# Mijnheer Snepvangers

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/mijnheer-snepvangers-15048/index.md

Snepvangers en Albertken hingen hun veelkleurige ballonnekens in de veranda, plaatsten de kaarsjes recht, onderzochten het vuurwerk en verlangden naar den avond om de verlichting te kunnen beginnen.

Aan tafel knipoogden zij soms in het vooruitzicht der komende verrassingen. Snepvangers liet Craen gerust aan zijn zoon over en onderbrak Antoine niet in zijn betoog over eetbare en vergiftige paddenstoelen. Zoohaast de taart aangesneden was kon Snepvangers zich niet langer intoomen. Hij dronk in een teug zijn wijnglas leeg, want zijn keel was droog en hij had het gevoel alsof hij zelf een aanspraak moest houden.

--Antoine, zwijg nu eens, zei hij zegevierend, Albertken moet nu iets zeggen.

Antoine keek een beetje donker, zag Albertken van zijn stoel klimmen, een buiging maken voor zijn grootmoeder en hoorde zijn schriel kinderstemmetje verklaren:

"De Pruimenboom"!

Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eieren zoo groot! 't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken, Schoon zijn vader 't hem verbood. Hier is, zei hij, noch mijn vader, Noch de tuinman, die het ziet: Aan een boom zoo volgeladen, Mist men vijf zes pruimen niet!...

Het ging zonder haperen, maar Snepvangers, wiens lippen, vers na vers, meeprevelden, zweette van angst.

--Waar hebt ge dat geleerd, vroeg Marieken verteederd.

--Van Grootva, zei Albertken, haast stikkend in een stuk taart.

--Ja, dat heb ik in mijn tijd ook geleerd, overwoog Craen, maar hij heeft het goed gedaan... Bravo, manneken!

--En hij heeft er niks van verklapt, zei de Grootmoeder verbaasd.

--De mannen kunnen zwijgen, bedacht Albertken snugger.

--De inlandsche paddenstoelen, herbegon Antoine...

Zoohaast het donker werd stak Snepvangers de kaarsjes aan en een schemerlicht hing in de veranda. Dan, onverwachts, joegen zij een vuurpijltje omhoog in den tuin en deden zij een zevenslager springen. Snepvangers en Albertken juichten van pret, maar binnen in de kamer schrok het gezelschap, en de vijf kinderen begonnen eenparig te krijten.

--Schei toch uit, Snepvangers, riep Madame, wat zijn dat voor kinderstreken; ge jaagt de bloeikens den angst op het lijf!...

--Ge hoort het wel, Albertken, waarschuwde Snepvangers benard.

--En doof de ballonnekens nu maar uit, verzocht Antoine, ik krijg hoofdpijn van den stank der kaarsjes...

--Ge ziet het wel, bedacht Albertken teleurgesteld, zij vinden dat niet plezant... als wij ook eens iets doen dan maakt het lawaai of stinkt het......

--Ja, Albertken, maar dat is toch niks... wij zullen het op een anderen keer probeeren als er niemand thuis is... Oei! Daar vliegt een ballonneken in brand!

--Dat is niks ... dan moeten wij het niet uitblazen, redeneerde Albertken.

Wanneer Snepvangers later, na het vertrek der gasten, alleen tegenover zijn vrouw zat, kon hij niet nalaten te zeggen:

--'t Is toch spijtig voor Albertken geweest...

--Wat?...

--Wel dat vuurwerk... Hij had er zoo op gerekend...

--Gij denkt maar aan Albertken, verweet zij, hebt ge de andere kinderen niet hooren schreeuwen van schrik.

--Dat gaat over, bepeinsde hij, nog een paar slagen en zij waren het gewoon geweest...

--Maar hebt ge nu in uw leven zoo iets gehoord, schuddebolde Madame gebelgd.

--Dat kind is geen gewoon kind... Sander zegt het ook... Albertken moet advokaat worden...

--Och, en ge weet nog niet of het kind daar goesting zal voor hebben...

