# Mythen en Legenden van Egypte

## Part 16

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/mythen-en-legenden-van-egypte-14826/index.md

Het Koptisch is met de letters van het Grieksche alphabet geschreven en het is werkelijk de eenige phase der taal, waar de spelling een zuiver beeld van de uitspraak geeft.

Aan de Grieksche letters werden 6, uit het Demotisch genomen, toegevoegd, om klanken uit te drukken, welke meer in het bijzonder tot de Egyptische taal behoorden. Deze omstandigheid, tegelijk met de Grieksche afschrijving van Egyptische namen en woorden, hebben de eenige bestaande middelen, om tot een nauwkeurige uitspraak der Egyptische taal te komen, aangevuld.

Een reden voor deze onwetendheid was in de omstandigheid gelegen, dat het Egyptisch systeem van schrijven alleen de geraamten der medeklinkers van een woord laat zien, nooit de afwisselingen der klinkers en dikwijls de semi-consonanten weglaat.

De Hieroglyphen.

Het oude Egyptische schriftsysteem schijnt naar alle waarschijnlijkheid zuiver inheemsch te zijn. Zijn begin, ontwikkeling en het algeheele verdwijnen, kan binnen het Nijldal zelf nagegaan worden, hoewel dit door verovering, onder de 18e dynastie, tot Syrië doordrong en zelfs nog verder, om de Egyptische inscripties in dat land te graveeren.

Aan den anderen kant hielden sommige schrijvers het voor mogelijk, dat de Phoenicische kooplieden en die uit de Aegeïsche Zee, uit het Egyptische hieratische schrift, het Phoenicische alphabet, ongeveer 1000 v.C., ontwikkeld hebben.

Het hieroglyphisch karakter was oorspronkelijk een beeldenschrift in zijn eenvoudigste gestalte, doch is meer ingewikkeld geworden in den tijd, dat men er het eerst kennis mede maakt, n.l. in inscripties, welke tot de 1e dynastie behooren.

Het onderging weliswaar eenige veranderingen, doch de laatste vorm, welke het aannam, bleef praktisch onveranderd bestaan vanaf de 4e dynastie, tot het in de 4e eeuw n.C. geheel verdween. In dien tijd was alle kennis van de beteekenis der karakters geheel verdwenen en niet voor de ontdekking van den Steen van Rosette [28] en de ontcijfering van zijn inscriptie in Grieksch en Egyptisch, kon men eenige vordering in het lezen van hieroglyphenschrift maken.

De teekens zijn van tweeërlei soort, een n.l. welke klanken aanduidt en deze is weer in twee soorten onderverdeeld, n.l. de alphabetische en syllabische, en de andere, welke begrippen voorstelt, de z.g. ideografische. Deze laatsten zijn afbeeldingen van de voorwerpen, waarover men spreekt, welke geplaatst worden achter de phonetisch geschreven woorden, als determinatieve, of typische, symbolen. Deze laatsten bestaan weder uit twee soorten, z.g. generieke, een aanwijzing van één klasse, of specifieke, welke een bijzonder voorwerp aanduiden.

Voor de schikking van den tekst is geen bepaalde regel [29]. Men leest het van rechts naar links, van links naar rechts, of in kolommen; terwijl het begin daar is, waarheen de vogel- of dierteekens gericht zijn.

Ongeveer 500 teekens gebruikte men. Hieratisch schrift kan men in de 1e dynastie vinden en dit komt het hieroglyphenschrift zeer nabij; doch ten tijde van het Midden-Rijk is deze gelijkenis verloren gegaan.

Het handelstijdvak der 26e dynastie bracht den demotischen vorm meer tot dagelijksch gebruik en vanaf dezen tijd werd het hieratisch schrift voor het copieeren van godsdienstige, overgeleverde teksten gebruikt op papyrus en langzamerhand werd het alleen door de geleerden begrepen, want in den Ptolemaeëntijd werd, ook al werd de tekst van een koninklijk besluit op een zuil gegrift, welke op een publieke plaats moest gezet worden, een vertaling van het uitgevaardigde besluit, in Demotische teekens, er bij gevoegd.

Zuilen met hieroglyphische, Demotische en Grieksche letters, heeft men gevonden en de meest bekenden van dezen zijn het decreet van Canopu, uit den tijd van Ptolemaeus III (247 v.C.) en de Steen van Rosette, welke men stelt in de regeering van Ptolemaeus V Epiphanes, (205 v.C.).

