Part 9
--Ik ben niet zot! Moeder sterft puur van angst, en ons leven gaat voor alles...
--Wij blijven, zei Craen, met zijn hoofd even buiten de kelderdeur.
Craen zag zeer rood van in den kelder te verblijven, en Snepvangers scheen het dat zijn tong eenigszins dubbel sloeg.
--Wij zitten in een sterk gewelfden kelder, betoogde Antoine, wij hebben onze voorzorgen genomen... zakken zand...
--Ja, dat ben ik, die flauwskens... zakken zand en emmers water... ieder zijn goesting, meende hij verachtelijk, maar ik denk er het mijne van, zoo uw kinderen aan het gevaar bloot te stellen...
--De kinderen, sprak Antoine lijzig, de kinderen zullen later fier zijn het bombardement te hebben meegemaakt...
--Vooral de zuigelingen, onderbrak Snepvangers ongeduldig, ik laat mijn vrouw niet in dat gevaar,... Saluut!
Hij was zeer verbolgen en dacht niet eens na dat hij zijn gewone schuwheid tegenover Antoine had afgelegd. In een adem stapte hij naar huis, kwam meer en meer onder den panischen schrik die de menschen voortjoeg. De zon scheen uit de teerblauwe lucht waaruit het geweld zong met rekkend gehuil.
Madame stond klaar en gaf hem het handtasje.
--'k Heb het gedacht, snikte zij, willen wij dan ook maar blijven.
--Ze moesten maar zoo koppig niet zijn... Wij trekken er uit... Ik wil niet dat gij ziek wordt van schrik...
Hij draaide den sleutel om, trok nog eens aan het handvatsel en stapte naast zijn vrouw langs den weg die Sander enkele dagen vroeger genomen had. Zij keken niet om en dorsten elkaar niet bezien want zij hadden tranen in de oogen.
Hoe verder zij kwamen hoe meer stootwagens, karren en rijtuigen zij zagen. Mannen en vrouwen zwoegden onder vreemd gepak; kinderen schreiden, er werd geroepen en gekeven. Aan den Dam, voor het station, stond een trein met roode kruisen beschilderd.
De karavaan toog maar traagjes voort naar Merxem. Zij moesten uitwijken voor een kruiwagen en een bakkerskar, stonden plots buiten het gedrang.
--'k Ben zoo moe, kloeg Madame, mijn voeten weigeren mij te dragen.
Snepvangers dacht aan den langen weg, zag weer naar den roodkruistrein en had een gelukkige ingeving. Wie weet was daar geen plaatsken te veroveren! Met geld en schoon woorden bekomt men veel... Zij kwamen op het perron, de trein floot en voor zij het precies begrepen, waren zij in het gedrang opgestuwd in een wagen, tusschen opgetimmerde brancards.
--Ge moet maar uit uw oogen zien, zei Snepvangers voldaan, hier is het beter dan in een kelder.
Madame kreeg een plaatsken naast een dienstmeisje met witten voorschoot die ongeschilde appelen at. Mijnheer nam zijn valiesje als schabel.
--Geef nu maar een boterham, Moeder, zei hij opgewekt.
Zij stak haar taschje naar hem uit.
--Wat is dat?
--Mijn korfken met eten, zei ze.
--Wat?
In haar onthutstheid had zij het leege eiermandje meegenomen....
--Neem een appel, Madame, troostte de meid.
--Wel ja, lachte Snepvangers en nam een appel, geef dat ding hier, dat kunnen we toch niet meesleuren.
Hij wierp het korfje in gevlochten ijzerdraad uit het raampje, zag een vlieger toeren boven den Polder en menschen langs de wegen trekken, een zwarte zwerm gelijk.
--Die arm beestjes, klaagde Madame.
--De beestjes? bedacht de meid.
--Ja, de kanarievogels!
De meid verslikte zich in haar appel, beloerde gichelend de suffe vrouw.
--'t Is niet om te lachen, zei Snepvangers gebelgd en knabbelde aan het klokhuis.
