Part 15
"Eer zij U gebracht, U, Hapi, Gij verschijnt in dit land, en Gij komt in Vrede om Egypte het leven te geven. Gij zijt de verborgene, de gids in de duisternis, op den dag, waarop het U aangenaam is, den weg te wijzen. Gij zijt de bevochtiger van de velden, welke Ra geschapen heeft, Gij geeft het leven aan de dieren, gij maakt, dat het geheele land onophoudelijk drinkt, wanneer gij van den hemel afdaalt. Gij zijt de vriend van brood en van Tchabu, gij maakt, dat Nepra in kracht toeneemt, gij maakt iedere werkplaats voorspoedig, o Ptah, gij heer der visschen; wanneer de overstrooming komt, strijkt geen watervogel op de velden, welke met tarwe bezaaid zijn, neer.
Gij zijt de schepper der gerst en gij maakt, dat de tempels in stand blijven, want millioenen jaren is de rust van uw vingers voor U een afschuw. Gij zijt de heer der armen en behoeftigen. Indien gij in den hemel overweldigd zoudt worden, zouden de goden op hun gezicht vallen en menschen zouden omkomen. Gij maakt dat de geheele aarde door het vee geopend wordt en vorsten en landbouwers liggen neer en rusten.
Uw gestalte is die van Khnemu. Wanneer Gij op aarde schijnt, stijgen er kreten van vreugde op, immers iedereen is verheugd en elk krachtig man ontvangt voedsel en ieder land wordt van voedsel voorzien. Gij zijt de brenger van voedsel, gij hebt de macht over eten en drinken, gij zijt de schepper van alle goede dingen, de heer van het hemelsche voedsel, aangenaam en heerlijk. Gij laat het voedsel voor het vee groeien en gij let op datgene, wat aan iederen god geofferd wordt. De uitgezochte wierook volgt U. Gij zijt de beheerscher der twee landen. Gij vult de voorraadschuren, gij stapelt de graanzolders hoog op met koren en gij let op de aangelegenheden van de armen en behoeftigen. Gij laat het gras en de groene kruiden wassen, om de verlangens van allen te stillen en gij wordt daardoor niet verkleind. Gij maakt, dat uw sterkte een schild van den mensch is.
Nut.
De godin Nut was de dochter van Shu en Tefnut, de vrouw van Geb en de moeder van Osiris en Isis, Set en Nephthys. Van tijd tot tijd zijn waarschijnlijk een groot aantal andere godinnen in haar opgegaan.
Zij is echter de personificatie van de lucht, bij dag, terwijl een zekere Naut de lucht van den nacht voorstelt, doch deze onderscheiding dateert van veel vroeger Zij werd in werkelijkheid de tegenhangster van Nu en stelde de groote watermassa, waaruit alle dingen in den beginne ontstonden voor, zoodat Nut, de vrouw van Nu, en Nut, de vrouw van Geb, een en dezelfde zijn. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die een vaas met water op haar hoofd draagt en dit is een aanwijzing voor haar karakter. Soms draagt zij de horens en schijf van Hathor, doch zij heeft nog verschillende andere gedaanten als de groote moeder van de goden.
Hare meest voorkomende verschijning echter is die van een vrouw, welke op handen en voeten rust, met gebogen lichaam; op deze wijze stelt zij de lucht voor. Haar ledematen zijn een voorstelling van de vier zuilen, op welke men veronderstelde, dat de lucht rustte.
Oorspronkelijk dacht men, dat zij op Geb, de aarde, steunde, toen Shu haar uit deze houding deed oprijzen. Deze mythe is onder de inboorlingen van Amerika niet zeldzaam, in andere gedaante echter, daar de lucht gewoonlijk de plaats inneemt van den oer-vader en de aarde die van oer-moeder. Gewoonlijk worden dezen door de scheppende godheden gescheiden, juist zooals Geb en Nut, en de allegorie is een voorstelling van de scheiding van de aarde en de wateren, welke zich boven haar bevonden en van de schepping der wereld.
Volgens een andere mythe gaf Nut dagelijks het aanschijn aan den zonnegod en deze ging over haar lichaam, dat een voorstelling der lucht is. In een ander verhaal stelt men het voor, dat hij langs haar rug gaat. De ledematen en het lichaam der godin zijn met sterren bezaaid.
Bij een andere schilderachtige beschrijving van Nut zien wij een tweede vrouwelijke gestalte binnen de eerste afgebeeld en in deze laatste weer het lichaam van een man, de twee laatsten in overeenstemming met de halfronde gedaante van de godin der lucht.
