Mythen en Legenden van Egypte

Part 11

Chapter 11 3,785 words Public domain Markdown

Uw ziel is een god, tezamen met den verlichter en de uitstekende zielen spreken met U. Gij zijt onder hen en ontvangt, wat men op aarde geeft; gij bezit water, lucht en hebt overvloed van datgene, wat gij begeert. Uw oogen worden U gegeven, om te zien, Uw ooren om te hooren spreken, Uw mond spreekt, Uw beenen bewegen zich, Uw handen en armen spannen zich voor U in, Uw lichaam groeit, Uw aderen zijn in goeden toestand, en gij voelt Uzelf gezond in al Uw ledematen. Gij hebt Uw oprecht hart in Uw bezit en Uw vroeger hart behoort U. Gij stijgt op ten hemel en wordt iederen dag opgeroepen tot de offertafel van Wennofre, gij ontvangt het goede, dat aan hem geofferd wordt en de gaven van den Heerscher van de necropolis."

Het Boek der Dooden is oogenschijnlijk een allegorische voorstelling van den gang van de zon door de onderwereld. Het ondergaan van de zon, in den avond, deed natuurlijkerwijze bij den primitieven mensch de vraag opkomen, waar het licht, gedurende de uren der duisternis, bleef, want de zon was voor de oudste menschen een levend wezen.

Hij kon de beweging van de zon door de lucht waarnemen en andere weldaden, welke hij van haar ontving brachten hem er toe, haar als de bron van alle goed te beschouwen. Het scheen hem verder toe, dat haar dagelijksche loopbaan door den aanval van een of anderen vijand werd afgebroken en het logisch gevolg was natuurlijk de overtuiging, dat de macht, welke aan de zon vijandig was, een kwade gezindheid moest hebben. Deze macht werd als een slang, of draak, afgebeeld, welke tegen den nacht met het licht streed en het voor een poos overwon.

De goden van verschillende godsdienstige stelsels moeten naar de andere wereld afdalen, om met machten van dood en hel te strijden. Wij kennen een analoog geval in de Popol Vuh van Midden-Amerika, waarin twee heldgoden, de zonen en neven van de zon en de maan in den duisteren afgrond van den Maya Hades afdalen, zijn kracht vernielen en in triumf terugkeeren.

Men heeft vermoed, dat het Boek der Dooden niets meer, of minder, was dan het ritueel van een geheime broederschap en dat de verschillende hallen, welke hierin voorkomen, de symbolische voorstelling van de verschillende inwijdingsphases, welke de leden moesten doorloopen, zijn.

Nu is bet merkwaardig, dat T. Athol Joyce, van het Britsch Museum, in zijn nieuw, interessant werk, getiteld: "Mexican Archaeology" vertelt, dat het hof van de onderaardsche Maya, waarop in de Popol Vuh gezinspeeld wordt, volgens het principe van een geheim genootschap geleid schijnt te zijn, met een bepaalden vorm van inwijding.

Het staat zoo goed als vast, dat de mysteriën van Eleusis en daaraan gelijke inwijdingsplechtigheden, met het leven in de onderwereld verbonden werden (en dit is speciaal het geval bij de geschiedenis van Demeter en Kore, of Ceres) en dat een theatrale voorstelling van het dwalen van de moeder, terwijl zij haar dochter zoekt, in den loop der plechtigheid gegeven werd.

Deze Grieksche goden waren, behalve van de dooden, goden van den landbouw en wel van het koren Goden van de onderwereld echter bevorderen dikwijls den groei van het graan, daar men geloofde, dat het koren, onder de aarde, door hun invloed gedijde.

Wij vinden b.v. in de Popol Vuh, dat Xquiq, de dochter van een van de heerschers der onderwereld, in staat was, in eenige minuten een maïsveld te oogsten, op een plaats, waar dit tevoren nooit geweest was.

Dit alles schijnt een aanwijzing te zijn voor de waarschijnlijkheid, dat, ook al bevatte het Boek der Dooden geen vroeg type van een inwijdingsplechtigheid, het toch een machtigen invloed op de plechtigheden heeft uitgeoefend, toen dezen ontstonden. De mysteriën van de Cabiri, om een voorbeeld te noemen, zijn, naar men vermoedt, van Egyptischen oorsprong.