Een burgerwacht in uniform met slappen hoed op het hoofd vertelde luidop zijn wedervaren.... Hij had den nacht op de wallen dienst gedaan en de bommen zien neerslagen. De kapitein en zijn compagnie waren afgetrokken en hadden hem vergeten.
Aan elk station hield de trein stil en kropen er nog menschen in de stampvolle wagons. Zij zaten nu tot op den tender, en men hoorde hun schoenengebons boven het hoofd.
Het duurde uren en uren. Plots werden de raamkens neergelaten en een gejuich steeg uit den trein. Mijnheer jubelde mee.
--Is 't gedaan? vroeg Madame.
--Wij zijn over de grens, zei Mijnheer en stak een sigaar op, ik hoor geen kanon meer!...
--Mijn appelen zijn op, meldde de meid.
Klokslag vier uur stond de trein stil op het rangeerterrein te Rozendael. Met gestommel en lawaai trokken de vluchtelingen over de banen, door Ondergrondsche gangen en stonden plots voor het station op een open plein vol menschen, vol luidruchtige Sinjoren.
--Wel, wie dat we daar hebben, riep een man.
't Was de Verdierenpikker die verheugd en opgewonden, de handen vooruit, op hen toetrad.
--Toch ook weggetrokken?
--Dat geloof ik wel, verontschuldigde zich Snepvangers, heel het Zuid ligt plat.
--En de kinderen die daar in een kelder zitten, griende Madame.
--'t Is dom zoo uw schoon leven te riskeeren, zei de Verdierenpikker.
--Ja, blufte Snepvangers, ik was toch ook gebleven, al was het maar voor mijn kanarievogels, maar ik wou mijn vrouw redden...
--Mijnheer, Mijnheer, jammerde een dik zweetend heerken, staat mijn huis er nog in de Lozanastraat?
--Alles ligt plat, het Justiciepaleis en al de huizen in den omtrek, getuigde Snepvangers heel wreedaardig, we zijn onder de bommen weggeloopen en per mirakel ontsnapt.
--Wat een ongeluk prevelde het blozend manneken ntdaan.
--'t Is oorlog, troostte Snepvangers, ja 't is oorlog, herhaalde hij luchtig, maar dat belet niet dat ik honger heb... Kom, Moeder, we gaan wat eten.
--Kom maar mee, zei de Verdierenpikker, ik weet waar ge zijn moet.
Zij lieten het heerken staan en trokken de markt over naar een hotel, waar zij, na lang wachten en trommelen op de tafel, een biefstuk met gebakken aardappelen bemachtigden.
Zij zaten omgeven van Antwerpenaars die druk hun lotgevallen bespraken en dorstig van ontroering, pintjes dronken. Het leek wel een kermisvolte.
--Garcon, riep Snepvangers, toen hij verzadigd was en zijn derde glas gedronken had.
--Hier heeten de garçons allemaal Jan leerde de Verdierenpikker.
--Awel, Jan, riep Snepvangers, kunnen we hier logeeren.
--Alles is vol, Menheer, nergens vindt u nog onderkomen, beweerde de man terwijl hij het drinkgeld opstreek.
--Ja maar, we moeten toch slapen, verzette zich Snepvangers in zijn zekerheid getroffen.
--Dat zal wel, Menheer, gaf Jan toe en schoof naar een ander tafel.
--Maar die is in mijn botten, kloeg Snepvangers, we kunnen toch niet onder den blooten hemel slapen.
--Of hier op een stoel, vulde Madame aan,--waar logeert Mijnheer?
--Ik, zei de Verdierenpikker genoegelijk, aan mij moet ge niet denken, ik heb een kamer boven een boterwinkel!
--Maar wij?
--Daar hebt ge het kot van den manken hannen.
--Kom, we zullen eens gaan zoeken... een kruier heeft mij geholpen...
--Een kruier, wat is dat?
--Wel, Snepvangers, leerde de Verdierenpikker, 't is te zien dat ge pas in Holland zijt, een kruier dat is zoo'n vent... ge weet wel...
