Moeder en kind

Part 23

Chapter 231,899 wordsPublic domain

Bl. 566. „During the first two days the secretion of the breasts is but small in quantity, and the child must not be put to the breast more often than every six hours.... With the establishment of full lactation, which generally occurs on the third or fourth day, the infant must have its regular hours of feeding. It may be stated as generally convenient if the infant has its first feed at 7 a.m., followed at 9.30 a.m. by its morning bath. After the bath the child has its second feed, and after this feed and the fatigue of the bath, the child may be allowed to rest for three hours. It is then fed regularly every three hours, being awakened if necessary, until about 10.30 p.m..... After the first week the baby will be having its full feeds, and will generally sleep till 7 a.m., with only one feed in the night. In this way the infant will have seven feeds during the twenty-four hours, and the mother and nurse will have a good night’s rest.”

Wie heeft gelijk?

Ik eindig met de opmerking, welke Jacobi in 1900 op een congres van Amerikaansche geneeskundigen maakte, bij eene discussie over de beste methode voor de voeding van zuigelingen:

„He had come with the idea, that he would learn how infants should be fed, but he finds that he was mistaken, for every speaker has given a different method. For his part, he thinks that, above all, the physician should mix milk with.... brains. It is astonishing how handy brains are in the practise of medicine. Every man told us how he feeds babies, and every one thinks his way is right, but a lot of babies think it is wrong,”

en ik voeg er bij:

„Time has come, that the babies tell us what they think to be the best.”

AANHANGSEL II.

ENKELE RECEPTEN.

Rijstwater, gortwater, wordt bereid van 1 eetlepel rijst of gort, die men met 1 liter water 15 minuten laat koken. Daarna laat men even bezinken en giet het rijstwater of gortwater af. (Gorter.)

Voor gort-, rijst- of haverafkooksel neemt men ongeveer 1 theekopje per liter, gekookt tot lobbig aftreksel en daarna door een fijn zeefje of gaas gezeefd, aangevuld met rietsuiker of melksuiker. (Scheltema).

Gortwater of rijstwater. 1 eetlepel gort of rijst met één liter water gedurende 15 minuten te koken, daarna door een doekje te filtreeren en zoo noodig met gekookt water aan te vullen tot ½ liter. Tevens voegt men een weinig zout toe, zóó dat de smaak niet meer onaangenaam flauw is.

Gortwater en rijstwater bederven zeer spoedig, zoodat zij elken dag, op warme zomerdagen tweemaal daags, versch moeten worden bereid. Omdat de bereiding tijdroovend is en omdat gevaar voor bederven bestaat, gebruike men ze alleen, indien met water verdunde melk niet goed verdragen wordt. (Oosterbaan).

Op ½ liter water komt 1 eetlepel rijst of 1½ eetlepel haverdegort, welke men 10–12 minuten laat koken, daarna door een doekje of zeefje filtreert en waaraan men dan weer evenveel water toevoegt als verkookt is en zooveel zout dat de smaak niet onaangenaam flauw is. Men kan ook de rijst of de gort opzetten met 1 liter water en dit laten verkoken tot op ½ liter.

Haverdegort wordt vóór het koken met koud water afgewasschen en rijst moet eerst „geblancheerd” worden. Deze laatste bewerking bestaat hierin, dat men het water, waarmede de rijst op het vuur is gezet, afgiet, zoodra het begint te koken. De aldus geblancheerde rijst wordt dan opnieuw met schoon water opgezet en dit tweede afkooksel gebruike men ter verdunning van de koemelk. (de Lange).

Havergort. 60 gram havergort wordt in warm water afgewasschen, dan met 1 liter koud water opgezet en een uur lang boven een matig vuur gekookt; dan doet men er 3 gram zout bij en giet alles door een fijne zeef. Wat daaruit druppelt, is havergortwater. Wanneer een dunnere substantie is voorgeschreven, wordt het afkooksel weer met gekookt water tot 1 liter aangevuld.

Havervlokken. Wordt het afkooksel bereid uit havervlokken, dan neemt men 60 gram havervlokken op 1 liter water en kookt dit slechts 20 minuten lang. (Keller en Birk).

