Part 13
Bij de groote plechtigheden, ter eere van dien god en voornamelijk op zijn feestdag, werd een boot, de Seker-boot genaamd, bij zonsopgang, wanneer de stralen van de zon zich langzaam over de aarde beginnen uit te gieten, op een slede geplaatst. Deze boot werd daarna om het heiligdom getrokken en deze handeling is een typische voorstelling van den loop der zon.
Deze boot was onder den naam van Henu bekend en wordt verschillende malen in het Boek der Dooden vermeld. Zij gelijkt niet op een gewone boot, maar haar ééne uiteinde is hooger dan het andere en zij was in de afbeelding van het hoofd van een dier, dat op een gazelle lijkt, vervaardigd.
In het midden van het vaartuig bevond zich een kist, waar zich bovenop een havik, met uitgespreide vleugels, bevond; men veronderstelde, dat deze het lijk van Osiris, den dooden zonnegod, bevatte.
De Seker-, of Henu-boot, was waarschijnlijk een vorm voor de Mesektet-boot, waarin de zon, gedurende de tweede helft van zijn dagelijksche reis, door de lucht voer en waarin zij des avonds de oude wereld bereikte.
Hoewel Seker, als godheid, in het oude Egypte vrij populair was, schijnen zijn attributen geheel en al door Ptah te zijn aangenomen. Wij vinden zelfs den drievoudigen naam Ptah-Seker-Asar of Ptah-Seker-Osiris en deze wordt dikwijls, als havik, op lijkkisten en sarcophagen, voorgesteld.
Ongeveer in den tijd der 22e dynastie werd dit drietal feitelijk één met Osiris en het had zelfs varianten, welke de attributen van Min, Amsu en Khepera aannamen. Deze godheid is beschreven als: "de drievoudige godheid der wederopstanding". Er is weinig twijfel, of deze versmelting is door invloed van priesters tot stand gekomen.
Ptah werd ook met een god, onder den naam Tenen bekend, vereenigd; deze wordt gewoonlijk in menschelijke gestalte voorgesteld, terwijl hij op zijn hoofd een kroon, van struisveeren voorzien, draagt. Ook wordt hij afgebeeld, terwijl hij arbeidt aan een pottebakkerswiel, waaraan hij het ei der wereld vormt. Op andere voorstellingen ziet men hem een kromme sabel vasthouden.
Budge vermoedt, dat dit wapen aantoont, dat hij de vernietigende kracht van den oorlogsgod is, doch dit is zeer onwaarschijnlijk. De bronzen sabel van Ptah, in zijn gestalte als Tenen, is precies hetzelfde symbool als de bijlen, welke over de geheele wereld de attributen van de scheppingsgoden zijn. Met de sabel toch snijdt hij de aarde, evenals god Ainu der Japaneezen dit met zijn bijl doet, of zooals andere goden, van wie wij reeds melding gemaakt hebben, hun bijlen, of hamers gebruiken. Tenen was waarschijnlijk een oude god, met scheppende kracht, en werd om die reden met Ptah vereenigd.
Sekhmet.
De voornaamste plaats van vereering van Ptah was Memphis; hier bevonden zich eveneens de tempels van Sekhmet, Bast, Osiris, Seker, Hathor, I-em-hetep, benevens die van Ra. Sekhmet was de gezellin van Ptah en zij waren de ouders van Nefer-tem.
Sekmet werd later met vormen van Hathor geïdentificeerd. Zij had den kop van een leeuwin en stond waarschijnlijk in dezelfde verhouding tot Bast, als Nephthys tot Isis. Zij verpersoonlijkt de hevige, alles verzengende hitte der zonnestralen. Eén van haar namen is Nesert, vlam, en hierin personificeert zij het vernietigende element.
De Zeven Wijzen.
Soms vinden wij Ptah in gezelschap van zekere wezens, de Zeven Wijzen van de godin Meh-urt, die hun moeder was, genaamd. Wij vernemen, dat zij uit het water ontstaan waren, uit de pupil van het oog van Ra, dat zij de gestalte van zeven havikken aannamen, omhoog vlogen en, tezamen met Thoth, het toezicht op het leeren en de letters hielden. Ptah deelde, als bouwmeester en werkman, terwijl hij de teekeningen van Thoth en zijn helper uitvoerde, in al hun attributen, evenals zijn tegenhangster Sekhmet.
Bast.
