Mythen en Legenden van Egypte

Part 10

Chapter 10 3,828 words Public domain Markdown

Hij bezat verder de macht, de manier aan te geven, waarop woorden correct moesten uitgesproken worden. Zooals reeds is opgemerkt, was de wijze van spreken en de toon, waarop de woorden uitgesproken werden, van grooten invloed, zoowel bij gebeden, als bij magische beweringen, om succes, of mislukking tengevolge te hebben.

Thoth nu leerde het geheim hiervan aan den mensch en dit wilden de Egyptenaren voornamelijk leeren. Door middel van Thoth's formules werden de poorten van de Duat voor de gestorvenen geopend en werden zij tegen verschrikkingen gevrijwaard. Men geloofde verder, dat het Boek der Dooden het werk van Thoth was, evenals het "Boek van het Ademhalen", een veel later werk.

De Grieksche schrijvers over Egyptische aangelegenheden stelden Thoth, wien zij Trismegistos, of Hermes den driemaal Grooten, noemden, als de voornaamste bron van alle leeren en wijsheid voor. Zij schrijven aan hem de uitvinding der astronomie, astrologie, wiskunde, geometrie en medicijnkunde toe. De letters van het alphabet waren eveneens zijn uitvinding en hieruit kwam de schrijf- en leeskunst voort. Volgens hen waren de Boeken van Thoth 42 in getal en in 6 klassen verdeeld, terwijl zij over wetten en theologie, den dienst van de goden, geschiedenis, aardrijkskunde, schrijfkunst, astronomie, astrologie, godsdienstige geschriften en medicijnen handelden. Het is bijna zeker, dat het meeste van dit materiaal het werk van Alexandrijnsche Grieken was, door oude Egyptische wetenschap vervalscht.

Maat.

De godin Maat gelijkt zeer veel op Thoth en wordt inderdaad als de tegenhangster van dien god beschouwd.

Zij was een van de oorspronkelijke godinnen, want toen de boot van Ra boven de wateren van den afgrond van Nu voor het eerst boven kwam, had zij haar plaats naast Thoth. Haar symbool is de struisvogelveer, welke zij of vasthoudt, of als versiering draagt.

Budge beweert, dat de reden voor de combinatie van de struisveer met Maat, onbekend is, evenals de oorspronkelijke beteekenis van haar naam. Het is echter waarschijnlijk, dat de gelijkzijdigheid van de veer, haar verdeeling in halven, haar tot een passend symbool voor de balans, of het evenwicht, maakte.

Onder de Maya van Midden-Amerika toont de veer het meervoudig getal aan. Het woord beteekent, naar men ons mededeelt, "dat wat recht is". De naam Maat nu beteekende bij de oude Egyptenaren iets, wat waar, echt, of werkelijk was. Aldus was de godin de personificatie van wet, orde en waarheid. Zij gaf de regelmaat aan, waarmede Ra in de lucht opkwam en daalde en, door Thoth bijgestaan, zijn dagelijkschen loop hem iederen dag voorschreef.

In deze kwaliteit wordt zij de dochter van Ra en het oog van Ra genoemd. Als de personificatie der rechtvaardigheid was haar moreele macht onmetelijk en onverbiddelijk. Zij werd langzamerhand als dat noodlot beschouwd, waarvan ieder man zijn verdiende loon ontvangt. Zij zat in een hal in de onderwereld, om de bekentenissen van de dooden aan te hooren, terwijl de deur door Anubis bewaakt werd. De gestorvenen moesten twee en veertig rechters in deze hal tevreden stellen, eerst daarna konden zij tot Osiris toegelaten worden, wien zij verzekerden, dat zij Maat tevreden gesteld hadden en door haar van schuld gereinigd waren.

Het Boek der Dooden.

Het Boek der Dooden, in het Egyptische Pert em hru getiteld, een titel welke vertaald wordt als: "verschijnend over dag", of "dag der openbaring", is een groot lichaam van godsdienstige compositie, dat voor het gebruik der dooden in de onderwereld tezamen gebracht is.

Het is waarschijnlijk, dat de naam voor de Egyptenaren een beteekenis had, welke men onmogelijk in eenige moderne taal kan overbrengen en dit wordt door een ander van zijn titels: "Het hoofdstuk om de Khu (geest) te volmaken", voldoende aangetoond.

