Part 19
Toen hij aankwam vond hij, dat deze zich gereedmaakte, zich in te schepen in zijn schip, dat hem naar de rechtszaal brengen zou. De sekhti maakte een diepe buiging en vertelde den rentmeester, dat hij hem een grief voor te leggen had en verzocht, één van zijn gevolg te zenden, om dien het verhaal mede te deelen.
De rentmeester willigde het verzoek van den smeekeling in en zond hem iemand uit zijn gevolg. Den bode vertelde de sekhti alles, wat op zijn reis had plaats gevonden, de wijze, waarop Tehuti-nekht het pad afgesloten had, om hem te dwingen, door het koren te gaan en de wreede wijze, waarop hij hem geslagen en zijn eigendom afgenomen had. Op den bepaalden tijd werden deze zaken aan den rentmeester verteld en deze legde ze aan de edelen, die met hem in de gerechtszaal vereenigd waren, voor.
"Laat deze sekhti een getuige voorbrengen", zeiden zij "en als hij deze zaak bevestigt, zal het noodig zijn Tehuti-nekht een pak slaag te laten geven, of misschien zal hij een schadevergoeding voor het zout en den natron, welke hij gestolen heeft, kunnen betalen".
De rentmeester zei echter niets en de sekhti zelf kwam bij hem en prees hem als den grootsten onder de grooten, den vader der weezen, den echtgenoot der weduwen, den gids van de behoeftigen en zoo voorts.
De sekhti was zeer welsprekend en in zijn gloeiende toespraak verbond hij op behendige wijze zijn lofuitingen met zijn pleit voor rechtvaardigheid, zoodat de rentmeester vanzelf belangstellend en gevleid werd.
In dien tijd zat koning Nep-ka-n-ra op den Egyptischen troon; tot hem kwam de rentmeester Meruitensa en sprak:
"Heer, zie, ik ben door een sekhti, wiens goed men gestolen heeft, bezocht. Hij is de welsprekendste van alle stervelingen. Wat wil mijn Heer, dat ik voor hem doe?"
"Antwoord niets op zijn toespraken", sprak de koning, doch laat zijn woorden opschrijven en breng ze mij. Zie toe, dat zijn vrouw en kinderen van eten en drinken voorzien worden, maar laat hem niet weten, wie het geeft".
De rentmeester deed daarop, zooals de koning bevolen had. Hij liet den boer een dagelijksche portie brood en bier geven en aan diens vrouw voldoende koren, om haar en haar kinderen te voeden. De sekhti echter wist niet, van wien het voedsel kwam.
De boer begaf zich voor de tweede maal naar de gerechtszaal en stortte zijn klachten voor den rentmeester uit; voor den derden keer kwam hij en de rentmeester liet hem zeggen, dat hij met stokken geslagen zou worden, om te zien, of hij met zijn bezoeken op zou houden.
Doch neen, de sekhti kwam een vierde, vijfde en zesde maal en poogde, door aangename toespraken, de ooren van den rechter te openen. Meruitensa luisterde in 't geheel niet naar hem, doch de sekhti wanhoopte niet, doch kwam nog eens voor den negenden keer.
Toen hij voor de negende maal kwam, zond de rentmeester twee uit zijn gevolg naar den sekhti; de boer werd thans zeer bevreesd, want hij vermoedde, dat hij nog eens op ellendige wijze geslagen zou worden. De boodschap was echter een zeer aangename. Meruitensa liet zeggen, dat hij over de welsprekendheid van den boer zeer verheugd was en dat hij trachten wilde, hem voldoening te schenken.
Daarop liet hij de verzoeken van den sekhti op helder witte papyri schrijven en aan den koning zenden, zooals deze hem opgedragen had. Neb-ka-n-ra schepte eveneens zeer veel behagen in de toespraken, doch liet de beslissing geheel aan den rentmeester over.
Meruitensa beroofde Tehuti-nekht daarop van al zijn ambten en eigendommen, gaf hem aan den sekhti over en deze woonde daarna, met zijn geheele familie, in het paleis van den koning. De sekhti werd de hoofdopzichter van Neb-ka-n-ra en werd door hem zeer geliefd.
Geschiedenis van de twee broeders.
Het manuscript van dit verhaal, uit de negentiende dynastie, werd, in Italië, door Mevrouw Elizabeth d'Orbiney gekocht en wordt de d'Orbiney Papyrus genoemd. In 1857 kwam het in bezit van het Britsch Museum en werd gecopieerd. Herhaalde malen is het vertaald.
