Part 18
Hier waren zeven hallen, met menschen van allerlei soort gevuld. Zij gingen door drie van dezen zonder hindernis. Toen zij de vierde binnengingen, zag Setne een massa menschen, die heen en weer snelden en van schrik ineenkrompen, als wezens hen van achter aanvielen; anderen, uitgehongerd, sprongen omhoog, om het voedsel te bereiken, dat boven hen hing, terwijl weer anderen kuilen groeven, om hen te verhinderen hun doel te bereiken.
In de vijfde hal waren eerwaardige schimmen, welke haar eigen en passende plaats gevonden hadden, doch zij, die van misdaden beschuldigd waren, toefden knielend bij de deur, welke onder toezicht van een man stond, die onophoudelijk smeekte en zuchtte.
In de zesde hal zaten de goden van Amenti en beraadslaagden, ieder op zijn plaats, terwijl de deurwachter de zaken afriep. In de zevende hal eindelijk was de groote Osiris, op een gouden troon gezeten, met de diadeem, uit veeren bestaande, gekroond. Aan zijn linkerzijde zat Anubis en aan zijn rechterzijde de god Thoth.
In het midden bevonden zich de schalen, waarop de deugden en ondeugden van de zielen der gestorvenen afgewogen werden, terwijl Thoth het oordeel, dat Anubis uitsprak, opschreef. Zij, wier ondeugden meer wogen dan hun deugden, werden aan Amait, den dienaar van den heer van Amenti, overgegeven; hun zielen en lichamen werden voor altijd vernietigd.
Zij echter, van wie de deugden grooter dan de ondeugden waren, namen hun plaats, onder de schimmen en goden, in, en hun zielen vonden den hemel. Indien, aan den anderen kant, de deugden en ondeugden gelijk waren, werd hij onder de dienaren van Sekerosiris geplaatst.
Setne zag nu bij Osiris iemand, van hoogen rang en in het fijnste linnen gekleed staan. Terwijl Setne zich verwonderde over alles, wat hij in het rijk van Amenti zag, sprak zijn zoon tot hem: "Mijn vader, ziet gij dien hooggeplaatsten man, in fijn linnen gekleed, bij Osiris staan? Herinnert gij u wel dien boer, dien gij uit Memphis zaagt dragen, zonder dat iemand hem vergezelde, terwijl zijn lijk in een mat gewikkeld was? Nu, dat is de man, die thans aan Osiris' zijde staat! Toen hij naar Amenti kwam en zijn deugden tegen zijn ondeugden af gewogen werden, zie, toen sloeg het gewicht van zijn deugden over! Volgens de beslissing der goden, werden hem alle eerbewijzen, welke het aandeel der rijken zijn, toegewezen en door de wet van Osiris neemt hij zijn plaats onder de geëerden en voornamen in.
Toen de rijke man, dien gij eveneens gezien hebt, gewogen werd, wogen zijn ondeugden zwaarder dan zijn deugden en hij is de man, dien gij zaagt bij de vijfde hal; onder zijn toezicht draait de deur, de man, die luid schreeuwt en jammert. Bij het leven van Osiris, indien ik op aarde tegen u zei: "Moge het lot van den boer liever het uwe zijn, dan dat van den rijken man, dan was het, omdat ik hun lot kende, mijn vader".
Setne antwoordde hem en sprak: "Mijn zoon Se-Osiris, ontelbare wonderen heb ik in Amenti gezien; zeg mij echter, wat de bedoeling is van die menschen, die wij van schepsels, welke hen trachtten te verslinden, zagen wegijlen en die anderen, die steeds het voedsel trachten te grijpen, dat buiten hun bereik is" [33].