--Neen, ontkende Snepvangers.
--Wel zoo'n vent die commissies doet... een boodschapper.
--Zoo een met een koperen plaat op zijn klak die aan de statie staat? vroeg Madame.
--Precies!
Op het plein, door de rumoerige menigte die er met krijtende kinderen en vreemd gepak bivakkeerden, keerden zij weer naar het station waar vluchtelingen af en aan liepen. De kruier zagen zij niet. Van ontsteltenis kregen zij telkens dorst.
--Wat zijn de soldaten toch braaf, zei Madame, zie maar eens hoe zij de arme menschen helpen.
--Ze dragen de pakken en deelen hun brood uit, zei Snepvangers verteederd, dat heb ik nog nooit gezien...
--De Hollanders hebben zoo'n compassie met ons... ik moest eerlijk niet veel hebben van 'nen kouden Hollander... maar nu, nu ken ik ze beter... Ze staan hun eigen bed af voor vreemde menschen... 't is danig goed volk.
--Hadden wij ook maar een bed, betreurde Snepvangers.
--Maar heel Antwerpen is hier, beweerde de Verdierenpikker, ik vrees dat ge dieper het land zult moeten intrekken!
--Maar heden avond toch niet, jammerde Madame, seffens is het donker en in een vreemd land waar men den weg niet... Was ik maar in onzen kelder gebleven... die arme vogeltjes...
Wanneer zij in de schemering, voor de vijfde maal de trappen van het stationsgebouw bestegen, liepen zij tegen den kruier aan.
--Kruier, riep de Verdierenpikker.
--Menheer, zei de man, en tikte eventjes aan zijn pet.
--Madame en Mijnheer Snepvangers moeten een kamer hebben.
--Ik weet niks meer!
--Dat is gauw gezegd, maar ze kunnen toch niet onder den blooten hemel slapen!
--Het zal wel moeten... of in de wachtzaal...
--Neen, Kruier, 't zijn deftige menschen... Mijnheer was kandidaat voor den Gemeenteraad...
--Het mag kosten wat het wil, steunde Snepvangers en stopte den man een half franksken in de hand.
--Ja, aarzelde de Kruier, mogelijk zou ik iets kunnen doen... ingeval Menheer en Mevrouw met mijn bed zich wilden vergenoegen...
--Wel natuurlijk, zei Snepvangers, 't is oorlog... en wij Sinjoren zijn ongegeneerde menschen... Mijnheer de kruier, ge zijt 'n reddende engel...
--Heb ik het niet voorspeld? triomfeerde de Verdierenpikker.
--Mevrouw zal wel vermoeid zijn,--zei de Kruier laat ons maar opstappen... daarbij moet ik mijn vrouw nog verwittigen...
--En waar zult gij dan slapen? vroeg Madame.
--We hebben nog een zolderkamertje, Mevrouw, en Mevrouw zal het met één matras moeten stellen, wij nemen dan de andere... Rechtuit loopen, Heeren, 't is nog een eindje voorbij de boterzaak waar Menheer logeert.
--Wat beleefde commissionnair, fluisterde Madame.
Nadat de Verdierenpikker afscheid genomen had,--'s anderendaags zouden zij elkaar weer ontmoeten en verder zien wat hen te doen stond,--liepen de echtgenooten naast den kruier voort. Overal aan de deuren stonden vluchtelingen te praten met de gastheeren... De weg scheen lang in het duister. In de verte floten de treinen.
--Er komen er nog meer, beloofde Madame.
--'t Is toch vreeselijk, Mevrouw, en Antwerpen was een mooie stad... Ik was wel eens te Antwerpen...
--Een schoone stad... Dat zou ik gelooven, zei Madame trotsch.
--Heel wat anders dan Brussel of Rozendaal, onderbrak Snepvangers, uw statiegebouw is anders wel schoon... wel mooi wil ik zeggen... ja, Kruier, ik zal gauw Hollandsch spreken, wacht maar een beetje... maar kunt ge u wel voorstellen wat een bombardement is?