Bast, de Bubastis van de Grieken, bezat de eigenschappen van een kat, of leeuwin, terwijl de laatste een meer moderne ontwikkeling van haar karakter is. Haar naam beteekent de "verscheurster" en ook wordt zij de meesteres van Sept, d.w.z. van de ster Sothis genoemd. Zij wordt verder soms met Isis en Hathor geïdentificeerd.
In tegenstelling met de woeste Sekhmet, stelt zij de zachte, vruchtbaar makende zonnehitte voor. De kat houdt er van zich in de zon te koesteren en om deze reden werd dit dier als symbool voor deze godin genomen. Zij werd met Sekhmet en Ra tot één godheid versmolten, onder den naam van Sekhmet-Bast-Ra bekend en als zoodanig met het hoofd van een man afgebeeld, terwijl vleugels aan haar arm zichtbaar zijn en twee koppen van gieren uit haar nek te voorschijn komen. Eveneens heeft zij leeuwenklauwen.
Zij was de godin van het Oostelijk deel der Delta en werd te Bubastis, in Beneden-Egypte, vereerd. Hare eeredienst schijnt in die streek vrij oud te zijn en hoewel zij in de Pyramidenteksten vermeld wordt, komt zij slechts zelden in het Boek der Dooden voor.
Waarschijnlijk was zij oorspronkelijk een kat-totem en in elk geval werd zij eerst in de gestalte van een kat vereerd. Men heeft willen opmerken, dat zij de karakteristieke eigenschappen van een uitheemsche godin heeft, doch voor deze opvatting zijn geen zeer vaste gronden aan te voeren.
Hoewel zij met vuur en de zon verbonden is, heeft zij misschien ook eenige gemeenschap met de schijf van de maan, want haar zoon Khensu is een maangod. Kat-goden worden dikwijls met de maan verbonden, hoofdzakelijk vanwege de vruchtbaarheid van het dier, dat de voorstelling is van de vruchtbaarheid en groeikracht, welke aan de maan verbonden is.
Het Feest van Bast.
Herodotus geeft ons een zeer schilderachtige beschrijving van het feest van de godin, dat in de maanden April en Mei plaats vond. Hij vertelt, dat de Egyptenaren in schepen naar de stad Bubastis voeren, terwijl zij op trommels en tamboerijnen sloegen en allerlei ander lawaai maakten, terwijl zij, die geen muziek maakten, in hun handen klapten en luid zongen. In de stad aangekomen, dansten zij en vierden feest, onder gezang en drinkgelagen.
Van de stad Bubastis geeft hij een levendige schildering, welke als volgt luidt:
"De stad Bubastis verheft zich in de hoogte en hierin bevindt zich een zeer merkwaardige tempel, aan de godin Bubastis gewijd, in onze taal Diana genoemd en hoewel er thans tempels zijn, welke grooter en rijker uitgerust zijn, is geen enkele met dien te vergelijken, zoo bevallig is hij om aan te zien. Deze tempel is aldus. Behalve den toegang is de geheele oppervlakte van de stad een eiland, want hieromheen stroomen twee armen van den Nijl, welke zich niet met elkander vereenigen, maar één weg overlaten. Deze Nijlarmen zijn honderd voet breed en aan beide zijden van de oevers met schaduwrijke boomen beplant. De toegangspoort is 10 vademen hoog en met afbeeldingen, welke 6 el groot zijn, versierd, prachtig om te aanschouwen.
De tempel zelf bevindt zich in het midden van de stad en is van alle kanten zichtbaar. Immers, hoewel de stad steeds werd opgehoogd, bleef de tempel steeds op zijn plaats en is aldus van alle kanten gemakkelijk te bezichtigen, aan alle zijden van de stad. Rondom den tempel loopt een muur, met afbeeldingen versierd.
Aan de binnenzijde van den muur bevindt zich een heilig bosch, van hooge boomen voorzien, rondom het tempelgebouw zelf en hierin bevindt zich het beeld der godin. De lengte en breedte van den tempel is een stadie.
Er leidt van den ingang van den tempel Oostwaarts een geplaveide weg naar den tempel van Mercurius, ongeveer drie stadiën lang en ongeveer 4 plethren breed; aan beide zijden van dien weg zijn hemelhooge boomen geplant".
Nefer-Tem.
Nefer-Tem was de zoon van Ptah en Sekhmet, of van Ptah en Bast. Hij wordt als een man, wiens hoofd met veeren bedekt is, voorgesteld, terwijl hij soms op één been staat. Soms wordt hij zelfs met een leeuwenkop voorgesteld en met een lichaam van een mummie.