Men legt deze afbeeldingen aldus uit, dat de twee vrouwen de lucht van den dag en den nacht voorstellen, doch van het lichaam van den man geeft men zich geen rekenschap; wellicht stelt dat de Duat voor.
Op een andere plaats lezen wij, dat Nut in een groote koe veranderd werd en herhaaldelijk wordt zij in deze gestalte afgebeeld. In het Boek der Dooden lezen wij, dat de gestorvenen zich op haar verlaten, om frissche lucht te krijgen in de onderwereld, daar men geloofde, dat zij over de wateren hiervan de heerschappij voerde.
Zij bezat een heilige boom, een wilde vijgeboom, welke zich te Heliopolis bevond; aan den voet van deze werd de slang Apep door de groote kat Ra gedood. De takken van dezen boom werden als een toevluchtsoord voor de vermoeide gestorvenen, in den middag, gedurende den zomer beschouwd en in de schaduw van dezen werden zij door het voedsel, waarvan de godin zelf leefde, verkwikt.
Door de priesters te Denderah werd verzekerd, dat Nut uit hun stad afkomstig was en dat zij daar de moeder van Isis werd. Haar vijf kinderen, Osiris, Horus, Set, Isis en Nephthys werden op de 5 dagen geboren, welke aan de 360 toegevoegd waren. Evenals in Mexico, waren sommige van dezen ongeluksdagen.
Nut neemt in de onderwereld een voorname plaats in en de dooden dragen er zorg voor, de plichten jegens haar nauwkeurig te vervullen, waarschijnlijk om voldoende lucht te krijgen. Haar gunst vernieuwde inderdaad hun lichamen en zij waren in staat op te staan en iederen dag met den god te reizen, evenals Ra, de zoon van Nut. Een afbeelding van de godin werd dikwijls op het deksel der lijkkist geschilderd, om zich van hare bescherming te verzekeren en dit werd zelden bij de Egyptische begrafenisplechtigheden nagelaten.
Taurt.
Men beeldt Taurt gewoonlijk als een nijlpaard, dat op zijn achterste pooten staat, af, terwijl zij in haar hand een amulet houdt, waarvoor men tot nog toe geen verklaring heeft kunnen vinden.
Op haar hoofd draagt zij de zonneschijf en twee lange veeren. Op sommige afbeeldingen ziet men haar in menschelijke gestalte, met de horens van een koe voorzien, zooals deze door alle Egyptische godinnen gedragen worden.
Zij werd als de moeder en voedster der goden beschouwd en had een tegenhangster in Apet, de nijlpaard-godin van Thebe, van welke sommige geloofden, dat zij de moeder van Osiris was. In later tijd was Taurt onder den naam van Rert, of Rerert, bekend, het vrouwelijke nijlpaard, doch ook werd zij met Isis, Hathor, Bast en andere godinnen geïdentificeerd.
Haar beeltenis in faience was een zeer geliefkoosde amulet en deze was minstens even populair als die van Bes. Men kan zelfs figuren, welke een copie van die van Taurt schijnen te zijn, zien op Myceensche muurschilderingen, zoo wijd en zijd was haar faam verspreid.
Men geloofde verder, dat zij de wachteres van den berg van het Westen, waarover de weg naar den Hades leidde, was. Het is zeer waarschijnlijk, dat zij van totemistischen oorsprong was. Haar populariteit schijnt onder het Nieuwe Rijk het grootste geweest te zijn en ook in later tijd nam deze nog toe.
Hekt.
Hekt, de godin met den kop van een kikvorsch, werd voor de vrouw van Khnemu gehouden, hoewel men haar wellicht als een vorm van Hathor beschouwen mag. Haar karakter is door schrijvers over Egyptische mythologie niet zeer duidelijk gemaakt, doch de omstandigheid, dat zij met den kop van een kikvorsch afgebeeld wordt, toont duidelijk, dat zij met het water in verband gebracht werd en aldus met de kracht der vruchtbaarheid. Ook schijnt zij met de goden der groeikracht vereenigd te zijn.
Vele graangoden zijn tevens goden der wederopstanding en wedergeboorte. Bij gelegenheid van het feest van een zekere Mexicaansche maïs-godin, werd een kikvorsch op een korenschoof geplaatst, als zijnde het symbool van de godin.