Se-Osiris antwoordde hem: "Zij zijn in waarheid, mijn vader, door de goden vervloekt; zij zijn het, die op aarde hun vermogen verspilden en de wezens, die hen zonder ophouden trachten te verslinden, zijn de vrouwen, met wie zij hun leven verwoestten en hun vermogen verspilden en nu hebben zij niets, hoewel zij dag en nacht moeten arbeiden. En zoo is het met allen; zooals zij op aarde geweest zijn, zoo zijn zij in Amenti, in overeenstemming met hun goede en slechte daden. Dit is de onveranderlijke wet van de goden, de wet, welke geen verandering kent en naar welke zich alle menschen schikken moeten, als zij den Hades binnenkomen".
Hierop keerden Setne en zijn zoon, hand in hand, van de bergen van Memphis terug. Vrees beving Setne om zijn zoon Se-Osiris, daar deze niet antwoordde en daarop sprak hij woorden, welke de geesten van de gestorvenen afweerden. Steeds herinnerde hij zich alles, wat hij gezien en waarover hij zich verwonderd had, doch sprak met niemand hierover. Toen Se-Osiris twaalf jaar oud was, was er geen schrijver of toovenaar in Memphis, die in het lezen van tooverboeken zijns gelijke was.
Het Lezen van den Verzegelden Brief.
Hierna gebeurde het eens, dat de Pharaoh Ousimares, in zijn audiëntie-zaal, met de prinsen, de militaire aanvoerders en de edelen van Egypte, ieder volgens zijn rang, gezeten was.
Eén zei tot den Pharaoh: "Hier is een schelm van een Aethiopiër, die gaarne een onderhoud met U zou hebben; hij heeft een verzegelden brief bij zich". De Pharaoh beval daarop, den man bij zich te brengen.
Toen hij bij den vorst gebracht werd, maakte hij een diepe buiging en sprak: "Hier is een verzegelde brief, welke ik meebracht en ik zou gaarne willen weten, of er onder Uw wijze mannen iemand is, die zijn inhoud lezen kan, zonder de zegels te verbreken. Indien gij, o koning, niemand onder Uw schrijvers en toovenaars hebt, die hiertoe in staat is, zal ik naar Aethiopië, het land der negers, de geschiedenis van Egypte's mislukking en minderheid meenemen".
Allen waren verwonderd, toen zij dit hoorden en de omgeving van den koning schreeuwde luid, doch de Pharaoh liet zijn zoon Setne bij zich brengen. Hij kwam terstond, boog zich diep voor den Pharaoh, waarop deze zeide: "Mijn zoon Setne, hebt gij de onbeschaamde woorden van dezen Aethiopiër gehoord?" Tevens herhaalde hij de uitdaging nog eens.
Setne was wel verbaasd, doch antwoordde onmiddellijk: "Groote koning, hoe kan iemand een brief lezen, zonder dat deze voor hem geopend en uitgespreid wordt? Indien gij mij echter tien dagen wilt geven, zal ik hierover nadenken en zal ik doen wat ik kan, om te beletten, dat aan de Negers, de eters van gom, het bericht over Egypte's minderheid gebracht wordt". Hierop antwoordde de Pharaoh: "Tien dagen worden u toegestaan, mijn zoon". Hierop werden den Aethiopiër vertrekken aangewezen en de Pharaoh stond, bedroefd in zijn hart, op en begaf zich, zonder iets genuttigd te hebben, ter ruste.
Ook Setne begaf zich, peinzende en zeer verward, naar zijn legerstede, doch kon den slaap niet vatten. Zijn vrouw, Mahitouaskhit, kwam bij hem en wilde zijn zorgen gaarne deelen, doch hij antwoordde, dat dit niets voor een vrouw was, om deel aan te nemen en dat zij hem niet helpen kon.
Eenigen tijd later kwam zijn zoon Se-Osiris en wenschte te weten, wat zijn vader zoo bezorgd maakte en weder weigerde Setne het aan hem te vertellen, zeggende, dat het niet voor een kind geschikt was. De knaap hield echter vol en ten slotte vertelde Setne hem de uitdaging van den Aethiopiër. Zoodra hij geëindigd had, lachte Se-Osiris en zijn vader vroeg hem naar de reden van zijn vroolijkheid.
