Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2
Chapter 10
In de Woutergeschiedenis heeft M. een epopée willen geven, waarin hij, "den strijd schetsen wilde van het goede in den mensen tegen de boosheid, den reuzestrijd van ware heilige poëzie tegen 't leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft."
VORSTENSCHOOL
Hoe zeer de wereld die M. in Vorstenschool voor ons onthult ook van Wouters milieu moge verschillen, toch vinden we in dit drama de motieven van _Woutergeschiedenis_, _Havelaar_ en _Minnebrieven_ terug.
In regeeringskringen is het geestelijk bederf, de versteening al evenzeer doorgedrongen als in die der kleine burgerij: van bijzaken, futiliteiten zijn de koning en zijn ministers vervuld. Uniformenwijzigingen, intriges e. d. nemen hun leven in beslag: om 't recht, om 't wel en 't wee van 't volk denken zij niet. Onbeduidend, slecht en geesteloos zijn zij, die geroepen zijn leiding te geven aan het volk. Maar in dat volk lééft toch nog, nederig en verscholen, het waarachtig menschelijke. Tegenover de Droogstoppels en Slijmeringen van 't hof plaatst M. de idyllische Hansje en den dichterlijken Albert, als een tweede Saïdjah en Adinda. Ook hier naïeve, reine menschenkinderen in wie de liefde 't gevoel voor poëzie wakker roept. En boven de verdorvenheid der regeering en de liefelijkheid dezer volkskinderen troont de ware, begrijpende, edel willende mensch, koningin Louise, de Havelaarfiguur uit het drama.
De bedrijven, waarin de koningin hare sociale idealen uiteenzet, heeft M. 't eerst geschreven en op lezingen voorgedragen. Hij, die zelf van kind af gedroomd had van koninklijke macht, om alle kwaad in goed te verkeeren, laat nu zijn ideeën over volkswelvaart uitspreken door een vorstin, die van oprecht idealisme vervuld is, die met energie naar middelen vorscht om de volksellende te doen verdwijnen.
De intrige, aan een Fransch werkje ontleend, is eenvoudig: eenige hovelingen zetten een intrige op touw om een minister, die hun in den weg staat te doen vallen. Zij verbreiden 't gerucht, dat de graaf een nacht op Louise's rust heeft doorgebracht: inderdaad had de koningin urenlang met den minister in gezelschap harer moeder gearbeid om middelen te beramen om het volk op te heffen. Ze heeft heele bundels verzameld met:
"Berichten over alles wat bij 't Volk Niet is zooals het wezen moest, en toch-- Dát hoop ik!--eenmaal anders wezen zal."
Zij wijst erop, evenals M. in I. 451, dat géén stand honger voorschrijft, en dat geen stand tot gebrek gedoemd kan zijn. Door hare onderzoekingen maakt ze ook kennis met Hanna, een naaistertje, die voor het moederlooze kindje van haar buurman Puf zorgt. Een hoveling weet Puf wijs te maken dat Hanna 's nachts heeren van 't hof ontvangt en hij vertelt 't verder: 't praatje over Hanna en graaf van Weert, moet dat over van Weert en de koningin in de wereld helpen. Maar Hanna wil de koningin niet offeren om eigen naam te redden. En als haar broeder en de koningin, die haar incognito bezocht, er op aandringen dat ze voor eigen goeden naam zal zorgen, weigert ze met gloed. En als dan een hoveling als lakei verkleed haar komt raden bij den koning een klacht in te dienen, daar er getuigen zijn, dat van Weert dien nacht op Louise's rust had doorgebracht, doorziet Louise de intrige en de afstraffing volgt.
Er zit spanning en gang in het stuk, maar karakterontwikkeling ontbreekt. Het is een tendenz-stuk om de leugen der liberale en behoudende politiek op de kaak te stellen, om zielenadel boven den armzaligen, intrigeerenden hofadel te verheffen, om ware vorstelijkheid over een in futiliteiten opgaand koningschap te doen zegepralen.
