Mijnheer Snepvangers

Part 8

Chapter 8 3,841 words Public domain Markdown

--Wel, wel, zei Snepvangers verbijsterd, stak zijn hand naar zijn hoofd uit en werd zijn slaapmuts gewaar.

Dan haastte hij zich het venster te sluiten en kroop terug in zijn bed.

--Jezus-Mana, zuchtte Madame, wat gaan we nu nog beleven.

--Dat moeten wij afwachten, oordeelde Snepvangers keerde zich om, sliep koelbloedig snurkend in.

Madame woelde nog lang slapeloos en vol onrust. Zij benijdde haar man die zoo moedig en onverschrokken slapen kon wanneer onbekende gevaren hen bedreigden.

Onder de algemeene paniek moest Snepvangers zich den volgenden dag van den ernstigen toestand rekenschap geven. Hij zag de menschen samendrommen voor de spaarkassen... In winkels en herbergen was plots het pasmunt onvindbaar, bankpapier overstroomde de stad en de gapers lazen de plakkaten omtrent de opeisching van paarden en rijtuigen voor het leger.

Miranda stond bij Sander, die uit het dagblad voorlas: "Gij moogt het gerust zeggen, verklaarde ons een officier, dat de Schelde, hoewel zij er den schijn niet van heeft, verdedigd is gelijk mogelijk geen enkelen stroom van de wereld. Ook is het te voorzien dat men ons langs daar niet zal aanvallen, want daar ligt ons sterktepunt..."

--Alles gaat duur worden, zei Miranda.

--Zou het vogelzaad ook opslagen, vorschte Snepvangers.

--Er komen Turcos gelijk in 't jaar zeventig, beloofde de Speeker, van die half zwarten met roode pofbroeken.

's Zondags, in de kerk, hoorden Mijnheer en Madame de kondschap der Bisschoppen aan de geloovigen: "Het uur is bedenkelijk. Angst en vreeze beklemt de harten. Kinderen, vrouwen en moeders smelten in tranen. Edoch, met vasten stap en moed in het hart trekken onze wakkere soldaten naar de grenzen..."

--Snepvangers, fluisterde Madame, en er blonken tranen aan haar wimpers, wat zullen wij in onzen ouden dag nog moeten onderstaan...

--Ik ben van zins, antwoordde Snepvangers, en zijn gedachten hadden een anderen koers, voor den opslag nog een vijftig liters vogelzaad te koopen ...

Aan tafel gaf Antoine weer moed, verzekerde dat het land geen gevaar liep in den strijd gewikkeld te worden. Op het goed vooruitzicht werd een lekkere flesch geschonken.

Opgemonterd verscheen Snepvangers 's Maandags met zijn spitsken in de straat.

--Er komt niks van, verzekerde hij aan Sander, Antoine heeft het gezegd...

--Wacht maar, gromde de Speeker, en blies door zijn goudsche pijp.

Zij stonden een wijlken stil tot een vent voorbij holde.

--'t Is oorlog, riep hij.

--Watte?...

De Speeker liet zijn pijp vallen en keek verwezen naar de scherven.

--Ik hoor trommelen, Sander.

--Snepvangers, nu valt er op te passen, fluisterde de Speeker geheimzinnig.

--Ze trommelen de gardecivikken op, meldde een straatbengel, 'k heb de tamboers gezien... 't is oorlog...

--Wel, daar gaat er, poddozie, een...

--Ja, Snepvangers, dat is een trompetter die ook nog in den Oost gediend heeft en in Tonkin... een duveltje... anders boodschapper aan de statie...

--Hé, Mijnheer, is het waar, ondervroeg Snepvangers.

--Ja, zei de trompetter van de burgerwacht, terwijl hij zijn gele koorden schikte en naar zijn roodkoperen instrument keek, ja, ik zal mogen blazen... dat heb ik nog gedaan... daar draag ik decoraties van...

--Awel, peilde de Spreeker...

--We moeten misschien naar de grens, blufte de man en liep door.

--Dan kunnen wij gerust zijn, betrouwde de argelooze Snepvangers.