Meelwater. 20 gram tarwebloem of havermeel wordt met 1\2 liter water koud aangemengd; een andere 1\2 liter water wordt opgezet en aan de kook gebracht; men doet er 3 gram zout bij en zoodra het water kookt, wordt de eerste helft erbij gedaan. Voor oudere kinderen neme men 40 gram meel en 1 liter water. (Keller en Birk).

Karnemelkvoedsel wordt bereid door 1 liter karnemelk onder gestadig roeren op zacht vuur met 1 kleine lepel rijstebloem (15 gram) en 1–2 eetlepels suiker (30–60 gram) 10 minuten te laten doorkoken, waarna men er weer zooveel gekookt water aan toevoegt, dat er 1 liter over is. Voor zieke kinderen of pasgeborenen neemt men vaak een maltose-praeparaat (30–45 gram per liter).

Karnemelk is ook in bussen gecondenseerd en ingedampt te krijgen, men vindt de gebruiksaanwijzing op de bus vermeld. (Gorter).

15–20 gram (1½ gewoon gevulde lepel) rijstmeel, die vooraf met water [11] flink gaar gekookt is tot een dikke pap, wordt gemengd met 1 liter karnemelk en met 45 à 60 gram (3 opgehoopte lepels) witte suiker en het geheel nogmaals flink gekookt.

Rijstmeel geeft, vooral met de karnemelk die van melk, en niet van room is gekarnd, een meer egaal, minder vlokkig praeparaat dan andere meelsoorten. Wanneer rijstmeel niet in een winkel of bij een bakker is te verkrijgen, kan het door fijnstampen van prima rijst gemakkelijk worden bereid.

Op 1 liter karnemelk komt 15 gram tarwemeel; al roerende worden zij samen aan de kook gebracht, en als zij koken, laat men ze nog 10 minuten lang doorkoken, steeds roerende. Vervolgens voegt men 30 gram witte suiker toe. De pan moet goed geëmailleerd zijn; het roeren geschiede liefst met een houten lepel, het koken moet plaats hebben op een „fel vuurtje”, zooals de technische term der huismoeders luidt. (Chr. Nijman).

Gecondenseerde melk, bussemelk, Zwitsersche melk. Met of zonder suikertoevoeging ingedampt. Wordt volgens voorschrift op de bus met water verdund. (Gorter).

Voor bijvoeding wordt gebruikt pap, bereid van verschillende meelsoorten, als rijst, rijstemeel, tarwemeel, havermeel, gerstemeel, griesmeel, gort, grutjes, maizena, arrowroot, tapioca, sago, beschuit, brood, met water, melk en water, bouillon. Arrowroot, maizena, tapioca, sago hebben een gering gehalte aan eiwit. Pap van havermeel is erg slijmerig.

Verder worden gegeven soep van gries of rijst, met bouillon of tevens met fijngemaakte groenten, moes van spinazie, wortelen enz. Ook zeer fijn verdeelde groenten, met weinig water opgezet, waarvan men al het vocht laat verkoken. In aanmerking komen spinazie, worteltjes, doperwtjes, bloemkool, gestoofde sla, andijvie. Ook aardappelpurée.

Van vruchten komen, naast vruchtensappen en vruchtenmoes, in aanmerking: appelen, peren, bananen, sinaasappelen, kersen, frambozen, druiven (zonder pit of schil).

Alles hangt af van den zuigeling.

Zooals reeds onder ‘Allerlei’ werd opgemerkt, is de met het tanden krijgen van nature gepaard gaande vermeerderde speekselafscheiding der speekselklieren eene aanwijzing, dat men van dat oogenblik ook andere spijs dan uitsluitend melk kan toestaan. Mijne bedoeling met die opmerking is, dat niet te lang mag worden voortgegaan met allerlei papjes, doch dat met het tandenkrijgen ook aan het kind langzamerhand vaster voedsel mag gegeven worden. Een beenen ring mag men gerust vervangen door een korstje brood, om op die wijze reeds het kind te gewennen aan het gebruiken van vaster voedsel.

AANTEEKENINGEN

[1] Ik verwijs voor eene, naar het mij voorkomt, praktische kleeding, zoowel voor zuigelingen als voor oudere kinderen, naar de boekjes, uitgegeven door de vereeniging: „Vakschool voor verbetering van vrouwen- en kinderkleeding” te Amsterdam. I. Zuigelingenkleeding. II. Kruipleeftijd. III. Kleeding voor meisjes van 2–6 jaar. IV. Kleeding voor jongens van 2–6 jaar. V. Kleeding voor meisjes van 6–12 jaar. VI. Kleeding voor meisjes van 12–17 jaar, door M. A. Faddegon en J. L. Redeke-Hoek.