De inscripties van den laatstgenoemden steen verschaften in den afgeloopen eeuw den sleutel van het geheim van het hieroglyphenschrift en herstelden de wetenschap der oude Egyptische taal en literatuur.

Zooals wij gezien hebben, was het hieroglyphisch schrijfsysteem, lang voor het einde der Romeinsche overheersching, in onbruik geraakt en het wijd en zijd verspreide gebruik van het Latijn en Grieksch, onder de aristocratische en beambtenklasse, had het verdwijnen van het Egyptisch, als staatstaal, veroorzaakt.

Dit kwijnde, tegelijk met de bestudeering der hieroglyphen onder de geleerden en priesters in afgelegen districten, doch in de 4e en 5e eeuw n.C. was het verdwenen.

Toen vond men in 1799 de Steen van Rosette, met zijn inscriptie, bestaande uit 14 regels hieroglyphen, 32 regels Demotisch en 54 regels Grieksch. Door vergelijking en ontcijfering van deze lezingen werd het Egyptisch alphabet ontdekt en aldus vond men den leiddraad van de verlorene gegane taal van Egypte.

Aan Akerblad in 1802, Young in 1818 en Champollion in 1822 moet men de eer geven van deze gewichtige ontdekking, welke de wondervolle beschaving, kunst en literatuur van een groot volk voor ons ontsluierde.

Literatuur.

Indien men de bestudeering der Egyptische teksten met een onderzoek van het Boek der Dooden begint en men zich van diens duistere, hoewel schilderachtige, bladzijden tot de rest der nationale literatuur keert, komt men tot ontgoocheling, want het arbeidsveld der Egyptische letteren toont, hoewel het soms heinde en ver verspreid is, een armoede aan vinding en woordenkeus, welke men bij weinig literaturen, hetzij oude, of moderne, aantreft. In de oudste tijden is de stijl, zooals men verwachten kan, eenvoudig, op het banale af, terwijl later een hooge en gewichtige voornaamheid maar al te dikwijls datgene bederft, wat anders verdienstelijk werk had kunnen zijn.

Documenten, van alle denkbare soort, zijn tot ons gekomen, als brieven van zakenmenschen, wettelijke bescheiden, fragmenten van geschiedkundige berichten, magische papyri, verder werken over kunst, theologie en populaire werken, zelfs proza en poëzie.

De meeste standaardwerken, als spreuken, of leerboeken, zooals die, welke men aan Ptah-hotep en Kagemni toeschrijft, schijnen van hoogen ouderdom geweest te zijn en dateeren niet later dan het Midden-Rijk.

De stijl van dezen werd door de meeste schrijvers nagevolgd, evenals de vorm en de kleur van de hieroglyphen en muurschilderingen ijverig door teekenaars en schrijvers gecopieerd werden.

Amenemhat I schreef een boek, dat op Machiavelli's werk, "de Vorst", gelijkt; het diende om zijn zoon in de voorschriften van een goed bestuur te onderrichten en de voorschriften van Ani aan zijn erfgenaam droegen hetzelfde kenmerk.

In de Egyptische literatuur vinden wij overeenkomst van woordverbinding, evenals bij de Hebreeuwsche gedichten, en herhalingen zijn gewoon.

Philosophische verhandelingen schijnen, hoewel ze zeldzaam over zijn, eenigszins in trek geweest te zijn en de groote levensraadselen schijnen hierbij in den vorm van een dialoog behandeld te zijn. Een papyrus uit het Midden-Rijk (circa 2500 v.C.), welke zich thans in het Berlijnsch Museum bevindt, wisselt breedvoerig van gedachten over het al dan niet geoorloofd zijn van zelfmoord. De disputeerenden zijn een man en zijn khu, of tweede ik.

De man in quaestie schijnt van zijn bestaan genoeg te hebben en heeft het plan opgevat, zichzelf te dooden. Hij is echter voor de toekomst beducht en schijnt te vreezen, dat zijn lichaam verwaarloosd zal worden.

In dit dilemma richt hij zich tot zijn khu en smeekt hem dringend, voor hem de verplichtingen van een verwant te vervullen. De khu echter weigert botweg dit verzoek en raadt den man aan, zijn verdriet te vergeten en zijn leven zoo gelukkig mogelijk te maken. De khu beweert verder, dat na den dood het geheugen van de gestorvenen spoedig verdwijnt en zelfs monumenten van graniet kunnen dit niet lang bewaren.