"Vader", antwoordde hij, "ik lach, als ik U daar bedroefd in Uw hart zie zitten, om zulk een nietige oorzaak. Ik zal den brief van den Aethiopiër, zonder het zegel te verbreken, lezen".
Toen Setne dit hoorde, stond hij onmiddellijk op.
"Welk bewijs kunt gij mij voor Uw bewering geven, mijn zoon".
Se-Osiris antwoordde: "Mijn vader, ga naar de benedenverdieping van dit huis en neem een boek, dat gij verkiest, van zijn plaats. Ik zal dan het boek, dat gij genomen hebt, lezen, terwijl ik voor U sta".
Het gebeurde, zooals Se-Osiris gezegd had. Ieder boek, dat zijn vader ter hand nam, las de knaap, zonder dat het geopend werd. Daarna liet Setne geen tijd verloren gaan, om den Pharaoh over alles, wat Se-Osiris gedaan had, in te lichten en zoo verlicht werd het hart van den koning, dat hij een groot feest, ter eere van Setne en diens jongen zoon, liet aanrichten.
Hierop liet de Pharaoh den Aethiopiër roepen. Toen hij de audiëntie-zaal binnengetreden was, werd hij in het midden van allen geplaatst en de jonge Se-Osiris plaatste zich naast hem. Daarna sprak de knaap een verwensching over den man en diens goden uit, indien hij valschelijk zou durven beweren, dat hetgeen hij las, niet het juiste was. Toen de Aethiopiër den knaap zag, knielde hij voor hem, door vrees bevangen. Daarop begon Se-Osiris den brief, zonder dat deze ontzegeld was, te lezen en allen hoorden zijn stem. De woorden van den brief luidden aldus:
De Inhoud van den Brief.
"Het geschiedde gedurende de regeering van den Pharaoh Manakhphre-Siamon, die een weldadig vorst was en onder wiens regeering het land met alle goede dingen overstroomd werd en die de tempels rijkelijk begiftigde, dat de koning van Nubië rustte in het paviljoen van Amen, en een gesprek van drie Aethiopiërs, die achter het huis spraken, afluisterde.
Een van hen sprak op luiden toon en zei onder anderen, dat, indien god Amen hem tegen de vijandschap van den koning van Egypte beschermen wilde, hij over het volk van dat land een tooverformule kon uitspreken, zoodat een groote duisternis heerschen zou en het gedurende 3 dagen en nachten de maan niet zou zien.
De tweede man zei daarop, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij zou maken, dat de Pharaoh naar het Negerland gebracht werd en daar, voor het gezicht van het geheele volk, vijfhonderd slagen ontvangen zou; daarna zou hij binnen zes uur naar zijn land teruggebracht kunnen worden.
Hierna sprak de derde man en zei, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij over het Egyptische land een verderf zou zenden, voor den tijd van drie jaar. Toen de koning dat hoorde, beval hij, dat deze drie mannen voor hem gebracht werden.
Hij zei tot hen: "Wie uwer beweerde, dat hij kon maken, dat het volk van Egypte de maan, gedurende drie dagen en nachten, niet zou zien!" Zij antwoordden, dat het Horus was, de zoon van Tririt (zeug).
Wederom sprak de koning: "Wie uwer zei, dat hij kon maken, dat de koning van Egypte hierheen gebracht werd?" Zij antwoordden, dat het Horus, de zoon van Tnahsit, (de negerin) was.
Daarop sprak de koning: "Wie uwer beweerde, dat hij over Egypte een verderf zou zenden." En zij zeiden, dat dit Horus, de zoon van Triphit (de prinses) was.
Daarop verzocht de koning Horus, den zoon van Tnahsit, naderbij te komen en sprak tot hem: "Bij Amen, den stier van Meroe, indien gij dat, wat gij gesproken hebt, vervullen kunt, zult gij rijkelijk beloond worden."