Het zijn dezelfde gedachten, elders pakkender reeds uitgesproken, die nu in dramatischen vorm gegeven worden. Evenmin als in _De Bruid daarboven_ heeft M. hier een eigen vorm voor zijn gedachten gevonden: toen zweefden hem tooneelstukken van Kotzebue e. d. voor den geest, nu werkt hij in den trant van het verhevener historische drama met zijn gebonden stijl.
In _Vorstenschool_ heeft M. weer een zijner dichtproeven opgenomen: nl. het vers over poëzie, waarvan de eerste regel luidt:
Daar is een kracht, uit hooger kracht gesproten...
Dit gedicht is door en door rhetorisch, onzuiver in zijn beeldspraak, en onwaar in de voorstelling; want in M.'s mond is het gewagen van de klanken van 't suizend loof, dat "opwekt om te bidden en te danken" een dichterlijke leugen. Evenals de gedichten van Bilderdijk en Da Costa wordt ook dit vers van M. gedragen door pathos en rythme.
Multatuli laat Hanna dan ook een loopje nemen met dit vers: "Hij noemt de dingen heel anders dan ze zijn of heeten".--"Maar me dunkt, men hoeft de dingen niet zoo op te sieren. Dat is onnoodig werk, want ja is ja, en neen is neen, niet waar, en daarmee uit!"
Poëzie is wel geen leugen, maar toch ook niet flinke ronde waarheid, oordeelt Hanna. De ontroering roept later in haar het gevoel voor poëzie wakker en ze heeft den goeden smaak slechts enkele sobere woorden uit Alberts vers aan te halen: ware poëzie kan al dien rhetorischen omhaal missen. M. staat blijkbaar sceptisch tegenover zijn eigen dichterlijke proeve!
Het heeft groote moeite gekost _Vorstenschool_ opgevoerd te krijgen: geen enkel tooneelgezelschap durfde het aan, men vreesde, dat 't als kritiek op den koning kwalijk zou worden genomen, 't Was nog kort geleden, dat Busken Huet de Gidsredactie had moeten verlaten omdat hij de koningin en de hofdames sprekende had ingevoerd om een almanakje af te kammen! Het is aan het kordate optreden van Mina Kruseman gelukt _Vorstenschool_ opgevoerd te krijgen. Door haar optreden tegen kritiek en journalistiek had zij het publiek op haar hand weten te krijgen in haar strijd om het tooneel te verheffen en Holland wakker te schudden. Als directeuren van tooneelgezelschappen haar mooie aanbiedingen doen voor een contract, stelt ze als voorwaarde, dat ze alleen in Vorstenschool als eerste rol zal optreden. In den zomer van 1874 teekent ze haar contract met Legras, Van Zuylen en Haspels. Een enthousiaste brief schrijft ze aan haar vrienden in Wiesbaden en ze vraagt wat Dekkers eischen zijn als auteur. Hij wil echter de opvoering van een Hollandsch stuk niet drukken door tantième voor den schrijver. Toch weet Mina Kruseman hem te bepraten honorarium aan te nemen en ze weet het ook te bedingen evenals een uitnoodiging om de repetities bij te wonen.
Tragisch is het conflict geworden tusschen den schrijver en de actrice bij de repetities: het begint met een verwijt per brief, dat zij door f 200.-- honorarium voor zichzelf, de speelster van Hanna's rol en den auteur te bedingen, _Vorstenschool_ zal smoren. "Mij ware 't aangenamer (en vooral nuttiger!) indien _Vorstenschool_ op meer gewone condities _of in 't geheel niet gespeeld_ ware!" Het komt tot een finale breuk tusschen Mina en Douwes Dekker; en hij gaat zelfs zoover het spel van Mina Kruseman openlijk te veroordeelen, terwijl zij de eenige was, aan wie de opvoering te danken is geweest.
