Part 17
Daarna gingen de hovelingen naar de plaats, waar de koning lag en zeiden: "O machtige heerscher, welke wensch koestert de koning?" De koning antwoordde: "Het is mijn wensch en genoegen, mijzelf dronken te maken. Is er onder u niemand, die mij een geschiedenis kan vertellen, welke mij uit den slaap kan houden?"
Nu bevond er zich onder de hovelingen een hoog ambtenaar, Peun genaamd; deze kende vele verhalen. Hij ging voor den koning staan en begon aldus te vertellen: "Machtige koning, kent gij de geschiedenis van den jongen zeeman niet? In de dagen van Psammetichus leefde een jong zeeman en deze was gehuwd. Een ander zeeman werd op de vrouw van eerstgenoemden verliefd en zij beantwoordde zijn liefde. Het gebeurde nu, dat de koning hem tot zich riep. Toen het feest voorbij was, beving hem een groote begeerte (hier volgt in den tekst een hiaat) en hij wenschte nogmaals naar den koning te gaan. Hij keerde naar huis terug, wiesch zichzelf met zijn vrouw, doch kon niet als vroeger drinken. Toen het tijd geworden was te gaan slapen, kon hij den slaap niet vatten, vanwege het groote verdriet, dat hem drukte. Daarop vroeg zijn vrouw hem: "Wat is bij u de rivier overkomen?".....
Het is ten zeerste te bejammeren, dat de rest van den tekst hier ontbreekt en wij niet nauwkeurig kunnen vertellen, op welke wijze het verhaal van datgene, wat koning Psammetichus overkwam, Amasis stichtte.
Tooververhalen.
Zooals men verwachten kan, houdt een zeer groot aantal Egyptische verhalen zich met tooverkunsten op. Voornamelijk is dit het geval met den Westcar papyrus, uit plm. 1800 v.C., welke zich thans in het museum te Berlijn bevindt.
Ongelukkigerwijze zijn het begin en einde van het manuscript gebrekkig tot ons gekomen, doch het overblijvende is voldoende, om ons een indruk te geven aangaande den opzet van het geheel.
Het verhaalt dan, hoe Khufu, of Cheops, de bekende stichter van de groote pyramide bij Gizeh, zijn zoons en raadslieden rondom zich verzamelde en hen vroeg, of iemand van hen in staat was, hem een man aan te wijzen, die hem tooververhalen vertellen kon.
Zijn zoon, Khafra, vertelde, dat hij met zulk een verhaal bekend was; dit was uit de dagen van 's konings voorvader Nebka overgeleverd en behandelde datgene, wat hem overkomen was, toen hij naar den tempel van Ptah van Ankhtaui ging. Op zijn weg naar den tempel, wendde hij zich zijwaarts, om Uba-aner, zijn hoofd-voorlezer te bezoeken. Hij werd door zijn gevolg vergezeld en hieronder bevond zich een page; op dezen werd de vrouw van Uba-aner verliefd en zij zond een dienares naar hem toe, met een kist vol prachtige kleeren ten geschenke. Zij ontmoetten elkaar daarna, in het geheim, in een zomerhuis, of paviljoen, in den tuin van Uba-aner en hier dronken ze wijn en waren vroolijk.
De hofmeester van het huis echter, achtte het zijn plicht, zijn meester over deze dingen in te lichten en Uba-aner, een man in tooverkunst ervaren, besloot zich hierop te wreken.
Hij vroeg om zijn kistje, uit ebbenhout en barnsteen vervaardigd en toen men hem dit gebracht had, maakte hij een krokodil van was, 7 vingers lang en sprak over dezen een tooverformule uit.
Tegen den avond ging de page naar het meer, dat in den tuin was, om een bad te nemen; hierop wierp de hofmeester, volgens de bevelen van zijn meester, den krokodil van was achter hem. Plotseling werd deze een groote krokodil, zeven el lang, opende zijn vreeselijken bek, pakte den page beet en sleurde hem mede naar beneden.
Gedurende dezen tijd had de koning bij Uba-aner vertoefd en na verloop van 7 dagen ging hij weer weg. Toen hij op het punt stond, het huis te verlaten, verzocht Uba-aner hem, te komen zien, welk wonder er plaats gegrepen had. Zij gingen naar den oever van het meer, de voorlezer riep den krokodil en deze rees terstond uit het water op, terwijl hij den page vasthield.
"O koning, sprak Uba-aner, deze krokodil zal alles volbrengen, wat ik wensch". De koning verzocht, dat het dier naar het water zou terugkeeren, doch Uba-aner tilde den krokodil met zijn hand op en veranderde hem terstond weer in was.
Daarop lichtte hij den koning over het gebeurde tusschen den page en zijn vrouw in en de vorst beval, verontwaardigd, den krokodil, nogmaals den page te grijpen; deze voerde het bevel terstond uit, dook met zijn prooi onder water en verdween voor altijd. Nebka beval verder, dat de vrouw verbrand en haar asch in de rivier gestrooid zou worden.
Khufu schepte zoozeer in dit verhaal behagen, dat hij beval, dat de schim van Nebka met duizend brooden, honderd teugen bier, een os en twee kruiken wierook begiftigd zou worden en dat de ka van Uba-aner één brood, een kruik bier, een kruik wierook en een portie meel zou ontvangen.
De scheiding van het Water.
Een andere zoon van den koning vertelde hierop een wonderbare geschiedenis, welke in de dagen van koning Seneferu plaats vond.
Seneferu zocht, daar hij zich buitengewoon lusteloos gevoelde en zich verveelde, in ieder vertrek van zijn paleis iets, om zich te amuseeren, doch tevergeefs. Daarom liet hij Zazamankh, zijn voorlezer en schrijver, roepen en hij verklaarde hem zijn toestand.
Zazamankh gaf den koning den raad, een boot te laten klaarmaken en op het meer, voor 't paleis, zich op en neer te laten roeien op het spiegelgladde watervlak, door de koninklijke vrouwen.
Hij vroeg om twintig roeiriemen, met goud ingelegd, van bladen uit licht hout, met barnsteen ingelegd, vervaardigd. Dezen moesten door twintig vrouwen geroeid worden.
Het hart van den koning verheugde zich over deze oefening, doch een van de vrouwen, die de boot stuurde, verloor een juweel van malachiet uit heur haar.
Onmiddellijk hield zij met haar gezang op en eveneens haar metgezellinnen en zij hielden met roeien op. Seneferu vroeg de reden en zij antwoordden: "De vrouw, die stuurt, roeit niet". De koning wendde zich daarop naar de vrouw, die haar juweel verloren had en vroeg haar, waarom zij niet roeide.
"Helaas!" antwoordde zij, "mijn juweel van malachiet is in 't water gevallen en mijn hart is daarover bedroefd". De koning verzocht haar, zich het geval niet al te zeer aan te trekken en beloofde haar een ander er voor in de plaats te zullen geven. Doch op kinderlijke wijze verlangde zij haar eigen juweel terug.
De koning liet thans Zazamankh halen en legde hem de zaak bloot. Deze sprak een krachtige tooverformule uit en zie, het eene deel der wateren werd op het andere gestapeld, zoodat de koning en de roeisters, ver onder hen, het juweel op een stuk aardewerk zagen liggen.
Zazamankh klom hierna uit de boot, bracht het juweel in veiligheid en overhandigde het aan zijn eigenares; hierop beval hij de wateren, weer naar hun plaats terug te keeren.
Deze verrassende daad beurde de harten van het geheele gezelschap op, zoodat zij een vroolijken middag doorbrachten en Zazamankh werd voor zijn tooverkunsten rijkelijk beloond.
De Pharaoh schepte in dit verhaal zoo'n behagen, dat hij het bevel uitvaardigde, aan de schim van Seneferu een offer te brengen, gelijk aan dat van Nebka en tevens, dat de ka van Zazamankh een brood, een kruik bier en een kruik wierook ontvangen zou.
De Profetie van Dedi.
Een derde zoon beweerde, dat hij in 't geheel niet verhalen uit ver vervlogen tijden verhalen wilde, doch dat hij in staat was, een toovergeschiedenis te vertellen van een man, die in den tegenwoordigen tijd leefde.
Zijn naam was Dedi en hij woonde te Dedsneferu. Hij was 110 jaar en at dagelijks 500 brooden en een groot stuk rundvleesch en dronk een honderd teugen bier. Zoo groot was zijn tooverkunst, dat, als het hoofd van een mensch afgesneden was, Dedi hem het leven kon hergeven. Hij kon verder wilde dieren temmen en kende den plattegrond van het huis van Thoth.
De koning, Khufu, nu wenschte den plattegrond te kennen, daar deze hem misschien bij den bouw van zijn pyramide van dienst kon zijn. Khufu beval terstond zijn zoon, Dedi bij hem te brengen en de prins, wiens naam Hordedef [31] was, ging met zijn schip Nijlopwaarts tot de plaats, waar de beroemde toovenaar leefde.
In een draagstoel werd hij naar het huis van Dedi gebracht en dezen vond hij, op een rustbed liggend, bij zijn deur, terwijl hij door zijn dienaren gemasseerd werd.
Hordedef vertelde hem, dat hij van verre gekomen was, om hem naar zijn vader, Khufu, te brengen. Dedi beantwoordde hem met een eervolle begroeting en tezamen gingen zij naar het schip, dat den prins daarheen gevoerd had. Dedi verzocht, hem een boot te geven en tevens, dat zijn jongelingen en boeken hem gebracht zouden worden.
Twee booten werden hem gegeven, waarin dezen geborgen werden en Dedi zelf zat in het schip van den prins. Zonder ongelukken bereikten zij het paleis en hier berichtte Hordedef den koning, dat hij den ouden toovenaar medegebracht had.
De Pharaoh beval, hem terstond bij zich te brengen en toen hij gekomen was, vroeg hij, hoe het kwam, dat hij nooit tevoren van hem gehoord had. Dedi antwoordde: "Hij alleen, die geroepen wordt, komt; de koning roept en zie, ik kom". Khufu vroeg hem daarop: "Is het waar, wat men u verhaalt, dat gij, als het hoofd van een mensch, of dier, afgesneden is, hen weer in het leven kunt terugroepen?" Dedi antwoordde bevestigend.
De koning wilde daarop een gevangene voor zich laten brengen, doch Dedi verzocht, dat men voor dit doel geen man zou gebruiken en zeide: "Wij hebben hiervoor niet eens een stuk van uw rundvee noodig".
Men bracht hem hierop een eend en deze werd den kop afgesneden; haar lichaam werd aan den West-kant van de hal gelegd en haar kop aan den Oost-kant. Dedi sprak thans eenige tooverwoorden uit en zie, de kop van den vogel en het lichaam naderden elkaar en vereenigden zich, de eend stond op en kwaakte! Daarna deed hij hetzelfde met een gans en een os.
Khufu, over het succes van deze proeven verheugd, vroeg daarna Dedi, of hij de afmetingen van het Huis van Thoth kende.
De toovenaar antwoordde, dat hij het getal hiervan weliswaar niet kende, doch dat hij wel wist, waar zij waren.
De Pharaoh vroeg toen, of hij de plaats kende, waar zij verborgen waren en hoorde, dat zich in een kamer te Heliopolis, de schetsenkamer genaamd, een kast van slijpsteen bevond, waarin de afbeeldingen verborgen waren, doch Dedi voegde er terstond aan toe: "O koning, niet ik zal u bij dezen brengen". "Wie zal dan", vroeg Khufu, "mij daarheen geleiden?" Het antwoord van Dedi luidde: "De oudste van de kinderen van Rud-didet zal u tot hen brengen". "Wie is Rud-didet?" vroeg Khufu. "Zij is de vrouw van een priester van Ra, heerscher van Sakhebu. Haar drie zonen zijn de zonen van Ra, den god en deze heeft hun beloofd, dat zij over dit geheele land regeeren zullen en dat de oudste hoogepriester in Heliopolis zou worden".
Op het hooren hiervan, werd het hart van den koning zeer in verwarring gebracht en Dedi, die zag, dat de koning voor de toekomst bevreesd was, sprak tot hem: "Wees niet bevreesd over hetgeen ik gezegd heb, o koning, want uw zoon zal heerschen en diens zoons, voordat de zoons van Rud-didet zullen regeeren; dit kroost van Ra is nog niet geboren!
Khufu gaf daarop den wensch te kennen, den tempel van Ra te bezoeken, wanneer de dammen van het kanaal van Letopolis opengelegd waren en Dedi beloofde, dat de oevers van het kanaal tenminste 4 el water zouden bevatten.
De toovenaar werd daarna in het paleis van Hordedef gehuisvest en dagelijks van 1000 brooden, honderd teugen bier, een os en honderd bossen uien voorzien.
Het Bezoek der Godinnen.
Toen de zoons van Ra en Rud-didet nu geboren waren, vroeg deze god Isis, Nebhat, Meshkent, Hakt en Khnumu, naar haar toe te gaan en terwijl zij allen de gedaante van danseressen aannamen, behalve Khnumu, die haar als drager volgde, daalden zij naar de aarde af en begaven zich naar het huis van den priester Ra-user, den echtgenoot van Rud-didet en speelden voor hem op hare muziekinstrumenten.
Zij begiftigden de kinderen met verschillende eigenschappen en noemden hen User-ref, Sah-ra en Kaku. Hierop verlieten zij het huis en wenschten Ra-User geluk. Als belooning voor haar goede wenschen, gaf hij haar een schepel gerst en Khnumu plaatste deze op zijn hoofd. Toen zij echter op weg waren naar hun goddelijke woonplaats, zei Isis tot de anderen: Zou het niet beter geweest zijn, indien wij een wonder voor deze kinderen verricht hadden? De anderen vonden dit eveneens en terstond maakten zij een afbeelding van de kronen van Egypte, van de kroon van het Boven-land en van de kroon van het Beneden-land en verborgen dezen in het schepel gerst.
Daarna keerden zij naar het huis van Ra-user terug en vroegen toestemming, de gerst in een afgesloten kamer achter te laten, deze verzegelden zij en namen hierop afscheid.
Eenige weken later vroeg Rud-didet haar kamenier, of het huis en alles, wat zich daarin bevond, zich in goeden toestand bevond; de kamenier antwoordde, dat alles in voldoende hoeveelheid voorhanden was; alleen de gerst, om te brouwen, was nog niet gebracht.
Haar meesteres vroeg haar daarna, waarom dit niet geschied was; de vrouw antwoordde, dat de voorraad aan de danseressen, die op den geboortedag van haar kinderen gekomen waren, gegeven was, doch dat deze nog in de afgesloten kamer lag, door haar verzegeld.
Rud-didet beval daarop deze voor het oogenblik te gebruiken; Ra-user zou het voor haar terugkeer wel kunnen teruggeven.
Het meisje opende de kamer en was, toen zij de kamer binnentrad, ten hoogste verbaasd, menschen te hooren praten en zingen; ja, zij hoorde zelfs muziek en het geluid van dansen, zooals men in het paleis van den koning hoort.
Terstond keerde zij naar haar meesteres terug en vertelde haar, wat zij gehoord had. Rud-didet trad thans zelf de kamer binnen en hoorde eveneens de geluiden, doch kon de plaats, vanwaar zij kwamen, niet direct vinden. Ten laatste legde zij haar oor tegen den zak, welke de gerst bevatte en bevond, dat het geluid hieruit kwam.
Terstond deed zij den zak in een kist en plaatste deze voor alle zekerheid nog in een andere kist, bekleedde deze met leer en plaatste deze in een voorraadkamer, terwijl zij haar bovendien, uit voorzorg, verzegelde; toen Ra-user terugkeerde, vertelde zij hem wat er voorgevallen was.
Eenige dagen later berispte Rud-didet, om een af andere reden, haar dienstmaagd en liet haar zelfs slaag geven; de meid morde en zei tot haar metgezellinnen: "Waarom moet ik me dit laten welgevallen? Ik zal naar koning Khufu gaan en hem vertellen, dat de drie zonen van mijn meesteres bestemd zijn, koning te worden."
Zij nam hierop haar oom in vertrouwen; deze echter wilde naar haar verraad niet luisteren en gaf haar zelfs een slag met een bundel vlas, welke hij toevallig in de hand had.
Daar zij zich uitgeput voelde, ging zij naar de rivier, om een teug water te drinken; zij werd echter door een krokodil gegrepen, die haar meesleurde.
Haar oom bracht daarop een bezoek bij Rud-didet en vond haar in zeer neerslachtigen toestand. Hij vroeg haar, waarom zij zoo terneergeslagen was en zij antwoordde, dat zij verraad van de zijde van haar kamenier vreesde.
"Gij behoeft niet meer voor haar te vreezen", antwoordde de man, "want zij is door een krokodil gegrepen."
Hier laat het manuscript ons in den steek. Het is te bejammeren, dat een zoo interessante huishoudelijke passage voor ons niet gespaard is.
De drie koningen, wier namen in de geschiedenis als de drie zonen van Rud-didet verschijnen, regeerden onder de 5e dynastie, zoodat men moeilijk kan aannemen, dat zij in de 4e geboren kunnen zijn.
Misschien heeft het verhaal de officieele aanneming van de Ra-vereering in Egypte tot grondslag. Men kan opmerken, dat de drie werkelijke namen van de drie kinderen, User-ref, Sah-ra en Kaku, als een woordspeling op de namen van de eerste drie koningen van de 5e dynastie, User-kaf, Sahu-ra en Kaka, bedoeld zijn.