Horus, de zoon van Tnahsit, vervaardigde daarop een draagbaar en vier dragers, van was. Over dezen sprak hij tooverwoorden uit, ademde over hen en gaf hun leven; ten slotte verzocht hij hen, op weg naar Egypte te gaan en den koning naar dit land mede te brengen, om vijfhonderd slagen met de zweep, voor het gezicht van den Negerkoning, te ontvangen."
Hier hield Se-Osiris even op, richtte zich tot den Aethiopiër en sprak: "De vloek van Amen valle op U! Zijn de woorden, welke ik sprak, niet in den brief, welken gij in Uw hand houdt, geschreven?" De schelmachtige Aethiopiër boog diep voor hem en zeide: "Zij zijn werkelijk daarin geschreven, Heer!"
Hierna hervatte Se-Osiris het lezen van het tooververhaal:
"Alles geschiedde, zooals Horus, de zoon van Tnahsit, bepaald had. Door tooverkracht werd de Pharaoh naar het Negerland gevoerd en onderging daar vijfhonderd zweepslagen. Hierop werd hij naar Egypte teruggebracht en toen hij den volgenden morgen, in den tempel van Horus, ontwaakte, gevoelde hij hevige pijn, daar zijn lichaam gekneusd was.
Verbijsterd vroeg hij zijn hovelingen, hoe zoo iets in Egypte had kunnen gebeuren. Denkende, dat de koning plotseling waanzinnig geworden was en zich nog over hun gedachten schamend, spraken zij op liefkozende wijze tot hem en zeiden, dat de groote goden zijn smart zouden genezen. Zij vroegen hem tevens de beteekenis van zijn vreemde woorden en plotseling herinnerde hij zich alles, wat hem overkomen was en vertelde dit aan zijn hovelingen.
Tooverkunst tegenover Tooverkunst.
"Toen zij zijn gekneusd lichaam zagen, schreeuwden zij luid. Hierop liet de Pharaoh zijn oppertoovenaar halen en deze riep terstond uit, dat het ongeluk en de droefheid van den koning aan de tooverkunst der Aethiopiërs te wijten waren.
"Bij het leven van Ptah", ging hij voort, "ik zal hen tot pijniging en kwelling brengen."
De Pharaoh verzocht hem daarop, haast te maken, uit vrees, dat hij den volgenden nacht weer weggevoerd zou worden. De oppertoovenaar bracht zijn geheime boeken en amulets naar de plaats, waar de Pharaoh lag en sprak tooverwoorden en tooverformules uit.
Daarop scheepte hij zich, met veel geschenken, in en haastte zich, den tempel van Khmounon te bereiken; hier bad hij tot god Thoth, dat al het kwaad van den Pharaoh en het Egyptische land afgewend zou worden. Dien nacht sliep hij in den tempel en in een droom verscheen Thoth hem en onderrichtte hem in de goddelijke tooverkunst, welke den koning tegen de listen der Aethiopiërs beschermen moest.
Bij zijn ontwaken herinnerde de toovenaar zich alles en, zonder een oogenblik te verliezen, vervulde hij alles, wat hem in den droom verteld was. Daarop schreef hij het tooverformulier, om den Pharaoh tegen alle toovenarij te behoeden.
Op den tweeden dag deden de Aethiopiërs hun best, hun betoovering te hernieuwen, doch thans was alles, wat zij tegen den Pharaoh ondernemen wilden, zonder uitwerking. Den derden morgen vertelde de Pharaoh alles, wat gedurende den nacht geschied was en hoe de Aethiopiërs in hun pogingen gefaald hadden.
Daarop maakte de toovenaar een draagbed en vier dragers, van was. Hij sprak een tooverspreuk over hen uit, blies hun leven in en verzocht hen, den koning van de Negers voor den Pharaoh te brengen, om vijfhonderd slagen te ondergaan en vervolgens weer naar zijn land teruggebracht te worden. De figuren van was beloofden alles, wat de toovenaar hen bevolen had."