Het zou een weinig te gewaagd zijn, Hekt met de Grieksche Hecate, die misschien een maangodin was en als zoodanig met het water verbonden, te vereenzelvigen. Het is echter opmerkelijk, dat Farnell meent, dat Hecate uit Thracië ingevoerd is. Zij is, natuurlijk, eveneens de godin van de onderwereld, evenals Osiris, de maangod, de god van den dood was. Zij werd ook bij de mysteriën van Samothrace vereerd en dezen waren Egyptisch van oorsprong. Wij vinden verder, dat Hecate eveneens een godin der vruchtbaarheid was.
Khonsu.
Khonsu was een maangod en als zoodanig dikwijls met Thoth geïdentificeerd. Te Hermopolis en te Edfû werden deze twee goden soms zelfs met elkander vereenigd, onder den naam van Khonsu-Thoth. De naam wordt afgeleid van den stam khens, doortrekken en laat ons zien, dat hij de reiziger was, die des nachts langs den hemel ging.
Hij wordt met den kop van een havik afgebeeld, gekroond met den maansikkel en de zonneschijf. Ramses III bouwde voor hem, te Thebe een grooten tempel, tusschen die van Amen en Mut. Hij had twee verschillende vormen: Khonsu in Thebe Nefer-hetep en Khonsu, de uitvoerder van plannen.
De Grieken vergeleken Khonsu met Heracles, waarom, is moeilijk uit te maken. Soms verwarden de Egyptenaren hem met Horus, Shu en Ra en dit zou kunnen bewijzen, dat hij een zonnekarakter aan kon nemen, zooals ook door den havikkop aangeduid wordt. Misschien werd Khonsu, oorspronkelijk een maangod, later een zonnegod, toen de maankalender overging in, of in den steek gelaten werd voor de zonnetijdrekening.
Het volgend verhaal is een aanwijzing voor de heelende kracht van Khonsu:
De Prinses en de Demon.
Onder de regeering van koning Ramses waren er zeer vele schoone vrouwen in Egypte, doch de dochter van den vorst van Bekhten, een van de vazallen des konings, was de bevalligste van allen.
Slank, schoon gevormd, met fijne gelaatstrekken, bestond er op aarde niets, dat haar in schoonheid kon evenaarden, daarom vergeleken de menschen hare schoonheid met die van Amen-Ra, den zonnegod, den god van het licht van den dag.
Nu was koning Ramses een groot veroveraar en een zeer krachtig man, die onder zijn vazallen vorsten had, die niet gering van aanzien waren. Deze laatsten kwamen ieder jaar naar Naharaina, aan de uitmonding van den Euphraat gelegen, om hun opperheer hun hulde te bewijzen en hem schatting op te brengen. Groot was de schatting, welke de koning ontving, want iedere vorst, die zich voor hem boog, werd door een stoet van slaven vergezeld, die schatten aan goud, kostbare edelgesteenten en welriekend hout, kortom, de meest uitgelezen voorwerpen, welke hun gebied kon aanwijzen, droegen.
Bij een dergelijke gelegenheid waren Ramses en zijn vorsten te Naharaina verzameld en de vazallen wedijverden met elkander in het aanbieden van schitterende geschenken. De vorst van Bekhten echter had een geschenk, dat dat van alle andere overtrof, want hij had zijne schoone dochter medegebracht, zij, wier schoonheid aan die van Ra gelijk was.
Zoodra de koning haar zag, vatte hij terstond een vurige liefde voor haar op en verlangde haar tot zijn vrouw te maken. Om de rest der schatting bekommerde hij zich in het geheel niet en de eerbewijzen van de overige vorsten waren hem lastig. Hij huwde hierna de prinses en gaf haar een naam, welke beteekent: "Schoonheid van Ra". En toen zij naar huis teruggekeerd waren, vervulde de koningin haar koninklijke plichten en werd door haar gemaal en haar volk bemind.
Nu geschiedde het eens, dat bij gelegenheid van het feest ter eere van god Amen, wanneer de heilige bark in de hoogte wordt gedragen, opdat allen haar zien kunnen, de koning en de koningin zich naar den tempel van den god begaven, om hem de gebruikelijke eerbewijzen te brengen. Terwijl zij bezig waren den god hun hulde te bewijzen, kwamen dienaren met het bericht bij den koning, dat een bode van den vorst van Bekhten buiten wachtte en hem wenschte te spreken. De koning liet hierop den bode binnentreden. Prachtige geschenken bracht hij van den vorst voor diens dochter, de Groote Koningin, mede, en terwijl hij voor den koning een zeer diepe buiging maakte, sprak hij:
"O Koning, de kleine zuster van de Groote Koningin is ziek. Ik verzoek U daarom een geneesheer te zenden, om haar van haar kwaal te genezen".