Aan den anderen kant, is het waarschijnlijk, dat het Beek der Dooden het ceremonieel van een oudere prae-historische mysterie, welke door de Egyptenaren uit den tijd der dynastieën vergeten is, voorstelde. Onbeschaafde stammen, over de geheele wereld, bezitten zulke mysteriën. De Indianen van Noord-Amerika en de negers van Australië bezitten zeer uitvoerige inwijdingsceremonies Op deze wijze is het waarschijnlijk, dat het Boek der Dooden het ritueel van Neolitische, onbeschaafde volken bewaarde, dat dezen duizenden jaren, voor de verbinding met den eeredienst van Osiris, uitoefenden.

De Plaats der Straffen.

Hoewel het schijnt, dat niet een gedeelte van de Duat speciaal voor de slechten gereserveerd werd, werden dezen op voldoende wijze op allerlei manieren gekweld, om hun bestaan tot een bestraffing, voor eenige misdaden, gedurende hun leven begaan, te maken.

Aan een eind van deze streek bevonden zich vurige afgronden, waarbij afschuwelijke goden de wacht hielden, die de lichamen der gestorvenen lieten vernietigen en in stukken houwen, voordat zij verbrand werden. Hun bestraffing werd echter door de verschijning van Ra-Osiris, op zijn nachtelijke reis, verzacht, want, als hij verscheen, werden de folteringen tijdelijk gestaakt.

De goden, die over de veroordeelden straf uitoefenden, waren de vijanden van Osiris, personificaties van duisternis, nacht, mist, damp, storm, wind enz., en dezen werden overdag door de krachtige stralen van het licht vernietigd Dezen werden in menschelijke gedaante afgebeeld en ten onrechte vermoedt men, dat de afbeelding van hun vernietiging een voorstelling van het verbranden van de zielen der veroordeelden was.

Deze booze vijand werd met iederen omloop van de zon vernieuwd, zoodat het den schijn wekte, of een nieuwe slagorde van vijanden Ra iederen nacht en iederen morgen aanviel. Gedurende den tijd tusschen schemering en zonsopkomst werden zij verslagen en gestraft.

De zielen van de verdoemden waren op geen enkele wijze in staat, den voortgang van Ra te verhinderen, doch in later tijd werden zij tot op zekere hoogte met de vijanden van Ra geïdentificeerd, woonden met dezen en hielpen hen bij den aanval tegen den zonnegod.

In den daarop volgenden strijd werden zij door de krachtige zonnestralen, als pijlen, of speren, voorgesteld, doorboord en de messen, welke hun lichamen in stukken hakten, waren de zinnebeeldige voorstelling van de vlammen, welke uit het lichaam van Ra te voorschijn kwamen. De meren en poelen van vuur, waarin zij ondergedompeld werden, stelden den aanblik van den Oostdijken hemel bij de opkomst van de zon voor.

Er is niets in den Egyptischen godsdienst, dat het geloof in een eeuwigdurende straf wettigt en zulk een gezichtspunt is met het materiaal van de teksten onvereenigbaar.

Er is inderdaad niets in de Egyptische godsdienstige voorstelling, dat met de Hel van de Joden, of het Vagevuur en de Hel van het Middeleeuwsch Europa parallel loopt.

De Egyptische idee over den dood sloot de opvatting over de wederopstanding van het physieke lichaam, in de onderwereld, niet in zich, doch men geloofde, dat, als het lichaam vernietigd was, de ka, of dubbelganger, de schaduw en geest van den mensch, eveneens te gronde moest gaan.

Het is intusschen vreemd, dat de Egyptische idee van tijdelijke straf, na den dood, aan de ouderwetsche opvatting over dien toestand, in Koptische bronnen, kleur gegeven schijnt te hebben. De Koptische Christenen, uit Egypte, schijnen de idee van bestraffing, in de Duat, bijna geheel van hun heidensche voorvaderen, of tijdgenooten, overgenomen te hebben.

Amélineau citeert een Koptisch werk, waarin een doode Egyptenaar vertelt, dat op het doodsuur straffende engelen, met messen en andere wapenen, welke zij door zijn lichaam staken, gewapend, zich rondom hem verzamelden. Andere geesten trokken zijn ziel uit zijn lichaam, bonden dezen op een zwart paard vast en galoppeerden met dezen naar Amentet weg.

