# Mythen en Legenden van Egypte

## Part 14

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/mythen-en-legenden-van-egypte-14826/index.md

De naam van Amen-Ra, waarmede zij vroeger verbonden waren, was overal uitgewischt, op bevel van den koning, zelfs waar deze een deel van een eigennaam vormde. Den tempel, welken de koning voor zijn god in Akhet-Aten bouwde, noemde hij Het-Benben, "het huis van het Pyramidium". Deze werd echter nooit voltooid.

De godsdienst, welken men het Egyptische volk trachtte op te dringen, vond geenszins een gul onthaal. De godheden, welke zich tot dusver in iedere nome, of provincie, ontwikkeld hadden, hadden ieder hun bijzondere eigenschappen en ritus en elk van dezen moest door de centrale godheid aan zich getrokken worden. Maar, zooals reeds gezegd is, de aard van Aten liet een dergelijke fusie met plaatselijke goden niet toe. Hij was inderdaad een kleurloozer god dan Amen, of Horus.

Het is de moeite waard, de waarschijnlijke motieven van Akh-en-Aten, bij de invoering van dezen nieuwen cultus in Egypte, aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Men heeft vermoed, dat de invoering van den Aten-dienst een verlichte, misschien eenigszins misplaatste, poging was om Egypte onder den schepper van één godsdienst, waaraan allen konden deelnemen, te vereenigen en wel een godsdienst, welke niet het cachet van een bepaalde kaste, of een bepaald ras, droeg en bijgevolg voor Syriërs, Aethiopiërs, of Egyptenaren, gelijkelijk aannemelijk zijn kon.

Indien dit zijn doel was, is het duidelijk, dat het Egyptische volk voor deze omwenteling niet gereed was. De krachtige en fanatieke maatregelen van Akh-en-Aten verzwakten zijn eigen oogmerken en verwekten wantrouwen en haat tegen deze Aten-ketterij.

Een Sociale Omwenteling.

Gelijktijdig met deze revolutie, op godsdienstig gebied, vond er een sociale en artistieke omwenteling, van niet minderen omvang, plaats. Aten was, tenminste in theorie, als godheid van de kluisters van mythe en ritus, welke rondom zijn voorgangers vastgeroest waren, bevrijd. Zijn cultus was in wezen een naturalistische. Het maatschappelijk leven richtte er zich daarom naar in, vrijer en natuurlijker te worden.

De koning en de koningin bewogen zich thans onder het volk met minder plechtigheid, dan zij tot nog toe gewoon waren; het familieleven was aan minder beperking onderworpen, kortom, overal werd een bepaalde voorliefde voor alles, wat natuurlijk en spontaan was, merkbaar.

De beweging verbreidde zich langzamerhand zelfs tot de kunst van het volk; deze toch toont, in zekere kleuren, een bepaald breken met de gevestigde tradities, daar de kunstenaars, onder de regeering van dien vorst, voor het eerst de licht- en schaduweffecten apprecieeren en eveneens die van een zuiverder schets.

Ongelukkigerwijze bezitten wij niet voldoende gegevens, om de periode van Akh-en-Aten's regeering nauwkeurig te kennen. Waarschijnlijk vulde deze een twintigtal jaren. Na hem kwamen verschillende andere heerschers, doch geen van dezen nam den Aten-cultus in bescherming, zoodat deze spoedig verminderde, terwijl de suprematie van Amen-Ra in allen luister hersteld werd. Alle monumenten en tempels, ter eere van Aten opgericht, werden weggevaagd en eerst kort geleden door Lepsius, Petrie en Davis weer ontdekt. Het laatste toevluchtsoord van den god was Heliopolis, waar een heiligdom voor hem in stand bleef.

De Attributen van Aten.

Zooals reeds opgemerkt is, was hij een eenigszins kleurlooze god en misschien kan hij beter onderscheiden worden door de attributen, welke hem niet, dan die hem wel toegeschreven worden, hoewel sommige attributen van Ra, Horus en andere voorstellingen van den zonnegod, hem langzamerhand gegeven werden.

Van zijn oorspronkelijk ondergeschikte positie, als de verblijfplaats van Ra, n.l. de schijf, waarin de godheid huisde ("Ra in zijn Aten"), duidde Aten langzamerhand den god en de zonneschijf beiden aan.

