Mythen en Legenden van Egypte

Part 12

Chapter 12 3,899 words Public domain Markdown

Zoo vinden wij in het boek Genesis, dat wij, behalve voor het bestaan van Jahweh, de scheppingskracht, nog bewijzen aantreffen voor het bestaan van een polytheistisch pantheon, Elohim genaamd. Dit toont dus duidelijk aan, dat de verhalen der Hebreeuwsche schepping, het een monotheistisch en het tweede polytheistisch, met elkaar zijn versmolten.

Misschien kan men het beste voorbeeld van een dergelijke samensmelting van mythen in een oude scheppingslegende van Peru vinden; hierin heeft een filosofische behendigheid al de vormen van vereering vereenigd. welke de Peruviaansche godsdienst doorloopen heeft, totdat zij één bepaalden vorm bereikte. Zoo zijn de verschillende geloofsphases, van het eenvoudige animisme, tot het anthropomorphisme, voor hem, die de mythologie bestudeert, in deze eene legende zichtbaar. Dat hetzelfde kunststukje bij de Kiches van Midden-Amerika is uitgehaald, in het wonderlijke boek, de Popol Vuh, werd door den schrijver over dit onderwerp in de Times, eenige jaren geleden, aangetoond.

De oorspronkelijke locale god van Heliopolis was Tem, of Atum, die met Ra onder den naam van Ra-Tem vereenigd werd. De invloed van de priesters van Ra nam ongeveer tegen het einde van de 6e dynastie af, doch onder de regeering van Senusert (of Usertsen) I (pl.m. 2433 v.C.), werd de tempel te Heliopolis herbouwd en gewijd aan Ra en twee van zijn gestalten, Horus en Temu. In dezen tempel werden modellen van de heilige booten van Ra bewaard, n.1. de Manzet, welke een beeld van Ra, met een havikkop voorzien, bevatte en de Mesektet, met een beeld, dat het hoofd van een man had.

Primitief als de natuur der zonaanbidding is, bezat deze elementen, welke haar in staat stelden, stand te houden, waar meer geavanceerde en ingewikkelde godsdiensten bezweken. Zelfs in dat land moeten er natuurlijk, naast een aristocratie van intelligenten aard, ontelbare landbouwers en slaven bestaan hebben, die slechts door hun omgang met hun superieuren en hun plaats, als landbouwend ras, van de wilden onderscheiden waren. Voor dezen moest de zon de godheid par excellence schijnen, de groote verkwikker en vruchtbaarmaker. Wij vinden echter, dat de cultus van Ra min of meer een aristocratisch, theologisch systeem met zich droeg, tenminste in de vroegste tijden. Van de volksreligie echter moeten wij ons tot de vereering van Osiris wenden.

Men kan zonder twijfel de beste parallel voor de vereering van Ra in Egypte trekken met dien van de zon in het oude Peru. Evenals de vorst van Peru de zon op aarde vertegenwoordigde, zoo stempelden de Egyptische monarchen zich tot zonen van de zon. Bij beide volken was de zonnecultus klaarblijkelijk aristocratisch van karakter.

Men kan dit bewijzen uit het feit, dat het paradijs van Ra verreweg een meer geestelijke spheer was, dan dat van Osiris, met zijn zuiver materieele genietingen. Zij, die zoo gelukkig waren den hemel van den zonnegod te bereiken, werden met licht bekleed en hun voedsel werd als "licht" voorgesteld. Het leven in het paradijs van Osiris daarentegen bestaat uit den omgang met Osiris en het feestvieren met hem.

Nu huivert de aristocratische kaste, in alle landen, voor het denkbeeld, dat zij in de andere wereld genoodzaakt zal zijn met de gewone massa gemeenzaam om te gaan. Dit was bepaaldelijk het geval in het oude Mexico en Scandinavië, waar alle krijgslieden, in den strijd gedood, het paradijs konden binnengaan.

Dit geloof was echter nimmer krachtig genoeg, om den cultus van Osiris te doen verdwijnen en daar de Egyptische geest een zeer materieel karakter bezat, begunstigde hij de opvattingen over de "rietvelden" en de "plaats van den vrede" ten zeerste; immers daar kon men van de goede gaven en gemakken, waarnaar men op aarde zoo vurig haakte, genieten, meer dan van het onwezenlijke voedsel en kleeding in de hooge standensfeer van Ra.

Ra en Osiris.