Ondanks deze onaangenaamheden is de opvoering een groot succes geweest. Multatuli is op het tooneel gehuldigd en ook in de volgende jaren heeft hij geregeld eenige maanden in Holland doorgebracht om lezingen te geven. Nu deze door den tooneeldirecteur Haspels georganiseerd werden, was het succes groot. Zoo heeft de opvoering van _Vorstenschool_ direct en indirect den persoonlijken invloed van den grooten schrijver op ons volk versterkt.
MILLIOENENSTUDIËN
De _Millioenenstudiën_ verschenen in 1870 als feuilleton in het Dagblad _Het Noorden_. Daar de lezers er niets van begrepen werd het feuilleton gestaakt; in 1873 werd het werk eerst voltooid.
Het vlijmend sarcasme, de bitterheid en de opstandigheid van _Minnebrieven_ en _Ideën_ is hier gelouterd tot den waren humor. Deze zuiverder meer bezonken stemming openbaart zich in meerdere luchtigheid van vorm, in rijkere fantasie, in wondere fijnheid en vrijheid van inkleeding. Er is geen uitgesproken strekking in, 't is geen strijdschrift: 't is alsof M. met een fijnen glimlach op eigen streven neerziet, of hij in de onvermijdelijkheid zijner teleurstellingen berust.
Geestig gevonden is het begin:
"Ik schryf ditmaal niet voor burgerlui. Zelfs prinsen en genien wier inkomen iets minder mocht bedragen dan 'n zak guldens per uur, worden beleefd--of des-noods onbeleefd--verzocht zich niet met myn geschryf te bemoeien. Willen zy zich beteren... _à la bonne heure!_
_A tout péché miséricorde_, maar eerst... beterschap.
"Ik wil ook burgerlui of arme vorsten en verkeerdgeborenen in de gelegenheid stellen deeltenemen aan myn feuilleton, door hun den weg te wyzen die tot beterschap leidt, _i. e._ door hen millionairs te maken als anderen. Zoodra de allerarmste zóó rijk is, dat hy met z'n geld geen raad weet, mag ieder my lezen.
Wie er tegen dien tijd zal broodbakken of schoenmaken, jazelfs hoe "_Het Noorden_" 't zal aanleggen om m'n feuilleton gezet en gedrukt te krygen... dàt weet ik niet. Maar m'n bekommering daarover is niet groot, omdat ik in m'n splinternieuwe funktiën van _richard_, me niet behoef intelaten met staathuishoudkunde. Dat is 'n vak voor arme drommels."
Hij gaat aan zijn "lieve mede-rijken" de pasverworven schatten toonen, die hem voor een paar nachten ontsloten werden. Hij was n.l. door een luik in de ruïne Sonnenberg gevallen en daar terecht gekomen in het rijk der Gnomen, waar Keizer Adolf van Nassau den schepter zwaait. Hier hoopt hij de kunst te leeren om aan de speeltafel millioenen te winnen en hij ontvouwt den keizer zijn hervormingsprogram, waarvoor hij die schatten noodig heeft.
Deze wijst hem echter terecht over vele aardsche opvattingen, al erkent hij zelf nog niet lang genoeg _onder_ de aarde te vertoeven om alle vooroordeelen te hebben overwonnen.
Zij spreken over vorsten en volkeren: tegenover M.'s vorstenverguizing en volksbewierooking wijst Adolf op de slaafsheid der volkeren als keerzijde van vorstendwingelandij. Adolf kapittelt hem over zijn te groote royaliteit: en leert hem de nutteloosheid hiervan inzien. Aan het luchtige schetsje zijner ontmoetingen met het kellnerinnetje Staccata ligt een bittere ervaring ten grondslag: de edele idealist, die belangeloos geeft, wordt zelfs door de beweldadigde niet gewaardeerd: ze begrijpt beter, wie haar wil bedriegen, dan wie haar edelmoedig een verlies wil vergoeden.
En onder den grond leert hij Logos kennen: Logos zonder wien niets tot stand komt en die ook met verbeteringen en hervormingen _den tijd_ heeft. Wat Fancy hem voortoovert, zal Logos verwerkelijken, maar niet plotseling. "Maar is dan dichterlijkheid 'n leugen, één leugen?