Pogingen, welke aangewend zijn, om hem met den Semitischen Adonai (den Griekschen Adonis) te identificeeren, hebben geen succes opgeleverd. Een aanwijzing voor de vroegere positie van Aten, in het pantheon, kan men in het Boek der Dooden vinden, waar Ra als volgt wordt toegesproken: "O Gij schoon wezen, Gij hernieuwt Uzelf en maakt U weder jong, in de gedaante van Aten". "Gij wendt Uw gelaat naar de onderwereld en Gij maakt, dat de aarde op fijn koper gelijkt. De dooden verrijzen om U te zien, zij ademen de lucht in en zien naar Uw aangezicht, wanneer Aten aan den horizon schijnt".

Een Aten-hyme.

Gedurende den tijd, dat zijn cultus in Egypte de voornaamste was, werd Aten door zijn vereerders, als de uit zichzelf voortgekomen en altijd durende schepper, de bevruchter en voeder van de aarde en al, wat deze bevat, de god, die de levens der menschen bepaalt, beschouwd.

Aten werd in een lijst afgebeeld, waarin hij genoemd wordt: "Heer van den hemel, Heer der aarde, Hij, die voor altijd leeft, Hij, die de aarde verlicht, Hij, die in waarheid regeert".

Een buitengewoon schoone en poëtische hymne ter eere van Aten, waarin hij verheerlijkt wordt als de schenker van het leven en de vruchtbaarheid van alle wezens, is in de graftombe van Aï, een hoog ambtenaar, onder Amen-hetep, of Akh-en-Aten, gevonden. Deze hymne begint aldus:

Schoon is Uw schitterende verschijning aan den horizon des hemels, O Aten, gij, die leeft en zelf het begin van het leven zijt.

Hij is het, die den Nijl in de Duat maakte en hem naar de menschen geleidde, terwijl hij zijn wateren deed rijzen; hij zendt, eveneens den regen naar de landen, welke buiten het bereik van den weldadigen vloed van den Nijl zijn.

Gij maakt den Nijl in de onderwereld, gij geleidt hem hierheen, indien het U lust, Opdat hij leven kan geven aan de menschen, die gij uit Uzelf gemaakt hebt, Heer over allen! Gij geeft den Nijl in den hemel, opdat hij naar hen zal afdalen. Deze laat zijn wateren over de rotsen rijzen, gelijk de zee en hij bevochtigt hun akkers in hun nomen. Zoo zijn Uw middelen volmaakt, o Heer der Eeuwigheid, Gij, die de hemelsche Nijl zijt. Gij zijt de koning van de inwoners van het land. En van het vee, dat in ieder land op voeten gaat, De Nijl komt uit de onderwereld naar Egypte.

De Aten-hymnen leggen hun god zulke attributen bij, als ieder volk in zijn zonnegod zien kan. Alle opsmuk, welke bij den cultus van Ra, Osiris en dergelijke godheden behoort, is bij hem afwezig. Hier geen vermelding van de schepen, waarmede de goden door den hemel voeren, evenmin van Apep, de groote slang en de andere vijanden van Ra, noch van de gezelschappen van goden en godinnen, die zijn trein vormden.

Bij den Aten-cultus vinden wij geen strijd, zooals bij dien van Horus, noch ontmoeten wij ceremonies en ritueel van het gebied van Osiris. Al deze dingen komen bij den Aten-dienst niet voor. Gemakkelijk begrijpt men, waarom deze dienst mislukte, toen er een beroep op het Egyptische volk gedaan werd.

Aten werd zelfs niet in menschelijke gestalte afgebeeld, zooals Ra en Osiris, doch onveranderlijk als de zonneschijf voorgesteld, terwijl stralen vanuit deze in benedenwaartsche richting vielen. Elke straal eindigde in een menschelijke hand en hieraan waren somtijds de teekenen van het leven, der kracht, enz., vastgehecht.

Reliefs uit dezen tijd schilderen den koning en de koningin herhaaldelijk af, in gezelschap van hun kinderen zittend, terwijl zich boven hun hoofden het symbool van Aten bevindt, en een van zijn talrijke handen het levensteeken van elk lid der koninklijke familie aanduidt.

Kortom, de cultus van Aten was een zuivere en onveranderlijke zonnevereering, van welke men echter de schilderachtige geschiedenis, welke aan het hart der Egyptenaren zoo dierbaar was, had afgenomen.

Hathor.

Het is niet gemakkelijk de ware mythologische beteekenis der godin Hathor, de beschermster van de vrouwen, de liefde en het genoegen, meesteres van den hemel en de onderwereld, te peilen.