Het manuscript bestaat uit negentien pagina's, ieder van tien regels, terwijl de vijf eerste vrij gescheurd zijn. Verschillende hiaten zijn door de moderne bezitters van het manuscript aangevuld en de herstellingen worden aangewezen.
Het oorspronkelijke manuscript is op twee plaatsen met den naam van den oorspronkelijken eigenaar, Sety Merenptah, dien wij onder den naam van Sety II kennen, gemerkt. Het werd door Anena, een schrijver, die gedurende de regeeringen van Ramses II, Merenptah en Sety II leefde, gemaakt en is meer dan drieduizend jaar oud. Bitou, de held der geschiedenis, een herder en huisvader, is misschien met den Griekschen god Bitys identisch.
Anapou en Bitou waren twee broers, die langen tijd geleden leefden. Aan Anapou, als oudsten, behoorde het huis, het vee en de velden; Bitou, de jongste, werkte voor zijn broer.
Bitou was in zijn zorg voor het vee en alles, wat op den landbouw betrekking had, zeer kundig, hij kon zelfs vertellen, wat de koe tot hem en ieder ander zei. Toen de broers op zekeren dag op het veld werkten, zond Anapou Bitou naar huis, om een groote hoeveelheid zaad te halen, want hij had gezien, dat het tijd werd te zaaien.
Bitou ging het zaad halen en na hun dagelijkschen arbeid keerden de twee terug en vonden de vrouw van Anapou jammeren; zij zeide, dat zij door Bitou hevig afgeranseld was, omdat zij hem, toen hij het zaad was komen halen, iets niet had willen geven, wat hij haar gevraagd had.
Anapou trachtte daarop Bitou heimelijk te dooden, maar deze, door de koe gewaarschuwd, vluchtte.
Zijn broer haalde hem in, doch de god Phra-Harmakhis deed een breede stroom, vol krokodillen tusschen hen oprijzen en Bitou vroeg zijn broer tot het aanbreken van den dag te wachten; dan zou hij alles, wat geschied was, uitleggen.
Toen nu de dag aangebroken was, vertelde Bitou aan Anapou de waarheid en weigerde tevens, ooit naar het huis, waar zich Anapou's vrouw bevond, terug te keeren.
"Ik zal"; zeide hij, "naar de vallei der acacia's gaan. Luister nu, wat gebeuren zal. Ik zal, door tooverkunst, mijn hart uitrukken, zoodat het op de bovenste tak van den acacia gelegd wordt. Indien de acacia afgesneden wordt en mijn hart op den grond valt, moet gij komen en het zoeken. Als gij zeven jaren gezocht hebt, word dan niet ontmoedigd, doch berg het in een vat met koud water, dat zal mij weer tot het leven terugbrengen. Ik zal zeker weer leven en mij op mijn vijanden wreken.
Gij zult kunnen weten, dat er iets gewichtigs met mij zal gebeuren, indien u een kruik bier gegeven wordt en het schuim er over heen zal loopen. Daarna zal men u een kruik wijn geven, waarvan het bezinksel naar boven zal komen. Rust niet, wanneer deze dingen gebeuren".
Hij ging naar de vallei, zijn broer keerde naar huis terug, doodde zijn vrouw en treurde over zijn broer.
Bitou bracht zijn dagen, in de vallei, met jagen door en 's nachts sliep hij onder den acacia; op den top van dezen bevond zich zijn hart. Op zekeren dag ontmoette hij de negen goden en dezen gaven hem de dochter van de goden tot vrouw; de zeven Hathors echter zwoeren, dat zij door het zwaard sterven zou. Hij vertelde haar het geheim van den acacia en tevens, dat ieder, die den acacia zou vinden, met hem zou moeten vechten.
Het verraad van Bitou's Vrouw.
Toen de Pharaoh over deze schoone vrouw hoorde vertellen, wenschte hij haar te bezitten en zond gewapende mannen naar de vallei, doch Bitou doodde hen allen. Pharaoh ontvoerde haar ten slotte door list en maakte haar tot zijn gunstelinge. Zij vertelde hem het geheim van haar man en verzocht hem, den acacia om te hakken; dit werd overeenkomstig haar wensch volvoerd en Bitou viel op hetzelfde oogenblik dood neer.
Daarop geschiedde, wat Bitou zijn broer voorspeld had. Schuimend bier werd hem gebracht en daarbij werd wijn troebel, terwijl hij den beker vasthield. Door deze teekenen wist hij, dat de tijd om te handelen, gekomen was. Hij nam zijn kleeren, wapens en sandalen op en begaf zich op weg naar de vallei.