De man wijst dezen raad vol bitterheid af en roept uit, dat zijn verwanten hem verlaten hebben en dat zijn naam volkomen veroordeeld is; overal worden de fiere zegepraal en de nederige onderdrukt; de slechten bloeien en algemeen ziet men eerloosheid; rechtvaardige en tevreden menschen zijn er niet. De dood schijnt hem zeer aangenaam toe; in zijn kist zal hij omgeven zijn door myrrhe, hij zal in de koele schaduwen kunnen rusten en offeranden zullen hem gebracht worden.

Na deze uitbarsting weerlegt de khu hem niet langer en verzet zich niet meer tegen de plannen van den man en belooft hem, dat, wanneer hij de rust ingegaan is, hij tot hem zal afdalen en zij tezamen een woonplaats in gereedheid zullen brengen.

De Kat en de Jakhals.

Een andere dergelijke discussie, welke amusanter trekken vertoont, vindt men in een lateren Demotischen papyrus; deze is wellicht met Grieksche ideeën geverfd.

Hierbij zijn de disputeerenden een monsterkat, welke de godin Bast voorstelt en een kleine jakhals. De kat bedient zich van orthodoxe gezichtspunten en geeft als haar meening ten beste, dat de wereld door de goden bestuurd wordt; dit kan iemand duidelijk opmaken uit het feit, dat ondeugd overwonnen wordt en de deugd tenslotte overwint.

Zelfs indien een klein lam onrecht aangedaan wordt, zal het aangedane geweld op den man, die het aandeed, terugvallen. Ook al wordt de zon gedurende een tijd door wolken verduisterd, al rolt de donder en al wordt de zonsopgang door den nevel verduisterd, zal toch het daglicht tenslotte doorbreken en de vreugde tenslotte overheerschend zijn.

De jakhals aan den anderen kant is een realist. Volgens hem is op aarde macht recht. De hagedis, beweert hij, verslindt het insect en wordt op haar beurt de prooi van de vleermuis en deze wordt weer door de slang verzwolgen en op deze schiet weer de havik neer. De natuur is steeds in strijd.

Het schema van de redeneering van den jakhals herinnert ons aan een, welke door Darwin ontwikkeld wordt in zijn theorie over het overleven van de krachtigste individuen: "De natuur bekommert zich niet om het leven van een enkele."

Hoe kan nu de zondaar gestraft worden en welke smeekbede kan hem afschrikken? De strijd tusschen de twee dieren wordt heeter; zij brengen verschillende spreekwoorden en fabels aan, om de verschillende punten der discussie te illustreeren en soms ook beginnen zij zich tegenover de goden zelf te beklagen.

De schrijver heeft klaarblijkelijk een voorliefde voor den jakhals en diens spitsvondige redeneering brengt de kat soms tot razernij. Het is echter zeer jammer, dat de tekst slecht overgeleverd is en verschillende passages buitengewoon duister zijn; doch het verhaal kan dienen als een oud voorbeeld voor den nooit eindigenden strijd tusschen den optimist en pessimist.

Reisverhalen.

De interessantste passages in de Egyptische literatuur zijn die, welke zich met reizen en avonturen bezighouden. De inboorlingen van Egypte waren in het geheel geen reizigers en beperkten hun reizen voor het meerendeel tot den omtrek van hun eigen land en soms zelfs tot hun eigen nomen, of provincies.

Het leek hun een heele onderneming, de oevers van Khemi te overschrijden. Het was echter noodzakelijk, dat er gezanten gezonden werden naar de omliggende staten en dat de opgelegde belasting ingevorderd werd. Toen de voordeelen van den handel meer en meer in het oog vielen, baanden de kooplieden zich meer een weg naar de naburige landen en misdadigers onttrokken zich door de vlucht aan hun straf. Zij, die een tijd op reis waren geweest, hadden de gewoonte, hun vrienden en buren bij zich te vereenigen en hen op een verhaal van hun wederwaardigheden te onthalen. Sommige van deze verhalen zijn in den besten stijl van John Maundeville geschreven, terwijl andere eenvoudige en nauwkeurige verhalen van mogelijke gebeurtenissen zijn.

De Geschiedenis van Saneha.

Een van dezen, de geschiedenis van Saneha, dateert uit het Midden-Rijk en was gedurende minstens 1000 jaar zeer populair. Het is onbekend, of de hoofdpersoon werkelijk bestaan heeft, of gefingeerd is, daar de naam in dien tijd een heel gewone was.