Hij hield den man staan en keek hem in het wit der oogen.
--Neen, menheer, alles vliegt kapot of in brand zeker?
--Ja dat is het... de kanonballen huilen in de lucht... ge ziet ze naar beneden komen en trekt in het begin den kop in... maar ge raakt eraan gewoon... het deed ons niks meer... we telden ze...
--Maar Snepvangers toch...
--Mijn vrouw was bang ... maar ik ben onder het bombardement naar mijn dochter geweest om de kinderen te zien... Die waren allemaal zoo moedig dat zij niet eens wilden vluchten.
--Ze zijn misschien al dood, nokte Madame.
--Men mag zich nooit het ergste verbeelden, Mevrouw.
--Dat zeg ik ook... maar nu weten wij van den oorlog mee te spreken...
In een straat, aan weerszijden met kleine arbeiderswoningen bebouwd, woonde de kruier. Hij draaide het gaslicht op in het voorkamertje, verontschuldigde zich dat hij even zijn vrouw ging verwittigen.
--'t Riekt hier naar gebakken haring, vezelde Madame.
--'k Zou er wel een lusten, bekende Snepvangers.
Dan zaten zij stil te kijken naar het tafeltapijt, naar de kleerkast, de potjes op het schouwblad, en naar een portret der Koningin dat aan den wand hing.
--Ik geloof dat het protestanten zijn, zei Mevrouw onthutst.
--Och, Moeder, dat zijn ook menschen, en...
De deur piepte en een magere vrouw met een zwarte muts op het hoofd kwam, gevolgd door den Kruier, binnen.
--Welkom, Mevrouw en Menheer, spijtig dat wij zoo eng behuisd zijn... Mevrouw zal zich moeten behelpen met wat we aanbieden kunnen ...
--Maar 't is van harte gegund... de menschen moeten elkaar behelpen in deze benarde tijden, voegde de Kruier er aan toe.
--Wij behooren maar tot den arbeidenden stand, Mevrouw.
--Ja maar, zei Snepvangers, ik vind het heel schoon... mooi wil ik zeggen, maar ge moet zeggen wat het kost...
--Neen, weerde de huisvrouw af, wij doen wat wij kunnen, elkeen heeft vluchtelingen in huis.
Maar Snepvangers drong aan, wou en zou betalen.
--Ik zou eerst maar een avondboterhammetje eten en het bed eens probeeren, dan kunnen we morgen verder praten, besloot de huisvrouw.
Zij dronken samen een kommetje slappen koffie en aten boterhammen met kaas. Dan ging de Kruier met zijn vluchteling nog een slaapsmutsken drinken in een kroeg in de buurt, waar men de laatste berichten uit de brandende stad vernam.
--Menheer is onder de bommen weggevlucht, pochte de Kruier.
--Ik weet soms niet of ik nog leef, zei Snepvangers bescheiden.
--Zoodra het bombardement gedaan is ga ik eens kijken, bedacht de Waard, terwijl hij kalmpjes zijn pijp rookte, ik ben neutraal!
Toen de mannen thuis kwamen schenen zij oude vrienden. Snepvangers had zijn halve levensloop verteld. De vrouwen zaten gezelligjes in de voorkamer. Madame had de huisvrouw geholpen om de matras af te trekken en het bed te verschoonen. Eventjes zaten zij nog rustig bijeen dan ging de Kruier met zijn vrouw naar boven want het zou weer vroeg dag zijn.
Snepvangers geeuwde terwijl hij de deur afsloot. Madame opende de deuren der alkoof.
--'t Is proper, getuigde zij en sloeg de lakens open.
--Maar 't is benauwd in de kamer, oordeelde Snepvangers, en 't riekt naar haring.
--Ge droomt, Snepvangers,
--Ook goed, onderwierp zich de man.
Hij lei zijn valiesje boven zijn hoofdkussen, vleide zich neer en begon direct te ronken.