Men weet, dat teksten, welke zich met het welzijn van de dooden en hun leven in de onderwereld bezighielden, onder de Egyptenaren zeker reeds in 4000 v.C. bekend waren. De oudste vorm van het Boek der Dooden, welke ons bekend is, komen wij in de Pyramiden-teksten tegen.

Met de uitvinding der mummieficatie ontstond een meer compleet begrafenis-ritueel, op de hoop gebaseerd, dat dergelijke ceremonies het lichaam tegen bederf zouden vrijwaren, het voor altijd bewaren en het tot een gelukzalig bestaan onder de goden zouden brengen.

Bijna onmiddellijk voor den tijd der dynastieën schijnt aan den cultus van Osiris een zeer groote prikkel te zijn toegevoegd. Hij was nu de god der dooden par excellence geworden en zijn dogma leerde, dat uit het voor bederf bewaarde een ander schoon astraal lichaam te voorschijn zou komen, de toekomstige woning van den geest van den gestorvene. Daarom werd het noodzakelijk, zoo uitgebreid mogelijke maatregelen voor het bewaren van de menschelijke overblijfselen te nemen.

De meeste teksten, welke in het Boek der Dooden voorkomen, zijn ouder dan de tijd van Mena, den eersten historischen koning van Egypte. Het is nog mogelijk te zien, dat vele van deze teksten herzien, of uitgegeven waren, lang voordat de copieën, welke ons bekend zijn, gemaakt zijn. De schrijvers van beroep, die de oude teksten overschreven, schijnen reeds ongeveer in 3300 v.C. zoo door den inhoud daarvan in verwarring gebracht te zijn, dat zij ternauwernood hun bedoeling verstonden. [18]

Bij Dr. Budge lezen wij het volgende: "In elk geval zijn wij gerechtigd, de oudste bewerking op dat tijdstip te stellen, waarop de z.g. Egyptische beschaving begint." [19]

Een oude ontdekking.

Een inscriptie op den sarcophaag van koningin Khnem-nefert, de vrouw van Mentu-hetep, een koning der 11e dynastie (pl.m. 2500 jaar v.C.), vertelt ons, dat een zeker hoofdstuk van het Boek der Dooden onder de regeering van Hesep-ti, den 5en koning der 1e dynastie, die pl.m. 4266 v.C. leefde, ontdekt werd.

Deze sarcophaag geeft ons twee copieën van bedoeld hoofdstuk, welke aan elkander aansluiten. Dat een hoofdstuk van het Boek der Dooden, van pl.m. 2500 v.C., tot een datum teruggebracht kon worden, welke 2000 jaar vroeger valt, is verbazingwekkend en wat te denken over een traditie, welke gedurende betrekkelijk ongeletterde eeuwen een godsdienstige formule bijna onverzwakt bewaard heeft!

Aldus werd 42 eeuwen voorheen een gedeelte van het Boek der Dooden als buitengewoon oud, mysterieus en moeilijk te begrijpen, beschouwd. Men moet ook goed op het feit letten, dat de inscriptie op het graf van koningin Khnem-nefert ons vertelt, dat 't hoofdstuk in quaestie ongeveer 4266 v.C. ontdekt werd. Het was dus alleen op dat vroeger tijdstip ontdekt, hoe lang was echter het verloop tusschen dat tijdstip en den tijd, waarop het voor het eerst opgeschreven werd?

De inhoud van het hoofdstuk op den sarcophaag van de koningin vertelt: "dat dit hoofdstuk gevonden werd in de woningen beneden den Bewoner in de Hennu Boot, door den meesterknecht van de bouwers, in den tijd van den koning van het Zuiden en Noorden, Hesep-ti, wiens woord waar is" en de Nebseni Papyrus beweert, dat het hoofdstuk in de stad van Khemennu, of Hermopolis, gevonden werd, op een blad van albast, in letters van lapis-lazuli geschreven, onder den voet van den god.

Dit blijkt ook uit den Turijn-Papyrus, welke uit den tijd der 26e dynastie dateert en hieruit zien wij, dat de naam van den vinder Heru-ta-ta-f, den zoon van Cheops, was en dat deze op dat tijdstip een reis ondernam, om de tempels te inspecteeren.

Maspero betwijfelt het gewicht van de vermelding van bedoeld hoofdstuk, op het graf van koningin Khnem-nefert, maar Naville beschouwt het hoofdstuk in quaestie als het oudste van het Boek der Dooden.