Daar aangekomen, werd hij eerst op een plaats, welke vol walgelijke slangen was, gefolterd en daarna werd hij naar buiten, in de duisternis, geworpen. Hij viel in een put, welke op zijn minst twee honderd voet diep was; hierin bevonden zich slangen van allerlei soort, elk van zeven koppen voorzien en werd hij aan een slang, welke tanden had, op ijzeren staven gelijkende, overgegeven.

Iedere week, van Maandag tot Vrijdag, knaagde dit monster aan den ongelukkige, alleen des Zaterdags en Zondags hield de foltering op.

Alleen wat het feit betreft, dat hier niet gesproken wordt van een altijddurende straf, verschilt deze plaats van bestraffing van gelijksoortige voorstellingen in andere mythologieën; de voorstelling van de uitgeoefende straf echter, het snijden met messen, het steken met speren, het brandende vuur en zoo voorts, is eigenlijk dezelfde voorstelling, als bij andere godsdiensten.

De voorstelling van de Egyptische onderaardsche streken gelijkt verder geheel en al op die in andere mythologische stelsels.

Men moet niet denken, dat de Egyptenaren, met hun nauwkeurig uitgewerkte voorzorgsmaatregelen voor de bewaring van het lichaam, na den dood, in een eeuwige straf gelooven konden. Waarschijnlijk kunnen zij geloofd hebben in de straf van ieder ander, maar het is hoogst onwaarschijnlijk, dat eenig Egyptenaar, die zich een tijd aan de bestudeering van het Boek der Dooden overgegeven had, geloofde, dat hij zelf verdoemd was. Zijn geheele toekomst hing, volgens dat boek, van de kennis der machtwoorden, daarin vervat, af en zeer zeker kon niemand, terwijl hij zoo betrekkelijk gemakkelijke middelen had, om aan het gevaar te ontsnappen, zoo dwaas zijn, dezen te veronachtzamen.

De Egyptische Hemel.

Zooals reeds opgemerkt is, schijnt men zich bij de Egyptenaren geen voorstelling van de juiste ligging van den hemel gemaakt te hebben, maar over het algemeen kan men zeggen, dat de Egyptenaren geloofden, dat deze zich ergens boven in de lucht bevond. Zij noemden dezen Pet, een uitdrukking, welke zij gebruikten ter onderscheiding van het woord Nu, dat de lucht beteekent.

Zij stelden zich den hemel en de lucht als een plaat voor, terwijl de uiteinden daarvan op een onderstel, door de twee bergen Bakhau en Manu gevormd, rustten; dit waren de bergen van den zonsop- en ondergang.

In oude tijden stelde men zich voor, dat de hemel uit twee gedeelten bestond, n.l. het Oosten en het Westen; later echter werd hij in vier deelen verdeeld en elk van dezen onder de bescherming van een god geplaatst. Deze streek werd door vier pilaren gestut en elk van dezen stond wederom onder de bescherming van een godheid; op een betrekkelijk laat tijdstip werd er nog een pilaar aan toegevoegd, om het midden te schragen.

In een mythe vinden wij over den hemel gesproken als voorzien van een menschelijk hoofd, terwijl de zon en de maan de oogen vormen en de steunsels door het haar gevormd worden. De goden van de vier kwartieren, die de oorspronkelijke zuilen bewaakten, waren de z.g. Canopische godheden, elders ook de kinderen van Horus genaamd.

In den hemel huisde de groote god Ra; hij was op een metalen troon gezeten, waarvan de zijden door leeuwenkoppen en hoeven van stieren ingelegd waren. Zijn gezellen omringden hem en dezen werden op hun beurt door de kleinere goden omgeven. Iedere god, die de wereld en de Duat bestuurde, had eveneens zijn eigen plaats in den hemel.

Onder de lagere goden stonden nog wezens, welke men eenigszins met engelen zou kunnen vergelijken. De voornaamste onder dezen waren de Shemsu-Heru, of volgelingen van Horus, die den zonnegod bedienden en, als het noodzakelijk was, onder zijn bescherming kwamen.

Men beschouwde hen noodzakelijk voor zijn welzijn. Op dezen volgden de Ashemu, doch hun attributen zijn onbekend en na hen de Henmemet, misschien zielen, welke menschelijke wezens moesten worden, maar hun toestand is niet helder. Men stelde het voor, dat zij van graan en kruiden leefden.