Daarom riep de koning zijn wijze mannen bijeen en beraadslaagde met hen, wien zij zouden zenden, om de zuster van zijn vrouw van de ziekte te bevrijden. Ten slotte wezen de wijze mannen een van hen aan, een schrijver, Tehuti-em-heb genaamd; deze werd met algemeene stemmen uitgekozen, om den bode van Bekhten te vergezellen, en daar aangekomen, de zuster van de koningin, Bent-reshy, te genezen.
Maar helaas, toen zij het gebied van den vorst van Bekhten bereikten, vond Tehuti-em-heb, dat de demon, die de oorzaak van de ziekte van de prinses was, te machtig was, om door zijn kunst uit haar lichaam gebannen te worden. Toen de vader van het meisje hoorde, dat de Egyptische schrijver machteloos was, den demon te verdrijven, verviel hij tot wanhoop. Tehuti-em-heb stelde hem echter zooveel mogelijk gerust en ried hem aan, nogmaals een bode naar Egypte te zenden, om de tusschenkomst te verzoeken van Khonsu, den duivelbanner, ten behoeve van zijn dochter. Daarom zond de heerscher van Bekhten nog een anderen bode naar het hof van Ramses.
Het land van Bekhten nu was ver verwijderd van Egypte en de reis daarheen duurde één jaar en vijf maanden. Toen de bode van den vorst van Bekhten Egypte bereikte, vond hij Ramses in Thebe, in den tempel van Khonsu, want het was in de maand, welke aan dien god gewijd was. De bode boog voor den koning en bracht hem de boodschap van den vader der koningin over. In den tempel te Thebe bevonden zich twee beelden van god Khonsu, een genaamd Khonsu van Thebe Neferhetep en de andere Khonsu den duivelbanner en beide stelden den god als een schoon jongeling voor.
Ramses naderde Khonsu in Thebe Neferhetep en smeekte hem, dat hij Khonsu, den duivelbanner zou toestaan, naar het land van Bekhten te gaan, om Bent-reshy, de kleine zuster der koningin, te genezen.
Khonsu in Thebe Neferhetep boog, ten teeken van goedkeuring en gaf aan den duivelbanner zijn bescherming. Toen dit gedaan was, werd Khonsu, de duivelbanner naar Bekhten gezonden, door een groot gevolg, dat een koning past, vergezeld.
Zij reisden een jaar en vijf maanden en ten slotte bereikten zij het land van den vader der koningin. De vorst zelf en zijn geheele volk haastten zich Khonsu te begroeten, hij knielde voor hem neer en begiftigde hem rijkelijk met geschenken, zooals hij aan den Egyptischen koning zelf gegeven zou hebben.
Intusschen had de ziekte van de prinses onverminderd voortgeduurd, want de demon, die haar in zijn macht had, was zeer machtig. Toen echter Khonsu naar haar kamer gebracht werd, zie, daar werd zij terstond beter, tot groote vreugde van haar vader en zijn hovelingen. De demon, die haar lichaam verlaten had, erkende Khonsu als zijn meerdere en zij, die dichtbij stonden, hoorden deze samenspraak tusschen de twee:
"O Khonsu", zei de geest, "ik ben Uw slaaf. Indien Gij beveelt, dat ik van hier ga, zal ik gaan. Doch ik smeek U, verzoek den vorst van Bekhten een feestdag en een offer voor mij in te stellen. Dan zal ik in vrede gaan."
"Het zal gebeuren, zooals gij gezegd hebt", antwoordde Khonsu en hij beval den vorst van Bekhten een ofter en een feestdag voor den demon, die Bent-reshy in bezit gehad had, te maken.
Het eerst bracht het volk een groot offer aan Khonsu, den duivelbanner, daarna een aan den demon, die daarom in vrede vertrok.
Toen deze weggegaan was, werd het gemoed van den vorst zeer beangst, want hij dacht: "Misschien zal hij weer naar ons land terugkomen en het volk kwellen, evenals hij mijn dochter, Bent-reshy, gekweld heeft."
Daarom besloot hij niet toe te staan, dat Khonsu, de duivelbanner, uit Bekhten vertrok, doch dat hij daar steeds gehouden zou worden, uit vrees, dat de demon terug zou komen.