In oude tijden werd hij symbolisch door de lotus-bloem voorgesteld. Hij was het derde lid van het drietal van Memphis, hetwelk uit hem, Ptah en Sekhmet bestond. Waarschijnlijk is hij de jonge Tem, de god van de opkomende zon. Misschien was zijn symbool de lotus, omdat het den Egyptenaren kon toeschijnen, dat de zon uit bedden van die plant in de Delta te voorschijn kwam. In latere teksten wordt hij met verschillende andere goden geïdentificeerd, doch deze allen schijnen gestalten van Horus, of Thoth, te zijn.
I-em-hetep.
I-em-hetep, een andere zoon van Ptah, werd eveneens als een lid van het groote drietal van Memphis beschouwd. Zijn naam beteekent "Kom in vrede" en werd hem gegeven, omdat men dacht, dat hij de geneeskunde aan de menschheid had gebracht. Evenals zijn vader Ptah, schildert men hem met een hoofdkap af. Voor hem ligt een papyrusrol, om zijn karakter als god der studie en het leeren aan te duiden, doch hij was in Egypte meer populair als god der medicijnkunde.
Later nam hij de plaats van Thoth, als schrijver van de goden, in en deed de tooverwoorden, welke de dooden tegen hun vijand in de Duat beschermen moesten, aan de hand. Hij bezat ook een karakter, dat met de begrafenis in verband stond en dit zou misschien kunnen bewijzen, dat geneeskundigen op eenige wijze met de kunst van balsemen in verband stonden.
In een tekst der Ptolemaeën, in zijn tempel op het eiland Philae, wordt hij genoemd: "hij, die het leven aan alle menschen schenkt". Men dacht ook, dat hij aan de lijdenden het geschenk van den slaap zond en werkelijk stonden de bedroefden en terneergeslagenen onder zijne bijzondere bescherming.
Budge verkondigt de meening, dat, indien wij zijn geschiedenis vanaf het begin konden opsporen, wij wellicht zouden vinden, dat hij oorspronkelijk een zeer kundig medicus was, die aan de Egyptenaren eenige elementaire kennis der geneeskunde bijgebracht had, en die eenigszins met de wijze om de lichamen der dooden door middel van kruiden, specerijen en linnen inwikkelingen te bewaren, vertrouwd was.
Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk, alleen de geneesheer moet in later tijd geheel anders voorgesteld zijn, zooals men uit het gebruik van den papyrus-rol zien kan. I-em-hetep was de god van de geneesheeren en van hen, die zich met geneeskundige magie ophielden en zijn vereering was in Memphis waarschijnlijk zeer oud.
Budge gaat zelfs zoover om te vermoeden, dat I-em-hetep de tot een godheid verheven gestalte van een aanzienlijk geneesheer was, die tot de priesterschap van Ra behoorde en die tegen het einde van de regeering der 3e dynastie leefde.
In de gezangen, welke in den tempel van Antuf aangeheven werden, komen wij de volgende passage tegen: "Ik heb de woorden van I-em-hetep en Heru-tata-f gehoord, welke steeds herhaald worden, doch waar is tegenwoordig hun plaats? Hun muren zijn omver geworpen, hun woonplaatsen bestaan niet meer en het is, alsof zij nooit bestaan hebben. Niemand kan ons verklaren, wat voor wezens zij waren en niemand kan ons over hun bezittingen vertellen.
Heru-tata-f was een man van groote leerkracht en deze bracht, zooals wij in het Verhaal van den Toovenaar, elders in dit werk, beschreven, die geheimzinnige personen naar het hof van zijn vader Khufu. Hij ontdekte ook eenige hoofdstukken van het Boek der Dooden.
Budge vermoedt, dat I-em-hetep, die in verbinding met hem genoemd wordt, een man van hetzelfde type was, n.1. een kundig geneesheer, wiens woorden en daden verdienden, met de woorden van Heru-tata-f op één lijn gesteld te worden.
De afbeeldingen van I-em-hetep doen vermoeden, dat hij van menschelijken en plaatselijken oorsprong was en hij oefende op de verbeelding der latere Egyptenaren, uit den Saïtischen en Ptolemaeïschen tijd, grooten invloed uit. Hij was inderdaad een soort van Egyptischen Harpocrates, iemand, die, zooals Budge vermoedt, vanwege zijn groote kennis als geneesheer, tot een god verheven is.
Khnemu.