--Goesting? Goesting... ook gij kent hem niet. Albertken geen goesting hebben... hij wordt nog veel meer dan advokaat... Dat kind is nu mijn leven...

--Ja, dat weten wij, zei Madame nuchter, 't is uw Benjamin... maar 't mag zijn, want het kind ziet u liever dan zijn eigen ouders.

--Als ik hem "De Pruimenboom" hoorde opzeggen, dan dacht ik aan mijn eigen kinderjaren... Ik heb het gedichtje nooit vergeten, en Albertken zal nooit vergeten dat hij het van mij heeft geleerd...

--Neen, zei Madame, dat zal hij niet... maar nu gaan wij slapen, Snepvangers, 't is veel later dan anders...

--'t Is toch allemaal tegengevallen, kloeg Snepvangers nog op den trap, en dan Antoine die niet tegen een vetkaarsken kan!...

Wanneer het buiïg weer aankwam kon Snepvangers met Albertken niet meer geregeld gaan wandelen. Zijn dagen schenen hem langer. Telkens als hij de gelegenheid vond, sloot hij zich bij Sander aan om wat afleiding te vinden.

Op een zonnigen, ijlen najaarsdag stond hij zoo te treuzelen voor de halfdeur van het kousenwinkeltje. De boord van het gaanpad dreef van het speeksel. Een hoopje lanterfanters luierde tegen den met veelkleurige plakkaten bedekten muur...

Boven, ergens in een kamer waarvan het venster openstond, kweelde een kanarievogel. Snepvangers vond het danig schoon.

--Hoor eens, Sander!

--'t Is een sijsken, Snepvangers.

--Neen, neen, 't is veel schooner... 't is een kanarievogel...

--'t Kan zijn, schokschouderde de Speeker onverschillig.

--Een schoone vogel, mijmerde Snepvangers.

--De schoonste vogels zitten in den buiten, zei Sander.

--'k Zou toch wel een goeie zanger willen hebben...

--Och, wat hebt ge er aan?... Dat zingt maar en dat vreet maar!...

--Het zijn zoo'n fijn vogeltjes, Sander, en als zij zingen...

--Koop liever duiven... als zij vet zijn kunt ge ze in 't potteken steken en binnenbas spelen!

--Ik koop een kanarievogel, besloot meteen Snepvangers.

--Ge zult het beklagen, waarschuwde Sander meewarig alsof zijn vriend rampzalige voornemens koesterde.

--Ik moet toch iets hebben om mij te amuseeren, verontschuldige zich Snepvangers.

--Ja! zei de andere zuur, misschien moest ik het niet zeggen... de menschen zijn toch zoo eigenzinnig... maar als vriend, als ge dan toch een kanarievogel wilt koopen, ga dan om raad bij den klakkenmaker van de Paardenmarkt... anders wordt ge nog bedonderd ...

--Dank u, Sander.

Snepvangers sprak er met Albertken over.

--Ik zal het Grootmoe vragen, meende het kind.

--Ja, Albertken, en dan zullen wij ons amuseeren...

--Ik zou toch liever een arend houden!

--Maar dat is een wild beest...

--Die eten rauw vleesch, Grootva, maar een kanarievogel is toch ook goed.

Madame Snepvangers gaf haar toestemming, onder beding dat Mijnheer zelf voor het vogeltje zou zorgen. Dan toog hij naar den klakkenmaker. Hij kende hem van in den tijd toen de politiek hem in beslag nam. In het halfdonkere winkeltje was de man bezig met schikken. In de achterkamer zong een vogel.

--Dus wilt ge een kanarievogel houden, wikte de raadgever met scherpe neusstem.

--Ja!

--Een of meer?

--Ik denk...

--Daar zit het gevaar... één zangvogel is een plezier... meer, het kweeken, wordt een drift... ik kon mijn goesting altijd intoomen, maar dat kunnen weinig menschen...

--Ik zou om te beginnen maar een manneken willen koopen!