Een bas-relief uit de 2e dynastie draagt een inscriptie, welke aan de schim van een zeker priester duizend brooden en duizend kruiken bier enz. belooft, een belofte, welke later zoo algemeen voorkomt.

Wij zien dus, dat in het jaar 4000 v.C. het als een godsdienstplicht beschouwd werd, de dooden van offers, uit spijs en drank bestaande, te voorzien en het schijnt zeer waarschijnlijk, dat het in dezen tijd reeds een vaste gewoonte geworden was. Deze passage kan den tekst op den sarcophaag van de vrouw van Mentu-hetep wellicht bevestigen.

Eenige eeuwen later, ongeveer in den tijd van Seneferu (pl.m. 3766 v.C.), was de vereering der dooden, uit een architectonisch standpunt, aanmerkelijk uitgebreid en grootere en meer imponeerende graven werden voor hen gebouwd. Succesvolle oorlogen hadden aan Egypte grooten rijkdom gebracht en haar bewoners waren thans beter in staat de buitengewone uitgaven, welke de kostbaarste cultus, welke de godsdienstgeschiedenis kent, te bestrijden.

Onder de regeering van Men-kau-Ra schijnt men een herziening van eenige gedeelten van den tekst van het Boek der Dooden ter hand genomen te hebben De rubrieken, welke op sommige hoofdstukken betrekking hebben en van welke wij lezen, dat zij op een blad van albast geschreven waren, in letters van lapis-lazuli, in den tijd van dien vorst, zijn een bevestiging hiervan.

Wij vinden in de regeering van Unas (3333 v.C.) geen tekst, welke naar het Boek der Dooden, als één geheel, verwijst; de pyramide van dezen koning werd in 1851 door Maspero geopend. De muren hiervan waren met teksten bedekt, welke door hun archaistisch karakter en spelling buitengewoon moeilijk te ontcijferen waren, en hieronder bevonden zich vele uit het Boek der Dooden.

Gedurende zijn opgravingen te Saqquarah, wist Maspero in de pyramiden van Teta (3300 v.C.) door te dringen en hierin ontdekte hij inscripties, waarvan sommige met die van de pyramide van Unas identisch waren, zoodat het bestaan van een volledig Boek der Dooden. gedurende den tijd van den eersten koning der 6e dynastie, bewezen was.

Teksten, welke de genoemden aanvulden, werden in het graf van Pepi I (3233 v.C.) gevonden. Hieruit zal men kunnen opmaken, dat vóór het einde van de 6e dynastie, waarschijnlijk vijf copieën van een reeks teksten, welke het Boek der Dooden in die periode vormden, bestonden en, zooals opgemerkt is, bestaat er een wezenlijk bewijs, dat het ceremonieel hiervan in de tweede en waarschijnlijk reeds in de 1e dynastie in zwang was. De teksten hiervan werden voortdurend gecopiëerd en gebruikt tot de 2e eeuw van de Christelijke jaartelling.

Het schijnt, dat ieder hoofdstuk van het Boek der Dooden uit een onafhankelijke bron stamt, en het is waarschijnlijk, dat hun opname in het werk over vele eeuwen verspreid was. Het is mogelijk, dat eenige teksten een verandering in de theologische opvatting weergeven, doch ieder hoofdstuk stond op zichzelf. Men kan echter in de opvolging der hoofdstukken een traditioneele methode ontdekken.

De Drie Recensies.

Er bestonden drie uitgaven van het Boek der Dooden, n.1. die uit Heliopolis, de Thebaansche en de Saïtische. Die uit Heliopolis werd door de priesters van het College van Anu, of On, bij de Grieken als Heliopolis bekend, uitgegeven, en is op teksten gebaseerd, welke niet meer te ontdekken zijn.

De pyramiden van Unas, Teta en Pepi bevatten de oorspronkelijke teksten van deze recensie; deze vertegenwoordigt het theologisch systeem, door de priesters van Ra ingevoerd. De hoofdbestanddeelen van den oorspronkelijken Egyptischen godsdienst worden hierin echter behouden, terwijl de eenige wijziging hierin de invoering van den zonnedienst van Ra is.

In later tijd echter werden de priesters van Ra genoodzaakt de suprematie van Osiris te erkennen en deze theologische nederlaag is in de moderne teksten zichtbaar. Tusschen de 6e en 11e dynastie gaven de priesters van On van tijd tot tijd een aantal nieuwe hoofdstukken uit.

