# Mijnheer Snepvangers

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/mijnheer-snepvangers-15048/index.md

Snepvangers las en zei geen woord meer. Tegen den wil van zijn vrouw kon hij niets doen, en 't was nog geen zomer. Maar Madame sprak weldra over niets anders meer dan over Zwitserland. Stilaan begon Snepvangers er ook minder tegen op te zien, zijn bezwaren vielen weg, de reislust werd ook in hem gewekt en de prospectus begon ook hem aan te lokken. Hij nam den kousenvent in zijn vertrouwen, sprak hem van zijn reisplan.

--Niet doen, Snepvangers.

--Waarom niet, Sander?

--Niet doen, zeg ik.

--Maar waarom niet?

--Als ik u 'n raad mag geven, blijf dan in uw straatje, ge gaat u weder onnoodig moe maken om sneeuwbergen te zien... wat hebt ge nu aan sneeuwbergen en koeien met bellekens rond den nek?... Niks! En er kan een ongeluk met den trein gebeuren, dat leest ge toch dagelijks in de gazet... Ge kunt in een afgrond vallen en morsdood zijn! Ge kunt bestolen worden... Ge slaapt niet in uw eigen bed... De Zwitsers zijn natuurlijk slimme vogels die hun land laten zien om centen te winnen... Ik zeg, als vriend, niet doen! Maak u toch niet onnoodig muug, 't is overal hetzelfde in de wereld... de menschen eten en slapen... de zon komt op en 't wordt er nacht... sneeuwbergen kan ik in de wolken zien!

--Maar mijn vrouw wil absoluut Zwitserland zien!

--Dan is er geen zalf aan te strijken, jongen, dan is er niets aan te doen, dan moet ge naar Zwitserland... Ik zie er niks goed in... als het u maar niet berouwt.

Hij knikkebolde bedenkelijk en spuwde met geweld. Heel zijn wezen drukte afkeuring uit.

--Dat verandert de zaak, als ik dat geweten had... zoo, zoo, uw vrouw wil naar Zwitserland... awel, goede reis!...

Na dit beslissend onderhoud begon Snepvangers over de voorgenomen reis te praten in "Het Zwart Paard". De stamgasten bespraken de gebeurtenissen even hartstochtelijk alsof zij zelf den grooten tocht gingen ondernemen. Een meubelmaker was eens met een pleziertrein naar Parijs geweest. Een boodschapper uit de Rozenstraat toonde buitengewone belangstelling. Wanneer de anderen weer door het kaartspel of de teerlingen in beslag werden genomen, bleef hij geduldig luisteren naar den omslag en de herhalingen van Snepvangers uitleg, 'n Verstandige vent, oordeelde hij, spijtig dat hij het niet verder gebracht heeft in de wereld!... Gelukkig dat zijn vrouw, die met visch leurt, ruim den kost helpt verdienen!

Craen en zijn vrouw hadden na lang aarzelen geweigerd mee te gaan, zij zagen op tegen het lange treinrit en bleven liever in de nabijheid van Albertken, Er werd geschreven aan de reisagentie, zij ontvingen bericht dat het geld was toegekomen en het vertrek uit Brussel vastgesteld op 20 Juli. De laatste dagen vóór het vertrek brachten beslommeringen van allen aard. Spitsken werd besteed bij Craen, nieuwe reiszakken werden gekocht en gevuld met nieuwe spullen, afscheid werd genomen van de kinderen en Albertken, van de kennissen.

De kousenvent, die niet meer over de reis gesproken had, werd niet vergeten. Hij zou een oogsken in 't zeil houden en met Marieken waken op het huis. Snepvangers had zijn waarden, eigendomtitels en fondsen, goud en zilverwerk veilig geborgen in een brandkast op de bank. Alleen Mijnheer nam zijn hologie mee.