In de stad Elephantine werd een drietal groote goden vereerd. Dit bestond uit Khnemu, Satet en Anqet.
De vereering van eerstgenoemden god dateerde al uit oer-oude tijden en zelfs in de inscriptie van koning Unas vinden wij over hem gesproken op een wijze, welke bewijst, dat hij zeer oud was.
Zijn positie was steeds zeer verheven en zelfs tot het laatste toe, schijnt hij in de oogen van de Gnostici van zeer groot gewicht geweest te zijn. Khnemu was waarschijnlijk een god van de Egyptenaren uit den prae-dynastieken tijd.
Zijn symbool is de ram, met platte horens voorzien; deze schijnt uit het Oosten ingevoerd te zijn. Na de 12e dynastie vinden wij hem echter in geen enkele inscriptie vermeld.
Gewoonlijk wordt hij in de gestalte van een man, met den kop van een ram voorzien, voorgesteld, terwijl hij de witte kroon draagt en soms de schijf. Op sommige afbeeldingen ziet men hem water over de aarde uitgieten en op weer andere met een juk boven zijn horens; dit is ongetwijfeld een aanwijzing, dat hij met vochtigheid in verband staat.
Zijn naam beteekent de bouwer, of vormer en hij was het, die den eersten mensch aan het pottebakkerswiel vormde, die het eerste ei, waaruit de zon ontsproot, vervaardigde en de lichamen der goden samenstelde en voortging hen te beschermen.
Khnemu is te Elephantine, vanaf onheuglijke tijden, vereerd en daarom was hij de god van de eerste Cataract. Zijn tegenhangsters, Satet en Anqet, zijn als een gedaante van de ster Sept en als een Nubische locale godin geïdentificeerd.
Uit de teksten is het volkomen duidelijk, dat Khnemu, evenals Hapi, oorspronkelijk een riviergod was, die als de god van den Nijl en de jaarlijksche overstrooming beschouwd werd en het kan zijn, dat hij en Hapi Nijlgoden waren, door twee verschillende rassen ingevoerd, of misschien door het volk uit twee verschillende deelen van het land.
In de teksten wordt hij genoemd "de vader van de vaderen der goden en godinnen, heer van de dingen door hemzelf geschapen, maker van hemel, aarde, Duat, water en bergen", zoodat wij zien, dat hij, evenals Hapi, met de scheppingsgoden vereenzelvigd is.
Soms wordt hij voorgesteld als iemand met een menschelijk lichaam, waarop de koppen van 4 rammen geplaatst zijn en daar hij de attributen van Ra, Shu, Geb en Osiris met die van zichzelf vereenigd heeft, stellen deze koppen waarschijnlijk de genoemde goden voor. Brugsch echter werpt het vermoeden op, dat zij de vier elementen, vuur, lucht, aarde en water voorstellen. Doch het is zeer moeilijk in te zien, hoe dit mogelijk is. In elk geval stelt Khnemu, wanneer hij met de vier koppen afgebeeld wordt, de groote, oorspronkelijke scheppingskracht voor.
De Legende over de Bron van den Nijl.
De krachten welke Khnemu-Ra als god van den aardschen Nijl werden toegeschreven, zijn in een legende belichaamd, welke in 1890 in een inscriptie, op een rots van het eiland Sahal, gevonden werd. De koning, die in deze inscriptie vermeld wordt, is als Tcheser, den derden vorst der 3e dynastie, geïdentificeerd.
De geschiedenis nu vertelt ons, dat in het 18e jaar van de regeering van dien koning, een hongersnood Egypte teisterde, omdat de Nijl gedurende 7 jaren het land niet overstroomd had. Dus was het graan schaarsch, de velden en tuinen brachten niets op, zoodat het volk gebrek had aan voedsel.
Sterke menschen waggelden, evenals oude menschen, de bejaarden vielen zelfs ter aarde en stonden niet meer op en de kinderen schreeuwden luide door den honger. Zelfs werden de menschen dieven, om het weinige voedsel, dat er nog was, in bezit te krijgen en beroofden zij hun buren.
Verhalen over dezen verschrikkelijken toestand bereikten de ooren van den koning en hij werd hierdoor smartelijk getroffen. Hij herinnerde zich, dat de god I-em-hetep, de zoon van Ptah, Egypte eens van een dergelijke ramp bevrijd had, doch toen hij diens hulp inriep, verwaardigde de god zich geen antwoord.