[2] W. Preyer, Die Seele des Kindes. 7te Auflage, 1908.

[3] Het is mij niet lang geleden gelukt eene borst, nadat het kind vier weken lang, wegens zware ziekte van de moeder, kunstmatig gevoed was, wederom door het zuigen van het kind tot voldoende zogafscheiding te brengen, zoodat de intusschen herstelde moeder haar kind geheel aan de borst kon voeden.

[4] Het vermelden van deze persoonlijke opvatting is niet geheel van gevaar ontbloot, en dat gevaar betreft zoowel den zuigeling als mijzelf. Voor den zuigeling schuilt het gevaar hierin, dat de nog onervaren moeder, telkens wanneer het kind schreit, vermoedt dat het honger heeft en het dus aan de borst legt, waaraan het dan eenige malen zuigt, doch niet met die lust en die kracht, welke inderdaad berust op de natuurlijke behoefte aan voedsel, om vervolgens slechts met den tepel te spelen en weder met schreien te beginnen, zoodra zijne moeder hem in de wieg wil leggen. De moeder moet zich er voor hoeden, op die wijze van haar kind een dwingeland te maken, die haar alle rust beneemt en zichzelf schade berokkent.

Voor mij schuilt het gevaar hierin, dat men, door onnadenkend volgen van mijne opvatting, het kind tot een lastig kind maakt en ten prooi geeft aan stoornissen in de spijsvertering, en mij daarvan de schuld geeft. Voor onnadenkend opvolgen van eene, in eene langdurige praktijk verkregen, overtuiging, kan ik echter geene verantwoordelijkheid aanvaarden. Ik heb, bij het schrijven van dit werkje, erop gerekend, dat iedere moeder haar best zal doen zoo spoedig mogelijk de eigenaardigheden van haar kind te leeren kennen en daarbij trachten wil verstandig te handelen. Zooals gezegd, zal de oplettende moeder al spoedig zekere regelmaat ontdekken en daarmede rekening moeten houden.

[5] Dr. C. N. van de Poll. Over het voeden van zuigelingen. Medisch weekblad, 1915.

[6] Zie aanhangsel.

[7] Dr. E. Gorter. De voeding van gezonde en zieke zuigelingen, 2e druk. Hij raadt gewone suiker aan. 1 eetlepel suiker weegt 30 gram, 1 paplepel 15 gram, 1 theelepel 5 gram (opgehoopt); voor een afgestreken lepel rekene men de helft.

Voor het meel neme men zuivere rijst- of tarwebloem. 1 eetlepel meel weegt 20 gram, 1 paplepel 10 gram, 1 theelepel 3–4 gram (opgehoopt).

[8] Foto’s door de firma D. J. Boom, Hengelo (O.).

[9] Pneuma = lucht, welke, in gezonden toestand, alles wat niet vast is, dus alle holten, vult.

[10] In Amstelodamum, December 1919, schrijft J. W. F.: „In zijn Uit ’t leven van een leurder (1915, 30) vertelt Jos. Goudswaard over „de heilige lengte van Christus”, een strook papier van 1,65 Meter lang, waarop gedrukt staan litanieën en gebeden, dat zijn eigenaar, zijn drager behoedt voor alle kwalen; die vrouwen zonder smart doet baren en de huizen waarin ze zich bevindt veilig maakt tegen kwade geesten, uitgedrukt in deze woorden: „De zegen des Allerhoogsten van God den Vader, God den zoon en God den H. Geest, gebenedijde dit huis, en al wat daar binnen en buiten is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend.”

[11] Het is aan te bevelen om meel, dat met melk of eene andere eiwithoudende grondzelfstandigheid zal worden gekookt, vooraf met water gaar te koken. Meel, rijst, griesmeel enz. die met melk tot een pap zullen dienen, worden in het Groningsche Ziekenhuis vooraf met weinig water gaar gekookt tot een dikke waterpap. Moet hiermede iets anders, b.v. melk of karnemelk worden verdund, dan wordt daarvoor later in evenredigheid een kleinere hoeveelheid water gebruikt. (Scheltema).