--Onnoozele bloed, verachtte Sander.

Zijn zonnig humeur bleef hem bij terwijl hij door de stad liep te gapen naar de koortsige, opgewonden bedrijvigheid. Overal, aan stations en militaire gebouwen, aan stadspoorten en aan magazijnen stonden burgerwachten, de bajonet op 't geweer, en keken de burgers aan met de brani van oudsoldaten. Geen straat zonder soldaten,--geen kroeg zonder woordvoerders, geen straathoek zonder samenscholing van geburen. De bijzondere edities der dagbladen droegen in vette titels: "'t Kanon aan 't woord!... Antwerpen in staat van beleg!"

--Nu heeft de burgemeester niks meer te zeggen, nu is 't armee baas, leerde Sander, en daar valt niet mee te lachen.

--Maar waarom moesten wij toch in den oorlog komen, treurde Snepvangers, wij zijn geen vechters...

--We zullen het wel leeren, grimde Sander, en toonde zijn leelijke tanden.

Dinsdags joeg een onrust door de stad en het grauw plunderde de kaberdoeskens in het Schipperskwartier. Snepvangers en zijn vrienden doken vroeg in hun woningen, ontzet door het gehuil der bende. "Wij staan pal!" Dat stond boven het verwarde mengelmoes van berichten. Een dag later scheen de stad plots in feest te staan; aan al de gevels wapperden vlaggen en elkeen droeg een driekleurig strikje. Aan sommige poorten waren echter de tramlijnen opgebroken.

--'k Wist niet dat er zooveel vlaggen in de stad waren, verwonderde zich Snepvangers.

--Dat is om er den moed in te houden, zei Sander, op al de kerktorens steekt nu een vlag.

--'k Heb de eerste verpleegsters van het Rood Kruis gezien, vertelde Miranda, allemaal in 't wit met witte kappekens op en roode kruiskens op de mouw...

--'t Zal 'n slag geven, misprees Sander de ongeluksprofeet, maar als ze rond Antwerpen beginnen dan trek ik er uit...

--Foei, Sander, berispte Snepvangers waardig, ge moet meer vaderlandsliefde toonen, als ik zoo oud niet was ging ik nog als vrijwilliger op.

--Och, Snepvangers!

--Echt waar!... Er is een advocaat bezig met een Scheldekorps bijeen te brengen... daar zou ik nog willen aan meedoen, maar ge moet kunnen zwemmen en dat kan ik niet...

--Ik, aarzelde Miranda, ik blijf bij mijn oud gedacht, geen man, geen kanon! 't Is niet menschelijk elkaar doodschieten!...

--Och kom, dat steekt zoo nauw niet, oordeelde Snepvangers, dat is niks... Hebt ge de nieuw bankbriefjes van vijf frank al gezien?

--De Burgemeester heeft prijzen vastgesteld voor eten en drinken! wist Miranda.

--z'Hebben weer twee spionnen gevangen, ze zaten in een kelderken aan de statie gebakken visch te eten, meldde Snepvangers.

--Ge moet maar lezen wat er allemaal gebeurt, zei Sander, ik zou van 's morgens tot 's avonds niets anders doen dan gazetten lezen.

--Zie, die piotten trekken uit!

Een marschvaardig regiment. Dof klonken de stappen der zwaar bepakte piotten. Zij droegen het geweer aan den riem, de zwartglimmende kepies aachteruitgeschoven de blauwe kapotjassen opengeplooid zoodat de grijze broeken zichtbaar waren. Plots zongen zij "De Vlaamsche Leeuw". Het doorrilde de drie vrienden en onwillekeurig namen zij den hoed af.

Nauwelijks een week later was Snepvangers het reeds beu gazetten te lezen. De toestand bleef immer zeer goed!... Uit al de telegrammen kon hij geen klaar beeld ontwarren en dan trof hem nog de plekken wit of zwart, die het werk van de censuur aantoonde.