Daarop zond koning Tchesen een bode naar zijn gouverneur Mater, die het Zuiden bestuurde, n.l. het eiland Elephantine en Nubië en vroeg hem, waar de bron van den Nijl was en welke de naam van den god, of de godin, van die rivier was.
Mater, de gouverneur, begaf zich in hoogst eigen persoon op weg, om zijn heer het antwoord op zijn vraag te brengen. Hij vertelde hem, bij zijn aankomst, van het wonderlijk eiland Elephantine, waarop de eerste van alle steden gebouwd was; hieruit rees de zon op, wanneer zij de menschen het leven schenken wilde. Hier bevond zich ook een dubbel hol, in de gestalte van twee harten; uit dit hol kwam de vloed van den Nijl op, om het land met vruchtbaarheid te zegenen, wanneer de god de grendels van de deur in het daarvoor passende jaargetijde terugschoof. Deze god was Khnemu.
Mater beschreef hierop aan zijn meester den tempel van den Nijlgod, in Elephantine en vertelde, dat zich daarin nog andere goden bevonden, onder hen de groote goden Osiris, Horus, Isis en Nephthys. Hij vertelde verder over de producten van het land en zei, dat men hiervan aan Khnemu offers brengen moest.
Daarop stond de koning op, bracht offers aan den god en aanbad hem in zijn tempel. En de god verhoorde hem en verscheen aan den koning die door smart getroffen was. Hij zeide tot hem: "Ik ben Khnemu, de Schepper. Mijn handen rusten op u, om u te beschermen en uw lichaam gezond te maken.... Ik schonk u uw hart.... Ik ben het, die het schiep. Ik ben de oorspronkelijke watermassa, ik ben de Nijl, die, al naar hij wil, rijst, om gezondheid te geven aan hen, die arbeiden. Ik ben de gids en leider van alle menschen, de Almachtige, de vader van de goden, Shu, de machtige bezitter der aarde".
Daarop beloofde de god aan den koning, dat vanaf dat oogenblik de Nijl, evenals in oude tijden, weer zou rijzen, dat de hongersnood op zou houden en dat een groote voorspoed over het land zou komen. Doch hij wees den koning er eveneens op, dat zijn heiligdom verlaten was en dat niemand moeite deed dit te herstellen, hoewel de steenen in het rond verspreid lagen.
De koning hield dit in de gedachten en vaardigde een bevel uit, dat de landen aan beide zijden van den Nijl, bij het eiland, waar Khnemu woonde, voor den god bestemd moesten worden, als schenking aan zijn tempel, dat priesters zijn heiligdom bedienen moesten en dat voor hun onderhoud een belasting door het dichtstbijgelegen land opgebracht moest worden.
Dit besluit liet de koning op een steenen zuil graveeren en dezen op een goed zichtbare plaats zetten, als een klein bewijs van dankbaarheid aan god Khnemu, den Nijlgod.
Satet.
Satet [23], de voornaamste tegenhangster van Khnemu, was eveneens een godin der overstrooming. Haar naam beteekent waarschijnlijk "uitgieten" of "naar buiten strooien", zoodat zij een godin kan aanduiden, die de kracht van den regen bestuurde. In haar hand draagt zij een boog en pijlen, evenals Neith, en dit is een typische voorstelling van den regen, of bliksemstraal. Zij werd als een gestalte van Isis beschouwd en wel hierdoor, omdat beiden met de ster Sept verbonden waren en in deze gestalte verschijnt zij in het Boek der Dooden, als een tegenhangster van Osiris.
Anqet.
Anqet, het derde lid van het drietal uit Elephantine, was een zuster-godin van Satet. Zij droeg een kroon van veeren, een omstandigheid, welke aanduidt, dat haar oorsprong een zuiver Afrikaansche was en wellicht was zij een godin van een van de eilanden van de eerste Cataract.
Vanaf zeer oude tijden is zij met de andere leden van het drietal vereenigd en haar cultus was, door het Noordelijk gedeelte van Nubië, wijd en zijd verspreid. In later tijd was Sahal het middelpunt van haar vereering en hier werd zij als koningin van dat eiland beschouwd en werd, waarschijnlijk onder de 18e dynastie, een tempel voor haar gebouwd. Zij bezat ook een heiligdom te Philae en werd daar met Nephthys geïdentificeerd, zooals noodzakelijk is, als men op het feit let, dat Osiris met Khnemu en Satet met Isis vereenzelvigd is.
Brugsch beschouwt haar als de verpersoonlijking van de wateren van den Nijl en meent, dat haar naam beteekent: "omringen, omvatten" en dat dit op de omvatting en de voeding van de velden, door de rivier, slaat.