Daar aangekomen, vond hij zijn broer dood neerliggen op zijn bed. Hij begaf zich daarop naar den acacia, om het hart van zijn broer te zoeken, doch kon slechts een bes vinden, deze echter was het hart. Hij legde deze in koud water en Bitou werd aan het leven teruggegeven.
Zij omarmden elkander en Bitou sprak tot zijn broer: "Ik zal nu een heilige stier (Apis) worden. Leid mij dan voor het aangezicht van den Pharaoh, deze zal je rijkelijk met goud en zilver begiftigen, om je te beloonen, dat je mij bij hem gebracht hebt. Ik zal de middelen uitvinden, om mijn vrouw voor haar verraad te straffen".
Anapou deed, zooals Bitou aangaf en toen de zon den volgenden morgen opkwam en Bitou de gedaante van een stier aangenomen had, leidde Anapou hem naar het hof. Er heerschte groote vreugde over den prachtigen stier en Pharaoh beloonde Anapou rijkelijk en onderscheidde hem boven alle andere mannen.
Eenige dagen later trad de stier den harem binnen en sprak zijn vroegere vrouw aldus aan: "Gij ziet, ik ben toch nog in leven". "Wie zijt gij", vroeg zij. Hij antwoordde: "Ik ben Bitou. Gij wist heel goed, wat gij deedt, toen gij Pharaoh verzocht, den acacia om te hakken".
De vrouw was hierover zeer verschrikt en verzocht den Pharaoh, haar ieder verzoek, wat zij doen zou, in te willigen. De Pharaoh beminde haar zoo zeer, dat hij haar niets weigeren kon en gaf haar reeds bij voorbaat zijn inwilliging: "Geef mij dan", zoo sprak zij, "de lever van den heiligen stier, om die op te eten, want niets anders zal mij voldoen".
Pharaoh was zeer bedroefd, toen hij dit hoorde; hij had echter gezworen en op zekeren dag, toen het volk aan den stier offers bracht, zond hij zijn slagers, om het dier de keel af te snijden. Terwijl de stier geslacht werd, vielen er twee dikke bloeddroppels van zijn nek en terwijl zij verder vlogen, totdat zij de deuropening van het paleis bereikt hadden, schoten zij daar in de gestalte van twee groote boomen op, een aan iedere zijde van het portaal.
Het volk verheugde zich wederom over dit tweede wonder en bracht aan de twee boomen offers.
Langen tijd hierna werd de Pharaoh in zijn stoel van electrum, getooid met de kroon van lapis-lazuli en een krans van bloemen om zijn hals, naar buiten gedragen, om de twee boomen te bezichtigen. Zijn gunstelinge, Bitou's vrouw, werd achter hem gedragen en zij werden, ieder onder een boom, neergezet. Daarop fluisterde de boom, waaronder de vrouw zat, tot haar: "Trouwelooze vrouw! Ik ben Bitou en nog steeds ben ik in leven. Gij maaktet, dat de Pharaoh den boom omhakte en mij doodde. Daarop werd ik een stier en wederom hebt gij mij laten dooden".
Later, toen zij met den Pharaoh aan tafel zat, liet zij hem een anderen eed zweren, om, wat zij ook vragen zou, uit te voeren en de Pharaoh zwoer wederom. Daarop zeide zij: "Laat deze twee boomen omhakken en maak er twee balken uit".
Haar verzoek werd ingewilligd, doch toen de twee boomen omgehakt werden, vloog een splinter in haar mond. Na een tijd bracht zij een kind, van het mannelijk geslacht, voort, dat de Pharaoh buitengewoon liefhad en Prins van den Boven-Nijl maakte; toen Pharaoh stierf, volgde Bitou, want hij was dit kind, hem op. Daarna riep hij alle hooge ambtenaren op, liet zijn vrouw voor zich brengen en vertelde hun alles, wat geschied was. Daarna werd zij ter dood gebracht.
Bitou regeerde nog twintig jaren; daarop regeerde zijn broer Anapou, dien hij tot zijn opvolger aangesteld had, in zijn plaats.
De vervloekte Prins.
Deze geschiedenis kan men in den Harris Papyrus, in het Britsch Museum, vinden. Toen zij voor het eerst ontdekt werd, was zij compleet, doch een ongelukkig toeval vernietigde haar gedeeltelijk, zoodat het eind der geschiedenis verloren gegaan is. Men vermoedt, dat zij uit het einde der 18e dynastie dateert.