Zij nam een zeer aanzienlijke positie in het pantheon van het oude Egypte in, daar zij uit zeer oude, zelfs prae-dynastieke tijden dateerde. In de opvatting over Hathor vinden wij een menigte mythologische ideeën vermengd; zij is een maangodin, een godin van de lucht, van het Oosten, het Westen, een godin, die met het heelal in verbinding staat, die tevens den landbouw beschermt, zij was verder een godin der vochtigheid en soms zelfs een zonnegodin. Hoewel haar oorspronkelijke vorm dus in het duister gehuld is, vermoedt men, dat zij in den beginne een maangodin was en wel om redenen, welke hieronder volgen.

De oorspronkelijke gestalte, waarin Hathor vereerd werd, was die van een koe. Later wordt zij als een vrouw, met den kop van een koe voorgesteld en ten slotte met een menschelijk hoofd, met een breed, vriendelijk en kalm gelaat, dat ongetwijfeld de gelijkenis met den kop van een koe vertoont, terwijl het soms nog de horens van het dier waarop zij lijkt, behouden heeft.

Soms ook ziet men haar met een haardos, welke op een paar horens gelijkt, met de schijf van de maan daartusschen. Soms ook ontmoet men haar in de gestalte van een koe, welke in een boot staat, omringd door papyrus-riet.

Nu wordt in de mythologie de koe dikwijls met de maan geïdentificeerd--waarom, is moeilijk uit te maken. Misschien is het te gewaagd, om de veronderstelling op te werpen, dat de verschijning van de maan, welke op sommige tijdstippen eenige gelijkenis met een hoorn heeft, de menschen op de gedachte gebracht heeft dat zij op een of andere wijze met de koe in verband staat.

Mythologie is in vele gevallen op zulke oppervlakkige gelijkenissen en analogieën gebaseerd en door dezen leert de geest van den oorspronkelijken mensch het eerst denken. Ook zou het kunnen zijn, dat de koe, een dier van groot gewicht voor landbouwers, met de maan verbonden werd, daar deze als meesteres van het weer en als voornaamste oorzaak van den groei en de vruchtbaarheid beschouwd werd.

Het feit, dat Hathor soms in de gedaante van een koe, in een boot, gezien wordt, wettigt het vermoeden, dat zij eveneens een watergodheid was en verhoogt tevens de waarschijnlijkheid, dat zij met de maan vereenzelvigd werd; de laatste immers werd door de Egyptenaren als de bron van alle vochtigheid beschouwd.

De naam Hathor beteekent: "Huis van Horus", d.w.z. de lucht, waarin de zonnegod Horus woonde en er is geen twijfel aan, of Hathor werd op zeker tijdstip als een godin van de lucht beschouwd, of als een godin van de Oostelijke lucht, waar Horus geboren was; ook is zij met de lucht van den nacht geïdentificeerd en met de lucht van den zonsondergang.

Indien wij haar echter als een maangodin beschouwen, zal veel van de mythologie, welke op haar betrekking heeft, duidelijk worden. Er wordt b.v. dikwijls over haar gesproken als "Oog van Ra"; Ra bezit hier waarschijnlijk de verdere beteekenis van god van de lucht. Ook wordt zij aangeduid als de "gouden", die hoog in het Zuiden, als de vrouw van Teka, staat en het westen als de heerscheres van Sais verlicht.

Dat zij de heerscheres in de onderwereld was, is eveneens niet te verwonderen, indien wij haar identiek met de maan beschouwen; onderneemt de maan toch niet een dagelijkschen pelgrimstocht door Amentet? Evenmin is het verbazingwekkend, dat men een godin van vochtigheid en plantengroei in de onderwereld vinden kan, terwijl zij water uitdeelt aan de zielen der gestorvenen, uit de takken van een palm, of vijgeboom.

Hathor als Godin der Liefde.

Op dezelfde hypothese kunnen wij de eenigszins paradoxale bewering uitleggen, dat zij de moeder van haar vader, de dochter van haar zoon is, dat zij de moeder, vrouw en dochter van Ra is. Men kan toch de maan, wanneer zij aan den hemel verschijnt vóór de zon, als Ra's moeder beschouwen; wanneer zij tezamen met hem regeert, is zij zijn vrouw; als zij opkomt, nadat de zon ondergegaan is, is zij zijn dochter.

Het is verder mogelijk, dat de maan, met haar voortbrengende en onderhoudende kracht, beschouwd is als de scheppende en schragende kracht van het heelal, de groote moeder van den kosmos, welke niet alleen de goden en godinnen, over wie zij regeerde, voortbracht, doch eveneens haar zelf.