De Thebaansche recensie was van de 18e tot de 22e dynastie zeer in zwang en werd gewoonlijk op papyri geschreven en in hieroglyphen, op doodkisten, geschreven.

De Saïtische recensie is zeker op een of ander tijdstip vóór de 26e dynastie gerangschikt en werd op lijkkisten en papyri geschreven, eveneens in hieratisch en demotisch schrift. Deze werd voortdurend tot het eind van het Ptolemaeïsch tijdperk gebruikt.

Zooals wij reeds hierboven opmerkten, stond het Boek der Dooden den mensch ten dienste vanaf het oogenblik, dat hij bewoner van de onderwereld werd, Magie was de hoofdbron voor het bestaan in die streken en tenzij een geest met de formules bekend was, welke de achting van de verschillende goden en demonen en zelfs van de onbezielde voorwerpen konden opwekken, was hij hulpeloos.

De oudste Egyptenaren noemden de streek, waarheen de gestorvenen verhuisden, Duat. Zij geloofden, dat deze uit het lichaam van Osiris gevormd was. Men dacht, dat deze donker en duister was, vurige afgronden en vreeselijke monsters bevatte en op haar beurt door een rivier en een hoogen bergrug omgeven was.

Het gedeelte, dat het dichtst bij Egypte was, stelde men zich als een woestijn, door bosschen afgewisseld, voor; door deze kon de ziel van den afgestorvene niet heenworstelen, zonder de hulp van een welwillenden geest, welke de paden door deze streek van wanhoop kende.

Een dichte duisternis bedekte alles en, onder bescherming hiervan, oefenden de vreeselijke bewoners van deze plaats allerlei vijandelijkheden tegen den nieuw-aangekomene uit; alleen door het gebruik van bepaalde machtwoorden kon hij de overhand over deze wezens verkrijgen.

Er was echter één liefelijke plaats in deze verschrikkelijke streek,--de z.g. Sekhet Hetepet, de Elyseïsche velden, welke Sekhet Aaru, of de Rietvelden bevatten, waar god Osiris en zijn gezelschap woonden. In den beginne had hij over dit gedeelte van de Duat alleen de heerschappij, doch langzamerhand slaagde hij er in deze over het geheele doodenland uit te strekken en werd hij hierover de heerscher.

Wij vinden ook van een god van de Duat, Duati genaamd, melding gemaakt, doch deze schijnt meer een personificatie van de streek geweest te zijn.

Nu was de wensch van ieder goed mensch het koninkrijk van Osiris te betreden en met het oog hierop maakte hij een uitgebreide studie van de gebeden en den ritus van het Boek der Dooden, om gemakkelijker het rijk der gelukzaligheid te kunnen binnengaan.

Dit konden zij op twee manieren bereiken, n.1. te land, of over water. De weg over water was niets minder vreeselijk, dan die over land, daar de doortocht der ziel door stroomen vuur en kokend water versperd werd en de oevers van de rivieren, waarlangs men varen moest, door ontelbare booze geesten bevolkt waren.

De Rietvelden.

Wij zien uit de Thebaansche recensie, dat er zeven hallen, of woningen, in de Rietvelden waren; deze allen moest de ziel doorgaan, voordat zij door den god in eigen persoon werd ontvangen. Drie goden bewaakten de deur van iedere hal, de deurwachter, de nachtwacht en de ondervrager.

Voor den nieuw aangekomene was het noodzakelijk, iederen god bij zijn naam aan te spreken. Ook waren er namen voor de deuren, welke men in zijn geheugen geprent moest hebben. De naam van iederen god was in werkelijkheid een tooverformule, uit een bepaald aantal woorden bestaande.

De Rietvelden waren in 15 streken verdeeld en aan het hoofd van elk van dezen stond een god. De eerste van dezen heette Amentet, waar de zielen woonden, welke van aardsche offeranden leefden; dezen bestuurde Menuqet. De tweede was Sekhet Aaru, de eigenlijke Rietvelden; de muren, welke dezen omringden, waren uit de materie gebouwd, waaruit de lucht gemaakt wordt.