Saneha nu was een ambtenaar onder den eersten koning der 12e dynastie, Amenemhat I. Toen Amenemhat stierf en zijn zoon Senusert I [30] den troon beklom, verborg hij zich, op gevaar af ontdekt te worden, op een plaats, waar dichtbij een zeker gezantschap in het geheim ontvangen werd, terwijl zijn koninklijke gebieder wenschte, dat het daar behandelde onbekend zou blijven. Uit vrees, dat iemand hem zou gezien hebben, vluchtte hij naar het Oosten, naar de overzijde van de Delta, ging zelfs over de grens, reisde naar de Bittere Meren en hier werd hij door dorst gekweld.

Hij voelde, dat hij spoedig van dorst sterven zou, maar hij riep al zijn geestkracht te hulp, haastte zich verder te komen, hoorde het loeien van een koe en begaf zich in die richting.

Hij zag daarop een koeherder, een man uit de woestijn; deze gaf hem water en gekookte melk en een onderdak onder zijn stam. Saneha echter beschouwde zichzelf niet veilig, indien hij nog dicht bij de grens was en ging verder, naar Boven-Tenu, misschien het Zuiden van Palestina.

Hier ontmoette hij een stam en leefde geruimen tijd onder deze, huwde de oudste dochter van hun opperhoofd, werd rijk aan vee en land en genoot bij hen hooge onderscheiding.

Toen hij echter wat ouder werd, beving hem een vurig verlangen, nog eenmaal zijn Egyptisch vaderland te zien. Met koning Senusert werden onderhandelingen aangeknoopt en deze stond Saneha toe, terug te keeren. De koning ontving hem zeer vriendelijk en zijn Bedouïne-kleeding werd voor kostbare Egyptische kleeren verruild. Een prachtig graf werd voor hem gebouwd en nog eens genoot hij de gunst van den koning.

De papyrus, waarin dit verhaal voorkomt, is van groote waarde, door de levendige beschrijving van het leven der stammen, in Zuid-Palestina, de plundertochten der verschillende volken en het schilderachtig barbarendom der nomaden. Het verhaal wordt echter dikwijls, door storende lofredenen op den koning van Egypte, onderbroken.

De Geschiedenis van den Zeeman, die schipbreuk leed.

Een verhaal uit de 12e dynastie, bekend als de geschiedenis van den schipbreukeling, dat bewaard wordt in de Hermitage Verzameling in Petrograd, vormt hiermede een groote tegenstelling.

Een reizend zeeman, die zijn avonturen aan een meerdere vertelt, verzoekt dezen bij den Pharaoh toegelaten te worden. Zijn meester wilde aan de geschiedenis geen geloof slaan, doch de man verzekerde, dat deze de zuivere waarheid bevatte.

Hij vertelde dan, dat hij een contract aangegaan had, om in de mijnen van den koning te werken; hij had zich daarom ingescheept op een vaartuig, dat 150 el lang en 40 el breed was, bemand met de beste zeelui uit geheel Egypte; hun harten waren sterk, als van leeuwen en zij waren gewoon ontberingen te lijden.

Zij lachten bij de gedachte aan storm, doch toen zij het land naderden, zie, daar stak een heftige wind op en reusachtige golven beukten het schip. De zeeman pakte een stuk hout beet en dat was niets te vroeg, want het schip verging en alle opvarenden verdronken.

Drie dagen lang dobberde hij op de golven en hierna werd hij op een eiland aan land geworpen; hier kroop hij in de schaduw van eenige struiken, waaraan vijgen en druiven groeiden.

Ook slaagde hij erin, meloenen, bessen en graan te vinden en wist hij visschen en vogels te vangen. Besloten daar een tijd te blijven, groef hij een put, stak een vuur aan en bracht een offer aan de goden.

Plotseling deed een vreeselijk lawaai, dat op het gerommel van den donder geleek, hem uit zijn rustige stemming opschrikken. In den beginne dacht hij, dat dit het lawaai van den storm was, doch eindelijk bemerkte hij, dat de boomen schudden en dat de aarde hevig geschokt werd.

Juist voor hem lag een groote slang, dertig el lang, met een baard van een lengte van twee el; zijn rug was met gouden schubben bedekt en zijn lichaam had een kleur van lapis-lazuli.