Zij ontving de eerbewijzen van de Egyptische vrouw, als het ideaal van vrouwelijkheid, zoowel als moeder, vrouw, of dochter en zij werd de beschermgodin van de liefde, de vreugde en pret, beschermster van muziek en zang, beschermster van den dans en de meesteres van de slingers.

Ter harer eere werden tempels opgericht van welke die in Denderah, in Boven-Egypte, van buitengewone schoonheid is, en zij bezit ontelbare andere heiligdommen. Langzamerhand werd zij met verschillende plaatselijke godheden vereenigd en men heeft inderdaad verkondigd, dat alle godinnen vormen van Hathor waren.

Als wachteres over de dooden wordt Hathor als koe voorgesteld, komende uit den berg in het westen en ook terwijl zij op den top van dezen staat, en de ondergaande zon en de zielen der dooden ontvangt, terwijl de laatsten in de voetstappen van den zonnegod treden.

In dit geval kan men Hathor als de lucht van het Westen beschouwen, doch de mythe kan eveneens op de maan betrekking hebben, welke soms op de bergen van het Westen staat, na zonsondergang, met horens, welke op uitgestrekte armen lijken, om de onzichtbare zielen te verwelkomen.

Er moet nog een ander punt met betrekking tot het mythologisch aspect van Hathor besproken worden. Toen zij, als dochter van Ra, geboren was (haar moeder was Nut, de godin der lucht) was zij geheel zwart. Dit feit laat verschillende verklaringen toe. Het kan zijn, dat Hathor's zwart uiterlijk een aanwijzing is voor een Aethiopische afkomst, of ook kan het zijn, dat zij een voorstelling is van de lucht des nachts, welke met den groei van den dag licht wordt.

Het is echter ook mogelijk, haar als een voorstelling van de maan te beschouwen, welke zwart geboren wordt, met slechts een kleine lichtsikkel, doch welke helderder wordt, als zij ouder wordt. Het is niet waarschijnlijk, dat de scherpziende oogen van den eersten mensch de donkere maanschijf niet opgemerkt zouden hebben, welke aan de buitenzijde nog door het licht, dat door de aarde teruggekaatst werd, verlicht werd.

De Menschenslachting.

In de volgende mythen over Ra en Hathor wordt de laatste geheel en al met de maangodin geïdentificeerd. Het verhaal luidt aldus:

Lang geleden woonde Ra, de zonnegod, de schepper van den mensch en alle andere wezens, en heerscher over de goden, op aarde. Een tijd lang bewezen de menschen hem den eerbied, aan zijn hooge positie verschuldigd, doch ten slotte werd hij oud, en zij bespotten hem, terwijl zij zeiden: "zie eens, zijn beenderen zijn als zilver, zijn armen lijken op goud, zijn haar is echte lapis-lazuli". Nu was Ra zeer vertoornd, toen hij deze godslastering hoorde, daarom riep hij zijn volgelingen bijeen, de goden en godinnen van zijn gezelschap, Shu en Tefnut, Geb en Nut en Hathor, het oog van Ra.

In het geheim kwamen de goden samen, zoodat de menschenkinderen niets van hun bijeenkomst weten konden. Toen zij nu allen rondom den troon van Ra verzameld waren, sprak hij tot Nun, den oudste van de goden:

"O Nun, gij eerstgeborene van de goden, wiens zoon ik ben, ik smeek U, geef mij raad. De menschen, die ik geschapen heb, bedenken booze dingen tegen mij, zelfs zij, die uit mijn oog te voorschijn gekomen zijn. Zij hebben in hun haat gemompeld en zeiden: Zie, de koning is oud geworden, zijn beenen lijken op zilver, zijn armen op goud, zijn haar lijkt op werkelijke lapis-lazuli. Zeg mij, wat moet ik tegen hen doen? Ik heb over Uw raad gedacht. Ik wil hen niet vernietigen, voordat gij gesproken hebt".

Hierop antwoordde Nun:

"O Gij groote God, die grooter zijt, dan hij, die U maakte, Gij, die grooter zijt, dan Uw vader, wend slechts Uw oog tegen hen, als zij godslasteren en zij zullen van de aarde verdwijnen".

Hierop wendde Ra werkelijk zijn oog naar de lasteraars, overeenkomstig den raad van Nun. De menschen echter vluchtten voor het oog van Ra en verborgen zich in woestijnen en rotsachtige plaatsen. Hierop gaven alle goden en godinnen aan Ra den raad, zijn oog onder de menschen te zenden, om hen op smartelijke wijze te treffen.