Toen zij 's namiddags reisvaardig stonden, sloten zij water- en gasleiding zorgvuldig af, speetten hun touristen herkenningsteeken op de borst en togen, zwoegend onder hun handkoffers, naar het station. Gelukkig dat een gids hen opwachtte in de spoorhalle te Brussel! Slechts tweemaal hadden zij zich in de hoofdstad bar kunnen vervelen in hun leven: aan die stad vonden zij als treffelijke sinjoren geen aardigheid.

Snepvangers ontving de reisboekjes, en zij volgden den gids naar den doorgaanden trein. Daar zaten zij nu in een tweede klassewagen te wachten op het vertrek, een beetje verslagen door eigen durf en ongemakkelijk in hun reiskleederen.

--'t Is toch gemakkelijk reizen, verklaarde Madame zelfgenoegzaam.

--Nu zijn wij op weg naar Zwitserland, zei Snepvangers flauw.

Andere dragers van het herkenningsteeken stapten in, maar de gids hield zorgvuldig een plaatsken open. De deuren waren reeds toegeworpen, toen hijgend een dik vrouwwensch zich binnen werkte.

--Oef, is me dat zoeken!...

--Jezus! Maria! fluisterde Madame Snepvangers haar echtgenoot in het oor, dat is Mie Verbinnen uit de Rozenstraat... En die gaat ook mee naar Zwitserland.

Snepvangers verschrok, bekeek in grenzenlooze verbazing het opgedirkt vischwijf dat vóór hen neerzat. De vrouw van den boodschapper was blootshoofds, een fluweelen jurk vol kanten volants omspande haar zware borsten, een zijden voorschoot hing over haar gemooireerden rok, en gelakte schoentjes had zij aan de voeten. Op haar schoot hield zij een zwart teenen korf, een reuzenkabas!

--Wel, wel, Mijnheer en Madame Snepvangers, eindelijk heb ik u gevonden... in Antwerpen zijt ge mij ontsnapt, maar nu laat ik u niet meer los...

--Waarom? vroeg Madame angstig.

--Och mensch lief, ik versta geen woordje Fransch, enkel Antwerpsch... en 'k dacht bij mezelf, die brave menschen zullen mij wel helpen... Mijn vent sprak van niks anders dan van Zwitserland... en toen dacht ik: dat moet ik toch ook eenns zien... 'n mensch moet toc ook eens van het leven profiteeren en wat verder gaan dan naar de kermis van Contich!... En als ge geen kinderen hebt, kunt ge er wel een 215 franken aan besteden om Zwitserland te zien met den Riga er bij ...

--Rigi, verbeterde Snepvangers voornaam.

--Rigi of Riga is voor mij hetzelfde als het maar geenen Zwanengang is!... Ik wil ook eens reizen gelijk chik volk!...

Het gefluit van de locomotief onderbrak haar, de trein ging traagjes vooruit, versnelde en joeg dan voort met dommelend geluid. De medereizigers begluurden het vreemdsoortig drietal.

--'t Is toch gemakkelijk op de kussens zitten in plaats van met vischkorven door Antwerpen te sjouwen, zei Mie, mijn vent zal er eentje meer pakken nu ik weg ben en hem aan zijn lot moest overlaten.

Een der medereizigers gichelde in zijn hoekje, de twee dames keken strak door het ander raampje. Snepvangers werd rood van ergernis.

--Alleen zou ik het nooit geriskeerd hebben... maar toen ik wist dat twee deftige menschen uit de buurt meegingen heb ik mijn kaartje maar besteld.

Madame zat verslagen. Snepvangers nam geen verder notitie van de opdringerige vischleurster.

--De trein stopt slechts te Luxemburg, te Straatsburg, te Mülhausen en morgen vroeg om half zes zijn wij te Bazal... daar drinken wij koffie, zei Snepvangers.

--Ja, fluisterde Madame, die niet wist waar de blikken te vestigen en ten slotte naar buiten keek, naar het wisselend avondlandschap.