Er leefde eens een koning, die bedroefd in zijn hart was, omdat hem geen zoon geboren was. Hij bad tot de goden, hem zijn wensch te vervullen en zooals hij gebeden had, besloten zij, hem ter wille te zijn. Zijn vrouw bracht een zoon ter wereld.
Toen de Hathors over zijn lot beslissen zouden, zeiden zij: "Zijn dood zal door een krokodil, een slang, of een hond plaats hebben." Zij, die rondom stonden, haastten zich, toen zij dit hoorden, het aan den koning te vertellen; deze was hierover zeer bedroefd en bevreesd.
Met het oog op hetgeen hij gehoord had, liet hij een huis op de bergen bouwen, richtte het rijkelijk in, met alles, wat men begeeren kon, opdat het kind nooit op reis zou behoeven te gaan.
Toen de knaap grooter geworden was, ging hij op zekeren dag naar het dak en van hieruit zag hij op den weg een hond, welke een man volgde. Daarop richtte hij zich tot zijn bediende en zei: "Wat is dat, wat dien man op den weg volgt?" Men vertelde hem, dat dit een hond was.
Terstond begeerde het kind een hond te hebben en toen men den koning zijn verlangen vertelde, kon hij hem dit niet weigeren, uit vrees, dat zijn hart bedroefd zou zijn.
Terwijl de tijd voortsnelde en het kind tot een man opgroeide, werd hij weerspannig en toen men hem het besluit der Hathors vertelde, zond hij terstond een boodschap naar zijn vader en zei: "Komaan, waarom word ik als een gevangene behandeld? Hoewel ik tot drie ongelukken veroordeeld ben, laat mij toch aan mijn verlangens toegeven. Laat God zijn wil vervullen".
Na dezen tijd was hij vrij en deed hetzelfde als de andere menschen. Men gaf hem wapens en men stond toe, dat zijn hond hem volgde; zij brachten hem naar het Oostelijke land en zeiden tot hem: "Zie, gij zijt vrij om te gaan, waarheen gij wilt".
Hij richtte zich daarop naar het Noorden, terwijl zijn hond hem volgde en zijn ingeving bepaalde zijn weg. Zij leefden van het uitgezochtste wild der woestijn. Daarop kwamen zij bij den vorst van Nahairana. Deze had slechts één kind, een dochter. Voor haar had hij een huis met zeventig vensters, welke zeventig el van den grond verwijderd waren, laten bouwen. Hier had de vorst alle zonen van de vorsten uit het land Khalu laten brengen en tot hen gezegd: "Hij die één van de vensters bereiken kan van het paleis van mijn dochter, zal haar tot vrouw krijgen".
Eenigen tijd, nadat de vorst dit bekend had laten maken, was de prins aangekomen en het volk van den vorst van Nahairana nam den jongeling op en behandelde hem met groote onderscheiding en vriendelijkheid.
Toen hij van hun voedsel genuttigd had, vroegen zij hem, vanwaar hij gekomen was. Hij antwoordde hun: "Ik kom uit Egypte; ik ben de zoon van een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd, doch deze begon, toen zij zelf kinderen kreeg, mij te haten. Daarom ben ik haar tegenwoordigheid ontvlucht". Toen zij dit hoorden, waren zij bedroefd over hem en omhelsden hem.
Op zekeren dag vroeg hij de jongelingen, die aan het klimmen waren, wat zij daar uitvoerden. En toen zij hem vertelden, dat zij één der vensters trachtten te bereiken, om aldus de prinses tot vrouw te krijgen, besloot hij, het waagstuk eveneens te beproeven, want uit de verte had hij het gezicht van de prinses, die vanuit haar venster naar hem gekeken had, gezien.
Hij klom werkelijk naar boven en bereikte het venster. De prinses was zoo verheugd, dat zij hem omhelsde en kuste. Zij zond ook, in de meening, het hart van haar vader te verblijden, een boodschap naar dezen en liet hem het volgende berichten: "Eén van de jongelingen heeft het venster bereikt". De vorst liet vragen, wie van de jongelingen dit volvoerd had en men vertelde hem, dat het de vluchteling uit Egypte was.
Op dit bericht werd de vorst toornig en beweerde, dat zijn dochter voor een Egyptisch vluchteling geen partij was. "Laat hem daarheen gaan, vanwaar hij komt", riep hij uit.