Aten.
Aten, de zonneschijf, vertegenwoordigt in de Egyptische mythologie een klasse op zichzelf. Hoewel hij oppervlakkig beschouwd eenige kenmerkende eigenschappen met andere zonnegoden van Egypte gemeen heeft, toont ons een nadere beschouwing van deze godheid aan, dat hij in vele opzichten aanmerkelijk van dezen verschilt en dat zijn vereering inderdaad geheel vreemd is aan den godsdienstigen genius van het Egyptische volk.
De dienst van Aten, van welken voor den tijd van Amen-hetep IV nog weinig melding gemaakt wordt, trad onder de regeering van dien vorst plotseling op den voorgrond en werd gedurende eenigen tijd de staatsgodsdienst van Egypte.
Aangaande zijn oorsprong is niets bekend en waarschijnlijk was Aten, ten tijde van het Middenrijk, een onbekende, locale godheid, ergens in de buurt van Heliopolis vereerd. Zijn gewichtige positie in het Egyptische pantheon is aan het feit te danken, dat zijn eeredienst rechtstreeks de oorzaak werd voor een godsdienstige, sociale en artistieke revolutie, welke onder de regeering van Amen-hetep IV plaats had.
Met de omverwerping der Hyksos-koningen en de stevige vestiging van de Thebaansche monarchie (bij het begin der 18e dynastie), nam Amen, de plaatselijke god van Thebe, de eereplaats in het Egyptische pantheon in en werd als Amen-Ra vereerd.
Het is echter bekend, dat Thothmes IV zich beijverde, den eeredienst van Ra-Harmachis te herstellen. Zijn zoon, Amen-hetep III, bouwde voor dezen god en voor Aten te Memphis en Thebe, tempels. Zijn vrouw Tyi [24], schijnt deze pogingen ondersteund te hebben; zij was een dochter van Iuaa en Thuau; deze, hoewel niet verwant met de koninklijke familie, werd het hoofd van de koninklijke vrouwen.
Misschien was zij zelf een vereerster van Aten, dit zou de eerbied, welke haar zoon, Amen-hetep IV, voor dien god bezat, kunnen verklaren. Hij nam den titel aan van "hoogepriester van Ra-Heru-Akhti [25], den verhevene aan den horizon, onder zijn naam van Shu, die in Aten is"; hieruit zien wij, dat hij Aten, in overeenstemming met het in die tijden overheerschende gevoelen, eerder als de verblijfplaats van den zonnegod, dan als dien god zelf, beschouwde.
In de eerste jaren van zijn regeering vereerde Amen-hetep Amen en Aten beiden, den eersten in zijn kwaliteit van vorst, den laatsten meer in zijn particuliere functie, terwijl hij eveneens te Thebe een groote obelisk ter eere van Ra-Harmachis bouwde.
Daarop werd het echter meer en meer duidelijk, dat de koning Aten boven alle andere goden trachtte te verheffen. Dit was echter aan de vereerders van Amen geenszins aangenaam; hierbij kwam nog, dat de priesters van dezen uit de eerste families gelicht werden. Er ontstond nu een strijd tusschen de vereerders van Amen-Ra en dien van Aten en ten slotte bouwde de koning een nieuwe hoofdstad, aan Aten gewijd, op de plaats van het tegenwoordige Tell-el-Amarna, in Midden-Egypte. Hij trok zich daarop met zijn volgelingen terug, toen de strijd haar hoogtepunt bereikte. Aan de nieuwe stad gaf hij den naam van Akhet-Aten (horizon van Aten). Zijn eigen naam veranderde hij in dien van Akh-en-Aten (roem van Aten).
De vereering van een eenig god.
Eén van de kenmerken van den nieuwen godsdienst was, dat het wezenlijk een monotheisme was en geen andere goden naast zich dulden kon. Daarom was het onmogelijk, ook al waren bepaalde zonnegoden onder gelijke omstandigheden met Ra vereenigd, dat dit bij Aten evenzeer gebeuren kon.
Niet alleen was hij de koning der goden, hij was _de_ god. Dit monotheisme behield echter nog vele vormen en riten van andere eerediensten, paradoxaal als dezen geschenen moeten hebben. De koning behield zijn titel van "zoon der zon" (Aten), terwijl hij zijn Horus- en andere titels met die van Aten ruilde. De begrafenisgebruiken en het gebruik van den scarabaeus bleven bewaard.