Hier woonden de zielen, welke 9 ellen hoog waren, onder het bestuur van Ra Heru-Khuti en deze plaats was het centrum van het koninkrijk van Osiris. De derde streek was een plaats van vuur. In de vierde streek woonde de vreeselijke slang, Sati-temui, welke op de dooden aasde, die in de Duat ronddoolden. De vijfde streek werd door geesten bewoond, welke zich met de schaduwen van de zwakke en hulpelooze zielen voedden. Het schijnt, dat zij het uiterlijk van een vampier hadden. De overige streken waren ongeveer aan dezen gelijk.

Osiris' Reis.

Wij vinden nog andere beschrijvingen van de Duat in "Het Boek der Ingangen" en "Het Boek van Hem, die in de Duat is"; hierin wordt een schets gegeven van de reis, welke de zonnegod door de andere wereld maakt, nadat hij op aarde is ondergegaan.

Terstond na zijn ondergang neemt hij de gedaante van Osiris aan, welke een ram, met het hoofd van een man, voorstelt. Wanneer hij in de voorkamer van de Duat, in het Westen, aankomt, wordt zijn komst door een loflied, door de Aap-goden aangeheven, aangekondigd, terwijl slangen uit hun bek vlammen blazen en bij het licht van dezen sturen de goden, die als gids dienst doen zijn vaartuig.

Alle deuren worden geopend en de dooden, door de aardsche lucht, welke Osiris met zich medebrengt, verkwikt, worden voor een kort uur weer tot het leven teruggeroepen. Alle wezens, in dat gedeelte van de Duat, worden, op bevel van den god, van spijs en drank voorzien.

De dooden, die hier wonen, zijn zij, die niet met goed gevolg het onderzoek, om tot het paleis toegelaten te worden, doorstaan hebben en alleen van het stoffelijk voordeel, dat hun door de dagelijksche passage van den god wordt verschaft, bestaan zij.

Wanneer de zon, welke in dezen vorm onder den naam Af Ra bekend is, den ingang van de tweede afdeeling van de Duat bereikt, welke Urnes genaamd is, verlaten de goden van de eerste streek hem en aanschouwen zijn gezicht niet voor den volgenden nacht. Op dit punt ontmoeten de booten van Osiris en zijn dienaren de boot van Af Ra en op deze plaats verlangt Osiris weer, dat de dooden voedsel, licht en lucht ontvangen. Hier worstelt hij met de slangen Hau en Neha-her, zooals vele zonnegoden, gedurende den tijd van de duisternis, doen en als hij hen overwonnen heeft, wordt hij naar de velden van de Graangoden geleid; hier rust hij een poos uit.

Hier luistert hij naar de gebeden van de levenden, ten behoeve van de dooden en beziet de offeranden door de eersten gebracht. Gedurende zijn reis trekt hij door de twaalf afdeelingen van de Duat. Hierbij komen wij streken tegen, welke waarschijnlijk geheel afgescheiden rijken der dooden waren, zooals het rijk van Seker een god, die waarschijnlijk veel ouder dan Osiris is.

Op deze plaats is zijn boot geheel en al overbodig, daar er in het duistere rijk van Seker geen enkele rivier is, iets, wat geheel en al in strijd met de idee over Osiris schijnt te zijn. Daarom zegt hij herhaaldelijk woorden op, welke een buitengewone kracht hebben en dezen dwingen den god van die plaats hem langs de onderaardsche streken te geleiden; hieruit komt hij daarna in Amhet, waar zich een stroom van kokend water bevindt. Doch hij verlaat eerst het rijk van Seker, wanneer hij de zesde afdeeling bereikt, waar de gestorven koningen van Egypte en de Khu, of Geest-zielen, wonen.

Op dit punt van zijn reis wendt Af Ra zijn gelaat naar het Oosten en richt zijn koers naar het Gebergte van den zonsopgang. In de zevende afdeeling voegen Isis en andere godheden zich bij hem; hier wordt zijn weg door de listige slang Apep versperd, doch de goden, die hem bijstaan, steken hun zwaarden door diens lichaam.

Een gezelschap van goden loodst hem door de achtste afdeeling, maar zijn vaartuig gaat door eigen kracht door de 9e streek en in de 10e en 11e schijnt hij een aantal meren te passeeren, welke wellicht een voorstelling van de lagunen van de delta zijn. In de laatste afdeeling wordt zijn voortgang door een lichtschijf bevorderd, door een slang omringd, welke op den voorsteven van zijn boot rust.