--Om te beginnen, zegevierde de klakkenmaker, de drift is u al meester... ge zijt een verloren man, Snepvangers, maar gij moet het weten... ik heb u verwittigd...

--Waar kan ik een vogel koopen, vroeg de ongeduldige Snepvangers, in vertrouwen, want ik ken de mannekens niet uit de poppekens...

--Dat zal ik u leeren, vriend... Als ge voor een kot staat dan moet ge de vogels goed bezien... Als ge ze goed bezien hebt, moogt ge u nooit laten pakken door de schoon pluimen... zoo is het bij de menschen ook...

--Dus een met leelijke pluimen?

--Bijlange niet!... Luister. Als er veel bijeen zitten moet ge een kaalkopken kiezen...

--Zijn dat mannekens?

--Ja... want poppekens en poppekens dat vecht niet... mannekens en poppekens vecht ook niet... maar mannekens en mannekens die pikken elkander de koppekens kaal...

--Maar als de vogels nu eens apart zitten?

--Dan moet ge ze hooren zingen... als zij zingen zijn het mannekens... daarbij kunt ge het zien aan hun houding en manieren en hun koleur is hooger...

--Waar zou ik er een kunnen koopen?

--Overal, meende de klakkenmaker luchtig.

--Ja, maar...

--Het hangt af van de soort die ge wenscht... Een Hollandsche of een Parijsche trompetter, een Brabantsche vogel, een Gentsche postuurvogel of een edelzanger zooals de mijne, een Saksische?...

--Een Saksische dan, de schoonste die te krijgen is, hunkerde Snepvangers.

--Daarin hebt ge gelijk... de beste soort... geen bastaarden... maar 't is een kwestie van goesting... ik ken een liefhebber die Schotsch Fancies kweekt, reuzenvogels van twintig centimeters.

--Dat zijn geen kanarievogels meer, minachtte Snepvangers.

--Volgens mij ook niet, fluisterde de neusstem, ge zult er verstand van krijgen, Snepvangers, dat voorspel ik u... Daarom, een goeie raad, let op de pooten als ge koopt... Die van jonge vogels zijn glad, die van de oude zitten vol schubben en hun klauwen zijn veel dikker en langer... Ga naar den ouden Willems met mijn complimenten, hij is zaalwachter in het Steen en die zal u niet verneuken... Hij kleurt geen wijfkens om ze voor mannekens, te verkoopen... Zorg dat ge uw drift meester blijft en dan zult ge veel plezier in de liefhebberij vinden ... Ik heb hooren vertellen dat een Hollandsch kapitein die veertien jaar te Breda in garnizoen had gelegen zoo verslingerd op het gezang was geworden, dat hij menigmaal vergat 's middags te gaan eten...

--Wel, wel!...

--Van 's morgens vroeg tot middernacht toe deed hij niets anders dan luisteren om de schoonste zangers te onderscheiden... maar zooveel tijd schiet er mij niet over... een kapitein is geen klakkenmaker...

De klakkenmaker hield Snepvangers in het deurgat nog bij den knoop van zijn jas.

--En als hij wat heesch is legt gij een stuksken kalissiehout in zijn "èzer", of als het een valling is dan doet ge eenige druppelen vijgensap in zijn drinken... Als ze vreetziekte hebben moet het aluin of staal zijn, voor den afgang melk en voor de hardlijvigheid kandijsuiker en saffraan...

--Kan een kanarievogel...

--Ja, knikte de klakkenmaker en zijn oogen keken zorglijk, zij kunnen het stiet krijgen en dat moet ge met ongezouten spek genezen, zij kunnen kwijnen in een donkere kamer, vermageren als zij geplaagd worden door roode luisjes, daarom moet ge holle roestjes gebruiken, zij kunnen aan vallende ziekte lijden, aan vetziekte, aan buikkramp, aan natuurdrift, zij kunnen een beenbreuk opdoen...

--Och, och, zuchtte Snepvangers, 't is toch niet waar zeker?