Madame kon niet slapen, lag te woelen en te zuchten. Zij dacht aan de kinderen. Wat zou er met hen gebeurd zijn? Snepvangers scheen geen kommer te kennen, die peinsde noch aan zijn huis noch aan hen die achtergebleven waren. In haar verbeelding hoorde zij het gedaver van het vuur dat Antwerpen bestreek. Wat zou er hen nog boven het hoofd hangen. Zij zaten In een vreemd land en genoten de gastvrijheid, sliepen in andermans bed, mochten zich nog gelukkig achten want duizenden hadden geen onderkomen.
Wanneer zij opstonden was de Kruier al de baan op. Het ontbijt stond klaar in de keuken.
--Goed geslapen, Mevrouw en Menheer?
--Heel goed, zei Snepvangers, maar laat ons nu eens condities maken.
--Ge zijt onze gasten!
--Als ik niet mag betalen, dan trek ik er uit, dreigde Snepvangers, ik wil op niemands kap leven...
--Dat zal Menheer niet doen, smeekte de huisvrouw, wat zullen de buren wel denken...
--Laat ons dan accoord maken...
--Wel... laat ons dan zeggen een gulden!... Dat is toch niet overdreven...
--Een gulden? ... En dan vertellen ze dat Holland een duur land is... neen dat gaat niet... ik zeg drie gulden, dat betaal ik overal in een hotel... en dan is het goedkoop... En nu ga ik eens zien naar de statie; gaat ge mee Moeder?
--Ik blijf liever thuis en zal Madame helpen ...
Snepvangers trok blijmoedig op, kocht voor een dubbeltje sigaren en ging dan naar den boterwinkel om zijn vriend af te halen die juist zijn tweede lichtgekookt eitje uitlepelde.
Voor het station was de beweging even druk als den vorigen dag. Wagens en karren kwamen het plein opgereden, mannen zwoegden onder hun gepak, soldaten hielpen, vrouwen sleurden met drenzerige kinderen. Snepvangers sloeg het leven welgevallig gade, liep met den Verdierenpikker rookend van groepje tot groepje om van de vlucht te hooren vertellen en de varende geruchten op te vangen. Soms werden zij aangesproken en dan gaf Snepvangers raad.
--Ge moet dieper Holland intrekken, hier is geen bed meer te vinden...
--Dat hebben de soldaten ook gezegd...
--Spreekt jandorie geen kwaad van de soldaten, en de Hollanders dat zijn menschen...
--Dan zullen we maar naar Amsterdam gaan...
--Mooi zoo, zei Snepvangers dan met een effen gezicht, ingenomen met zijn Hollandsch woord en zijn goedkoope sigaar.
's Namiddags hadden zij tot verpoozing een bijeenkomst van landgenooten. Na het eten zocht Snepvangers weer zijn vriend op en trokken zij naar de vergadering. De voorzitter sprak Fransch, zette de toehoorders aan om goeden moed te houden, want de kansen gingen keeren.
--Waarom moeten die mannen altijd Fransch parleeren, zei de Verdierenpikker misnoegd.
--Och dat is zoo de chic, verzekerde Snepvangers, kom, hij weet er toch niks meer van dan wij ... Holland is toch nog een land ... hier kunt ge altijd sigaren rooken ...
's Avonds ging hij weer een slaapmutsken drinken met zijn gastheer. Snepvangers betaalde... Hij sliep daarna weer godzalig en vermoedde niet eens dat zijn vrouw heel den langen nacht slapeloos lag te dubben.
Hij trok 's morgens weer de stad in alsof hij nooit anders gedaan had, zeer op zijn gemak in de drukte. Op het plein vernamen zij dat Antwerpen gevallen was en het bombardement had opgehouden. Het gaf een opluchting. De vergadering was nog beter bezocht dan den vorigen dag. De voorzitter sprak weer Fransch, hij was een Antwerpsch advokaat, en hij stelde voor een bestuur te kiezen dat de belangen der vluchtelingen zou behartigen en den toestand onderzoeken. Dagelijks zouden zij samenkomen. Snepvangers werd op voorstel van den Verdierenpikker in het bestuur verkozen. Op zijn verzoek werd een dankbetuiging gestemd aan de stedelijke bevolking en de Wethouders van Rozendaal, aan het Magistraat van Antwerpen en aan den Heer Voorzitter voor zijn wijs beleid. Zijn rede werd zeer toegejucht en had voor gevolg dat hij met twee andere heeren aangeduid werd om naar Bergen op Zoom te reizen en aldaar met het plaatselijk Comiteit te Onderhandelen over de te treffen maatregelen van algemeen belang.