--Ben ik van geenen tel, Madammeken, kent ge mij niet meer?... Ik ben Mie Verbinnen uit de Rozenstraat, ik leur met visch en mijn vent speelt 's Avonds kaart met Mijnheer in _Het Zwart Paard_, op de Paddegracht. Waar of niet waar, Mijnheerken?

Sprakeloos en nijdig zaten man en vrouw voor haar.

--Maar Seminis kinderen toch, die spreken nu geen gebenedijd woord... plezant gezelschap om mede te voyageeren... Of is 't uit hoovaardigheid dat gij mij niet wilt kennen?... Wel, fijne Mijnheer, zijt gij uwen tijd vergeten?... En dat heeft in den gemeenteraad willen zitten... zeker om ook te zwijgen!... Maar dat kan ik ook... Ik had een lekker stuksken visch meegebracht om u te trakteeren, maar als gij het zoo verstaat dan vreet ik alles zelf op!...

Triomfantelijk opende zij haar kabas en begon te smullen. Madame bemerkte terluiks dat de gebakken pladijs er appetijtelijk uitzag. Mijnheer keek naar de nieuwe reiszakken in het net boven Mie. Dat wijf kwam nu het spel verbroddelen, het plezier bedreven! Wat moesten de medereizigers van hen wel denken! De trein zong en dommelde, en nu en dan klonk een waarschuwend gefluit. Sander had gelijk, zij hadden maar liever moeten thuis blijven, in hun bed slapen in plaats van in den trein. Madame knabbelde nu voorzichtig aan een reepje chocolade. En al die ellende zou veertien dagen duren, veertien dagen lang zouden zij geplaagd zijn met dat vischwijf! En in dezen wagon was het rooken verboden.

Het schemerde nu en plots werd het treinlicht ontstoken. Ginder verre was nog een kleurige weerschijn van de zon na haar ondergang. Dan kwam de nacht, de donkere, lange nacht. Mie, moe gegeten en gedronken, sloot haar mandje, veegde zich welgevallig den mond af, zei giftig:

--Slaapt wel, fiere Madame en fijne Mijnheer, maar ik ben bij u en blijf bij u... ik laat u niet meer los... en wij zullen eens zien wie het langst kan koppen. Zoo'n twee poesjenellen heb ik nog nooit op 't Vlaamsch theater gezien.

Zij vleide zich in haar hoekje, kruiste de armen op den kabas en sloot de oogeen. Even had de trein gestopt joeg nu weer voort, rusteloos voort door den nacht. Het licht door een gordijn getemperd schemerde vaag over de slapende Mie, de knikkendebollende Madame, den heer en de twee dames. Snepvangers kon niet slapen van verbeten woede. En er was niets tege te doen, zij had haar reis betaald en zou hen op de hielen volgen. Het treffelijk volk zou zich van hen afwenden en hem en zijn vrouw op den koop toe nog uitlachen. Hij zou den gids raadplegen over wat hen te doen stond. Dat gemeen wijf!

Traag kropen de uren voorbij voor den wakenden Snepvangers, wiens menschelijke ijdelheid zoo deerlijk was gekwetst. Eindelijk toen de morgen begon te dagen en het licht door de neergelaten gordijntjes sijpelde, sliep hij in. Uit zijn onrustige droomen, die kop noch staart hadden, werd hij gewekt door het onbehoorlijk gesnurk van Mie Verbinnen. Madame wreef zich eveneens de oogen uit.

--Seffens zijn wij in Zwitserland, Mama, vezelde hij, ik ga den gids spreken want met haar kunnen wij toch niet geplaagd blijven...

--Neen, Snepvangers.

--Wat moeten de menschen wel denken, ik schaam mij de oogen uit den kop.

--Wij gaan nog liever terug naar huis, Snepvangers.

--Natuurlijk, al moeten wij er al ons eens bij verliezen en niks gezien hebben.