--Jawel, maar laat mij dan maar roepen... Ik zal wel raad weten... ik heb al twee pooten genezen met een saaien draadje in lijnolie gedrenkt en warm zand in het kot...

--Dan hebt ge niet lang plezier van een kanarievogel, wantrouwde Snepvangers.

--Dat weet ik niet, dat hangt af... Wanneer ge katten en ongedierte weert... de vogel goed verpleegt, versch eten en drinken geeft en dagelijks "muur"... bijtijds een bad, en de roestjes driemaal per week uitklopt, dan leeft hij tien tot vijftien jaar... Ik heb zelfs eens gelezen dat een vogel twintig jaar werd...

--Dan koop ik er een, verklaarde Snepvangers opgetogen...

--Doe het, moedigde de klakkenmaker aan.

's Namiddags trok Snepvangers naar het Steen. Er waren geen bezoekers. In een klein zaaltje, naast een paar toonramen vol medaljes en penningen, half verborgen achter verkleurde en geschifte zijden vaandels zat de oude Willems slaperig aan zijn bakkebaarden te pluizen. Hij keek norsch den bezoeker aan, die aarzelend stilstond voor een geel koperen bedpan, voetje voor voetje naderschoof en belang stellend door het venster keek naar den stroom waarop een hooge scheepsromp zwenkte. Hij had nog nooit zoo scherp een kiel van een schip opgenomen, vond het vlak beneden de waterlijn zeer rood gemenied.

--De dag moet hier toch lang duren, polste hij den Zaalwachter.

De man kikte niet, zag norsch naar het grauwe water dat midden in den stroom opschuimde als zog van den overzetter. Meeuwen scheerden rakelings over de baarkens.

Snepvangers was niks op zijn gemak. Hij probeerde het nog eens:

--Een schoon uitzicht op de Schelde...

--Vindt ge dat, zei Willems, dan moet ge maar goed zien en van de gelegenheid profiteeren.

--Ja, maar ik kom om een kanarievogel te koopen... nu weet gij het, ontlastte zich Snepvangers.

--Dat is wat anders, meende Willems levendig, stond op en kwam naast hem staan, waarom hebt ge dat niet direct gezegd?

--De klakkenmaker heeft mij gezonden ...

--Er is niks zoo schoon als de zang der kanarievogels!... Nachtegaalslagers, edelrollers en kollervogels... Hoor hoe ze rollen: woe, woe... ie-rie-rier... ie-lie-liel...arrr... verrr... fi-fi... si-si... wi-wie... wies, wies, sies... toe... toe... tsoem... en hun kleur, zoo teer... zoo fijn... hooggeel, stroogeel, witgeel... bleekgroen... ik heb er roode gekweekt met kleurvoeder...

--Roode?

--Ja ... maar als ge dat probeert moet ge maar een wijfken pakken... die zijn goedkooper en dan is er niks aan verloren... een weinig cayennepeper tusschen het eten... en klaar is Kees! Maar 't lukt niet altijd...

--Wanneer kan ik een vogel koopen?

--Direct... wacht een oogenblik...

De Zaalwachter ging naar een kleerkast, trok de deur open en nam er een kooitje uit.

--Een vogel uit de duizend... 's middags is er geen mensch en dan leer ik hem fluiten... Twee violen en een bas-bas-bas!... Maar deze is volleerd... Alleen hem in 't donker houden... Moet ge soms poppekens hebben?...

--Misschien later, als ik zou kweeken...

--Dat is eigenlijk het plezier. Mijnheer Snepvangers, de vogels kweeken en ze leeren zingen... ik gebruik altijd een flesch en een stop en dat maakt aardige muziek... Ik ken een nachtwaker die er zijn dagen mee doorbrengt...

--Wanneer slaapt hij dan,--verbaasde zich Snepvangers.