Meer dan drie jaren lang, hield de vorst van Bekhten Khonsu in zijn rijk en stond hem niet toe, weg te gaan. Doch in zekeren nacht had hij een droom, welke hem van meening deed veranderen. In zijn droom stond hij voor het heiligdom van Khonsu, den duivelbanner. En terwijl hij toekeek, zie, daar vlogen de deuren van den tempel wijd open en de god zelf stormde naar buiten, nam de gestalte van een havik aan, met wonderschoone, gouden vleugels en vluchtte naar Egypte.
Toen de heerscher van Bekhten ontwaakte, begreep hij, dat de god werkelijk naar Egypte vertrokken was en dat het thans nutteloos was, zijn beeld langer te houden. Daarbij vreesde hij de wraak van Khonsu. Daarom deed hij het beeld van Khonsu, den duivelbanner, op een wagen laden, met rijke en schoone geschenken en zond hem met een vorstelijk gevolg naar Egypte terug.
Toen de terugreis volbracht was, schonk Khonsu, de duivelbanner al zijn geschenken aan Khonsu Neferhetep en hield niets van alles, wat hij ontvangen had, voor zichzelf.
Lagere Goden.
Er waren honderden lagere goden, welke het Egyptische pantheon omringden en de karakteristieke eigenschappen van slechts eenigen van hen, kunnen behandeld worden. Elk uur van den dag had zijn eigen god, evenals ieder uur van den nacht.
De vier winden waren onder de Egyptische goden evenzeer vertegenwoordigd als bij de Grieken. De Noordenwind werd Qebui genoemd en wordt afgebeeld als een gevleugelde ram, met vier koppen; de Zuidenwind, Shehbui, ziet men in de gestalte van een man, met een leeuwenkop; de Westenwind, Huzayui, heeft den kop van een slang, op het lichaam van een gevleugeld man. De Oostenwind, Henkhisesui, komt ons soms in menschelijke gestalte tegen en heeft, evenals de Noordenwind, den kop van een ram, doch soms ook stelt men hem als een gevleugelde kever, met een ramskop, voor.
De zintuigen werden eveneens door goden voorgesteld. Zoo was Saa de god van het zintuig der aanraking, of het gevoel. Hij wordt in menschelijke gestalte afgebeeld en hij draagt op zijn hoofd een teeken, uit parallel loopende lijnen samengesteld; dezen worden naar boven toe kleiner. In de Thebaansche uitgaaf van het Boek der Dooden, ziet men hem bij het oordeel onder die goden, die toezien op het wegen van de harten der gestorvenen. Soms vaart Saa, met Thoth en andere goden, in de boot van Ra. In een passage spreekt men over hem als zoon van Geb. Hij is de personificatie van het intellect, zoowel van menschen, als goden.
De god van den smaak heette Hu. Hij wordt eveneens als een man voorgesteld en men verhaalde, dat hij uit een bloeddruppel, welke uit Ra gevallen was, voortgekomen was. Hij werd de voorstelling van het goddelijk voedsel, waarvan de goden en de gelukzalige gestorvenen leven.
Maa was de god van het gezicht. Men schildert hem als een man, met een oog boven zijn hoofd, af en dit is eveneens het symbool van zijn naam.
Setem was de god van het gehoor en bij hem wordt zijn hoofd door een oor [27] gekroond.
De planeten werden eveneens als goden beschouwd. Saturnus werd Horus, de stier van den hemel, genoemd; Mars werd eveneens met Horus geïdentificeerd, onder den naam van "den rooden Horus", doch stond, streng beschouwd, onder bescherming van Ra; de god van Mercurius was Set en die van Venus, Osiris. Sommige sterren werden eveneens als goden beschouwd. De Groote Beer was onder den naam "de dij" bekend en de Draak werd met het nijlpaard Reret vereenzelvigd.
De dagen van de maand stonden verder eveneens onder beschermgoden.
Hoofdstuk VI
Egyptische literatuur.
Egyptische Taal en Egyptisch Schrift.
De oudste kennis, welke wij van de Egyptische taal hebben, wordt ons door inscriptie's verschaft, welke tot de 1e dynastie, ongeveer 3300 v.C., behooren. Vanaf dezen kan de opkomst en het verval verder nagegaan worden, door de verschillende opschriften op tempels, monumenten en papyri, tot de 14e eeuw na C., wanneer de Koptische manuscripten eindigen.