Ook bevonden er zich nog wezens, Utennu en Afa genaamd, doch ook van hun karakter is absoluut niets bekend. Op dezen volgde een ontelbaar aantal geesten, zielen enz.; de meesten van dezen hadden op aarde gewoond en waren gezamenlijk bekend als: "de levenden".

De Egyptenaren geloofden, dat dezen op vastgestelde tijden over de aarde konden wandelen en weer naar den hemel terugkeeren, een idee, welke waarschijnlijk hieruit ontstond, dat zij voor een toekomstig leven, zoowel voor het lichaam, als de ziel en den geest, wilden zorgen.

Zooals reeds tevoren opgemerkt is, hadden de hemelgoden hun dubbelgangers op aarde en men geloofde, dat de mensch, tot zekeren graad, aan deze dubbele natuur deel had. De Egyptische opvatting nu over den hemel veranderde langzamerhand, gedurende de eeuwen. Een onderzoek van de oudste gedenkschriften toont ons aan, dat de idee over een bestaan, na den dood, werd opgevat als een soort van onbestemde verlenging van het leven dezer wereld. Zulk een idee is allen primitieven rassen gemeen.

Op den duur echter werd deze opvatting geheel en al veranderd en een meer geestelijke nam haar plaats in. De ziel (ba) en de geest (khu), welke gewoonlijk in de hieroglyphen-teksten als een havik en een halfgod voorgesteld worden, kregen aan het hemelsche voedsel deel, werden één met de goden en langzamerhand met hst verheerlijkt lichaam, of de hemelsche stof, vereenigd, zoodat de ziel, de kracht, de schaduw, de dubbelganger en naam van den gestorvene tezamen in het eene hemelsche lichaam, onder den naam Sahu bekend, vereenigd werden; men zou dit als een geestelijk lichaam kunnen beschouwen. Men geloofde, dat dit uit het doode lichaam groeide en zijn ontstaan werd veroorzaakt door de magische ceremonies en door de machtwoorden, door de priesters gedurende den begrafenisdienst gesproken.

Het Leven der Gelukzaligen.

In het Boek der Dooden wordt verteld, dat de geesten in den hemel 4.601.200 in getal zijn. Men heeft vermoed, dat dit getal waarschijnlijk de Egyptische optelling was van al de geesten van menschen, die gestorven en in den hemel opgenomen waren; dit is echter zeer onwaarschijnlijk, en wel om voor de hand liggende redenen.

De manier, waarop deze geesten hun tijd doorbrachten, is zeer duister. Sommige leidden den loop der hemellichamen, andere vergezelden de groote goden, op hun reis door den hemel, terwijl weer andere het toezicht op wereldsche zaken hielden.

Zij zongen hemelsche liederen, ter eere van Ra, als oppersten heerscher over de goden en hun hymnen beschreven de wonderen van zijn macht en glorie. Zij leefden van de lichtstralen, welke van het oog van Horus vielen, dat wil zeggen, zij werden door het zonlicht gevoed, zoodat hun lichamen langzamerhand geheel en al uit licht samengesteld werden.

Volgens één mythe leefden de goden zelf van een plant, welke de levensplant genoemd werd, welke bij een groot meer groeide. Deze opvatting is in overeenstemming met een idee, welke voorstelde, dat de gestorvenen in een Paradijs leefden, waar weelderig bloeiende graanvelden door ontelbare kanalen bevochtigd werden en waar stoffelijke genoegens, van allerlei soort, hun ten dienste stonden. Het was misschien deze plaats, waar men het voorstelde, dat het eeuwige brood, het eeuwige bier, de hemelsche vijgeboom en andere dergelijke dingen het voedsel van de gestorvenen uitmaakte. Men geloofde verder, dat de gelukzaligen een gelijke kleeding als de goden droegen, doch eenige van hen schijnen, volgens hun voorstelling, een linnen gewaad en witte sandalen, aan hun voeten, gedragen te hebben.

Dit alles doet ons zien, dat de hemel van de oudste Egyptenaren eenvoudig een verlenging der aardsche toestanden was, of misschien zou men kunnen zeggen, een verbetering hiervan. Zoo lang de Egyptenaar de middelen bezat om brood te bakken en bier te brouwen, zoolang hij heldere kleeren had en beschutting vond op een plaats, welke rondom door kanalen doorsneden was, beschouwde hij dezen toestand als den besten van alle hemels. Het koren placht natuurlijk uit zichzelf te groeien. De geheele idee was materieel, daar het leven eenvoudig, doch gemakkelijk was.