Toen gebeurde het dat Snepvangers en Miranda de eerste gekwetsten zagen. Zij kwamen uit het Station en werden in trams vervoerd... Hun gezichten Leken grauwe vertrokken maskers, hun oogen zaten vol koorts, hun hoofden of armen waren verbonden met doortrokken windsels. Zenuwachtig zogen zij op sigaren en sigaretten, knikten de menschen toe of riepen iets. Ze leken wat verdwaasd. Miranda, de groote, stevige houtdraaier, was zeer bleek geworden...

--Ziet ge nu dat bloed, fluisterde hij met een krampachtig gelaat.

--Nu ga ik niet meer zien, Miranda... en die kunnen nog loopen, maar die anderen die op de berrie liggen, zei Snepvangers triestig.

--En zij die ginder in den grond gestopt worden, Snepvangers.

--Kom, laat ons maar stillekens naar huis gaan.

In "Het Zwart Paard" dronken zij een borreltje, waarschijnlijk omdat het schenken van sterke dranken nu verboden was. Zoo kwamen zij terug op hun verhaal. Wanneer zij Sander vertelden wat zij gezien hadden, weerstreefde hij woest:

--Dat is niks, laat ze maar vechten!...

Snepvangers, al huilde hij met de wolven, hield in die dagen het meest van den zachtzinnigen Miranda. Uren zaten zij bij de vogels te kijken en te spieden, te luisteren naar het gefrazel der jonge mannekens... Zij hielden van de fijne, gele donsschakeeringen, van de zoete, weeke kleur.

Aandachtig zagen zij hoe de jongskens gespijsd werden, hoe de schuw-rille vogels op en af vlogen elkaar beriepen, naast elkaar hokten of met vogelwreedheid elkaar bepikten. Zij vergaten er het uitzicht der stad en de gebeurtenissen. Wanneer Miranda zich een beetje te erg verlaat had, ging Snepvangers mee naar huis en kroop mee op den zolder, waar de houtdraaier zijn werkhuis had. Samen wijsgeerden zij over de wereld en over de Saksische kanarievogels.

Zekeren middag kwam Albertken zijn grootvader opzoeken, die door het dwaas bellen opschrok uit zijn middagslaapje. Albertken droeg een soldatenmuts.

--Grootva, riep hij opgewonden, de Koning is in zijn paleis met de Koningin en de Prinskens! We moeten gaan zien!

--Ja, Albertken, onderwierp zich Snepvangers.

Op de Meir, voor het Paleis, stonden zij te glarie-oogen, verloren in de samenscholing. De zon ging onder en de klare hemel verduisterde. Plots jubelden zij mee met de menigte al zagen zij niets.

--Zijn het de Prinskens, Grootva?

--Ja, Albertken!...

Daarna bracht Snepvangers zijn kleinzoon naar huis. Antoine mompelde een verstrooiden groet, verloren in krantenlectuur.

--Ze vechten rond Diest, zei Marieken terloops, sprak dan over den zuigeling, een meisje als een wolk.

Later riep Sander hem om de gazet te toonen... Hij las de bovenschriften: "Vreemde ruiters te Gheel! Dat is geen reden om het hoofd te verliezen!"

--Ze komen naar hier, voorzag de Onheilsbode.

--Nooit, meende Snepvangers waanwijs.

--De Paus is dood!...

--Als het maar waar is!

--En de Generaal der Jezuïeten... En dat beteekent iets als die sterven!...

--Och!...

--Brussel is ingenomen en ze vechten te Aerschot...

--Ge moogt alles zoo zwart niet inzien, Sander!...

--Ik heb mijn duiven verkocht... ik wil klaar zijn om te gaan loopen... Verkoop uw kanarievogels, Snepvangers... Wij verkoopen de kousen en de saai, want wij trekken er uit...

--Ge zijt een bangerik, mompelde Snepvangers en stak ontstemd de straat over.

In zijn eersten slaap werd hij opgeschrikt door een vreemd geronk in de lucht. Voor hij zijn vrouw kon antwoorden daverden ontploffingen... Het huis scheen te beven en de ruiten te trillen.

--Och, Snepvangers, kreunde Madame.

--Blijf maar stillekens liggen, vrouw lief, suste hij, niet bang zijn, 't is niks...