--Zonder Logos, ja! Met Logos, neen!
--Vervloekte fantasie!
--Mens, laster Fancy niet! Ook in 't allerkleinste is ze machtig boven alles."
Harmonie, eenheid van verstand en verbeelding is de nieuwe gedachte door M. gegrepen; zoo heeft hij in beginsel overwonnen de tegenstrijdigheid zijner wereldbeschouwing.
Ook het onredelijke van zijn verlangen om met millioenen de wereld te verbeteren heeft hij ingezien. Hij ziet Logos aan het werk in de speelzaal, want "de alles beheerschende rede openbaart zich--gelijk overal!--op eerbiedwaardige wijze in de speelzaal". En terwijl hij bij de Gnomen nieuwe wijsheid opdoet, eigen eenzijdigheden leert inzien, verwerft hij een redelijken kijk op de wereld in de speelzaal. De speelbank bedriegt niet: ze laat ieder de kans door Logos, door de noodzakelijkheid hem gegeven. Met fijne ironie brengt M. zijn lezers aan het verstand dat het bij het zoogenaamde onzedelijke hazardspel heel wat eerlijker en oprechter toegaat, dan bij vele handelspraktijken, die zoogenaamd eerlijke en fatsoenlijke burgers zich veroorloven. Zoo schetst M. een verzamelaar van Vieux-Delft en een deftig Amsterdams beursbezoeker, die hun schatten verwierven door zedelijk minderwaardige handelingen; zij staan met hun bedrog en leugen heel wat lager, dan wie een eerlijke kans aan de roulette wil wagen. En naast deze sarcastische schetsen ontbreekt ook het sentimenteele element niet: in Rouge-perd wordt 't vrouwtje geteekend, dat _moet_ winnen om haar man te redden, en ze wint inderdaad!
Deze losse schetsen boven den grond uit de speelzaal en onder-den-grond uit 't gnomenrijk vat M. ten slotte samen in één tooneeltje, waar hij alle personen, die hij door zijn naakte voorstelling hunner zedelijke waarde beleedigde, laat opkomen, om hierover op te spelen: het is een soortgelijk motief om de eenheid in de speelsche verscheidenheid zijner _Millioenenstudiën_ vast te leggen als het koortsvisioen uit de _Minnebrieven_. Maar de ware eenheid in de grillige, schijnbaar zoo onmethodische werken van Multatuli is Fancy, die nooit van Logos verlaten is.
BESLUIT.
Bij weinig schrijvers zijn leven en werken zoo nauw verbonden geweest als bij Multatuli. Hij heeft eigen persoonlijkheid, eigen streven, eigen innerlijk én uiterlijk leven in het middelpunt zijner werken gesteld. Zijn leven heeft hij aan 't verwerkelijken en verkondigen zijner Ideën gewijd.
In _Max Havelaar_ (hoofdstuk 6) geeft hij een goedgelijkend, zij het eenigszins geflatteerd zelfportret. De grondtrekken van zijn karakter heeft hij zuiver getrokken: Een vat vol tegenstrijdigheden, scherp als een vlijm en zacht als een meisje; een geest, die 't hoogste en ingewikkeldste terstond vatte en de eenvoudigste zaak soms niet kon begrijpen; een geest, die beide kanten tegelijk zag en een buitengewone gave bezat, om wat hij niet door studie of waarneming kent, intuïtief te benaderen, en om 't geen hij weet kantig en scherp omlijnd weer te geven; scherp verstandelijk en gevoelig tot in 't weeke en sentimenteele toe. Deze tegenstrijdige eigenschappen komen scherp uit door het spontane zijner uitingen. Van aard was hij zacht, gevoelig, hulpvaardig, vol vroolijken humor; het leed van anderen te verzachten, hulpbehoevenden bij te staan, was hem een ware behoefte: een warm-voelend, spontaan mensch met een groote geestdrift voor recht en waarheid. Bij dezen nobelen aanleg kwam een groote eerzucht, en persoonlijke ijdelheid: maar een eerzucht en ijdelheid van hooger orde, daar ze gericht waren op de zegepraal van het goede. Doordrongen van het besef steeds de ware belangen der menschheid op het oog te hebben, beschouwde hij kritiek op zijn doen en laten eerder als een aanval op zijn ideaal, dan als een poging hem in zijn streven door goeden raad bij te staan.