Gedurende vele eeuwen nu werd een stilzwijgende, doch heftige, strijd tusschen de priesters van Ra en Osiris gevoerd, doch ten slotte kreeg het geloof van den laatsten de overhand, ja, hij nam de titels, macht en attributen van den grooten zonnegod tot zich. Daarop werd de opvatting over een zonne- en maangod in zijn persoon vereenigd.

De Osiris-vereering was eigenlijk Afrikaansch en Egyptisch van karakter, doch er is reden te vermoeden, dat de cultus van Ra verschillende vreemde elementen in zich bevatte, waarschijnlijk West-Aziatisch van oorsprong en dit zou de koelheid, waarmede de Egyptische massa zijn vereering beschouwde, verklaren. Heliopolis, zijn stad, bevatte vele inwoners van Aziatische afkomst en deze omstandigheid is wellicht de verklaring voor de invoering van eenige leerstellingen in zijn geloof, welke de inheemsche Egyptenaren onaangenaam vonden.

Er is geen twijfel mogelijk, of Ra nam, tenminste bij de Egyptische aristocratie, de positie van schepper en vader der goden in. Osiris was zijn zoon. De verwantschap tusschen deze twee goden kan men beschouwen als die tusschen god den vader en god den zoon en zooals in sommige godsdienstige stelsels de gestalte van god den zoon, die van god den vader overschaduwd heeft, zoo overvleugelde Osiris Ra.

De god Tem, of Atum, die, zooals reeds door mij opgemerkt is, de plaatselijke god van Heliopolis was, werd in den tijd der dynastieën voor een der gestalten van Ra gehouden en wel in de personificatie van de ondergaande zon. Tem was een van de eerste goden der Egyptenaren. Men stelt het voor, dat hij in de boot van Ra voer en met dezen werd hij zelfs vereenigd onder den naam van Ra-Tem. Hij schijnt een god geweest te zijn, die vele attributen met Ra gemeen had en later eveneens met Osiris geïdentificeerd te zijn.

In de mythe van Ra en Isis zegt Ra: "Ik ben Khepera in den morgen, Ra in den middag en Tem in den avond"; dit toont ons, dat voor de Egyptenaren de dag verdeeld werd in drie deelen en dat ieder van dezen onder de bescherming stond van een bijzondere gedaante van den zonnegod. Tem werd in een van zijn gestalten als een slang vereerd, een zeer gewone vorm voor een zonnegod, want in vele landen is de draak, of slang, het symbool voor de zonneschijf.

De Heilige Kever.

Khepera, de nog overblijvende vorm van Ra, wordt gewoonlijk in menschelijke gedaante afgebeeld, met een kever op zijn hoofd. De vereering van den kever was in Egypte zeer oud en wij moeten zijn verbinding met den cultus van Ra aan priesterlijken invloed toeschrijven.

Wanneer de scarabaeus zijn eieren in het Egyptische zand gelegd heeft, rolt hij ze in een kleinen bal mest, dezen duwt hij daarna met zijn achterpooten door het zand naar een hol, dat hij tevoren gegraven heeft en hier worden de eieren door de zonnestralen uitgebroed.

Het scheen nu aan de oude Egyptenaren toe, dat deze handelwijze van den kever op de voortwenteling van de zon, langs den hemel, leek, zoodat Khepera, het opkomende zonnelicht, door hem gesymboliseerd werd

Khepera is een god van eenig gewicht, want hij wordt de schepper en vader der goden genoemd, tevens beschouwde men hem als het type der wederopstanding vanwege het symbool van den bal, welke levend zaad bevatte en waarschijnlijk in nog een ander opzicht, daar de opkomende zon als het ware den eenen morgen na den anderen uit zijn nachtelijke graf stapt. De scarabaeën, welke men op de Egyptische mummies vond, typeeren de hoop op wederopstanding en men heeft dezen in graven gevonden, welke waarschijnlijk al uit de 4e dynastie dateeren.

Amen.

Hoewel het schijnt, dat de god Amen reeds in de 5e dynastie onder de Egyptische goden geteld is, waar men over hem gesproken vindt als over een der oorspronkelijke goden [20], begonnen zijn aanhangers eerst in een latere periode die buitengewone groote macht te ontwikkelen, welke zij in Egypte uitoefenden.