Hevig verschrikt, wierp de zeeman zich voor het monster ter aarde; dit keek hem een oogenblik met zijn vreeselijke oogen aan, opende hierop zijn reusachtige kaken en sprak hem alsvolgt aan:

"Wat heeft u naar dit eiland gevoerd, gij nietig wezen? Spreek snel en als gij niet iets bericht, waarvan ik nooit tevoren hoorde, of wat ik nooit tevoren kende, zult gij evenals vuur verdwijnen".

Zonder dat het den zeeman tijd gaf, om te antwoorden, tilde het hem in zijn bek op, bracht het naar zijn leger en legde hem daar, zonder hem verder kwaad te doen, zacht neer.

Nog eens vroeg de slang hem, welke macht hem naar dit eiland gebracht had en de zeeman, over alle ledematen bevend, vertelde, dat hij schipbreuk had geleden, toen hij op weg was naar de mijnen van den Pharaoh.

Toen de slang dit hoorde, spoorde zij hem aan, goeden moed te houden en niet bevreesd te zijn; God had hem naar een gelukzalig eiland gebracht, waar aan niets gebrek was en alles vol goede gaven was. Binnen vier maanden zou er een schip komen, om hem te halen; dan zou hij naar Egypte terug kunnen keeren en zou hij in zijn eigen stad kunnen sterven. Om hem op te monteren, beschreef het monster hem het geheele eiland.

De bevolking hiervan bestond uit 75 slangen, oude en jonge, en deze wezens leefden in harmonie en overvloed.

De zeeman, van zijn kant, was niets minder vriendelijk en, goed gestemd als hij was, bood hij de slang aan, den Pharaoh de aanwezigheid van en den toestand op het eiland, te verhalen; hij beloofde aan het monster, het persoonlijk offers te zullen brengen, bestaande uit heilige olie, reukwerken en wierook, waarmede men de goden vereerde. Eveneens zou hij ezels voor hem, als offerdieren, slachten, vogels voor hem plukken en hem schepen, vol met schatten uit Egypte, brengen.

Hierop lachte de slang op toegeeflijke en eenigszins minachtende wijze. "Vertel mij niet", aldus sprak zij, "dat gij rijk zijt aan reukwerken, want ik weet, dat alles slechts gewone wierook is, welke gij hebt. Ik ben vorst van het land Punt en bezit zooveel reukwerk, als ik verlang; laat mij u verder vertellen, dat, als gij van hier vertrokken zijt, gij dit land nooit meer zien zult, want het zal door de golven verzwolgen worden".

Het schip naderde het eiland op den bepaalden tijd, zooals de slang voorspeld had en de zeeman klom in een boom, om te zien, door welke lieden het bemand was. Toen het de kust naderde, zei de slang hem vaarwel, voorzag hem met gaven, bestaande uit kostbare reukwerken, welriekend hout, cassia, wierook, ivoren slagtanden, apen, bananen, kortom allerlei soort kostbare koopwaren.

Terwijl hij dezen in het schip laadde, vertelde de genius van het eiland hem ten slotte, dat hij binnen twee maanden zijn vrouw en kinderen zou terugzien. De geredde zeeman voer daarna, door Nubië, den Nijl af, naar de residentie van den Pharaoh en het verhaal eindigt met het verzoek van den verteller aan zijn kapitein, hem een geleide te geven, om zich aan den Pharaoh voor te stellen en dezen zijn geschiedenis te verhalen.

Het eiland nu, waar hij schipbreuk geleden had, was dat van de Ka, d.w.z. de Ziel. Zulk een geschiedenis kon in de oogen der Egyptenaren in het geheel niet verbazingwekkend schijnen, daar onder hen zulke romantische verhalen heel gewoon waren. Dezen waren inderdaad zoo menigvuldig en zulke ongerijmde mededeelingen verspreidden zij, dat wij in een papyrus uit Londen, uit plm. 1250 v.C., den spotgeest tegen hen in beweging gebracht vinden; deze bevat het verhaal over een denkbeeldige reis, door Palestina en Phoenicië; het doel hiervan is niet de beschrijving der reis zelf, doch de gekunsteldheid en de ongerijmdheden van de populaire romans uit die dagen belachelijk te maken en te bespotten.

De Fabel van het Hoofd en de Maag.

Romantische verhalen over het Egyptische leven, zooals die, welke zich met koning Rhampsinitus bezighouden en welke men elders in dit boek vindt, komen veelvuldig voor.