's Zondags ging hij met zijn vrouw naar de hoogmis, later alleen naar de vergadering. Daar vernam hij schrikbarende dingen.
--We mogen nog niet terugkeeren, verklaarde hij aan zijn vrouw, terwijl hij in de alkoof stapte.
De reis naar Bergen op Zoom verliep naar wensch. Daar ook vergaderde het Comiteit regelmatig alle dagen, evenals te Breda, in den Haag, te Vlissingen en elders. Hij had er de groeten overgebracht van stad- en Landgenooten die te Rozendaal onderdak hadden gevonden, menig glas gedronken en veel zweet verloren in den stoomtram.
Zijn dagen waren zeer gevuld. Reeds vroeg haalde hij zijn vriend af, ging naar het wisselkantoor Belgisch geld ruilen tegen Hollandsche guldens, daarna kijken en nieuwtjes visschen in den omtrek van het station, eten en vergaderen om den dag te besluiten met zijn gastheer in het gezellig kroegje.
Op Zaterdagavond kwam de Waard hem tegemoet.
--Menheer Snepvangers, zei hij, ik ben te Antwerpen geweest, per fiets heen en weer, en 'k heb het genoegen u mee te deelen...
--Zeg het rap, onderbrak Snepvangers ongeduldig...
--Uw huis is onbeschadigd en uw familie stelt het naar wensch...
--Jongen, dankte Snepvangers ontroerd, als ik ooit voor u iets doen kan... door een vuur loopen...
--Dat is te warm, Menheer, schertste de Waard.
--Dat zal wel, zei Snepvangers droomend, nu ga ik gauw mijne vrouw verwittigen...
--Het kan niet zijn, snikte Madame.
--Van mijn kanarievogels heeft hij niks gezegd...
--Wat zullen zij angst hebben uitgestaan!
--Die arme vogeltjes...
--Neen, de kinderen, Snepvangers!
--Willen wij morgen naar huis gaan?
--En het Comiteit?
--Och Comiteit... Dat doet toch niks als vergaderen... Morgen vertrekken er treinen... 't is er rustig... want er komen Heeren uit Antwerpen spreken om het volk an te zetten weer naar huis te keeren... Ik ga den Verdierenpikker verwittigen...
--Ja, zei Madame gedwee.
--Teruggaan?... Ik terug naar Antwerpen,... nepvangers, gij moogt mij veel vragen, maar dat niet... Ik stierf nog liever... ik trek naar Amerika, naar overal waar niet gevochten wordt, verklaarde de Verdierenpikker.
--Ik ga naar Antwerpen, hield Snepvangers moedig vol.
--Er staat geen huis meer recht... Ze zullen u krijgsgevangen nemen... denk toch na... en het Comiteit...
--Ik ga, morgen vroeg al...
--Als gij uw leven wilt riskeeren... ge zijt oud en wijs genoeg...
--Dat hoop ik!
--Snepvangers, hier is mijn deursleutel...
--Wat zal ik er mee aanvangen?
--We zijn altijd vrienden geweest... ga eens naar mijn huis zien... en naar mijn eigendommen... en schrijf eens een woordje... als ge ginder gezond mocht aankomen...
--Dat zal ik, beloofde Snepvangers.
Nog denzelfden avond rekenden zij af met den Kruier, inviteerden den gastheer en zijn vrouw om eens naar Antwerpen te komen.
Ditmaal sliep Snepvangers ook niet, Het alkoofbed scheen hem hard en bedompt. Madame had medelijden met zijn steunen.
--Morgen slapen wij in ons eigen bed, troostte zij.