Vol verteedering nam hij haar grijs hoofd in zijn arm, kuste haar en proefde haar tranen.

--Wij hebben nooit iemand kwaad gedaan,--troostte hij.

--Maar de kinderen, nokte zij, de arme kinderen.

--De arme kinderen!...

Zij rilden onder het vreemd geweld dat in den nacht door de lucht joeg en weenden samen... De wereld was uit haar gronden gerukt en boosheid en moordzucht hielden feest. Nu verloren de menschen hun bezinning en wisten wat oorlog was en vrede.

Reeds vroeg kwam Miranda hem halen om te gaan kijken naar de verwoesting.

--Neen, zei Snepvangers, dat wil ik niet zien... Er zijn dooden!...

--Ik ga naar Marieken, verwittigde Madame nog zeer onder den indruk.

Zij stonden op den drempel en zagen Sander en zijn vrouw, elk met een zwaar valies beladen gereed om te vertrekken.

--Awel, Sander?

--Wat heb ik voorspeld, zegevierde Sander, wij trekken er uit, wij gaan naar Ossendrecht... In Holland vechten ze niet...

Ze zagen het koppel wegtrekken, zwoegend onder hun gepak. Het dikke winkelvrouwtje dat nooit buiten kwam, trippelde voor haar man uit en was ook nu weer baas, terwijl Sander, de sluwe bepeinzer, kalm aan zijn pijpje trok en haar gedwee volgde.

--Hardloopers, riep Snepvangers hen na.

--Ik ga dan ook maar niet zien, besloot Miranda.

--Wij zijn nog menschen, Miranda, kom liever eens naar mijn kanarievogels zien.

Dagelijks brachten de gazetten geruststellende tijdingen.

Steeds bleek de toestand uitmuntend en de toekomst hoopvol. Wel stroomden vluchtingen aan, maar zij werden in treinen gepakt en dieper in Vlaanderen gezonden. Niemand scheen zich erg om die dakloozen te bekommeren, elk had genoeg met zijn zorgen en zijn onrustige nachten. Menigeen lag geregeld te turen naar den helderen sterrenhemel. De Russen waren nu de mannen die hen uit den nood zouden helpen. Sommige sinjoren hadden permentelijk Russen op de Paardenmarkt gezien.

--'t Gaat goed, verzekerde Snepvangers, de Russen zijn kleppers.

Nu de Speeker hem met zijn zwartgalligheid niet meer verschrikken kon, zwom hij weer onbekommerd in zijn gelukzalig optimisme. Hij wist dat er een nieuwe Paus gekozen was, dat er te Leuven en in de buurt van Mechelen gevochten werd, stortte zijn penning voor "Het Kind van den Soldaat" zorgde voor zijn vogels en luisterde naar hun gefrazel, vreesde niet voor Antwerpen en sliep weer ongestoord en rustig. Hij begreep niet waarom Madame haar zenuwen zoo overstuur bleven en zij heelder nachten wakker lag.

Na acht uur waren de herbergen thans gesloten en stond de stad in 't duister. In het begin stak hem dat erg tegen. De stad geleek een dorp waar men met de kippen naar bed moest! Doch Snepvangers schikte zich spoedig in de nieuwe regeling.

Op een donkeren avond, nadat hij voor de deur van "Het Zwart Paard" van Miranda afscheid had genomen, beleefde hij een vreemd avontuur.

Het was heerlijk Septemberweer en de hemel zat doorweven met klare sterren. De najaarskoelte klom amper door de straten. Het kanon donderde in de verte. Snepvangers mijmerde!... Er werd fel gevochten... Wat vreeselijke dingen... Hij had weer talrijke autos zien rijden, soldaten... en burgerwachten zien door de stad trekken, menschen van het Rood Kruis ontmoet in de straten vol roerlooze vlaggen. Een geluk voor Marieken dat Antoine vroeger een karot getrokken had om geen gardecivik te moeten spelen... want nu bleef hij er fijntjes tusschen uit...

Iemand liep hem op dat oogenblik tegen het lijf, zoodat hij er van schrok. Hij rook een zwoele geur en dacht aan een barbierswinkel.