De trein stopte. De slapers ontwaakten, namen hun gepak, stapten uit. Mie met haar kabas aan den arm volgde Snepvangers, die met nijdige wippasjes de reizigers naar het buffet vergezelde. Hij kreeg den gids te pakken.

--Met dat wijf zonder hoed en met een voorschot willen wij niet reizen, verklaarde hij dapper.

--Ik kan het niet verhelpen, Mijnheer, zij heeft betaald en toevallig kent zij u... Daar kan de agentie niets aan doen, verklaarde de gids onverschillig.

--Dan gaan wij terug, Mijnheer... wanneer vertrekt een trein naar Brussel?... Maar ik zal in Antwerpen vertellen wat zoodje gij Zwitserland laat zien...

--'t Is spijtig, Mijnheer, verzoende de gids, maar niemand kan er iets aan doen... en ge zijt uw geld kwijt...

--Mijn geld kwijt?

--Ja, want alles is betaald in de hotels en de treinreis is op voorhand betaald, verwittigde de gids en krabte zich achter het oor.

--'t Zijn allemaal dieven in uw schoon Zwitserland. Wij hebben al genoeg gezien en gaan terug... Wijs mij maar den weg naar den trein...

--Om negen uur vertrekt er een trein, ginder...

--Maar de koffie is betaald en zullen wij drinken! Wij gaan terug, Mama, terug naar Antwerpen, maar eerst gaan wij koffie drinken...

--Ik ben stram van zitten, kloeg Madame.

--Wij moesten in onzen ouden dag ook nog iets aanvangen. Laat ons nu maar smakelijk eten, want het kost peperduur.

Toen de reizigers weer naar den trein gingen, bleven zij zitten. Mie volgde hun voorbeeld.

--Dat is straf... Zij blijft zitten, en keert mee terug.

--Zij weet van toeten noch blozen, misprees Madame.

--Zij zal staan zien, grinnikte Snepvangers boosaardig.

Met zijn kladdeken Fransch wist Snepvangers zich te behelpen. De conducteur keek bevreemd naar de ongeknipte reisbiljetten in het reisboekje, maar zei niets. Mie schoof weer genoeglijk bij in het zelfde compartiment. Zonder een woord te wisselen reden zij in den snikheeten dag naar huis. Aan de stations dronken zij limonade, aten broodjes-met-wat-bij. In grilligen dans schoten dorpen en steden voorbij, velden en weiden, Zij waren verdoofd en uitgeput en zagen Mie maar onafgebroken smullen en snoepen uit haar voorraad. Het vischwijf probeerde zoo genoeglijk den tijd te dooden, want de menschen rond haar verstond zij toch niet en de Snepvangersen zaten statig en waren niet te spreken. Tegen zevenen kwamen zij te Brussel aan.

--Maar... maar dat is Brussel, begot!

--Ja, dat is Brussel, sarde nu Snepvangers, die niet langer zwijgen kon...

--En dat is nu die fameuse reis naar Zwitserland, waar van alles te zien was... die koeien met bellekens en die bergen met sneeuw... Awel, dat is puur afzetterij En dat kost nu zoe maar in de gauwte twee-honderd-vijftig frank... En waar is nu die Riga?

--In den Zwanengang, treiterde Snepvangers.

--Sloebers!... Ha, nu versta ik het ... ze hebben me willen kwijt spelen... zijn moedwillig terug naar huis gegaan... Maar ik heb toch zooveel van Zwitserland gezien als gij... ik beklaag mijn centen niet, want gij zijt ook gefopt... En mee naar huis ga ik ook!

In den avond kwam Snepvangers en zijn vrouw doodmoe thuis in de Hobokenstraat. Mie had hen tergend achterna geloopen tot aan den hoek der Rozenstraat.

--Droomt nu maar niet te veel van Zwitserland ... Ge hebt niet eens gekoleurde postkaarten meegebracht en ik wel, zegevierde zij.