--Wat zal ik blij zijn... We kennen Holland nu... 't is een aardig land... de menschen zijn goed... heel goed zelfs... de sigaren zijn goedkoop... maar toch. Oost West, thuis best... Ik begon anders goed Hollandsch te praten en met gulden en dubbeltjes te rekenen... En nu heb ik niks gekocht voor Albertken...
De vrouw van den kruier weende bij het afscheid en Madame had moeite om haar tranen te bedwingen.
Zij kwamen veel te vroeg aan het station, kochten nog een paar doosjes Haagsche Hopjes voor de kinderen...
--Er wagen zich nog maar weinigen, waarschuwde de Kruier die hen vergezelde op het perron.
--Och, misprees Snepvangers, dat is de schuld van die Comiteiten, die maken de menschen bang... er is absoluut geen gevaar meer... al de stadhuisklerken gaan terug...
Eindelijk werden de deurkens toegesmeten.--Snepvangers leunde door het raampje, zag een Antwerpsen kaaiagent, die den dienst van treinwachter deed, opwippen, hoorde het gefluit en gepuf der machine, en de statiechef scheen weg te glijden. Hij riep nog een afscheid aan zijn vriend, lachte omdat deze zoo beleefd tegen zijn pet tikte, en weg joegen zij door het groene landschap dat gedoken lag in den najaarsmist waarop de zon haar goud uitstraalde.
--Wie weet zien we die menschen nog ooit terug, bedacht Madame.
--Ja, wie weet, zei Snepvangers, en de man met wien hij dagelijks borreltjes had gedronken scheen reeds zoo ver weggedrongen in zijn herinnering.
De trein vertraagde nabij Esschen, stond plots stil. Vreemde marinesoldaten met bloote halzen en kleine potsen stonden op het perron te kijken, één met het geweer op den schouder stond voor den barreel. De vreemde vlag woei op het gebouw.
--Zie eens, fluisterde Snepvangers ademloos.
--Ja, zei Madame schuw.
Stil-angstig keken zij, maar spraken geen enkel woord. Mijnheer hield zijn valiesje krampachtig vastgeklemd. Naast hen zat een bleeke dertiger, die zenuwachtig op zijn snor beet, met verwezen oogen te staren... Achteraf zaten twee dienstmeisjes op hun paaschbest en vezelden.
Zoohaast de trein opnieuw in beweging kwam scheen alleman te verademen.
--Zij komen niet eens zien, zei Snepvangers.
--Duurt het nog lang voor we aankomen? Informeerd een der meisjes.
--Gaat gij zoo samen terug? vroeg Snepvangers
--Ja, mijnheer en Madame vertrekken naar Engeland... en wij moeten op het huis gaan passen...
--Schoon volk, misprees Snepvangers.
Zij passeerden een uitgestrekte vlakte vol stronken van uitgerooide dennen, waarover een net van pinnekensdraad geslingerd lag. De einder klaarde licht nevelig.
Onverpoosd joeg de trein en blies witte stoomwolken langs het raampje. Aan elk station zagen zij mariniers en de vreemde vlag. En hoe dichter zij de stad naderden, hoe benauwder het hen werd.
--Ik ben blij en niet blij, zei Madame.
--Och...
Snepvangers keek verstrooid, hij verlangde naar de straten die hem zoo gemeenzaam waren, maar was tevens gejaagd... Ginder lag Merxem, de trein vertraagde, stopte voor de wallen. Karweizoekers boden zich aan om het gepak te dragen en lanterfanters stonden de terugkeerende stadgenooten te monsteren, riepen wat tot bekenden maar met gedempte stem. De vrouwen mochten zonder formaliteiten de stad binnen, maar de mannen moesten eerst hun paspoort laten afstempelen.
--Wacht maar aan de poort, ried Snepvangers.
--Neen, ik ga mee, verklaarde Madame kordaat.
De marinier floot een deuntje, zag niet eens naar den trouwboek terwijl hij stempelde.
--'t Is 'n goeie, fluisterde Snepvangers.