--Gij deugniet, fluisterde een vrouwenstem.

--Pardon, verontschuldigde zich Snepvangers.

--'t Is niks, lieve jongen, gaat ge mee?... Ik ben zoo benauwd in 't donker...

--Ik ben geen lieve jongen, zei Snepvangers ernstig.

--Och kom...

--Ik ben geen lieve jongen, hield hij vol, ik ben een deftig oud man!...

--Ik zie het liefst oude heeren... Kom...

--Wat denkt ge wel... ik ben getrouwd...

--Dat is ook al niks... 't Is oorlog!...

Toen was Snepvangers bang geworden voor de verleiding. In zijn hulpeloosheid had hij een plotselinge ingeving.

--Komt ge van God "sprekt", komt ge van den "duvel" vertrekt, sprak hij rad en sloeg een kruis.

De schaduw gleed luid lachend naast hem weg, opgeslorpt in de duisternis. Hij was van streek thuis gekomen en had den koffiepot leeg gedronken om Op adem te komen.

--Wat is er toch gebeurd, vroeg Madame.

--'t Is gevaarlijk in het donker...

--Tegen een lantaarnpaal geloopen?

--Neen... maar menschen zijn soms gevaarlijker...

De vooruitzichten bleven gunstig. Er werd gevochten te Wetteren en te Ninove, te Waelhem en te Kathelijne-Waver, te Duffel en te Lier, maar de Toestand heette bevredigend.

Snepvangers en Miranda kenden geen spanning, Antwerpen was veilig en de gazetten erg bemoedigend. In de ijle Octoberluchten bulderde het reeds zoo wel bekend kanon. Op Zondagavond kwam een agent in "Het Zwart Paard" den waard aanzeggen direct te sluiten. Waarom, wist niemand... De stad was volledig in 't donker. 's Anderdaags riep men dringend de jongens op om soldaat te worden.

--Ik geloof toch... aarzelde Miranda.

--Ja, zei Snepvangers, 't is een rare tijd.

Met beklemd gemoed namen de vrienden afscheid om Woensdag morgen te vernemen dat de toestand ernstig was.

Snepvangers ging Antoine raadplegen.

--Antwerpen wordt gebombardeerd, verklaarde de Drogist zeer laconisch terwijl hij een rekening schreef en den winkelknecht bevelen gaf.

--Maar dat is gevaarlijk, hakkelde Snepvangers, die zijn hart feller voelde kloppen.

--Och, schokschouderde Antoine, strategisten hebben berekend dat er 34 bommen moeten vallen om één huis te treffen!... De autoriteiten zeggen ons: "Kalmte!... Kalmte zal ook vrijwaren voor onvoorzichtigheid en roekeloosheid. Wie een koel hoofd bewaart, redt zich waar anderen verloren gaan..." Let maar op de voorzorgsmaatregelen!... Ik zal ze u nog eens voorlezen: "Zich niet op straat wagen, doch binnenshuis blijven, bij voorkeur in de kelderingen. Water in het bereik houden op elke verdieping om een begin van brand te blusschen. De kelderopeningen opstoppen, 't zij met matrassen, 't zij met zakken zand. En dan op Gods genade..."

--'k Wou toch liever...

--Vluchten, misprees Antoine, en lachte verachtelijk.

--Neen, dat precies niet... maar ik dacht dat Antwerpen...

--Kom, kom... Wie vluchten wil wordt verzocht in den kortsten tijd weg te gaan in de richting van het Noorden of Noord-Oosten... want het bombardement heeft geen invloed op den duur van onzen weerstand... Nu zult ge de hazen zien loopen, hoonde Antoine, terwijl hij profijtelijk een pakje jujube woog voor een snoepziek juffertje.

--Nu komt de kat op de koord, wijsgeerde Snepvangers, en probeerde onbevangen te kijken, ik ga Moeder maar gauw gerust stellen.

--Komt tegen avond naar hier, verzocht Antoine, Papa en Mama komen ook... hoe meer zielen hoe meer vreugde in onzen kelder...