Afgezien van dien van Ra en Osiris, was de vereering van Amen meer verspreid dan die van eenig ander god in het Nijldal, doch deze omstandigheid schijnt meer door politieke, dan door godsdienstige propaganda bewerkt te zijn.

Wat zijn attributen in het Oude Rijk waren, weten wij niet. Zijn naam beteekent: "wat verborgen is" of "wat niet gezien kan worden" en wij worden door hymnen en andere werken onderricht, dat hij "voor zijn kinderen verborgen is en eveneens voor goden en menschen".

Nu heeft men vermoed, dat deze uitdrukkingen op het ondergaan van de zon betrekking hebben, doch er is meer reden te vermoeden, dat zij te kennen geven, dat Amen een god is, die door menschelijke oogen niet gezien, of opgespoord kan worden. Het is niet moeilijk te zien, dat de opvatting over zulk een godheid zich spoedig in de gunst zou verheugen van een priester- en theologenkaste, welke spoedig genoeg kreeg van de meer materieele godsdiensten, welke hen omringden en die naar een vorm voor een godheid zochten, welke minder onafgewerkt was, dan de ruime symbolische stelsels, welke in het land domineerden. De geheele theologische geschiedenis van Amen is die van een priesterschap, welke zich ten doel stelde een meer materialistische bevolking een meer geestelijk type van vereering en een hoogere opvatting over God op te leggen.

Amen werd onder verschillende gestalten vereerd [21], n.1. in de gestalte van een man, op een troon gezeten, met den kop van een kikvorsch, of met het lichaam van een man, den kop van een slang en verder nog als aap, of leeuw, afgebeeld. De meest gebruikelijke vorm echter, waarin hij afgeschilderd wordt, is die van een gebaard man, die op zijn hoofd twee lange, rechte veeren draagt, welke afwisselend rood en groen, of rood en blauw, gekleurd zijn.

Hij is in een linnen rok gekleed, draagt armbanden en een halsketting en achter uit zijn kleeding komt een staart, van een of ander dier, te voorschijn, een aanwijzing, dat hij in oude tijden een scheppende god was. In latere tijden is hij van een havikkop voorzien, doch dit was vóór zijn versmelting met Ra.

Het groote middelpunt van zijn vereering en de plaats, vanwaar zijn macht is toegenomen, was Thebe en hier werd te zijner eer onder de 12e dynastie een tempel gebouwd. Op dat tijdstip was hij meer een locale god, doch toen de vorsten van Thebe machtig werden en de souvereiniteit over Egypte aan zich trokken, steeg de roem van Amen, tegelijk met den hunnen en werd hij in Opper-Egypte een god, die boven anderen uitstak.

Zijn priesters, die de nieuwe politieke toestanden gretig aangrepen, slaagden er in hem met Ra en diens bijvorm, te identificeeren en al diens attributen legden zij Amen bij; zij stelden verder vast, dat, hoewel hun god al hun eigen karaktertrekken bezat, hij toch veel grooter en verhevener was dan zij zelf.

Zooals wij reeds opgemerkt hebben, werd de god, die een tijdlang de plaatselijke god van de hoofdstad van Egypte was, langzamerhand de nationale god en daar dat lot Amen ten deel viel, trokken zijn priesters alle voordeelen van dit feit. Nooit werd een god zoo benut en om het maar eens zoo uit te drukken, nooit werd voor een god zulk een reclame gemaakt, als voor Amen.

Toen ongelukkige tijden over Egypte kwamen en de Hyksos het land binnenvielen, stilde Amen, dank zij zijn priesterlijke voorvechters, den storm en is na een moorddadigen strijd de god der Egyptenaren geworden.

Toen het land zich van de verwarring herstelde en de toestanden weer geregeld werden, droegen de militaire successen van de 18e dynastie grootelijks tot de vermeerdering van de macht en roem van Amen bij en de buit van het veroverde Palestina en Syrië vulde zijn tempels.

Natuurlijk was er een groote ontevredenheid bij de vereerders van Ra, bij zulk een loop der zaken. Osiris, als populair god, kon niet in ongenade vallen, daar hij een te grooten invloed op de verbeeldingskracht van het volk had gekregen en zijn cultus en karakter van een te bijzondere natuur waren, om de overweldiging van een anderen god te kunnen verdragen. Zijn cultus heeft zich langzamerhand ontwikkeld, waarschijnlijk in den loop van vele eeuwen, en de omstandigheden voor zijn vereering waren eenig.