Aangaande den Egyptischen hemel is er niets sophistisch, zooals bij het Mohammedaansche of Christelijke rijk der gelukzaligen; zelfs de manier het te bereiken was primitief, daar de oudste bewoners van het Nijldal geloofden, dat zij den hemel bereiken konden, door over de bergen, welke dezen schraagden, te klimmen, terwijl de latere bewoners het geloof koesterden, dat zij een ladder noodig hadden, om daarheen te klimmen.

In verscheidene graven werden deze ladders zoo geplaatst, dat de dooden van hun astrale tegenhangers gebruik konden maken, om de hemelsche streken te bereiken. Zelfs Osiris had een dergelijke ladder noodig en werd door Ra en Horus, of door Horus en Set, bijgestaan om deze te beklimmen.

Men vindt in verschillende papyri van het Boek der Dooden beschrijvingen van zulke ladders, welke in de graftomben geplaatst werden. Haar lengte werd door den gestorvene zelf bepaald, in overeenstemming met de kracht der tooverwoorden, welke hij over haar uitsprak.

De gestorvene was verder, eveneens door tooverwoorden, in staat, zich in een vogel, of andere dierengestalten, te veranderen. Het is moeilijk, de reden van deze veranderingen in het Paradijs aan te geven, maar de opvatting heeft eenige overeenkomst met die der Aztec-krijgers, die geloofden, dat, wanneer zij het gebied van den zonnegod binnengetreden zouden zijn, zij hem op zijn reis vergezellen zouden en naar de aarde zouden afdalen, in de gedaante van een kolibrie.

Hoofdstuk V

De groote goden.

Ra, de Zonnegod.

Ra, de groote zonnegod, schijnt reeds op een vroeg tijdstip een vooraanstaande positie in het Egyptische pantheon ingenomen te hebben. De latere Egyptenaren schijnen gedacht te hebben, dat de naam in zekeren zin met schepping verbonden was.

De aanbidding van de zon was zeer oud in Egypte en het is daarom waarschijnlijk, dat een aantal zonne-eerediensten met dien van Ra versmolten. Het is zeker, dat dit het geval was met den dienst van den havikgod Heru, of Horus. Deze beide goden worden gewoonlijk met het lichaam van een man en den kop van een havik afgebeeld, doch soms hebben zij ook de werkelijke gestalte van dien vogel.

Vanaf de oudste tijden schijnt de havik met de zon geïdentificeerd te zijn. Zijn vliegkunst en de hoogte, welke hij bij het vliegen bereiken kan, waren waarschijnlijk de redenen, dat men hem in verbinding bracht met het groote licht van den dag. In verschillende landen zijn vogels, met hemelhooge vlucht, het symbool van de zon. Zoo is de adelaar bij verscheidene Noord-Amerikaansche Indianen het zinnebeeld van de zon. De gieren stelden in het oude Peru den dagelijkschen loop van de zon voor en misschien vervulde de adelaar deze functie in den Mexicaanschen godsdienst.

Niet altijd echter zijn het vogels met hooge vlucht, welke de zon typifieeren. Zoo schijnt in Mexico en Midden-Amerika de quetzal-vogel hiervoor gediend te hebben en in dezelfde landen werd de kolibrie soms met de zon verbonden. Nu is het vreemd, dat, evenals wij den vogel en de slang bij den Mexicaanschen god Quetzalcoatl gecombineerd vinden, wij deze zelfde dieren ook bij Ra tezamen vinden, daar deze als zijn symbool een zonneschijf draagt, welke door de slang Khut omstrengeld wordt.

De Egyptenaren hadden verschillende opvattingen over de wijze, waarop de zon langs den hemel trok. Een van dezen was, dat zij door de watermassa van de lucht in verschillende booten, of schuiten, trok. Zoo bezette de opkomende zon de schuit Manzet, een naam welke "groeiende kracht" beteekent; de avondzon werd naar de plaats van den zonsondergang door de boot Mesektet overgezet welke "toenemende zwakheid" beteekent; in deze beide namen zal men gemakkelijk allegorische namen voor de opkomende en ondergaande zon ontdekken. De aangewezen weg van Ra, door de lucht, is op het tijdstip der schepping door de godin Maat, de personificatie van rechtvaardigheid en orde, vastgesteld.