--Wij hebben ook 'n kelder, weigerde Snepvangers kort en ging korzelig heen.

Thuis vond hij Miranda die op hem zat te wachten.

--De situatie was altijd goed, spotte Miranda bitter.

--Ik heb me nooit laten beetnemen, loog Snepvangers met overtuiging, vraag het maar aan mijn vrouw... Maar ik wou niemand ontmoedigen...

Madame zat suf met de handen in den schoot en gaf geen bescheid.

--Als ik maar wist waarheen, bekende Miranda, al was het naar het einde der wereld.

--Neen, zei Snepvangers, zoo erg is het ook niet... er zijn zooveel bommen die verkeerd springen...

--Ja, ik ben bang, zei de openhartige Miranda, maar mijn vrouw lacht mij uit ... Ik kwam om u te helpen... Hebt ge zakken?

Wanneer de zakken zand op de keldergaten lagen en de wateremmers klaar stonden, trok Miranda weg. Na het eten, dat niet smaakte, kwam Snepvangers op den huisdrempel zijn pijp rooken en kijken naar de zenuwachtige menschen die door de straat trokken. Een paar buren zochten zijn gezelschap en samen dreven zij den spot met de hardloopers...

Een vlieger ronkte in de lucht en de kinderen zongen leuk:

En komt er nog 'n Zeppelin. 'n Zeppelin! Dan kruipen wij den kelder in, den kelder in!

In de schemering kwam Madame terug van Marieken en de kinderen. Zij aten in stilte, hoorden de klok tiktakken en bleven treuzelen.

--Gaan we naar boven, polste Snepvangers.

--Seffens zal het beginnen, zei Madame, laat ons maar liever in den kelder gaan zitten.

Zij namen een lamp en gingen naar beneden. Er stond een tafel en twee fauteuils.

--Wat een Christenmensch beleven moet,--zuchtte Madame.

--Ik haal brood en boter, zei Snepvangers, als we eens honger krijgen in den nacht.

Amper was hij terug gezeten of daar brak het gehuil en gesis los boven de stad.

--Jezus, Maria!... kermde Madame.

--Gelukkig dat er hier wat te verhapzakken valt!

Snepvangers ontkurkte een flesch cognac en schonk zich een half bierglas in.

--Gij ook wat, Mama?

--Ja, want ik heb zoo'n pijn in mijn buik, kreunde zij.

In de straat kermden voorbijhollende menschen en onophoudelijk floten de bommen.

--Ge kunt ze niet tellen, zei Snepvangers en nam een tweeden slok, terwijl hij de trage wijzers van zijn uurwerk in het oog hield.

Een beetje beverig had hij het van de ketting losgemaakt en op tafel gelegd. Een wijl spraken zij geen gebenedijd woord. Spitsken lag onrustig onder tafel.

--Ons laatste uur is geslagen, jammerde Madame dan akelig.

--Bijlange niet, zei hij zoo luchtig mogelijk en nam nog een slokje om zich op te monteren.

--Jawel, Snepvangers.

--Zeg dat niet, 't is zoo al erg genoeg!

--Mijn hart is geen boontje groot... en Marieken, en de kinderen... Waren wij maar samen!

--Drink eens, moedigde Snepvangers aan die berouw had het verzoek van Antoine te hebben afgewezen.

Hij was zelf zeer aangedaan. Daar zaten zij nu alleen in dezen ongewelfden kelder. Zijn oogen bleven steeds gericht op een spinrag boven in een hoek vol schaduw. Dat was aan het waakzaam oog zijner vrouw ontsnapt. De stad scheen te daveren.

--Wij hebben samen al zooveel doorgemaakt, overwoog hij verteederd.

--Ja, Snepvangers.

--En als er iets moest gebeuren moeten wij niet bang zijn, wij zijn toch samen.

--Ja, Snepvangers.

Zij sufte en hij dronk. Hij bleef bloednuchter, herdacht zijn leven en telde de uren af die met slakkengang wegslopen... Eensklaps hoorde hij haar snikken en was erg ontroerd. Hij kuste haar verrimpeld gezicht.

