nut, Osiris en Isis, Set, Nephtys en Horus geboren werden. Dezen maken tezamen de groote goden van Heliopolis uit en hieruit kan men voldoende opmaken, dat het laatste gedeelte der geschiedenis een maaksel der priesters was.

Er was echter een andere lezing, klaarblijkelijk een scheppingsverhaal, dat de vereerders van Osiris moest bevredigen. In het begin van dit verhaal vertelt Khepera ons ineens, dat hij Osiris is, het begin der oerstof. Dit verhaal was zuiver een vrije bewerking der scheppingsmythen ten behoeve van den Osiriscultus.

In dit verhaal verhaalt Osiris, dat hij in den beginne geheel alleen was; uit de onbewegelijke wateren nu van Nu deed hij een goddelijke ziel opkomen, dat wil zeggen, hij gaf aan de oorspronkelijke watermassa een ziel uit zich zelf. De mythe gaat dan woord voor woord precies op dezelfde wijze voort als het verhaal, dat zich met het scheppingswerk van Khepera bezig houdt. Maar slechts tot zoover, want wij vinden, dat Nu eenigermate met Khepera is geïdentificeerd en dat Osiris verklaart, dat zijn oog gedurende een lange reeks van jaren bedekt was door lange struiken.

Hierop werden de menschen geschapen in een wordingsproces, ongeveer gelijk als in de eerste legende wordt beschreven. Uit deze verhalen zien wij, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden, dat een eeuwige godheid, die in een oer-watermassa woonde, waar hij geen steun voor zijn voet kon vinden, de watermassa onder zich van een ziet voorzag; dat hij de aarde schiep, door een toovermiddel op zijn hart te laten inwerken, bovendien uit zijn eigen bewustzijn voortkomende en dat dit hem plaats gaf, om daarop te blijven staan; dat hij verder de duisternis wegvaagde door de zon en de maan uit zijn oogen te vervaardigen.

Na deze daden volgde de schepping van man en vrouw, die hij bijna niet bemerkte, n.l. door te weenen en daarna de schepping van planten, kruipend gedierte en sterren.

Bij dit alles zien wij het overblijfsel van een scheppingsmythe van een zeer primitief en onbeschaafd type, hetwelk meer gelijkt op de ruwe verbeeldingskracht van den Roodhuid, dan een opvatting, van welke men veronderstelt, dat zij is voortgekomen uit het bewustzijn van het klassieke Egypte.

Alle godsdienstsystemen echter ontspruiten uit dergelijk, weinig belovend materiaal en hoezeer men zich ook inspant om te bewijzen, dat de Egyptenaren in dit opzicht van andere rassen verschilden, kan men deze verdediging niet langen tijd staande houden en wel door het onomstootbaar bewijs der feiten.

In de teksten der Pyramiden vinden wij aanduidingen op andere goden, en sommige van dezen dragen zelfs geen naam. In den tekst van Pepi I b.v. zien wij, dat vereering aan een godheid wordt bewezen, welke drie gezichten heeft en storm brengt. Dit schijnt dus een wind- of regengod te zijn geweest en zijn voorkomen is overgebracht op de vier punten van het kompas, waaruit de vier winden komen. De tekst legt inderdaad hiervan bewijs af, terwijl zij zegt: "Gij hebt uw speer opgenomen, welke U dierbaar is, uw gepunt wapen, 't welk in de oevers van de rivier dringt met zijn dubbele punt, evenals de pijlen van Ra en met een dubbel heft, evenals de haken van de godin Maftet"

Het gezelschap der Goden.

In de teksten der Pyramiden vinden wij herhaaldelijk melding gemaakt van verschillende groepen van goden, elk uit 9 bestaande. Eén van deze gezelschappen der goden of Enneads, heette het Groote en een ander het Kleine, en eveneens wordt op de negen goden van Horus gezinspeeld. Het is echter onbekend, of deze groep in eenig opzicht in verband staat met een van beide andere.