De dagelijksche reis van Osiris werd door een gezelschap van vriendelijk gezinde goden medegemaakt; dezen voerden zijn schip tot de plaats der zonsondergang, terwijl de loop door Thoth en Maat bepaald was en Horus als stuurman en kapitein fungeerde. Aan iedere zijde van de boot zwommen een of twee visschen, welke loodsdienst verrichtten, Abtu en Ant genaamd, maar niettegenstaande de hulp van deze twee gezellen, werd Ra's boot voortdurend door afgrijselijke monsters en demonen omringd, welke al hun best deden, den doortocht te verhinderen.

Verreweg de machtigste van dezen was de slang Apep, de personificatie van de duisternis van den nacht, over wien wij veel inlichtingen ontvangen door het boek getiteld: "Het Boek van de vernietiging van Apep", hetwelk tooverformules en andere instructies aangeeft, om het monster te overweldigen; deze formules werden dagelijks, in den tempel van Amen-Ra, te Thebe, opgezegd.

Hierin wordt Apep tot krokodil en slang teruggebracht en er wordt in beschreven, hoe zij door middel van magie met een speer doorboord, met messen aan stukken gesneden, onthoofd, geroosterd en ten slotte door het vuur verteerd kan worden en haar duivelsche volgelingen eveneens. Deze tooverkunsten werden plichtsgetrouw dagelijks te Thebe uitgevoerd en men geloofde, dat dezen de reis van den zonnegod ten zeerste bevorderde.

In Apep nu zien wij een figuur, welke in bijna iedere mythologie bekend is. Zij is het monster, dat dagelijks met de zon strijdt en ten slotte er in slaagt, deze te verslinden. Zij is dezelfde, welke met Beowulf, den zonneheld, strijdt; dezelfde als de nachtelijke draak in de Chineesche mythologie en de Fenris-wolf in de Scandinavische geschiedenis, kortom als de veelvuldige monsters der fabelen, legenden en romans. Wij vinden haar tegenhanger eveneens in den Babylonischen draak Tiamat, welke door Marduk verslagen werd.

Rat.

In den lateren tijd werd er voor Ra een tegenhangster, Rat genaamd, uitgevonden; zij werd als een vrouw afgebeeld, die op haar hoofd een schijf met horens en een uraeus torste. Zij schijnt echter niet van zeer groot gewicht geweest te zijn en wellicht dankte zij haar ontstaan aan de idee, dat iedere groote god zijn dubbelgangster moest hebben.

De vereering van Ra was gedurende de dynastieën in de stad van Anu, On, of Heliopolis, ongeveer vijf mijlen van het tegenwoordige Caïro, geconcentreerd. De priesters van den god hadden zich gedurende de vijfde dynastie daar gevestigd; de eerste koning toch van deze was hoogepriester van den god, een omstandigheid, welke aantoont, dat de cultus op dit vroege tijdstip (pl.m. 3350 v.C.) in dat gedeelte van Egypte een grooten invloed verkregen moet hebben.

Een oude legende vertelt ons, hoe een afstammeling van Ra het eerst zich van den Egyptischen troon meester maakte, welke legende men hieronder kan vinden.

Deze overlevering bewijst, dat in oude tijden de koningen geloofden, dat zij van Ra, die, naar men verzekerde, eens over het land geheerscht had en wiens bloed in de aderen van de koninklijke familie stroomde, afstamden.

Inderdaad beweerde men, dat Ra de feitelijke stamvader van verschillende Egyptische koningen was en dezen werden daarna als de incarnatie van dien god beschouwd. Zulke ficties der priesters gaven aan de theocratische klasse verhoogde macht, totdat tenslotte de vereering van Ra die van bijna iedere andere godheid in het Nijldal overschaduwde, daar deze andere goden in het theologisch systeem van de priesters van Heliopolis opgenomen werden en een ondergeschikte positie in de godengroep, welke den grooten zonnegod omringde, innamen.

Fusie der Mythen.

Niet alleen in Egypte vinden wij zulke ficties, welke alleen er toe dienden, voor de doeleinden der priesters bevorderlijk te zijn. In de meeste mythologieën ontdekken wij, dat scheppingsmythen en verhalen over den oorsprong der goden, uit twee, of meer, mythen vervaardigd zijn, welke op zoo'n bekwame wijze vermengd zijn, dat zij alleen door zorgvuldige en geduldige studie tot hun oorspronkelijke bestanddeelen teruggebracht kunnen worden.