--Als hij wat tijd heeft, 's nachts bijvoorbeeld... Ik heb enkel Saksische vogels, maar mijn broer, de kleermaker uit de Keizerstraat, nevens het Kapelleken, die heeft al de soorten van de wereld... Laatst kwamen ze hem roepen terwijl hij het orgel trapte in St.-Jacobskerk, want er was een Engelschman speciaal overgekomen om zijn vogels te zien... Twee vogels heeft hij toen verkocht, die puur kerkmuziek zongen... zij hadden lang tegen den kerkmuur gehangen en zij volgen zoo gemakkelijk na... Maar nu trof het goed... ik gaf voor zoo'n vogel niks... Ik laat u het manneken over omdat de klakkenmaker u gezonden heeft... want eigenlijk kweek ik voor de kunst!

Met zijn kooi en sterk door de raadgevingen kwam Snepvangers in de Hobokenstraat.

--Een kanarievogel, leerde hij aan zijn vrouw, is een slimme vogel die spoedig zijn weldoener herken ... en hem met zijn zang beloont.

Albertken schiep spoedig evenveel zijn behagen als Grootvader in het kwinkeleerende vogeltje... Wanneer Albertken kwam werd de kanarie feestelijk vergast op trosjeszaad of een klontje suiker.

--Ge zoudt er meer moeten hebben, bedacht Albertken, ik zal Grootmoe vragen er voor uw nieuwjaar te koopen.

--Ik zou er moeten kweeken, op de leege kamer boven de keuken is er plaats genoeg.

Grootmoeder had het gehoord en zij was in een goede bui.

--Wel ja, Snepvangers, gaf zij toe, ge moet toch iets voor uw plezier doen en Albertken zal het ook amuseeren...

--'t Is voor Albertken, loog Snepvangers.

Een uur later droeg hij wat rommel van de kamer, begon te passen en te meten en droomde van een modelkooi. Hij zou Willems en de Klakkenmaker eens verbazen. Overvloedig licht viel door het achterraam, een ander raam, buiten het hok, zou toelaten de kamer te verluchten.

Om de kooi te bouwen wendde hij zich tot den houtdraaier, Miranda van de Paddengracht, die ook andere karweikens aannam en daarbij een kweeker bleek te zijn. Deze timmerde een afsluiting die de halve oppervlakte besloeg, spande een gevochten draadnet over de balkjes, lei een dubbele vloer en kalkte de muren. De deur, in vier losse vlakken, kon de dikke Miranda doorlaten, maar beneden, tegen den grond, was een klein poortje om het voedsel door te schuiven, de eetbakken, de èzers en de badschotels.

Snepvangers bracht dagelijks wat mee van zijn wandeling. Houten nesten met losse mandjes,--roesten van vlierhout, verf om het houtwerk op te kleuren. Miranda, die niet jaloersch van aard was genoot zelf van het modelopzet en leerde wat er te leeren viel. Deze lange gesprekken voerden zij, gezeten bij het kleine potkacheltje dat Snepvangers op zijn kamer geplaatst had. Tegen den muur pronkten schabben met steinen potten waarin het zaad zou bewaard worden en waarop hij de namen geschilderd had. Een houten tafel, een waterkraan en een afvoerbak volledigden zijn inrichting. Kleinere kooien hingen links en rechts. In de uren dat Albertken hem gezelschap hield, werd het houtwerk lichtblauw geschilderd en van gouden biesjes voorzien. In hun verbeelding kweekten zij samen met zooveel bijval dat de hokken te klein bleken voor het gevogelte. Intusschen sprenkelde en morste Albertken aan de waterkraan.

--De eerste kanarievogels waren groen, leerde Snepvangers.

--Dat moet ge mij niet wijsmaken, weerde zich Albertken.

--Manneken toch!...

--Ik zeg niet dat ge beuzelt, Grootva, maar dan hebben ze u wat wijs gemaakt...

In het voorjaar ging hij bij Miranda vogels kiezen... Miranda wou niet dat hij naar Willems ging, die maar kweekte voor de cens...

--Is het raadzaam meer wijfjes bij een mannetje te zetten, vroeg Snepvangers.