Wederom hield Se-Osiris op en wederom vroeg hij den Aethiopiër, of zijn woorden niet die van den verzegelden brief waren. De Aethiopiër boog zich diep ter aarde en zei, dat het inderdaad de woorden van den brief waren.
Se-Osiris begon thans opnieuw de verborgen woorden op te lezen.
"Zooals het den Pharaoh overkomen was, zoo was ook het noodlot van den koning der Negers; deze ontwaakte eveneens den volgenden morgen met gekneusde ledematen. Luid riep hij zijn hovelingen en toen dezen den toestand, waarin hun koning zich bevond, zagen, begonnen zij heftig te schreeuwen. Nogmaals riep hij en beval, dat Horus, de zoon van Tnahsit, voor hem gebracht zou worden.
Toen deze gekomen was, dreigde hij hem en beval hem, naar Egypte te gaan en daar te leeren, hoe hij van de tooverkunsten van den oppertoovenaar van den Pharaoh, bevrijd zou kunnen worden.
Geen tooverformule echter, door den Aethiopiër bedacht, kon den koning tegen de tooverkunsten der Egyptenaren beschermen en driemaal werd hij naar dat land gebracht en vernederd, terwijl zijn lichaam hevig pijn deed, zoo vreeselijk was het gekneusd.
Daarop vervloekte hij Horus en dreigde hem met een langzamen en vreeselijken dood, als hij hem niet tegen Pharaoh's wraak beschermen kon.
Horus, in vrees en angst, ging thans naar zijn moeder, Tnahsit en vertelde haar alles en zei, dat hij naar Egypte gaan moest, om hem te zien, die deze krachtige betoovering bewerkt had en hij moest trachten, hem op passende wijze te straffen.
Toen zijn moeder, Tnahsit, dit hoorde, waarschuwde zij hem er voor, in de tegenwoordigheid van den oppertoovenaar van den Pharaoh te komen; tegen hem toch zou hij nooit opgewassen zijn, doch steeds de nederlaag lijden.
Hij antwoordde echter, dat hij gaan moest. Zij spraken daarop met elkaar af, dat hij, door middel van teekens, haar zou laten weten, hoe het hem ging en indien hij in gevaar verkeerde, zou zij trachten, hem te redden. Aldus beloofde hij en zei, dat als hij overwonnen werd, dat, wat zij at en dronk en de lucht boven haar, in bloed veranderen zou.
De Strijd in Betoovering.
Hierna reisde hij naar Egypte en spoorde hem, wiens tooverkunsten de zijne overwonnen hadden, op. Hij drong door naar de audiëntie-zaal van den koning, ging voor den Pharaoh staan en riep met luide stem: "Wie onder u spreekt tooverspreuken over mij uit?"
De oppertoovenaar van den Pharaoh riep van zijn kant uit: "Ha, zijt gij de Aethiopiër, die kwaad verzon tegen den Pharaoh? En Horus, de zoon Tnahsit, begon in zijn angst teschreeuwen en deed in het midden van de hal een groote vlam opstijgen, door middel van een tooverspreuk; hierop riepen de Pharaoh en de Egyptenaren hun toovenaar luide toe, hun te hulp te komen. Deze liet daarop door zijn tooverkracht een regenbui neervallen, zoodat de vlam gedoofd werd. Ook de Aethiopiër echter, liet zijn tooverkunst werken en hierdoor bewerkte hij, dat een groote duisternis op hen allen neerviel, zoodat zij elkaar niet konden zien, doch ook deze werd door den Egyptenaar weggevaagd. Daarop volgden nog meer machinaties van Horus, den zoon van Tnahsit; telkens echter werd hij overwonnen. Ten slotte vroeg hij vergiffenis en beloofde plechtig, dat hij nooit meer Egypte, of den Pharaoh verontrusten zou. Zij gaven hem daarop een boot en zonden hem naar zijn eigen land terug. Zoo werden de tooverkunsten der Aethiopiërs tot niets teruggebracht".