In de pyramidenteksten van Teta lezen wij insgelijks over een dubbele groep van achttien goden en dezen vinden wij eveneens in den tekst van Pepi I. Wellicht zijn deze achttien goden eenvoudig de Groote en Kleine Gezellen van goden bij elkaar genomen. In de teksten evenwel van Pepi I en Teta vinden wij een derde gezelschap van negen goden en dezen worden door de priesters van Heliopolis officieel erkend; deze drie gezelschappen worden voorgesteld door 27 symbolen, op een rij geplaatst, die het woord neter (god) vormen.

Hoewel men, indien men over deze gezellen der goden spreekt, steeds het getal negen gebruikt, moet men dit op rekening zetten van de benaming "Pesedt", welke negen beteekent. In werkelijkheid toch bevat het "Kleine Gezelschap" elf goden, maar hun oorspronkelijk aantal was negen, en zooals Gaston Maspéro zegt, kan ieder van hen, voornamelijk de eerste en de laatste, ontwikkeld worden. Nu kan het zijn, dat een plaatselijke vereeniging van goden, zooals b.v. in Heliopolis, de goden van een anderen nome, of district, in zich heeft opgenomen op een of twee manieren; dat wil zeggen, dat de vreemde god geheel en al de plaats van den localen god heeft ingenomen, of naast hem is geplaatst. Aan den anderen kant kunnen vreemde goden in den hoofdgod van de Pesedt zijn opgegaan.

Wanneer een nieuwe god tot het gezelschap van andere goden werd toegelaten, sloot dit in zich, dat allen, die met dezen verbonden waren, op dezelfde wijze werden opgenomen; hun namen echter werden niet gerangschikt naast die van de vroegere medeleden.

Deze drie vereenigingen van goden werden in het tijdvak der 5e dynastie geheel en al tot ontwikkeling gebracht en het lijdt geen twijfel, of de Egyptische theologie heeft de vorming van dit pantheon aan de priesterkaste, welke te Heliopolis regeerde, te danken.

Aan de derde Pesedt gaven zij geen naam. De goden van het eerste gezelschap waren Tem, Shu, Tefnut, Qeb, Nut. Osiris, Isis, Set, Nephtys. Soms treedt Horus als aanvoerder van het gezelschap op, in plaats van Tem. In den tekst van Unas vinden wij de namen van de goden van het Kleine Gezelschap opgegeven, maar voor het meerendeel zijn zij geheel en al onbelangrijk.

Het derde gezelschap wordt zelden vermeld en de namen van zijn goden zijn onbekend. De aarde, zoowel als de hemel en de onderwereld, hebben hun aantal goden en het is zeer waarschijnlijk, dat de drie gezelschappen der goden op een van deze drie streken betrekking hebben. De leden van elk gezelschap varieeren in verschillende tijdvakken en in verschillende steden. De groote locale god, of godin, was altijd het hoofd van het gezelschap in een bepaalde streek.

Zooals reeds is opgemerkt, kon hij met een andere godheid worden vereenigd. In Heliopolis b.v. was de voornaamste plaatselijke god Tem; de priesters verbonden den naam van Ra met den zijne en richten tot hem hun gebeden onder den naam van Ra-Tem. Teksten uit alle tijden toonen aan, dat de voornaamste locale goden van verschillende steden tot het laatst hun vooraanstaande plaats behielden.

Het Egyptische land was in provincies verdeeld, genaamd hesput, welke door de Grieken nomen werden genoemd; in elk van deze districten had een bepaalde god, of groep van goden, de opperheerschappij, terwijl het verschil voortsproot uit overwegingen, welke met het verschil van ras in verband stonden, of anderszins. Voor de bevolking van iedere nome was hun god de god par excellence, en het is duidelijk, dat in de oudste tijden de vereering van iedere provincie bijna in een aparten godsdienst overging. Deze verdeeling van het land moet in een vroege periode hebben plaatsgevonden en dit heeft gewis bijgedragen tot het bewaren van het verschil op godsdienstig gebied.

De goden der nomen dateeren uit de tijden vóór de dynastieën, zooals men kan bewijzen uit inscripties, welke men voor de teksten der pyramiden dateert. Het aantal dezer provincies varieerde in de verschillende tijdvakken, maar het getal schijnt tusschen 35 en 40 te hebben afgewisseld.