--Zoo gauw als het licht wordt trekken wij er uit, Moeder, schep maar moed... Kom, wij blijven niet in den kelder, we gaan koffie opschenken, dat zal ons goed doen.

Hij nam de lamp en gehoorzaam volgde zij hem naar de keuken. Spoedig zong de waterketel.

--Hier is het veel beter, zei Madame.

--Ja, bepeinsde Snepvangers, wat zullen die arme kanarievogels schrik hebben uitgestaan!... Seffens, als de dag in de lucht komt, ga ik naar de Torfbrug de kinderen halen... Er hangt een spinneweb in den kelder...

Met den dageraad zonk de verschrikking van den nacht weg. Madame trok naar den kelder om de spin te verdrijven en Mijnheer ging de vogels verzorgen. Rond negen uur dronken zij opnieuw koffie.

--Wat gaan we met Spitsken doen, zei Madame bekommerd.

--Ik breng hem bij Miranda!...

--Ja.., en de vogels?

--'k Heb ze eten en drinken gegeven ... Ze krijgen het niet op al blijven wij een maand weg!

--En wat gaan wij medenemen?

--Al wat waarde heeft, oordeelde Snepvangers, maak de coffre-fort leeg in dat klein valiesje... dat zal ik dragen... neem gij zoo wat mee wat we noodig hebben...

--Pas toch maar op, Snepvangers, een ongeluk ligt op een klein plaatsken!

--Och kom, zei hij moedig en stapte besloten den gang in, opende de voordeur en stak voorzichtig het hoofd naar buiten.

Overal stonden menschen en hielden beraad, anderen sleurden met pak en zak. Juist toen het Snepvangers vrijwel veilig scheen hoorde hij weer het afschuwelijk gefluit... Tzi... Tzi.

--Kom, niet bang, Snepvangers, prevelde hij, en floot op Spitsken.

Hij ging maar dicht langs de huizen en zag naar de keien.

--Wij trekken er uit, mijnheer Snepvangers, riep iemand.

Op de Paddengracht, hingen de winkeliers de luiken weer voor de vitrienen, uit de Kattenstraat trok het volksken weg met beladen stootwagens. Miranda stond hulpeloos aan zijn deur te kijken. Bij elken slag trok hij het hoofd in en rilde.

--Mijn vrouw wil weg, zei Snepvangers.

--Dat begrijp ik...

--Maar we kunnen Spitsken niet meenemen...

--Laat hem maar hier... en de vogels...

--Daar heb ik voor gezorgd... 'k Ga de kinderen halen... We komen rap terug... 't Zal wel zoo erg niet doen.

--'k Ben zoo bang, kreunde Miranda, de gardecivikken moeten niet meevechten.

--Ge moet niet bang zijn, troostte Snepvangers vriendelijk, terwijl hij de Keizerstraat introk en Spitsken hoorde blaffen.

Onderweg ontmoette hij burgerwachten zonder wapens, midden in de straat lag een soldatenmuts.

-- Het Zuid ligt plat, hoorde hij een zeggen.

De vluchtelingen togen over de Minderbroedersrui en Snepvangers liep hen onwillekeurig na, sloop langs de huizen door de oude stad en kwam voor het Stadhuis. Hier wierpen de gardecivikken hun wapens ordeloos op een hoop, geweren, ransels, bajonetten en gordels vol kogels. Het volk ijlde voorbij. Snepvangers kreeg een vol besef van den benarden toestand. Waarom had hij een omweg gemaakt? De Suikerrui zag zwart van menschen die over de Scheldebrug wilden vluchten, maar opgehouden werden door het leger in aftocht. Dan spoedde hij zich naar de Torfburg waar de winkel gesloten was. Antoine kwam de deur openen.

--Maakt u maar gauw klaar, zei Snepvangers, 't is maar voor de vrouwen.

--Wij blijven, besliste de Drogist.

--Marieken, riep Snepvangers en schoof zijn schoonzoon op zij, zet uw hoed op en roep de kinderen...

--Wij blijven, zei Marieken kordaat.