Het oog van Ra daalde daarop van den hemel, in de gedaante van de godin Hathor, trof de menschen in de woestijn en doodde hen. Daarop keerde Hathor naar het hof van Ra terug en toen de koning haar verwelkomd had, zeide zij: "Ik ben machtig geweest onder de menschen. Dit is mijn hart aangenaam".

Den geheelen nacht waadde Sekhmet [26] in het bloed van hen, die gedood waren en 's morgens vreesde Ra, dat Hathor alle nog overigen van het menschelijk geslacht zou vernietigen; daarna sprak hij tot zijn dienaren: "Breng mij snelle boden, die de winden voorbijloopen".

Toen de boden verschenen waren, verzocht de koning hen een groot aantal alruinen uit Elephantine te halen. Ra gaf dezen daarop aan Sekhmet en verzocht hem, dezen fijn te stampen; toen dit gedaan was, mengde hij de alruinen met een hoeveelheid van het bloed van hen, die Hathor gedood had.

Ondertusschen waren dienstmaagden bezig, bier uit gerst te maken en hierin goot Ra het mengsel. Aldus werden 7000 kruiken bier gemaakt.

Des morgens verzocht Ra zijn dienaren, het bier naar de plaats te brengen, waar Hathor de overgebleven menschen zou trachten te dooden en het daar uit te gieten. Want de godheid zei bij zichzelf: "Ik zal de menschen uit haar handen bevrijden".

Het gebeurde werkelijk, dat Hathor, tegen de schemering, de plaats bereikte, waar het bier lag, dat de velden overstroomde. Zij verheugde zich zeer over de weerkaatsing van haar schoon gezicht, dat haar uit den stroom toelachte en zooveel dronk zij van het bier, dat zij dronken werd en niet meer in staat was, menschen te dooden.

Vanaf dien tijd werden er, ter herinnering aan deze gebeurtenis, luidruchtige feesten gevierd.

Er is geen twijfel mogelijk, of in deze mythe is het bier een voorstelling van de jaarlijksche overstrooming van den Nijl en als men nog een verder bewijs zoekt dan dit, in deze geschiedenis vervat, kan men dit vinden in het feit, dat de uitgelaten feesten van Hathor, in de maand Thoth, de eerste maand van de overstrooming, vallen.

De wraak van Ra is ongetwijfeld een voorstelling van de rampen en het hongerlijden, dat het drooge seizoen, dat onmiddellijk den was van de rivier voorafgaat, vergezelt. Het oog van Ra--d.w.z. Hathor--moet, of de zon, of de maan zijn. Ra echter is de zonnegod, daarom moet Hathor waarschijnlijk als maangodin opgevat worden,

Men moet er wel aan denken, dat de Egyptenaren geloofden, dat de maan hardnekkig haar best deed de overstrooming te verhinderen en haar dus waarschijnlijk als de bron van alle rampen, welke door de droogte ontstonden, beschouwden. Het is eveneens evident, dat het oog van Ra onder de menschen een verwoesting aanrichtte gedurende den nacht en dat de schemering van den dag aanbrak, nadat de godin de menschen gedood had, toen zij stroomopwaarts ging.

Vormen van Hathor.

Hathor wordt soms met de ster Sept, of Sothis (Sirius), geïdentificeerd, welke, met de zon op- en ondergaande, opkwam op den eersten dag van de maand Thoth. Toen Ra zijn schip besteeg nam Sothis, of de godin Hathor, haar plaats, boven zijn hoofd, evenals een kroon in.

Steeds heeft men gewezen op de verschillende vormen van deze godin. Door de Grieken werd zij met Aphrodite vereenzelvigd en door de Egyptenaren met een menigte plaatselijke godinnen. De Zeven Hathors, die men soms als onafhankelijke godinnen vermeldt, waren slechts in werkelijkheid een van de gestalten der godin en dezen varieerden in de verschillende plaatsen.

Zoo waren de Zeven Hathors, in Denderah vereerd, Hathor van Thebe, Hathor van Heliopolis, Hathor van Aphroditopolis, Hathor van het Sinaï-schiereiland, Hathor van Momemphis, Hathor van Herakleopolis en Hathor van Keset.

Zij werden als jonge vrouwen, met tamboerijnen in de hand, voorgesteld en voorzien van de Hathor haardracht, uit een schijf en een paar horens bestaand. In de litanieën van Seker worden andere groepen van Zeven Hathors vermeld en Mariette onderscheidt nog een ander gezelschap onder dezen titel.