De geschiedenis van kinderen, die door het noodlot aangewezen waren, den troon te bestijgen, komt in alle mythologieën voor en het is onvermijdelijk, dat de vorst, wiens geslacht door hen vernietigd zal worden, een poging doet, om hen te vernietigen, terwijl zij nog in de wieg liggen. De Grieksche Danaë-mythe en de oude romance van Torrent van Portugal zijn voorbeelden hiervan. De middeleeuwsche romantiek is inderdaad vol van zulke geschiedenissen, doch dit is waarschijnlijk het oudste voorbeeld, dat wij kennen.
Lyriek en Volks-poëzie.
Egypte was niet zonder lyriek en volks-poëzie; de romantiek was echter niet het fort der Egyptenaren.
Het is echter opmerkelijk, dat de meeste Oostersche volkeren onder hun werk zingen en het zou vreemd zijn, indien de werkman, aan de oevers van den Nijl, dit niet eveneens gedaan zou hebben.
De fellah, van onze dagen, zingt op eentonige wijze en zonder ophouden, terwijl hij zwaren arbeid verricht, en dezelfde woorden en muziek telkens en telkens herhaalt; de schrijvers van het oude Egypte echter, beschouwden den volkszang als ongeschikt, aan het nageslacht over te leveren.
Soms kan men een gezang op de inscriptie van een muur terugvinden. De schaapherder, die door de half ondergeloopen velden waadt en zijn kudde voor zich uitdrijft, zingt: "In het water wandelt de schaapherder, temidden der visschen. Hij spreekt met de katvisch; met de visschen wisselt hij een groet".
Wij bezitten tevens een dorschlied, dat aldus luidt: "Dorsch, o os; dorsch voor u zelf. Dorsch stroo voor uw voer en graan voor uw meester. Rust niet, want de lucht is vandaag koel".
Ook eenige minneliederen zijn over. Dezen waren waarschijnlijk zeer talrijk. Voor het meerendeel zijn zij heftig en hartstochtelijk. Drie collecties minneliederen, ongeveer uit 1200 v.C., zijn opgegraven; een van dezen wordt door een papyrus, welke zich thans in het Britsch Museum bevindt, ingenomen.
Op een zuil, in het Louvre, wordt de lof van de vrouw van een koning, plm. uit 't jaar 700 v.C., aldus bezongen:
"Zij is bevallig en lieflijk in tegenwoordigheid van den koning, bevallig en lieflijk voor alle menschen; de beminde boven alle vrouwen, de dochter van den koning, die bevallig en lieflijk is. De schoonste onder de vrouwen, een meisje, wiens gelijke men nooit zag. Heur haar is donkerder dan de duistere nacht, donkerder dan de bes van de zwarte aalbessenstruik. Haar tanden zijn harder dan de vuursteen aan den sikkel, elk van haar borsten is een krans van bloemen, zich strak aan haar arm zich aansluitend".
De ware Geschiedenis van Setne en zijn zoon Se-Osiris [32].
Deze bovenstaande geschiedenis werd ontdekt, op papyri geschreven, welke tot het Britsch museum behooren. In 1900 werd een Engelsche vertaling door Griffiths uitgegeven en in 1901 een Fransche, door Maspero. Zij is geschreven aan de achterzijde van eenige Grieksche officieele documenten en dateert uit het 7e jaar van Claudius' regeering.
De papyrus is zeer verwaarloosd en beplakt; hij is incompleet en het begin der geschiedenis is verdwenen. Men zou uit het schrift kunnen vermoeden, dat de copie tot de 2e helft van de tweede eeuw van onze jaartelling behoort. De Setne, waarover gesproken wordt, is dezelfde, die in de geschiedenis van Setne en de Mummies voorkomt, waarover in het hoofdstuk over de Magie verhaald wordt.
Er leefde eens een koning, Ousimares genaamd en hij had een zoon, Setne. Deze zoon was een schrijver, zeer bekwaam met zijn handen in alle dingen en hij muntte boven alle mannen, die in kunst volleerd waren en onder de bekende schrijvers van Egypte, uit.
Het gebeurde nu, dat de bestuurders van een vreemd land een bode naar den Pharaoh zonden en hem uitdaagden, iemand te vinden, die een bepaald iets, onder bepaalde omstandigheden kon verrichten. Indien dit gedaan werd, zouden de bestuurders de minderheid van hun land, ten opzichte van Egypte, erkennen; doch indien, aan den anderen kant, geen enkele schrijver of wijs man, dit kon vervullen, dan zouden zij de minderheid van Egypte uitroepen.