Hiermede eindigde Se-Osiris het lezen van den verzegelden brief. Daarop begon hij aan allen, die daar aanwezig waren, den Pharaoh, de prinsen en de edelen, te openbaren, dat de Aethiopiër, dien zij voor zich zagen, niemand anders was dan Horus, de zoon van Tnahsit, na vijfhonderd jaar teruggekeerd, om Egypte en den Egyptischen koning, nogmaals te verontrusten.
Hij zelf echter, Se-Osiris, was voor dezen dag geboren, want hij was de vroegere oppertoovenaar van den Pharaoh Manakhpre, die nog eenmaal teruggekomen was, om den Pharaoh tegen de listen der Aethiopiërs te beschermen.
Tegelijk, dat hij deze woorden sprak, deed hij een groote vlam opstijgen, om den Aethiopiër te verteren, daar, in het midden van de audiëntie-zaal, zoodat er geen spoor meer van hem overbleef.
Toen zij echter hierop naar Se-Osiris omkeken, was hij, als een schaduw, voor de oogen van den Pharaoh en zijn vader Setne verdwenen en nooit heeft men hem weergezien.
Ieder was ten hoogste verbaasd over hetgeen gebeurd was en Pharaoh zei, dat Se-Osiris de wijste en de verwonderlijkste van alle toovenaars was en dat de wereld zijns gelijke nooit zien zou.
De harten van Setne en zijn vrouw waren echter bedroefd over het verlies van hun zoon, Se-Osiris. Hierna echter werden zij wederom getroost, want de vrouw van Setne baarde een zoon en dezen noemden zij Ousimanthor. Zoo werd het hart van Setne weer verheugd en hij bracht offers aan de nagedachtenis van Se-Osiris.
Hoe Setnau de Assyriërs overwon.
Na de regeering van Amasis, besteeg een priester van "Vulcanus", Setnau genaamd, den troon. Deze koning nu behandelde het leger met minachting, want hij dacht, dat hij het niet noodig had. Onder andere onrechtvaardige daden, eigende hij zich 't land toe, dat vroegere koningen aan het leger gegeven hadden.
Het geschiedde nu, dat, toen Sennacherib, koning der Arabieren en Assyriërs, zijn strijders tegen Egypte voerde, de Egyptische soldaten weigerden te strijden, om hen af te weren.
Setnau, aldus tot moedeloosheid gebracht, ging naar den tempel en bad tot de goden, hem in zijn groote verlegenheid te helpen. Terwijl hij aldus verontrust was, overviel hem de slaap en in een droom scheen het hem toe, dat de god zelf hem verscheen en hem aanspoorde, goeden moed te houden, terwijl hij zei, dat alles in den strijd tegen de Assyriërs goed zou afloopen.
Door dezen droom ten zeerste versterkt, deed hij een beroep op hen van het leger, die hem volgen wilden en dezen kampeerden bij Pelusium, den voornaamsten toegangsweg naar Egypte. Niet alleen soldaten volgden hem, doch ook kooplieden, kunstenaars en de eerste de beste personen.
Toen nu de Assyriërs de stad belegerden en zij in het veld gekampeerd waren, knaagde des nachts een leger van ratten alle pijlkokers, bogen en monteeringen der schilden door en verslond dezen, zoodat, toen zij den volgenden morgen strijden wilden, zij zonder wapens waren.
Aldus weerloos, vluchtten vele der vijanden en verscheidene kwamen om.
Nu nog bevindt zich in den tempel van Vulcanus een steenen beeltenis van dien god, die een rol in de hand houdt, en het opschrift daarop luidt: "Wie mij ziet, ziet God".
De Boer en de Werkman.