Een papyrus, uit plm. 1250 v.C., heeft, als achtergrond, den oorlog tegen de Hyksos en beschrijft een ontmoeting tusschen twee vorsten, die tegen elkander strijden, n.1. Apepi, aanvoerder der Hyksos en Ra-sekenen, den nationalen vorst, die in Boven-Egypte woont. Zij geven raadsels aan elkaar op en van de oplossing hiervan, hangt het lot van één hunner af.

Fabels waren verder in het Nijldal, vanaf een vroeg tijdstip, zeer populair. In het Turijnsch Museum komt een voorbeeld hiervan, dateerende uit plm. 1000 v.C., voor; deze fabel is op kleine tafels geschilderd en bevat het verhaal van het dispuut tusschen het hoofd en de maag.

Het hof der dertig, het hoogste gerechtshof van Egypte, is vergaderd. De maag bepleit het eerst haar zaak, doch hier is het document gebrekkig overgeleverd. Wij bezitten echter het antwoord van het hoofd; dit tracht, door een grooten omhaal van woorden, te bewijzen, dat het de voornaamste bron van het licht is, dat door het geheele huis schittert. Het is het oog, dat ziet, de mond, welke spreekt en de neus, welke ademhaalt. De rest van de verhandeling en de uitspraak zijn ongelukkigerwijze corrupt.

Het is echter belangrijk, met dezen ouden voorvader van de wijd en zijd verspreide fabel van den strijd tusschen de maag en de leden kennis te maken; men denke slechts aan het verhaal van Menenius Agrippa, die deze fabel, in 494 v.C., aan de Romeinsche plebs vertelde, toen deze er over dacht, Rome voor goed te verlaten, als een symbool, wat er zou gebeuren, als zij tot het uiterste vervielen.

Dit is tevens een doorslaand bewijs, dat het populaire verhaal, evenals een wet, een levensadem over verscheidene eeuwen heeft en dat het, in één bepaald land ontstaan, langzamerhand het eigendom van verscheidene andere wordt.

Dikwijls heeft men zelfs willen vaststellen, dat de fabels van Aesopus naar alle waarschijnlijkheid in Egypte ontstaan zijn, daar dit het land der dierenvereering is en het is zeer zeker opmerkelijk, dat in den Leidschen Demotischen papyrus wij de fabel van de dankbare muis en de leeuw, welke in netten verstrikt is, tegenkomen. Deze papyrus dateert echter uit de Christelijke tijdrekening en is waarschijnlijk Grieksch van opzet.

Wij vinden echter geschiedenissen van dieren, welke geheel en al als menschelijke wezens handelen, zich met spelen vermaken, slaags raken, evenals wij in de folklore van barbaarsche volken zien. Lepsius vermoedt, dat de bedoeling van dezen een satirische is.

De Berisping van Amasis.

In een papyrus, uit den tijd der Ptolemaeën, vinden wij het oude hulpmiddel, een koning te berispen, door hem een passende geschiedenis te vertellen.

De vorst in kwestie was Amasis (plm. 526 v.C.), een pretlievend heerscher, die al te gaarne en te dikwijls zich aan het drinken van een drank, kelebi genaamd, overgaf.

Het geschiedde op zekeren dag, dat hij tot zijn edelen sprak: "Ik heb er veel plezier in, Egyptischen kelebi te drinken". Zij spraken: "Machtig heerscher, het is moeilijk, Egyptischen kelebi te drinken". Hij zeide daarop tot hen: "Heeft dat, waarover ik spreek, een slechten smaak?" Zij antwoordden: "Machtig heerscher, laat onze koning doen, waarin hij behagen schept".

De koning beval hierop: "Laat er Egyptische kelebi naar het meer gebracht worden"; zij deden hierop overeenkomstig den wil van den koning.

De koning wiesch zich daarna met zijn kinderen en er werd hem geen anderen wijn dan kelebi voorgezet. De koning vierde nu met zijn kinderen feest, hij dronk veel wijn, door zijn voorliefde voor den kelebi; op den avond van dien dag, viel de koning bij het meer in slaap, want hij had een rustbank, in een prieël, op den oever van het meer, laten plaatsen.

Toen de morgenschemering aanbrak, kon de koning, door de slaperigheid, tengevolge van het drinkgelag, niet opstaan. Toen er een uur voorbijgegaan was en hij nog niet op kon staan, begonnen de hovelingen te klagen en zeiden: "Kunnen zulke dingen bestaan? Zie, de koning bedrinkt zich, evenals een man uit het volk. Een man uit het volk kan niet bij den koning komen, om over zaken te spreken".