Kortom, Hathor is de voorstelling van het vrouwelijk element, oorspronkelijk, vruchtbaar en aantrekkelijk, zooals dat bij de meeste barbaarsche volken bekend is en dat in den loop der eeuwen meer vervalscht is.

Hapi, de Nijlgod.

Deze god werd speciaal met de groote rivier, waarvan het bestaan van Egypte afhing, verbonden en als zoodanig was hij in het Egyptische pantheon een god van groot gewicht. Langzamerhand werd hij met Osiris vereenzelvigd.

De naam Hapi wacht nog steeds op een vertaling en is waarschijnlijk van prae-dynastischen oorsprong. Misschien komt de eerste vermelding van dezen naam voor in den tekst van Unas, waarin de Nijlgod aangespoord wordt, het graan, ten behoeve van den dooden vorst, vruchtbaar te maken. In dezelfde teksten wordt over Hapi eveneens als over een vernietigende kracht gesproken; dit is natuurlijk een symbolische voorstelling voor de overstroomingen, zoo dikwijls door den Nijl veroorzaakt.

Wat zijn verschijning betreft, bezit Hapi tegelijk mannelijke en vrouwelijke karaktertrekken, terwijl deze laatsten dan een aanwijzing zijn voor zijn voedingskracht. Als god van den Noordelijken Nijl draagt hij een kroon van papyrus en als god van het Zuidelijk deel der rivier, een van lotus-planten.

Deze twee vormen van Hapi zijn een gevolg van de aardrijkskundige verdeeling van het land in Boven- en Beneden-Egypte en soms worden zij tot één figuur vereenigd, wanneer men den god met beide planten in zijn hand ziet. Op de kronen van sommige Pharaohs vinden wij dikwijls den lotus en papyrus met het zinnebeeld der vereeniging verbonden, om de souvereiniteit van den vorst over beide streken aan te duiden.

De werkelijke positie van Hapi maakte het zeker, dat hij, als godheid, succes zou hebben. Het geheele land richtte het oog naar den Nijl, als de bron van alle rijkdom en voedsel, zoodat de god, welke dezen beschermde, snel in de achting van allen rees. Aldus werd Hapi snel met de grootere en meer uitstekende figuren in de oude Egyptische mythologie vereenzelvigd.

Op deze wijze kwam hij op gelijke lijn te staan met de groote, oorspronkelijke goden, die de wereld geschapen hadden en ten slotte beschouwde men hem als den maker en vormer van alles in het heelal. Wij vinden hem met de attributen van Nu, de oer-watermassa, voorzien en deze omstandigheden maakten hem inderdaad een vader van Ra, die uit dat element te voorschijn gekomen was.

Hapi stond in meer onmiddellijk verband met de Egyptenaren, dan bijna ieder ander god in het pantheon. Zonder de zon zou Egypte in duisternis gehuld zijn, doch zonder den Nijl zou ieder levend wezen op zijn oevers zonder twijfel te gronde gegaan zijn.

De omstandigheid verder, dat de bronnen van den Nijl aan de Egyptenaren onbekend waren, brachten er veel toe bij om een mysterieus waas om de godheid van deze rivier te weven. Het volk kon het rijzen en val van de rivier niet begrijpen, daar het hen toescheen, dat deze onder bovennatuurlijke auspiciën plaats hadden.

Bij gelegenheid van den jaarlijkschen was van den Nijl werd ter eere van Hapi een groot feest gevierd en beelden van dezen god werd door de steden en dorpen gevoerd.

Het is opmerkelijk, dat in verschillende mythologieën, goden der vruchtbaarheid, door het rondvoeren van hun beelden door de straat, geëerd worden en het is eenigszins moeilijk in te zien, waarom dit geschiedde. Men kan echter niet beweren, dat alleen goden, die op het landbouw betrekking hebben, aldus werden rondgevoerd, maar men kan opmerken, dat dezen het meest van allen dergelijke eerbewijzen ontvingen.

Tegenhangsters van Hapi.

Isis werd in zeker opzicht als de tegenhangster van Hapi beschouwd, doch wij vinden eveneens, dat in het Noorden van Egypte de godin Natch-ura als de gezellin van Hapi werd beschouwd en dat Nekhebet, in het Zuiden, dezelfde functie bekleedde.

De volgende Hapi-hymne, in een papyrus, uit den tijd van de 18e of 19e dynastie, doet het gewicht van zijn vereering in Egypte ten duidelijkste uitkomen; deze luidt aldus:

