Part 1
Mythen en Legenden van Egypte
door
Lewis Spence
voor Nederland bewerkt door
Dr J. W. van Rooijen
Voorwoord.
Na een stilzwijgen van ettelijke eeuwen zijn de monumenten der Egyptenaren weer tot ons gaan spreken. Vervulden zij vroeger den toeschouwer alleen met verbazing en ontzag voor het grootsche en schoone, dat ons werd overgeleverd, thans spreken zij door hun inmiddels ontcijferde opschriften luide tot ons.
De Steen van Rosette, na den tocht van Napoleon naar Europa overgebracht, bleek de sleutel van de geheimzinnige Egyptische taal te bevatten. Door een bloot toeval kon men een begin maken met de ontcijfering en zoo werd langzamerhand de geheele oude Egyptische beschaving voor ons ontsluierd.
Dat in onzen tijd de papyri, overal opgegraven, de Egyptische levenswijze en beschaving mede helpen bekend maken, is overbodig te vermelden, doch voor de oer-Egyptische beschaving zijn wij op de eigenlijke Egyptische monumenten aangewezen.
Deze beschaving in ruimeren kring bekend te maken is het doel van dit boek. Men zal bemerken, dat de schrijver op verschillende plaatsen getracht heeft, de Egyptische mythologie en godsdienstgeschiedenis in verband te brengen met die der onbeschaafde volken, voornamelijk met die der Maya uit Midden-Amerika. Zijn werk, dat handelt over Mexicaansche en Peruviaansche mythen, heeft hem hiervoor goede diensten bewezen.
Een van de moeilijkste problemen om op te lossen is nog steeds dat van de dierenvereering; hoe komt het bijvoorbeeld toch, dat in eenige streken van Egypte sommige dieren voor heilig gehouden werden, terwijl deze in andere deelen straffeloos gedood mochten worden. De heer Spence tracht deze moeilijke quaestie op te lossen, door haar in verband te brengen met het totemisme.
Doch de schrijver brengt ons ook met verschillende onderwerpen op gebied van mythologie, beschavingsgeschiedenis en godsdienstwetenschap in aanraking. Moge dit boek er toe bijdragen, voor de kennis van de aloude Egyptische beschaving in wijderen kring belangstelling te wekken.
De Bewerker.
Het was voor mij een aangename verrassing van den uitgever te vernemen, dat de eerste druk was uitverkocht. Voor den tweeden druk heb ik verschillende veranderingen en verbeteringen aangebracht, welke mij bij nader inzien wenschelijk bleken. Overigens is de 2e uitgave niet noemenswaard veranderd.
De Bewerker.
Inhoud.
Inhoud.
Hoofdstuk I. Inleiding
Plaatselijke goden Animisme Fetischisme en Totemisme Scheppingsmythen Het Gezelschap der Goden De Gods-idee der Egyptenaren Godheden in de teksten der Pyramiden Oudste begrafenissen De Pyramiden Pyramidenbouw Verloren gegane pyramiden Mummies Begrafenisoffers De Ka De Ba
Hoofdstuk II. Onderzoekingen, geschiedenis en gebruiken.
Het Nijldal Oorsprong van het ras Onderzoekingen van Egypte Oudste onderzoekingen Plattegrond der steden Paleizen en heerenhuizen Levenswijze in Oud-Egypte Handel Wetboeken Wetenschappen Landbouw Kleeding
Hoofdstuk III. Priesterschappen, mysteriën en tempels.
Priesterschappen Het Priestercollege van Thebe Mysteriën Grieksche Mysteriën De Egyptische tempel Het Heilige der Heiligen
Hoofdstuk IV. De vereering van Osiris.
Osiris De Osiris-Mythe Set, zijn vijand De tamarindeboom Isis' smart Horus' wraak Sir Frazer over Osiris Primitieve denkbeelden over de maan Osiris en de Persephone-mythe Nieuwe theorie over Osiris Isis Isis als voorstelling van den wind Attributen van Isis Horus De droom van Thothmes Heru-Behudeti De mythe van den gevleugelden schijf De slachting van de monsters Andere Horus-legenden Het Zwarte Zwijn Set Set en de Ezel Anubis Thoth Thoth als zielerechter Maät Het Boek der Dooden Een oude ontdekking De drie resencies De Rietvelden Osiris' reis De Plaats der straffen De Egyptische hemel Het Leven der Gelukzaligen
Hoofdstuk V. De groote goden.
Ra, de Zonnegod Rat Fusie der mythen Ra en Osiris De heilige kever Amen De opkomende macht van Amen Het orakel van Juppiter-Ammon Mut, de Almoeder Ptah De Seker-boot Sekhmet De Zeven Wijzen Bast Het feest van Bast Nefer-Tem I-hem-hetep Khnemu Legende over de Bron van den Nijl Satet Anqet Aten De vereering van een eenig god Een sociale omwenteling De attributen van Aten Een Aten-hymne Hathor Hathor als godin der liefde De menschenslachting Vormen van Hathor Hapi, de Nijlgod Tegenhangsters van Hapi Nut Taurt Hekt Khonsu De Prinses en de Demon Lagere goden
Hoofdstuk VI. Egyptische literatuur.
Egyptische taal en Egyptisch schrift De Hieroglyphen Literatuur De Kat en de Jakhals Reisverhalen De geschiedenis van Saneha De geschiedenis van den zeeman De Fabel van het Hoofd en de Maag De Berisping van Amasis Tooververhalen De scheiding van het water De profetie van Dedi Het bezoek der godinnen Lyriek en Volks-poëzie De ware geschiedenis van Setne en Se-Osiris Se-Osiris Een visioen van Amenti Het lezen van den verzegelden brief De inhoud van den brief Tooverkunst tegenover tooverkunst Strijd in betoovering Hoe Setnau de Assyriërs overwon De Boer en de Werkman Geschiedenis van de twee broeders Het verraad van Bitou's vrouw De vervloekte prins Het bezoek van Ounamounou aan de Kust Geschiedenis van Rhampsinites Burgeroorlog in Egypte. Het Gestolen Harnas Oorlogsverschrikkingen Hulp van Pakrourou Het schild wordt teruggegeven Geboorte van Hatshepsut Hoe Thoutii de stad Joppe nam De list
Hoofdstuk VII. Magie.
Oudheid der Egyptische magie De wandelende geest Het bedwingen der goden Krachtnamen De juiste Uitspraak Een samenzwering van toovenaars Amuletten Tooverspreuken Brabbeltaal der tooverkunst Het verhaal van Setne Een damspel met de dooden Geneeskundige toovenarij Alchemie Gedaanteverwisseling Droomen Mummie-magie
Hoofdstuk VIII. Vreemde goden en goden in diergestalte. Laatste periode.
Vreemde goden Aziatische goden Ashtoreth Semitische en Afrikaansche invloed Heilige Dieren De Apis Het Apis-orakel De Krokodil De Leeuw De Leeuw als bewaker De Kat De Hond Het Nijlpaard Andere dieren De Ibis Heilige boomen De Lotus Godsdienst van den lateren tijd Een godsdienstige reactie Dierenvereering Godsdienst gedurende de Perzische overheersching De Ptolemaeëntijd Fusie van Grieksche en Egyptische ideeën Legende van Sarapis Renaissance op het gebied der bouwkunde Veranderde opvatting over de onderwereld Godenschemering
Hoofdstuk IX. Egyptische kunst.
Het Schildermateriaal Het Nieuwe Rijk Invloed der Egyptische kunst Overblijfselen der kunst Egyptische kleurschakeeringen Groote eenvoud der Egyptische kunst
Lijst van illustratiën
De voorstelling van Ani aan Osiris Het Egyptisch symbool voor de ziel Hoofdingang van den tempel te Karnak De Pyramiden bij Gizeh Model van eene begrafenisboot. Begrafeniskruiken Tempel van Horus bij Edfû Voorstelling van het weiden van een groote kudde vee op een Egyptische hoeve Rahetep. Een Priester Osiris Osiris in de kist gelokt Isis en de jonge prins Het vertrek van Isis uit Byblos Een altaar van Osiris Isis Gevleugelde Isis Zuil van Horus Strijd van Horus Nephthys Set Anubis Thoth en Maät Het wegen van het hart Ra Isis en Ra Amen-Ra Mut en Ptah Sekhmet en Bast Khnemu, I-em-hetep en Nefer-Tem Aten Hathor Hapi Taurt en Khonsu Het meisje van Bekhten De Godinnen als danseressen Thoth en de oppertoovenaar "Wie zijt gij?" De schatkamer van Rhampsinites Isis bezweert Ra haar zijn naam te zeggen Amuletten van Hathor Bes Processie van den heiligen Stier Sebek Ramses II door een leeuw vergezeld Mummies van katten Het Kind Horus Aanvoer van steenblokken voor de Pyramiden Een hoofdsteunsel Tempel van Isis te Philae
Hoofdstuk I
Inleiding.
De verschillende groepen van geloof, welke tezamen den Egyptischen godsdienst hebben gevormd (indien er tenminste van één Egyptischen godsdienst sprake kan zijn), hebben gedurende eenige duizenden jaren dezelfde phases doorloopen, welke aan ieder, die zich met de bestudeering der vergelijkende mythologie heeft bezig gehouden, bekend zijn.
Indien wij in aanmerking nemen, dat de godgeleerden van het oude Egypte niet in staat zijn geweest, een pantheon der Egyptische godenleer te scheppen, waarin aan ieder god, of godin, een bepaalde invloedssfeer kon worden aangewezen, hetzij op wereldlijk, hetzij op geestelijk gebied, dan mag men toch zeker vragen, hoe een hedendaagsch beoefenaar der mythologie in staat zal zijn, in deze moeilijke en duistere problemen, welke de godenleer van het Oude Nijldal ons opgeeft, voldoende licht aan te brengen.
Het antwoord is echter gemakkelijk. De nieuwere wetenschap der vergelijkende godsdienstgeschiedenis breidt zich van jaar tot jaar meer uit en haar licht verspreidt zich, weliswaar langzaam, doch zeker, in de groote duisternis, welke de oude godsdienst omhult.
Laten wij dus bij het licht van deze tooverlamp (een zoo wondervolle is zelfs door een vervaardiger van Oostersche sprookjes niet uitgevonden) dwalen door de donkere pyramiden, door de koele schaduwen der tempelruïnes, ja, door het kronkelend labyrinth van den Egyptischen geest zelf, vertrouwende, dat wij door het licht, dat wij bij ons dragen, er in zullen slagen de raadselen van dit geheimzinnige land eenigermate op te lossen.
Een van de eerste gedachten, welke terstond bij ons oprijzen is, dat het verwondering zou baren, indien er bij een zoo groote menigte goden, die de Egyptische godsdienst aanwijst, geen verwarring ware ontstaan bij de aanduiding over hun oorspronkelijk wezen en hun eigenlijken aard.
Dat deze werkelijk bestond, bewijzen ons de overgeleverde teksten, welke een groote moeilijkheid opleveren om de juiste eigenschappen van bepaalde godheden te definieeren en hen tot één groep, of klasse, terug te brengen. De reden van deze verwarring behoeft men niet ver te zoeken. De goden van een bepaalde landstreek vermenigvulden zich op zulk een verbazingwekkende wijze, dat, terwijl wij in de teksten der eerste dynastieën slechts de namen van tweehonderd godheden ontmoeten, de latere Thebaansche herziening van het "Boek der Dooden" ongeveer vijfhonderd er bij voegt; hierbij moeten nog geteld worden ongeveer achthonderd namen van wezens, welke in de mythologie voorkomen.
Plaatselijke goden.
Een andere oorzaak, welke tot de verwarring aanleiding gaf was, dat in iedere groote stad van Boven- of Beneden-Egypte en hare omgeving de godsdienst een localen vorm aannam. Zoo kwam het, dat de groote goden van het land in iedere provincie onder een anderen naam bekend waren, hun ritus verschillend was en zelfs de sagen over hun oorsprong en hun komst een verschillende gedaante aannamen. Vele groote steden bezaten bovendien eigen, speciale goden en aan dezen legde men dikwijls de eigenschappen van een, of meer, der grootere en meer populaire godheden bij.
Het geloof van de stad, welke de koninklijke residentie vormde, werd de godsdienst par excellence van het geheele koninkrijk, haar tempel werd het Mekka van alle vrome Egyptenaren en haar god was de Juppiter van het Egyptisch pantheon.
Nu had men mogen verwachten, dat, toen Egypte één gemeenschappelijke cultuur, kunst en nationaliteit verkreeg, haar godsdienst eveneens, zooals dit bij andere volken is geschied, één van vorm en van eenvoudiger gedaante zou worden.
Dit resultaat is echter nooit bereikt. Juist de omgang met vreemden was voor de priesters en het volk een aansporing aan hun godsdienstig conservatisme vast te houden. Ja, men kan zelfs zeggen, dat het volk zich nog conservatiever heeft betoond, dan de priesters.
Veranderingen in de godsdienstpolitiek, verschil in uitlegging der heilige teksten kwamen somwijlen uit den boezem der verschillende priestercolleges voort, of ook wel de koning zelf, de bron van alle godsdiensten, verklaarde zich voor deze, of gene uitlegging.
Nimmer echter werd in de godsdienstige opvattingen, uit eerbied voor de publieke opinie, een verandering gebracht, of het was een teruggang tot een ouder type. Zoo zien wij het schouwspel, hoe verder wij in de dynastieën voortgaan, dat er van lieverlede een groote kloof ontstaat tusschen de priesters en het volk; de eersten vatten de godsdienst meer idealistisch op, de groote massa echter bleef evenzeer trouw aan den uiterlijken schijn der dingen, als aan het oude, voornamelijk omdat het oud was.
De evolutie van het geloof in het oude Egypte moet denzelfden loop hebben doorgemaakt als bij andere volken en iedere veronderstelling, welke dit op andere wijze tracht te verklaren, is reeds bij voorbaat bestemd verworpen te worden. In de laatste jaren zijn er verschillende werken door kundige Egyptologen uitgegeven, welke ten doel hebben een meer of minder uitgebreid overzicht over de Egyptische mythologie te geven en haar diepere beteekenis te ontvouwen.
De schrijvers van eenige dezer werken, hoeveel bewondering men ook voor hen moet koesteren als archaeologen, of als uitleggers der hieroglyphenteksten, zijn voor het meerendeel slechts in geringe mate tegen de moeilijkheden, welke de mythologie ons aanbiedt, opgewassen.
Om in deze moeilijke problemen eenig licht aan te brengen is een speciale oefening hierin een eerste vereischte en een algeheele vertrouwdheid met de verschijnselen van de oudere godsdiensten in het algemeen, in al haar verschillende vormen en gedaanten, is een volstrekte noodzakelijkheid.
In het werk b.v. van een buitenlandsch Egyptoloog van den eersten rang treedt een volslagen onbekendheid aangaande mythologische ontwikkeling aan den dag. Hij wil den Egyptischen godsdienst voorstellen, zooals deze toeschijnt aan iemand, die niets van de moderne godsdienstwetenschap afweet. Een ander zeer bekend Egyptoloog schrijft over het z.g. totemisme op de meest elementaire wijze en werpt de stelling op, dat een zoodanig stelsel nooit in het Nijldal heeft bestaan. Deze vragen echter zullen op de daarvoor bestemde plaatsen worden behandeld.
Om met de vormen van den lageren cultus te beginnen--vormen, welke hoogstwaarschijnlijk uit Afrikaansche bron stammen--het is zoo goed als zeker, dat de oudere Egyptische godsdienst tot aan den tijd der Hyksos bleef bestaan; na dezen tijd heeft men de officieele godsdienst van het land onder een of anderen vorm met de aanbidding der zon in verband gebracht; men heeft dus alle oorspronkelijke goden van het land op een bepaald tijdstip met de idee van één zonnegod òf samengesmolten òf vereenzelvigd.
De Egyptische godsdienst in het Midden- en Nieuwe Rijk was zoowel een vrucht van filosofische vinding, alsook van latere Grieksche mythe; voor zoover wij echter kunnen beoordeelen, was hij niet zoo kunstig en in alle deelen volmaakt. Immers terwijl wij in de teksten ontelbare toespelingen op bepaalde mythen vinden, komen de mythen zelf in de Egyptische literatuur zelden voor.
De voornaamste plaats, waar een Egyptische mythe voor ons is bewaard gebleven, is Plutarchus' verhaal over Isis en Osiris, en dat is een niet zeer betrouwbaar zegsman. Men heeft nu vermoed, dat de mythen zoo algemeen onder het volk bekend waren, dat het een overbodig werk zou geweest zijn, dezen voor een zoo godsdienstig volk als het Egyptische op te schrijven.
Het is voorzeker een onherstelbaar verlies voor het nageslacht, dat dezen verloren zijn gegaan en daar wij een volledige kroniek van de daden der Egyptische goden missen, kunnen wij slechts het materiaal, dat de teksten en aanverwante voorwerpen ons geven, onderzoeken om hier en daar een brokstuk van het Egyptische godsdienstwezen op te diepen en zelfs, als men al deze stukken bijeenvoegt vertoont het geheel nog slechts een schijn van wezenlijkheid en bondigheid.
Animisme.
Wij zagen reeds, dat bij de oude Egyptenaren, evenals bij de andere vroegste volken, de godsdienst zich onmogelijk kan ontwikkeld hebben, zonder dat hij het bij allen gebruikelijke proces heeft doorloopen.
Door middel van verschillende draden, meer of minder sterk, kunnen wij ontdekken, dat hij de phase heeft doorloopen, bekend onder den naam van animisme of animatisme. [1]
Dit is het geloof, dat ieder voorwerp, dat den mensch omringt, werkelijk een ziel en een persoonlijkheid bezit, even goed als hij zelf.
Reeds op een vroeg tijdstip ontstond bij den mensch het geloof in een ziel, dit geheimzinnig tweede ik, waaraan zelfs de minst ontwikkelde rassen gelooven. Het verschijnsel van den slaap, het weder tot bewustzijn komen na de sluimering en de vreemde gewaarwordingen en lotgevallen in den droom, zullen de oudste menschen tot de conclusie gebracht hebben, dat zij een tweede ik bezaten en het was slechts een uitbreiding van dit denkbeeld, dat hen tot de veronderstelling bracht, dat deze tweede gestalte na zijn dood zal blijven voortbestaan.
Doch welk bewijs hebben wij, dat de oude bewoners van Egypte deze phase hebben doorloopen? Afgezien van het geloof in een menschelijke ziel, ziet het animisme in ieder voorwerp der natuur een levend wezen. Op deze wijze bezitten boomen, rivieren, winden en dieren allen de natuurlijke gave van denken en spreken. Hoe is het nu mogelijk te bewijzen, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden, dat dergelijke dingen een ziel bezaten, welke bewustzijn had en een eigen persoonlijkheid?
In de eerste plaats wat betreft het geloof van de oude Egyptenaren, dat de mensch zelf een ziel bezat. Het Egyptisch symbool voor de ziel (ba) is een man met het hoofd van een vogel. De opvatting nu over de ziel, als vogel voorgesteld, is algemeen verbreid onder de meeste wilde en onbeschaafde volken. Voor onontwikkelde volken is de vogel altijd een onbegrijpelijk wezen, door zijn eigenaardige vliegkunst: zijn verschijning in de lucht, waar men zich de woningen der goden voorstelde, zijn gezang, dat het spreken naderbij kwam, vermeerderden nog deze opvatting.
Van den vogel ontwikkelde zich bij de wilde volken de idee van den gevleugelden geest of god, den bode uit den hemel. Zoo gaf men aan alle bovennatuurlijke wezens in alle mythologische stelsels vleugels. Verscheidene Indianen uit Amerika gelooven, dat vogels de zichtbare geesten der afgestorvenen zijn. De Powhattans van Virginia geloofden, dat de ziel van hun opperhoofd, na zijn dood, in een vogel overging en de Aztecs, dat de geest van gestorven krijgslieden de gedaante van een kolibrie aannam en in den zonneschijn van bloem tot bloem fladderde.
De Boros van Brazilië koesteren het geloof, dat de ziel de gedaante van een vogel bezit en in den droom in deze gestalte het lichaam verlaat. [2] De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia stellen zich de ziel voor, huizende in een ei, dat zich in den hals bevindt. Indien het ei barst en de ziel er uit vliegt, moet de mensch sterven. Een toovenaar uit Melanesië was gewoon zijn ziel in de gedaante van een arend uit te zenden, om te zien, wat er op de schepen, welke voorbijvoeren, geschiedde. Plinius vermeldt, dat men de ziel van Aristeos van Proconnesus uit diens mond in de gedaante van een raaf heeft zien vlieden. Een soortgelijk geloof vindt men in landen, die even ver van elkaar zijn verwijderd als Bohemen van Malakka.
Uit deze overeenkomstige voorbeelden zien wij, dat de oude Egyptenaren niet alleen hebben gestaan in hun voorstelling van de ziel in de gedaante van een vogel. Deze idee behoort tot de natuur van het animistisch geloof. Nog andere en meer concrete voorbeelden echter van dit soort van godsdienstvereering vinden wij bij ons onderzoek.
Om een voorbeeld te noemen: sommige voorwerpen, welke men en in Egyptische graven en elders heeft gevonden, zijn soms gebroken, klaarblijkelijk met de bedoeling hun geesten te bevrijden, zonder twijfel om zich met die van hun eigenaar te vereenigen. Het verhaal verder, in de Osiris-mythe, dat de kist van dezen verward raakte in de takken van een boom--een duidelijke aanwijzing van een volksoverlevering, welke een herinnering is aan een oude vorm van boom-aanbidding--is een tak van het animistisch geloof.
In de teksten komen ons eveneens herhaaldelijk berichten tegen, welke alle tot een vroegere stadium van animisme kunnen worden teruggebracht. Zoo was iedere deur in de andere wereld gevoelig en kon geopend worden na een behoorlijke bezwering. Wij vinden in hoofdstuk 36 van den Papyrus van Asri de vlam der zon toegesproken als een levend wezen, evenzoo de veerboot van Ra in hoofdstuk 13. "Ik ben de knoest van den Asenboom", zegt de doode man in hetzelfde hoofdstuk, terwijl hij doelt op den boom, welke zich zelf om de kist van Osiris wond.
Dit zijn alle verschijnselen, welke met het animisme in verband staan en men kan dezen nog in grooten getale vermeerderen, wanneer men slechts een blik slaat in een willekeurig Egyptisch manuscript. Eveneens is de latere toepassing der magie in het Nijldal tot op zekere hoogte een overblijfsel van een animistisch geloof.
Fetischisme en Totemisme.
Het z.g. fetischisme komt eveneens veelvuldig in de Egyptische godsdienstige opvattingen voor. Vele goden beeldt men af met die fetischen, van welke zij waarschijnlijk zijn afgeleid. Zoo zijn de pijl van Neith even zoo goed (deze opvatting zal ik later trachten te bewijzen) als de symbolen van Min en andere godheden, overblijfselen van het fetischisme.
Fetischisme (elders [3] gaf ik hierover een meer uitgebreide beschrijving) is een term, welke men gebruikt voor groote of kleine voorwerpen, door de natuur gevormd, of kunstmatig vervaardigd, van welke men zich voorstelt, dat zij een bewustzijn, een wil en bovennatuurlijke eigenschappen bezitten, kortom, een fetisch is de woning van een wandelenden geest, welke zich in haar heeft gevestigd.
De overblijfselen van fetischisme kan men nog bespeuren in de amuletten, welke door ieder Egyptenaar, hetzij dood of levend, werden gedragen. Alle amuletten behooren tot de natuur der fetischen en dikwijls hoort men de bewering, dat het geluk in haar huist.
Evenals de onbeschaafde volken gelooven aan een krachtigen invloed, welke het welzijn van den mensch op het oog heeft, zoo kan zelfs een beschaafd man niet geheel en al de gedachte van zich afzetten, dat èèn of ander voorwerp, aan zijn horlogeketting bevestigd, niet een aangeboren eigenschap bezit, om geluk aan te brengen.
Verscheidene van deze amuletten zijn de zinnebeeldige voorstellingen van godheden, zoo b.v. de afbeelding van een gesp, welke het symbool is van Isis' bescherming, van het heilig oog, als voorstelling van Horus; zoo kan wellicht het symbool der evenwijdige vingers een herinnering zijn aan de fetischistische halssnoeren van vingers, welke men bij verschillende woeste volken heeft gevonden.
Verscheidene Egyptologen ontkennen, dat het totemisme, als een kracht, in de godsdienst van het oude Egypte zijn intrede heeft gedaan.
Men kan het totemisme definieeren als de erkenning en de werking van de denkbeeldige, mystieke betrekking van een persoon, of een geheele familie, tot de bovennatuurlijke machten of geesten, welke hem omringen.
Terwijl de fetisch in zeker opzicht de dienaar van haar eigenaar is, een geest, welke naderbij gelokt is om in een voorwerp te wonen, ten einde het bevel van een enkel persoon, of een gemeenschap, uit te voeren, is de totem, of tot één persoon, of tot een familie behoorende, een patroon en een beschermer en wordt dikwijls in de gedaante van een dier, of een plant, voorgesteld.