Hij heeft geen scheiding getrokken tusschen leven en ideaal, tusschen droom en werkelijkheid. Hij heeft in de praktijk van het leven uitgedragen, wat hem in zijn dichterdroomen als waarheid gold. Hij heeft ernst gemaakt met de overtuiging, dat het in dit leven om gerechtigheid gaat; de hoogste goederen der menschheid wáren hem de hoogste: als kind, als jonge man droomt hij er van, als volwassene offert hij eigen belang op aan zijn levensideaal.
Hij heeft in groote geestdrift het offer van Lebak gebracht, spontaan, zonder berekening. Zeer zeker is de harde levensstrijd hem bitter tegengevallen: in zijn naïveteit had hij op glorierijk herstel zijner carrière gerekend, zoodra 't zij de Gouverneur-Generaal, 't zij de Hollandsche regeering zouden hebben ingezien, dat _hij_ gelijk had, dat hém en den inlander onrecht geschied was.
De strijd voor recht en vrijheid is hem bitter tegengevallen, daar hij de menschheid naar zichzelf beoordeeld had: hij had zijn landgenooten even groot zedelijk enthousiasme, vrijheidsliefde, rechtvaardigheidsbesef en spontanen hervormingsdrang toegedicht, als in hem leefde.
Zoo ondervindt hij teleurstelling op teleurstelling, grief op grief: hij wordt verbitterd. Dit roept niet altijd het nobelste in hem wakker: ook leelijke kanten van zijn karakter teekenen zich af. Maar krachtig blijft in alle ontbering, leed en teleurstelling zijn idealisme. Zijn tijdgenooten veroordeelden zijn excentriciteiten: 't was voor een gemiddelden Hollander om van te rillen, dat een man, die uit armoede schulden maakt zijn weinige contanten herhaaldelijk gebruikt om nijpenden nood die zich op zijn weg vertoont, te lenigen. Zeer zeker is het onpractisch tot in 't liefdelooze toe om aan een oude bedelares de f 25 te geven, die hij juist aan Tine zou verzenden, die in Brussel met hare kinderen gebrek leed.
Maar een practisch, berekenend mensch, die met bestaande toestanden rekening houdt, zal uit puur idealisme geen goede positie met recht op goed pensioen weggooien. Zoo heeft hij ontegenzeggelijk naastbijliggende plichten verwaarloosd: hij heeft vrouw en kinderen aan zijn ideaal geofferd. Maar ook _eigen levensgeluk_ heeft hij geofferd. En zijn vrouw heeft in zijn enthousiasme gedeeld, zij heeft zijn offer goedgekeurd.
In het Holland van ± 1860 was het gezin het hoogste, zorg voor vrouw en kinderen het heiligste. Het godsdienstig geloof dier generaties was een beeld van het ideale gezinsleven. Iemand die hoogere plichten wilde laten gelden, plichten tegenover de menschheid, beschouwde _men_ òf als slecht òf als gek. En door zijn vrije ideeën over huwelijk en zedelijkheid, zijn minachting voor "principes", zijn aanvallen op den godsdienst, waren velen overtuigd van zijn minderwaardigheid. Want dat is de excentriciteit bij uitnemendheid, het ideaal als richtsnoer van 't leven te kiezen, om liever schipbreuk te lijden dan te schipperen, om de groote doeleinden te zien en de kleine te miskennen.