Ousimares riep thans zijn zoon Setne en herhaalde deze woorden; Setne antwoordde terstond op datgene, wat de aanvoerders opgegeven hadden, zoodat de laatsten genoodzaakt werden, de voorwaarden uit te voeren en de superioriteit van Egypte te erkennen. Aldus werden zij van hun triumf beroofd, zoo groot was de wijsheid van Setne en niemand dorst nog eens zulke boodschappen naar den Pharaoh te zenden.
Setne nu en zijn vrouw, Mahitouaskhit, waren zeer verdrietig, want zij hadden geen zoon. Op zekeren dag was hij, meer dan gewoonlijk, verdrietig; zijn vrouw begaf zich daarom naar den tempel van Imhetep en bad tot hem alsvolgt: "Wend Uw gezicht tot mij, Imhetep, zoon van Ptah, Gij, die wonderen verricht en die wel doet in alle opzichten. Gij kunt een zoon geven aan hen, die kinderloos zijn. Verhoor mijn gebed en sta toe, dat ik een zoon baar."
In dien nacht sliep Mahitouaskhit in den tempel en daar droomde zij, dat men haar beval, een toovermiddel gereed te maken en vertelde, dat haar wensch, een zoon te krijgen, op deze wijze vervuld zou worden.
Toen zij ontwaakte, herinnerde zij zich voortdurend haar droom en binnen eenigen tijd werd het bekend, dat haar en Setne een kind geboren zou worden en deze vertelde het vol vreugde aan den Pharaoh, terwijl hij aan zijn vrouw een amulet gaf, om haar te beschermen en tooverformules over haar uitsprak.
In zekeren nacht droomde Setne en een stem zeide tot hem: "Mahitouaskhit, uw vrouw, zal een zoon voortbrengen en door hem zullen in het Egyptische land veel wonderen geschieden. De naam van uw zoon zal zijn Se-Osiris. Toen Setne ontwaakte en zich deze woorden herinnerde, was hij zeer verheugd in zijn hart.
Se-Osiris.
Na een tijd werd een zoon geboren en, in overeenstemming met den droom, werd hij Se-Osiris genoemd. Het kind ontwikkelde zich snel, meer dan de andere kinderen en Setne beminde hem zoo teeder, dat er bijna geen uur voorbijging, of hij zag zijn zoon.
Na verloop van tijd werd hij naar school gezonden, maar spoedig bemerkte men, dat hij meer wist, dan de meester hem leeren kon. Hij begon de toover-papyri met de priesterschrijver in "Het dubbele huis des Levens" van den tempel van Ptah te lezen en zijn geheele omgeving verbaasde zich ten zeerste over hem. Setne was hierover zoo verheugd, dat hij zijn zoon naar den Pharaoh geleidde, naar het feest, opdat alle toovenaars van den koning met hem zouden wedijveren en hun minderheid zouden erkennen.
Op zekeren dag, toen Setne met zijn zoon zich voor het feest gereedmaakte, stegen er buiten luide jammerklachten op en toen Setne van uit het terras van zijn vertrekken uitkeek, zag hij, dat het lijk van een rijk man, onder groote eerbewijzen en luide jammerklachten, naar de bergen gevoerd werd, om begraven te worden. Even later keek hij nog eens naar buiten en zag toen, dat men het lichaam van een landbouwer, in een mat van stroo gehuld, voorbij voerde, zonder dat iemand het vergezelde, om hem te beklagen.
Toen Setne dit zag, riep hij uit: "Bij het leven van Osiris, den god van Amenti, moge ik naar Amenti komen, zooals deze rijke man, geëerd en beklaagd en niet als de landbouwer, alleen en reeds vergeten!"
Toen Se-Osiris dit echter hoorde, zei hij: "Neen, vader, moge het lot van den armen man liever het uwe zijn en niet dat van den rijken man!"
Setne was hierover verbaasd, zelfs beleedigd en schreeuwde: "Zijn dit woorden van een zoon, die zijn vader liefheeft?" Se-Osiris antwoordde hem: "Mijn vader, ik zal hen aan u toonen, ieder op zijn plaats, den landbouwer, die onbeweend is en den rijken man, zoo bejammerd!"
Een Visioen van Amenti.
Setne vroeg hem daarop, hoe hij dit vervullen kon. Het kind Se-Osiris begon nu woorden uit de tooverboeken op te zeggen, machtige woorden. Hierop nam hij zijn vader bij de hand en geleidde hem naar een onbekende plaats, in de bergen van Memphis.