--Ja, Snepvangers, hier op zolder kan ik het u wel zeggen, niemand hoort ons... bij de kanarievogels kan men het riskeeren, dat gaat meestal... maar bij de menschen loopt het verkeerd...

--'t Is goed dat Albertken het niet hoort.

De dikke Miranda lachte, maar ving onderwijl met zijn vlindernetje een kanarie, nam voorzichtig het schuwtrillend, teere ding in zijn dikke reuzenhand en streelde het zachtjes met zijn linker wijsvinger. Hij blies de veertjes op.

--'t Zijn toch zoo'n broze dingskens, zei hij het beeft van angst in mijn hand...

--Zij hebben zoo niks om zich te verweren.

--Als ik mijn hand toenijp is het dood, droomde Miranda, ik vraag mij af waarom die beestjes geschapen zijn.

--Och, zei Snepvangers, die ongeduldig werd en en aan zijn kooi dacht, we moeten ons niks afvragen, maar voortvangen...

--Dat is één, zei Miranda, bekeek nog even het licht-gele lijfje, de ingetrokken pootjes en het fijne snaveltje, zie Snepvangers, het sluit zijn oogskens van schrik... wie zou nu zoo iets weerloos kunnen kwaad doen...

--De menschen doen niks anders...

Snepvangers begon met vijf mannekens en met twaalf poppekens. Een blaadje sla naast het bad, het raapzaad gemengd met witzaad, de klare fonteintjes en het trosjeszaad, het droge zand op den grond en de vogels op hun roestjes, 't was alles hij zei geen woord.

Madame loofde, ingenomen door orde en netheid, de nieuwe kweekplaats. Marieken werd door Albertken meegetroond, evenals Craen en zijn vrouw. Want het jongsken deelde in den triomf. Zelfs Antoine kwam eens kijken, bleef een tijdje praten, beloofde prima kwaliteit eten te bezorgen en was geen oogenblik verstrooid.

Doch pas toen de eerste eitjes uitgebroed waren en de eerste, bloote, donzige dingskens in het mosnestje wriemelden, kon Snepvangers, bijgestaan door Miranda, Sander bewegen eens te komen zien. Alles nam hij nauwkeurig op, maar zei geen woord.

--Nu krijgen de beestjes harde eieren met fijngestampte beschuit, zei Miranda.

--Een brood in melk geweekt met maan en salaadzaad bestrooid, vulde Snepvangers argeloos aan.

--Ge moet van Lotje getikt zijn om in zoo'n klein geneuk uw cens te steken, misprees de Speeker boosaardig, en zonder nog om te zien slefte hhij de kame uit, de trappen af en de straat op.

--'t Is toch 'n vieze, zei Snepvangers ontsteld.

--Och, elk zijn goesting, troostte Miranda.

Wanneer Snepvangers den volgenden morgen zijn spitsken buiten liet, las hij in de oogen van Sander hoe diep hij in zijn achting gedaald was met het kweeken van "klein geneuk".

Snepvangers had veel meeval in de kanariekweekerij en zijn ambitie groeide er door. Zijn huis was een zangpaleis. Van 's morgens vroeg zongen de vogels en vulden de kamers met blij gekweel. Mijnheer was verrukt over zijn teere raskanaries. Madame, alhoewel zij wel voor de verzorging mocht bijspringen, was zich ook aan de "pietekens" gaan hechten.

Daar Snepvangers voor zijn plezier kweekte schonk hij mild aan familie en vrienden, de edele vogels in zijn broedkamer geboren. Overal zongen zijn Saksische zangers. Het was zijn glorie zijn vogels te hooren roemen. Miranda was goed bedacht geweest, want aan dezes zolder dankte hij de stamouders van zijn kooi. Intusschen was zijn gevederde bevolking toch noch gestegen tot zes-en-negentig mannekens en poppekens.

En weer lagen, in den vierden kweekzomer, de poppekens op hun broze sprikkeleitjes te broeien en gaapten en piepten de jongskens in de nesten.