De godsdienstige vereering van Ra echter vond een mededingster in die van een godheid, welke niet alleen attributen te zien gaf, maar een, wier vereering over het geheel genomen, meer geestelijk was en hooger stond, dan die van den zonnegod.

Wij weten niet, welke theologische strijd over de suprematie der beide goden gevoerd is, doch wel weten wij, dat priester-handigheid, evenals in andere gevallen, meer dan berekend was voor haar taak. Er had n.1. een fusie tusschen de twee goden plaats.

Het zou overijld zijn, te beweren, dat deze versmelting een overeengekomen plan tusschen de twee met elkaar wedijverende godsdiensten vormde en het is waarschijnlijker, dat hun aanbidders zich kalm bij een langzaam proces van samensmelting neerlegden. De Thebaansche priesters kwamen wellicht tot de erkenning, dat het onmogelijk was, de vereering van Ra geheel en al uit te roeien en aldus kwamen zij tot een onvermijdelijke oplossing en aanvaardden de fusie met hun eigen god.

De opkomende Macht van Amen.

Verschillende hymnen ter eere van Amen-Ra en speciaal die, welke wij in den papyrus van Hu-nefer ontmoeten, toonen ons de volkomen fusie en de snelheid, waarmede Amen tot macht gekomen is, aan. In een tijd van een eeuw ongeveer, had hij, van een zuiver plaatselijke godheid, den titel van koning van de goden van Egypte verkregen. Zijn priesters waren verder de machtigste en rijkste in het land geworden en waren zelfs de mededingers der koninklijke macht zelf.

Hun politieke invloed was buitengewoon. Zij maakten oorlog en vrede en toen de Ramessiden-dynastie een einde nam, maakte de hoogepriester van Ra zich van den koninklijken troon meester en was de eerste vorst der 21e dynastie, onder den naam van de dynastie der priesterkoningen bekend.

Doch ook al waren zij sterk in theologie, zoo waren zij het zeker niet in militair genie. Zij konden de betalingen van de belastingen, welke hun voorgangers de omliggende landen hadden afgeperst, niet gedaan krijgen en hun armoede nam hand over hand toe. De heiligdommen der goden leidden een kwijnend bestaan, door gebrek aan vereerders en zelfs de hoogeren onder de priesters hadden een hard bestaan. Rooverbenden maakten de nabijheid van de tempels onveilig en de koninklijke graven werden beroofd.

Doch al verminderde hun macht, zeker niet hun aanmatiging en, zelfs met een inval der Libyers in de delta voor oogen, gingen zij door, de goden, die zij dienden, te verheerlijken. Wanneer wij de teksten en hymnen aan een onderzoek onderwerpen, welke ons vertellen, wat we van Amen-Ra weten, vinden wij, dat hij hierin als de algemeene levensbron, zoowel voor de bezielde schepsels, als levenlooze voorwerpen beschouwd wordt en dat hij geïdentificeerd wordt met den schepper van het heelal "den onbekenden god". Alle attributen van het geheele Egyptische pantheon werden hem kwistig toebedeeld, met uitzondering van die van Osiris; het schijnt, dat de priesters van Amen-Ra van dezen geen notitie genomen hebben. Zij konden den grooten god der dooden niet geheel op zij zetten, ook al zagen zij hem over het hoofd.

In een van zijn gestalten, die van Khensu, den maangod, heeft Amen een geringe gelijkenis met Osiris, doch wij kunnen niet zeggen, dat hij in dezen vorm in eenig opzicht de rol van god van de onderwereld vervult.

Amen-Ra maakte zich zelfs van de heiligdommen van verscheidene andere goden, door het geheele Nijldal, meester, trok hun attributen tot zich en nam hun plaats geheel en al in.

Een van zijn meest populaire gestalten was die van een gans en dit dier was in verschillende deelen van Egypte aan hem gewijd, evenals de ram. Kleine beeldjes van hem laten hem zien met het gebaarde gezicht van een man, het lichaam van een kever, de vleugels van een havik, de beenen van een mensch en de klauwen van een leeuw.

Al deze dingen zijn natuurlijk een symbolische voorstelling voor zijn mannelijk karakter, daar hij als de grootste der goden beschouwd werd en zijn een typisch voorbeeld van de wijze, waarop attributen van allerlei soort bij hem berustten.