De twaalfde streek bevat de groote massa hemelsche wateren, Nu genaamd en hier woont Nut, de personificatie van den morgen. Voor de boot duikt de groote slang Ankh-neteru op en twaalf goden, die de reeplijn vasthouden, trekken den god door het lichaam van het monster en brengen Af Ra uit diens mond te voorschijn, niet als Af Ra echter, want gedurende dien doortocht wordt hij in Khepera veranderd en in diens gestalte wordt hij door twaalf godinnen naar den hemel gesleept; dezen leiden hem voor Shu, den god van de atmospheer van de aardsche wereld.

Shu plaatst hem in de opening van den muur, welke het eind van de twaalfde afdeeling vormt en thans vertoont hij zich aan de oogen der stervelingen als een lichtschijf, terwijl hij zijn mummie-vorm, waarin hij door de Duat ging, heeft afgelegd.

Zijn voortgang wordt door de toejuichingen van de goden, die hem begeleiden, gevolgd; dezen overvallen en vernietigen zijn vijanden en zingen lofliederen te zijner eere.

De Duat, in het Boek der Poorten beschreven, verschilt aanmerkelijk van die in "Het Boek van Hem, die in de Duat is", doch ook deze laatste heeft twaalf afdeelingen en een ongeveer gelijke reis wordt daarin geschetst.

De voornaamste goden, die in het Boek der Dooden genoemd worden, zijn de volgende: Tem, of Atmu, Nu, Ra, Khepra, Ptah, Ptah-Seker, Khnemu, Shu, Set, Horus, Thoth, Nephthys, Anubis, Amen en Anu, inderdaad het grootste aantal van de voornaamste goden van Egypte.

Behalve dezen waren er nog verscheidene mindere goden en een groot gezelschap van geesten, demonen en andere bovennatuurlijke wezens. Vele van deze demonen waren zeer oude vormen van half vergeten goden. Men moet wel letten op het feit, dat Osiris feitelijk op ieder station van zijn reis een, of meer, van zijn goddelijke metgezellen achterlaat en men stelde voor, dat zij sindsdien de beheerschers, of satrapen van de streken werden, waarin hij hen achtergelaten had. Zoo placht een Pharaoh, op deze aarde, zijn hovelingen voor bewezen diensten te beloonen.

In den tijd van het Middenrijk nam de opvatting over Osiris, als rechter over de dooden, een vaste gestalte aan en werd algemeen erkend. In een van de hoofdstukken van het Boek der Dooden vinden wij hem in een ruime hal, waarvan de zoldering met vuur en symbolen der waarheid bedekt is, zitten. Voor hem bevinden zich het symbool van Anubis, de vier zonen van Horus, en de Vernietiger van het Westen, een monster, dat als zijn beschermer fungeert. Aan de achterzijde zitten de 42 doodenrechters.

De gestorvene verschijnt voor den god en zijn hart wordt in eene groote weegschaal gelegd om door Anubis gewogen te worden, terwijl Thoth, de schrijver van de goden, er bij staat, om het resultaat op zijn plankjes te schrijven. Wanneer hij den uitslag aan Osiris heeft medegedeeld, wordt de doode man, indien hij tenminste waardig bevonden is, aan den god voorgesteld; voor dezen zegt hij dan een lang gebed op en hierin verklaart hij, dat hij geen enkel kwaad bedreven heeft.

Zij, die niet aan het onderzoek beantwoordden, werden weggejaagd en liepen gevaar, door een vreeselijk monster, Beby genaamd, dat buiten op hen loerde, verslonden te worden. Zij echter, die rechtvaardig bevonden waren, namen aan de levenswijze van Osiris en de andere goden, van welke men zich klaarblijkelijk voorstelde dat zij aan die van de Egyptische aristocratie gelijk waren, deel.

Zooals reeds opgemerkt is, mocht de gestorvene zichzelf veranderen in een dier-gestalte, welke hij zelf verkoos. Het leven van den doode, die rechtvaardig bevonden was, wordt juist geschetst in een inscriptie op het graf van Paheri, vorst van El Kab, welke als volgt luidt:

"Gij gaat in en uit, met een verheugd hart en met de belooningen van de goden... Gij wordt een levende ziel, gij hebt macht over brood, water en lucht. Gij verandert uzelf in een phoenix, een zwaluw, een sperwer, of een reiger, al naar gij verkiest.

Gij steekt over in de boot en wordt niet gehinderd. Gij zeilt over het water, wanneer een vloed opkomt. Gij leeft opnieuw en uw ziel heeft het lichaam niet verlaten.