Van de levende taal, afgezien van de zuivere literaire taal van de hieroglyphen-inscripties, krijgt men de zuiverste voorstelling door de volksverhalen, brieven en handelsdocumenten, welke tot ons gekomen zijn, waarin de schrijvers zich natuurlijk aan de gangbare spreekvormen hielden en aldus de veranderingen, welke de taal onderging, ontsluierden.
Dat het Egyptisch aan het Semitisch verwant is, is zeker, hoewel hier een rassenprobleem tusschenbeiden komt, want het Egyptische eigenlijke ras was nooit, voor zoover men kan nagaan, Semitisch van type. Erman tracht deze quaestie door de zeer waarschijnlijke theorie op te lossen, dat in den prae-historischen tijd een horde van krijgshaftige Semieten, een deel van Egypte veroverde en zich daar vestigde, evenals de Arabieren in lateren tijd hun taal aan het land gaven, doch dat dezen, als apart ras, uitstierven, hetzij door redenen, welke met het klimaat in betrekking stonden, of doordat zij in de oorspronkelijke bevolking opgingen; deze laatste echter nam de taal van de vreemdelingen, hoewel onvolmaakt, over.
Onder deze omstandigheden veranderde de taal langzamerhand. De medeklinkers werden verkeerd uitgesproken, daar harde voor zachte plaats maakten en dezen op hun beurt, vormden biliteralen van de triliterale stammen.
Deze neiging, waarbij nog een omschrijvende, inplaats van verbale, vervoeging kwam, duurde tot het eind. Koptisch, de laatste vorm, is dus biliteraal van karakter en tijden van bijzondere nauwkeurigheid werden in het werkwoord, door middel van omschrijving, ontwikkeld; de groote overeenkomst tusschen Koptisch en Semitisch moet eveneens tot den voortdurenden Semitischen invloed van latere tijden teruggebracht worden.
De Egyptische taal kan verdeeld worden naar haar vooruitgaande phases. Deze zijn: Oud-Egyptisch, Midden- en Laat-Egyptisch, Demotisch en Koptisch. Oud-Egyptisch is de taal, welke tot het Oude Rijk behoort. Het gaf het letterkundig model voor de latere tijden aan, zooals men uit de inscripties zien kan; het was onvermijdelijk, dat het door de wisselende vormen van de vigeerende taal beïnvloed werd; doch zijn hoofdkarakter werd bewaard.
De oudste voorbeelden, welke wij hebben, zijn inscripties, welke in de 1e dynastie thuis behooren, doch dezen zijn te kort, om ons veel inzicht in de taal en spreekwijze van dien tijd te geven. Hierop volgen verscheidene inscripties en eenige weinige geschiedkundige teksten, welke tot de 4e, 5e en 6e dynastie behooren. Het grootste aantal, dat tot deze phase behoort, is de uitgebreide collectie ritueele teksten en tooverformules, welke men in de pyramiden der 6e dynastie aantreft.
Midden- en Laat-Egyptisch hooren respectievelijk in het Midden- en Nieuwe Rijk thuis en komen de gebruikelijke spreektaal van het volk nabij. Geschriften uit het Midden-Egyptisch, welke nog bestaan, zijn verhalen, brieven en handelsdocumenten, vanaf de 12e dynastie tot het begin van het Nieuwe Rijk, op papyri, in hieratisch schrift geschreven.
De 18e en 21e dynastie laat ons voorbeelden van Laat-Egyptisch, op verschillende hieratische papyri, zien. Met betrekking tot dezen merkt een gezaghebbend schrijver op: "De spelling van het Laat-Egyptisch is zeer eigenaardig, vol van verkeerde etymologie, vol onbeteekenende teekens, etc., terwijl de oude spellingsleer geheel en al ongeschikt is, zich nauwkeurig aan de geheel en al gewijzigde taal aan te passen. Desniettemin is deze plompe spelling krachtig en formules kunnen ons, wat betreft de uitspraak, inlichten".
Demotisch vertegenwoordigt het volksdialect van de Saïtische periode en stemt werkelijk met het karakter, waarin het geschreven wordt, overeen. Het kan vanaf de 25e dynastie, (plm. 900 v.C.), nagegaan worden en tot de 4e eeuw n.C. was het voortdurend in gebruik. Documenten van het demotisch zijn voor het meerendeel koopcontracten en wettelijke aangelegenheden, hoewel sommige magische teksten en een merkwaardig verhaal, de Papyrus van Setna, eveneens hierin geschreven zijn.
Het Koptisch is de laatste vorm der Egyptische taal, of liever het is een dialectische vorm van het Egyptisch en hiervan zijn vier of vijf verschillende vormen bekend.