Men veronderstelde, dat het geheele pesedt, of gezelschap der goden, in Amen vereenigd was en wij mogen inderdaad zijn cultus als de meest ernstige pogingen van de oudheid beschouwen, om een systeem van monotheïsme te formuleeren. Dat zij hierin niet slaagde, was in het geheel niet haar schuld.

Wij moeten zijn priesters beschouwen als een vereeniging van verlichte menschen, bezield door een geestelijk vuur, dat helder schitterde, temidden van het droevig materialisme, dat hen omringde. Evenals alle priesterlijke hiërarchieën, bezaten zij het ingeboren zwak van eerzucht en de eigenliefde van een ingebeelde kracht.

Indien zij de politiek op de haar toekomende plaats gelaten hadden, zouden zij meer succes gehad hebben, dan zij nu gehad hebben, doch de werkelijke oorzaak van hun mislukking, de overige eerediensten van Egypte geheel en al te verdringen, was in de omstandigheid gelegen, dat deze godsdiensten zeer oud en te diep geworteld waren en in de dwaze onwetendheid van hen, die deze eerediensten ondersteunden.

Het Orakel van Juppiter-Ammon.

Geen enkel deel van Egypte was vrij van de overheersching van Amen-Ra, welke zich over het Noorden en Zuiden, Oosten en Westen verspreidde en zelfs vertakkingen in Syrië, Nubië en andere, van Egypte afhankelijke, streken had.

De meest invloedrijke centra waren Thebe, Hermonthis, Coptos, Panopolis, Hermopolis Magna en in Beneden-Egypte Memphis, Saïs, Heliopolis en Mendes. In later tijd bezat hij, in een van de oases, een groot orakel, bekend onder den naam van dat van Juppiter-Ammon, een geheimzinnige plek, welke door bijgeloovige Grieken en Romeinen, die zich daarheen begaven, om de godheid over staats- of particuliere aangelegenheden te ondervragen, bezocht werd.

Hier werd alle mogelijke priesterlist in toepassing gebracht. Een beeld van den god werd, van tijd tot tijd, door de priesters door den tempel gevoerd en deze gaf, indien hij goed gehumeurd was, aan zijn vereerders antwoorden, niet door te spreken, maar door te knikken en met uitgestrekten arm te wijzen.

Uit klassieke auteurs weten wij, dat de Egyptenaren een buitengewone handigheid in het vervaardigen van automaten bezaten en er is geen reden, er aan te twijfelen, dat de god op de vragen van zijn angstige vereerders, die een reis naar zijn heiligdom gemaakt hadden, door middel van kunstig verborgen touwtjes, antwoordde.

Het orakel van Ammon is desniettemin in geheimzinnigheid gehuld. Zelfs Alexander de Groote bracht aan dit beroemde heiligdom een bezoek, om zichzelf gerust te stellen over de vraag, of hij de zoon van Juppiter was, of niet. Ook Lysander en Hannibal reisden hierheen en de eerste ontving een tweesnijdend antwoord, niet ongelijk aan dat, wat Macbeth van de heksen ontving.

Mut, de Almoeder.

De groote tegenhangster van Amen-Ra was Mut, de moeder van het heelal. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die de vereenigde kronen van het Noorden en Zuiden draagt en den scepter van papyrus vasthoudt. Op sommige afbeeldingen wordt zij met vleugels voorgesteld en op andere worden de koppen van gieren boven haar schouders zichtbaar.

Evenals haar echtgenoot, is zij soms met allerlei attributen, zoowel van menschen als dieren, versierd, waarschijnlijk, om haar alles omvattende natuur aan te duiden. Mut nam, evenals Amen, een groot aantal van de attributen van de vrouwelijke godheden van Egypte tot zich. Aldus werd zij met Bast, Nekhebet en andere geïdentificeerd, hoofdzakelijk om deze reden, dat, daar Amen zich meester gemaakt had van de attributen van andere goden, zij, als zijn vrouw, hetzelfde moest doen.

Zij is in de mythologie een treffend voorbeeld, om te doen zien, wat het huwelijk voor een godin doen kan. Zelfs Hathor wordt met haar geïdentificeerd, evenals Ta-urt en iedere andere godin, van wie men meende, dat zij de attributen van een moeder bezat. Voor haar vereering vormde Thebe een middelpunt en hier bevond zich haar tempel, een weinig ten Zuiden van het heiligdom van Amen-Ra.