Een dienaar haastte zich den jongeling te waarschuwen, doch het meisje hield hem vast en wilde hem niet laten gaan. Zij zwoer bij de goden en zei: "Bij Ra Harakhti, indien hij van mij weggenomen wordt, zal ik noch eten, noch drinken en dan zal ik sterven".
Men vertelde den vader haar gelofte en toen deze dit hoorde, zond hij iemand om den jongeling te dooden, wanneer hij zich in zijn huis bevinden zou. De prinses echter, had hiervan een voorgevoel en zei wederom: "Bij den grooten god Ra, indien hij gedood wordt, zal ik, voor het ondergaan der zon, sterven. Indien ik van hem gescheiden word, wil ik niet langer leven".
Wederom bracht men haar woorden aan den vorst over. Hij liet daarop zijn dochter en den jongeling voor zich brengen; in den beginne was deze bevreesd, doch de vorst omhelsde hem hartelijk en sprak: "Vertel mij, wie gij zijt, want nu zijt ge even goed als een zoon van mij".
Hij antwoordde: "Ik kom uit Egypte, ik ben de zoon van een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd; deze begon mij, toen zij kinderen kreeg, te haten. Daarom ben ik voor haar aangezicht gevlucht".
Daarop gaf de vorst hem zijn dochter tot vrouw; hij gaf hem een huis, slaven, land, vee en alle andere goede gaven.
Er verliep een tijd. Op zekeren dag vertelde de prins zijn vrouw over zijn noodlot en zeide: "Drie kwade dingen zijn mij beschoren, namelijk te sterven door een krokodil, een slang, of een hond". Haar hart vervulde zich, op het hooren van deze woorden, met groote vrees. Zij sprak daarop tot hem: "Laat dan iemand den hond, welke u volgt, dooden".
Hij vertelde haar echter, dat dit onmogelijk was, want hij had dezen zelf grootgebracht.
Ten laatste wenschte de jongeling naar Egypte te reizen en zijn vrouw, voor hem bezorgd, wilde hem niet alleen laten gaan, en daarom ging zij met hem mede.
Zij kwamen bij een stad en daar was de krokodil der rivier. Nu leefde er in die stad een groot en machtig man en deze bond den krokodil vast en liet niet toe, dat deze ontsnapte. Wanneer hij vastgebonden was, voelde de machtige man zich rustig en wandelde naar buiten. Als de zon opkwam, ging de man weer naar zijn huis terug en dit deed hij iederen dag, twee maanden lang.
Hierna, toen de tijd voorbijging, zat de jonge man op zijn gemak, in zijn huis. Toen de nacht inviel, legde hij zich op zijn legerstede en de slaap overviel hem. Zijn vrouw vulde hierop een beker met melk en zette dezen naast hem. Daar kwam een slang uit een hol te voorschijn en beproefde den man te bijten, doch zijn vrouw zat naast hem en hield de wacht.
Toen de bedienden de slang zagen, gaven ze haar melk te drinken en zij dronk deze op en legde zich op haar rug. Toen de vrouw dit zag, doorboorde zij de slang met haar dolk. Hierna ontwaakte haar echtgenoot en was zeer verbaasd, toen hij dit alles hoorde. "Zie", zei zij tot hem, "uw god heeft u een van uw kwaden in uw hand gegeven. Zonder twijfel zal hij u ook de twee andere geven".
De jonge man bracht daarop offers aan de goden en prees hen voortdurend.
Op zekeren dag, na deze gebeurtenis, wandelde de jonge man buiten in zijn landerijen en zijn hond volgde hem. Deze zat wild achterna en hij volgde den hond, welke zich in de rivier stortte. Hij ging eveneens in de rivier, doch daar kwam de krokodil plotseling te voorschijn en deze nam hem mee naar de plaats, waar de machtige man leefde. En terwijl de krokodil hem voortsleurde, zei hij tot den jongen man: "Zie, ik ben uw kwaad, dat u volgt"....
Hier is de papyrus zoo buitengewoon verminkt, dat wij waarschijnlijk nooit te weten zullen komen, wat er met den prins gebeurde. Werd hij ten slotte door den krokodil verslonden? Of bracht zijn trouwe hond hem in nog ernstiger gevaren? Laat ieder gerust het einde aan het verhaal maken, dat hij wenscht!
Het Bezoek van Ounamounou aan de kust.
Op den 16en dag van de 13e maand, de oogstmaand, ging Ounamounou, de opperpriester van den tempel van Ra, op reis, om hout te koopen voor het vervaardigen van de heilige boot van de goden.