Het zou geen doel hebben op deze plaats de verschillende goden der nomen op te sommen, daar verscheidene van hen onbekend zijn; wel zullen wij vermelden, waartoe zij behoorden. Verschillende nomen vereerden denzelfden god. Zoo werd, om een voorbeeld te noemen, Horus in niet minder dan 6 provincies aanbeden, terwijl Khnemu in 3 en Hathor eveneens in 6 districten werden vereerd.

De gods-idee der Egyptenaren.

Het woord, waarmede de Egyptenaren een god en verder alle bovennatuurlijke wezens van welken aard ook, aanduidden, luidde: neter. De meeste Egyptologen zijn van meening, dat de hieroglyph, welke dit woord voorstelt, op een bijl gelijkt, welke aan een langen steel is bevestigd. Sommige archaeologen zien in deze figuren een afbeelding van een rol van geel doek, waarvan het onderste gedeelte is vastgebonden, of vastgeregen, terwijl het bovenste gedeelte volgens hun meening een lap is, aan den top vastgebonden, klaarblijkelijk om te worden losgewonden. Eveneens is het vermoeden uitgesproken, dat het voorwerp een fetisch voorstelt, b.v. een been, zorgvuldig met doek omwonden en niet doek alleen.

Over de meeste goden, die gedurende de eerste 4 dynastieën zijn vereerd, weten wij bitter weinig, voornamelijk door het gemis aan schriftelijke overlevering, hoewel men sommige kent uit de inscriptie genaamd de "Palermo-steen", welke over verschillende locale godheden aanwijzingen heeft.

Sommige gedeelten van het "Boek der Dooden" zijn wellicht gedurende de 1e dynastie herzien en hieruit kunnen wij bewijzen, dat de godsdienst der Egyptenaren, zooals hij ons uit de latere teksten wordt geopenbaard, ten naaste bij gelijk was aan dien, welke gedurende de drie eerste dynastieën bestond.

Eerst in de 5e en 6e dynastie kunnen wij materiaal ontdekken om het Egyptische pantheon te bestudeeren en wel op de pyramiden van Unas. Teta, Pepi I en anderen. Het schijnt, dat in deze periode de eerste phase der Egyptische ontwikkeling is begonnen. Tevens is het duidelijk, dat het materiaal door de Pyramiden-teksten verschaft, verschillende lagen van godsdienstige gedachten en opvattingen in zich bevat, waarschijnlijk door ontelbare menschengeslachten aan de bouwers der pyramiden nagelaten.

In deze wondervolle teksten vinden wij de duidelijke voorbeelden van de meest primitieve en onbeschaafde godsdienstige elementen van animistischen, fetischistischen en totemistischen oorsprong; deze teksten hebben voor het meerendeel betrekking op de begrafenis en in verband hiermede houden zij zich het meest met de goden der onderwereld bezig.

Godheden in de teksten der Pyramiden.

Om deze eerste phase van het godsdienstig denken in Egypte goed te verstaan, is het zeer zeker noodig in het kort de goden, waarop in de teksten der Pyramiden gezinspeeld wordt, de revue te laten passeeren en voor het oogenblik hen, afgescheiden van de rest van het Egyptisch pantheon, te beschouwen. Op deze wijze moeten wij er ons voor hoeden deze begrippen bepaaldelijk te betitelen met namen als: watergod, dondergod, zonnegod en zoo voort.

In weerwil van de nasporingen der laatste halve eeuw, is de wetenschap der mythologie nog in haar kindsheid en zij, die op dit gebied arbeiden, beginnen nu te vermoeden, dat slechts variaties of phases van bepaalde godheden, welke in het geheel geen afzonderlijke wezens waren, in vele gevallen aanleiding tot het vermoeden hebben gegeven, dat zij iets tot een afzonderlijke wezen vormden, wat dit in het geheel niet verdiende.

De goden van het Grieksche of Romeinsche pantheon zijn zonder twijfel goede voorbeelden van goden, van wie de kenmerkende eigenschappen geheel en al zijn vastgesteld. Zoo kan men zeggen, dat Mars de god van den oorlog, Pallas Athene de godin der wijsheid is; dit waren echter louter de eigenschappen, door deze goden verkregen, welke in de publieke opinie het meest populair waren.