--Wat zal Marieken verschieten als zij ons morgen ziet, jammerde Madame.

--En wat zullen de mannen uit _Het Zwart Paard_ lachen, maar we slapen toch in ons eigen bed!

's Morgens stond Snepvangers weer tegenover Sander. De kousevent hield op met spuwen van verwondering.

--Al terug, Snepvangers?

--Ja, Sander ...

--In Zwitserland geweest?

--Ja!

--Niet veel bijzonders, zeker?

--Neen!

--Maar ge zegt zoo weinig....

--Och!

--Lang in den trein gezeten?

--Een dag en een nacht ... en dan dat smerig vischwijf uit de Rozenstraat, die zonder hoed mee wou naar Zwitserland.... En zij had heur plaats betaald en wou ons niet loslaten ... Maar wij hebben haar beetgenomen en zijn direct terug naar huis gekomen om in ons eigen bed te slapen.

--Ja, zei Sander peinzend en spuwde werktuigelijk, ja, Snepvangers, 'k heb u zoo dikwijls gezegd dat gij moest leeren zwijgen ... Nu zijt ge uw cens kwijt ... 'k heb u gewaarschuwd dat het overal hetzelfde is, en nu hebt ge het zelf ondervonden dat dat Zwitserland de moeite niet waard is, er u zoo muug voor te maken! ... Speek maar liever eens mee, besloot hij welgemutst, en binnen een paar dagen gaan wij opnieuw visschen! ...

--Ja, Sander, stemde Snepvangers in, voelde zich getroost, en spuwde naar den rand van het voetpad.

HOOFDSTUK IV.

DE VLUCHT DER SAKSISCHE KANARIEVOGELS

Snepvangers leefde ingetogen en in vrede met de menschen en de maatschappij. Hij dacht nu het leven te kennen, en door ontgoocheling en ondervinding wijsheid te hebben vergaard. Hij verbeeldde zich dat hij zijn hart gesloten had voor alles en dat zijn verstand wikte en woog om hem voor nieuwe tegensvallers te behoeden.

Goedsmoedig had hij zich verzoend met het leven, en zijn dagelijksche ochtendpraatjes met den Speeker hadden hem teruggevoerd op effen paadjes waar noch ontroering, noch avontuur dreigde. Zijn hondje laten wateren werd hem een aangename bezigheid.

Met de jaren kwam geen verandering. Een rustige glimlach van vergenoegen krulde zijn lippen, want zijn dagen brachten geen ergernissen.

Marieken had hem zes kleinkinderen geschonken, eerst een jongen, dan een tweeling, een meisje en een jongen, daarna nog drie jongens. De baker was bestending op de Torfburg. Een door den hemel gezegend huishouden, meende de onderpastoor van Onze-Lieve-Vrouwe!

Madame Snepvangers schiep groot behagen in de kinderkamer en hielp Marieken in de beslommeringen. De Drogist frutselde in zijn winkel of zat verdiept in wetenschappelijke verhandelingen. Soms praatte hij zeer uitbundig en andermaal kon hij zijn schoonvader zoo verstrooid aankijken dat deze er schuw van werd. Maar hij troostte zich in het besef dat geleerde menschen altijd zoo'n vreemde manieren hebben.

Aan een Zondagsche familiedisch besprak hij het zonderling verschijnsel.

--Ja, oordeelde de Drogist, dat is een kenmerk van de geleerden... Newton lei zoo zijn horlogie in kokend water en hield zijn ei in zijn hand.

--Had die mijnheer Newton dan geen vrouw om eieren te koken, verbaasde zich Snepvangers.

--Lessing, betoogde de Drogist, een beroemd dichter, kwam eens vroeger naar huis en zijn knecht, die hem niet herkende, riep door het raam: "De professor is niet te huis!"--"O zoo, antwoordde Lessing, dat is niets, dan kom ik later wel eens terug!"