Op een zomermorgen zaten de echtelingen voor het hok de speelsch wippende kanaries te bespieden. De vogels vlogen van hun roestjes op den vloer, pikten in den eetbak, dronken aan de fonteintjes of lagen te vluggen in de badschoteltjes. Een vreemde vogellucht hing in de kamer.

--Miranda zegt ook dat ik veruit de schoonste vogels kweek, zei Snepvangers.

--Ge krijgt er te veel, oordeelde Madame.

--Ja... maar wat kan ik er aan doen... ik geef er zooveel weg... en ik kan er toch niet mee op de Vogelmarkt gaan staan...

--Neen, dat gaat niet, bekende Madame.

--En ik kan ze toch zoo ook maar niet op straat smijten...

--Neen, dat kunt ge niet, zei peinzend Madame.

--Daarvoor zou men het hart van een deurwaarder moeten hebben, vulde Snepvangers aan, want hij kon niet scheiden van zijn vogels.

Albertken, die pas zijn eerste communie had gedaan, was van lieverlede wat losgeraakt van zijn Grootvader. Nog kwam hij wel af en toe naar de vogels kijken, nog gingen zij wel eens samen wandelen naar den Dierentuin of naar het terras, maar Albertken had n kameraadjes waarmee hij beter praten kon. Snepvangers voelde het wel, maar troostte zich in het besef dat de jongen groot werd, zooveel te leeren had, Fransch en Latijn, en verzot begon te worden op dat nieuwsoortig amusement, het voetbalspel. Antoine vond het wilde stampen en smijten nuttig voor de lichamelijke ontwikkeling, en Antoine was de vader!... Niet alleen de vader van Albertken, maar van nog zes andere spruiten die net als zijn kanariejongskens, gaapten en piepten en leven in huis brachten. Het jongste was weer een meisje en Marieken had pas haar kerkgang achter den rug toen zij de plechtige eerste communie van den oudsten vierden. Snepvangers dacht wel eens over de kinderen zooals zijn vrouw over zijn kanaries, dat er te veel kwam! Maar de Drogist won rijkelijk zijn brood en kon zich de weelde veroorloven, zooals Snepvangers zijn getal kanaries niet moest beperken bij gebrek aan middelen.

Albertken werd echter niet vervangen in de voorliefde van zijn Grootvader, die oud werd en zich geen nieuwe kameraadschap met de kleinkinderen meer scheen aan te passen. Madame kon beter om met het drukke troepje.

Zekeren avond, in de zwoele maand Juli, hij had op zijn stade met Miranda een pintje gedronken in "Het Zwarte Paard", wenkte Sander hem.

--Hebt ge de gazet gelezen?

--Neen, Sander ...

--Er staat: Opgepast voor de Croaten!... en dat wil veel zeggen...

Meer liet de Speeker niet los, vouwde zijn gazet toe en strompelde binnen. Snepvangers rook een frissche hooilucht die den lauwen avond doorgeurde, Hoorde de kinderen joelen op de Ossenmarkt. Alles was zoo rustig en gewoon en hij begreep niks van de waarschuwing.

's Anderdaags hoorde hij de gazettenleurders verwoed op hun koperen trompetten toeteren en gillen.

--Wat is er toch aan gang, vroeg Snepvangers.

--De tijden van Napoleon komen terug, voorspelde de Speeker, en kneep de "Gazet van Antwerpen" in kreukels, er is oorlog tusschen Oostenrijk en Servië...

--Och, meende Snepvangers, 't is altijd ieverans oorlog in de wereld...

--Wacht maar!...

In zijn slaap werd hij opgeschrikt door het luiden van Carolus. Snepvangers wipte zijn bed uit, vergat zijn slaapmuts en zijn bloote beenen en trok het balconvenster open.--Een politieagent stond aan den overkant, hij hoorde het raam knarsen en keek op.

--Wat gebeurt er, vroeg Snepvangers.

--De klassen worden binnengeroepen... straks schiet ik ook mijn soldatentenueken aan, zei de agent.