Zij werd de "hemelsche vrouw" en "koningin der goden" genoemd en haar hieroglyphisch symbool, een gier, werd op de kroon der Egyptische koningin gedragen, als voorstelling van haar moederschap.

De tempel van Mut, te Thebe, werd door Amen-hetep III, ongeveer in 1450 v. C, gebouwd. De toegang hierheen werd door een prachtige laan van sphinxen gevormd en de tempel zag op een kunstig aangelegd meer uit. Waarschijnlijk was Mut de oorspronkelijke tegenhangster van Nu; deze toch werd, in zeker opzicht, met Amen vereenigd. Zij wordt slechts ééns in het Boek der Dooden, in de Thebaansche recensie, vermeld, een feit, dat in het geheel niet vreemd is, wanneer men het aanzien in aanmerking neemt, dat zij bij de priesters van Amen genoten moet hebben.

Ptah.

Ptah was de grootste van de goden van Memphis. Hij is de verpersoonlijking van de opgaande zon, of liever een phase daarvan, d.w.z. hij stelt de zonneschijf voor, op het tijdstip, dat deze boven den horizon rijst, of onmiddellijk, nadat hij gerezen is.

Men zegt, dat zijn naam "opener" beteekent en wel omdat men dacht, dat Ptah den dag opende; deze afleiding van den naam wordt echter bestreden.

Dr. Brugsch vermoedt, dat "beeldhouwer, of graveerder" de juiste vertaling is en daar Ptah de beschermgod van alle handenarbeid is, schijnt het zeer waarschijnlijk, dat deze uitlegging de juiste is.

Ptah schijnt, vanaf den tijd der 2e dynastie tot de laatste tijden, dezelfde karakteristieke kenmerken behouden te hebben. Het schijnt, dat hij in de oudste tijden als schepper beschouwd werd, of misschien werd hij met een van de eerste Egyptische scheppingsgrootheden verward.

In den Pyramidentekst van Teta vinden wij over hem gesproken als eigenaar van een werkplaats en de passage schijnt aan te duiden, dat Ptah nieuwe booten vervaardigde, waarin de zielen van de dooden in de Duat moesten leven.

Uit het Boek der Dooden leeren wij, dat hij een groot bewerker van metaal was, een bouwmeester en maker van alles in het heelal, en het feit, dat de Romeinen hem met Vulcanus identificeerden, kan het begrijpen van zijn attributen zeer bevorderen.

Het was eveneens Ptah, die, in vereeniging met Khnemu, de bevelen van Thoth, aangaande de schepping van het heelal, ten uitvoer bracht. Aan Khnemu werd de opdracht gegeven de dieren te vormen, terwijl Ptah den hemel en de aarde zou vervaardigen. De groote metalen plaat, van welke men veronderstelde, dat zij de vloer van den hemel vormde en de zoldering daarvan, werden door Ptah vervaardigd en hij maakte eveneens de stukken, welke dezen schraagden. Wij vinden hem steeds in verbinding met andere goden, d.w.z. hij neemt de kenmerkende eigenschappen van andere goden, voor bepaalde doeleinden aan. Als bouwmeester van het heelal b.v., deelt hij de natuur van Thoth en als de god, die het metaal van den vloer van den hemel bewerkt, lijkt hij op Shu.

Ptah wordt gewoonlijk als een gebaard man afgebeeld, met een kaal hoofd, terwijl hij kleeren draagt, welke hem nauwsluitend, als een lijkwade, om het lichaam passen. Van achter zijn hals hangt een Menat, het symbool van geluk en met de gewone waardigheidsteekenen van het koningschap en die van een godheid houdt hij het symbool van duurzaamheid vast.

Als Ptah-Seker vertegenwoordigt hij de vereeniging van de scheppende kracht met die van den chaos van de duisternis [22]. Ptah-Seker is inderdaad een gestalte van Osiris, als voorstelling van de nachtelijke zon, of den dooden zonnegod.

Seker wordt als een man, met een havikskop en met een lichaam, als van een mummie, voorgesteld, terwijl dit op dat van Ptah gelijkt. Oorspronkelijk stelde Seker de duisternis alleen voor, doch in later tijd werd hij met de zon der nacht geïdentificeerd. Seker wordt soms met Sept en zelfs met Geb verward. Het schijnt, dat hij over dat gedeelte van de onderwereld heerschte waar de zielen van de inwoners van Memphis en omgeving woonden.

De Seker-boot.