Hij heeft in droomen en visioenen geleefd, wier verwerkelijking hij aanstaande achtte: telkens meent hij dat het lukken zal--en dan volgt weer de ontnuchtering die bitter maakt. Hij wilde tastbare hervormingen en verbeteringen invoeren: hij wilde een Napoleon zijn. Eerst na jaren heeft hij ingezien, dat hij een Rousseau was: dat Fancy hem niet met de macht van het geld, maar met de macht der Idee had toegerust. En gedachten, ideeën werken langzaam door.
Multatuli was zóó verdiept in zijn levensdroom, dat hij in het practische leven telkens mistast: ook al door zijn groote impulsiviteit. Hij leeft alleen in het oogenblik!
Een groote onevenredigheid tusschen levensdroom en levenspraktijk, is niet te miskennen. Deze is mede de grond van zijn mislukt gezinsleven, zijn armoedig bohême-bestaan, zijn gebroken carrière, zijn geschokt evenwicht.
Eenzijdige vereerders zien alleen zijn edel streven als grond van zijn levensoffer en van zijn geniale scheppingen, zijn bestrijders en bedillers geven uitsluitend acht op zijn tekortkomingen tegenover zijn gezin en zijn schuldeischers, zij laken zijn onbekookte en onberedeneerde uitvallen, zij wijzen er op dat zijne daden niet op de hoogte staan zijner woorden.
Vereerders en bestrijders zien beiden maar een kant van dezen tegenstrijdigen èn daardoor ook veelzijdigen mensch. Hij was niet evenwichtig; zijn gestel èn de omstandigheden zijn hiervan de oorzaak. Een karakter in den hoogsten zin des woords was hij niet, maar wel een mensch met nobelen aanleg en nobele impulsies, wien zijn idealen meer waard waren dan aanzien en voordeel.
Dat waarheid en gerechtigheid 't hoogste waren, was geen fraze in zijn mond. Dit heeft den stempel van waarachtigheid gedrukt op zijn levenswerk.
Al heeft hij in zijn levensgedragingen de hoogere eenheid van droom en werkelijkheid niet verwezenlijkt, in zijn boeken heeft hij deze doen _leven_, en zóó doen leven, dat hij een der groote bevrijders is geworden van het maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk.
INHOUD.
Inleiding Jeugd en Kinderdroomen Indische Leerjaren (1838-1845) Verloving en Huwelijksjaren in Indië Verlof in Holland De daad van Lebak De Max Havelaar De Minnebrieven Het tweede Huwelijk Multatuli als Denker en Hervormer De Geschiedenis van Wouter Pieterse Vorstenschool Millioenenstudiën Besluit
Het recht van reproductie der afbeeldingen en handschriften door den uitgever streng voorbehouden.
AANTEEKENINGEN
[1] Brieven I: 128-130.
[2] Dit verwijt Caroline hem in een brief.
[3] Brieven I: 116.
[4] Brieven I: 78.
[5] Brieven II: 27.
[6] Zie de Bruyn Prince: _Officiëele Bescheiden_, blz. 234-235, 256, facsimile's bij blz. 248, en Brieven I: 33.
[7] Brieven II: 40-41.
[8] Brieven II: 141-146.
[9] Door verklaringen van den medicus van zijn voorganger is de vergiftigingsgeschiedenis op afdoende gronden weerlegd. Dit neemt niet weg, dat D. D. er in Februari 1856 vast aan geloofde en zijn stemming er door bepaald werd.
[10] Jezus is driemaal gekruisigd. Eens door de Joden, vervolgens door z'n levensbeschrijvers en eindelijk door de christenen zelf. Hij had nooit kwaadaardiger vijanden dan de laatsten. (M.)
[11] Dr. Prinsen geeft sprekende voorbeelden hiervan in zijn boek over Multatuli en de romantiek.
[12] Door Multatuli's weduwe is het eerst een afzonderlijke uitgave der _Woutergeschiedenis_ bewerkt; door schrijfster dezes is de Woutergeschiedenis opnieuw uit de _Ideën_ gelicht.
[13] Zie Dr. Prinsen, Multatuli en de Romantiek, blz. 291 vlg.
End of Project Gutenberg's Multatuli, by J. Van den Bergh van Eysinga