Een verhaal uit de 9e dynastie, dat, naar men uit het groot aantal, nog bestaande copieën, kan opmaken, zeer populair geweest schijnt te zijn, verhaalt ons, hoe een boer, die beroofd was, er in slaagde, recht te krijgen. Gerechtigheid kon men in Egypte niet gemakkelijk verkrijgen in die tijden, want het schijnt een vereischte geweest te zijn, dat een boer, door bijzondere middelen, de aandacht van den rechter trok, om kans te hebben, dat zijn zaak verhoord werd.
De geschiedenis nu luidt aldus:
In het Zoute Land woonde een sekhti (boer) met zijn familie. Hij leefde van handel met Henenseten in zout, natron, bier en andere producten van zijn land en op zijn reis daarheen, moest hij door de landen van het huis van Fefa gaan.
Nu woonde daar, bij het kanaal, een man, Tehuti-nekht genaamd, de zoon van Asri, een lijfeigene van den hoogen rentmeester Meruitensa.
Tehuti-nekht had zoo'n groot stuk van den weg in beslag genomen (immers in Egypte worden de wegen en paden niet, zooals in andere landen, door de wet beschermd), dat er slechts een smalle strook overgelaten werd, met het kanaal aan de eene, en een korenveld aan de andere zijde.
Toen Tehuti-nekht den boer, met zijn beladen ezels, naderen zag, begeerde zijn boos hart de dieren en de waren, welke zij droegen, te bezitten en hij riep de hulp der goden in, om hem een weg te openen, de bezittingen van den sekhti te stelen.
Het volgende listige plan bedacht hij thans. "Ik zal een doek nemen, aldus redeneerde hij bij zichzelf en dezen op het pad uitspreiden. Als de sekhti nu zijn ezels daarover drijft (en een andere weg is er niet), zal ik gemakkelijk twist met hem kunnen zoeken". Zoo gezegd, zoo gedaan. Een dienaar nam, op Tehuti-nekht's verzoek, een doek, en spreidde dezen over het pad, zoodat het ééne einde daarvan in het water en het andere in het koren hing.
Toen de sekhti naderbij kwam, dreef hij zijn ezels over den doek, immers, hij had geen andere keus.
"Houd op, riep Tehuti-nekht met goed geveinsde woede, je bent toch niet van plan, je dieren over mijn doek te drijven?"
"Ik zal trachten dit te vermijden," zei de grootmoedige boer en hij liet zijn volgende ezels, meer zijwaarts, door het koren, gaan.
"Ben je van plan, je ezels door mijn koren te drijven?" zei Tehuti-nekht, nog boozer dan zoo even.
"Er is toch geen andere weg", zei de boer in zijn verwarring. "Je hebt den weg door je doek versperd en op jouw bevel moet ik dit pad verlaten".
Terwijl de twee hierover twistten, nam één van de ezels zijn bek vol koren; hierop braken Tehuti-nekht's klachten opnieuw uit.
"Zie eens", schreeuwde hij, "je ezel eet mijn koren op; ik zal hem in beslag nemen en hij zal voor den diefstal betalen".
"Moet ik, in de landen van den rentmeester Meruitensa, mij laten berooven, hij, die roovers zoo streng straft? Kom, ik zal naar hem gaan. Hij zal deze misdaad van jou niet dulden".
"Denk je, dat hij naar jouw klachten zal luisteren", snauwde Tehuti-nekht. "Wie zal op jouw ongeluk, arm als je bent, letten? Kijk, ik ben de rentmeester" en terwijl hij dit zeide, sloeg hij den sekhti hevig, nam al zijn ezels en dreef dezen de weide in.
Tevergeefs weende de sekhti en smeekte hem, zijn eigendom terug te geven. Tehuti-nekht beval hem, zich stil te houden en dreigde, hem naar den Demon der Stilte te zenden, indien hij met klagen voortging. Desniettemin verzocht de sekhti hem een dag uitstel. Tenslotte zag hij in, dat hij zijn tijd verspilde en nam zijn toevlucht tot Henen-ni-sut en legde den rentmeester Meruitensa zijn zaak bloot.