"Toen ik in Tanis kwam", zegt hij, "vaardigde ik de edicten van Ra uit; dezen lazen zij en besloten, hieraan te gehoorzamen. Ik bleef tot de 14e maand, Shomou, te Tanis; toen ging ik scheep naar de Syrische zee. Toen het schip te Dora, een stad van Zakkala aankwam, zond de vorst van de plaats, Badil, mij brood, vleesch en wijn.
In deze plaats deserteerde een van van het vaartuig en nam veel goud en zilver met zich mede. Hierna ging ik naar den vorst en deed hem mijn beklag en zei, dat het geld aan Amen-Ra toebehoorde.
De vorst antwoordde, dat hij niets daarvan af wist, doch indien de roover in zijn land was, zou hij mij uit zijn eigen schatkist schadeloos stellen; indien, in het andere geval, de roover tot mijn gezelschap behooren zou, moest ik daar eenige dagen blijven en in dien tijd zou hij naar den dief een onderzoek instellen.
Negen dagen bleef ik in die haven. Daarop begaf ik mij wederom naar den vorst en zei tot hem: "Gij hebt het gestolen geld nog niet gevonden. Ik moet echter vertrekken. Indien gij, in mijn afwezigheid, het geld vinden zult, bewaar het dan tot mijn terugkomst". Dit werd tusschen ons aldus afgesproken.
Daarop scheepte ik mij weer in en bereikte Tyrus; aan den vorst van die stad, vertelde ik wederom mijn verlies, doch daar hij een vriend van Badil was, wilde hij niet naar mij luisteren en bedreigde mij. Bij het aanbreken van den dag, zetten wij koers in de richting van Byblos en op weg daarheen, haalde ons een schip van Zakkala, dat een kist aan boord had, in.
Toen ik de kist opende, ontdekte ik geld en nam dit in bezit. Ik zei tot hen, dat ik het nemen en bewaren wilde, totdat mijn gestolen geld mij teruggegeven was. Toen zij zagen, dat ik vastbesloten was, schikten zij zich in den toestand en verlieten mij; ten slotte bereikten wij Byblos.
Daar ging ik uit het schip en nam den naos, welke het beeld van Amen-Ra bevatte en ik had den schat daarin gedaan. De vorst van Byblos echter, verzocht mij, weg te gaan. Ik zei tot hem: "Is dit, omdat de mannen van Zakkala u verteld hebben, dat ik hun geld genomen heb? Dat geld is het mijne, want in hun haven werd het goud van Amen-Ra gestolen". Gedurende negentien dagen bleef ik in hun haven en iederen dag zond de vorst mij een boodschap, met het verzoek, te vertrekken.
Op zekeren avond, toen de vorst van Byblos aan zijn goden offerde en één voor hem danste, bespotte hij mij en verzocht mij, mijn god levend te maken.
Dien nacht ontmoette ik een man, wiens schip voor Egypte bestemd was en ik belastte hem met alles, wat op mij betrekking had. Ik zei tot hem, dat ik mij in wilde schepen en, zonder dat iemand het merkte, vertrekken wilde en dat ik niet twijfelde, of de goden zouden over mij waken.
Terwijl ik aldus redeneerde, kwam de havenmeester bij mij en zei: "Blijf, het is de wil van den vorst". Ik antwoordde hem: "Zijt gij het niet, die mij iederen dag de boodschap bracht, te vertrekken en mij nooit verzocht te blijven? Hoe komt het, dat gij dit thans wel doet?"
Hij keerde zich om, liet mij staan en ging naar den vorst, die daarna een boodschap zond aan den kapitein van het schip en hem verzocht tot morgen te blijven.
Den volgenden morgen verzocht hij mij, naar het paleis te komen, waar hij zich ophield en dat dicht bij de zee gelegen was. Ik werd naar zijn kamer gebracht en daar vroeg hij mij, hoe lang ik op reis geweest was. Ik antwoordde: vijf maanden, doch hij wantrouwde mij en vroeg, waar de voorschriften van Amen-Ra waren, welke ik in mijn hand behoorde te hebben en waar de brief van den hoogepriester was.
Ik vertelde hem, dat ik dezen aan de andere vorsten gegeven had. Hij werd boos en zei, dat ik zonder bewijzen kwam; wat belette hem, den kapitein van het schip te bevelen, mij te dooden? Wederom antwoordde ik, dat ik uit Egypte gekomen was, om hout voor de heilige bark te koopen. Daarop vertelde hij, dat men vroeger uit Egypte gekomen was, in alle statie, om de stad te bezoeken.