--Van dichters verwondert mij niks, overwoog Snepvangers.

--Antoine doet precies zoo, hij kan Mijnheer Newton de hand geven... Eergisteren vraag ik hem om wat suiker in de pap, te doen... Ik geef de pap aan de kinderen en zij willen ze niet eten... Ik proef, en de pap is zoo zout als brak!

--Marieken, Marieken, suste de Drogist gevleid.

--Als hij maar geen gedichten begint te maken, zei de Loodgieter bekommerd.

--Neen, Papa, zoo erg is het niet, stelde Marieken gerust, ten minste dat heb ik nog niet ondervonden.

Snepvangers zag naar zijn kleinzoontje, het sprekend beeld van zijn vader! Meewarig bedacht hij dat het teere ventje ook geestelijk aan zijn vader zou doen denken!... Albertken moest maar liever op zijn grootvader trekken, desnoods op grootvader Craen... Maar niet zoo vies doen als Antoine in zijn geleerdheid.

Albertken was nu zes jaar geworden en ging naar de school der Paterkens in de Everdijstraat. De blonde krullen en de blauwe oogen, het bleeke gezichtje, de snaaksche invallen en het kindergebazel, waren voor Snepvangers een onuitputtelijke stof van overweging en conversatie.

Hij had zich van het kind meester gemaakt met zoete woordjes en listige verleiding. Craen had het te laat bemerkt en liet nu, daarbij te veel met de politiek ingenomen, Snepvangers ook maar betijen. Albertken droeg toch zijn naam!

Het jongsken verborg zijn voorliefde niet; met grootvader Snepvangers kon hij praten, die onderwierp zich geduldig aan zijn spelletjes, had zijn zak steeds gevuld met krakelingen, die nam hem mee naar de estaminets en liet hem van zijn bier proeven wat thuis streng verboden was. Zij hadden zoo hun geheimpjes, hun verdoken plezier en hun kameraadschappelijke verstandhouding.

Als kraaiend kindje had Albertken reeds blijken gegeven van eendere nijgingen die Snepvangers ontroerden. Hij was verzot op honden, riep tegen al de beestjes even vriendelijk: Dag hondeken! Hij kon spelen met spitsken zonder het maar een oogenblik te verbalemonden, was wijs en teeder tevens.

Samen gingen zij dikwijls naar den Dierentuin en werden het nimmer beu de apen, de zeehonden en de olifanten te bekijken. Snepvangers fantaseerde over de warme landen waar de olifanten met hun groote, ivoren slagtanden vrij in 't wild rondloopen en lawaai maken met opgestoken neustrompetten, over de logge zeehonden die op hun vinnen naar boven waggelden en neerplonsden om hun vischbuit te vangen, over de vinnige apen, die kouwelijk bijeenzaten in het apenkot; wier slimme, onrustige oogjes hen aangluurden, en die soms onfatsoenlijk zaten te vlooien.

--Hebben de menschen ook vlooien, Grootva, vroeg Albertken zekeren dag.

--Sommige menschen, leerde Snepvangers,--maar dat zijn vuil menschen...

--Och, dat is spijtig, betreurde Albertken.

--Spijtig?

--Ja...

Snepvangers was zoo verbluft dat hij niet verder aandrong om een reden te kennen.

De volgende maal, toen zij weer voor het apenkot stonden, zei Albertken trotsch:

--Wij hebben thuis ook vlooien!

--Niet waar, Albertken, zei Snepvangers onthutst.

--Ja, heel klein vlooien met heel lang haar!

--Maar, Albertken toch, ge moogt niet beuzelen!

--Ik zou toch zoo gaarne vlooien hebben, zuchtte Albertken, dat moet zoo plezant zijn.

--Maar het is niet waar...

--Ik denk het zoo maar, Grootva, zei de kleine waanwijs, dat is zoo mijn plezier.

Snepvangers zette groote oogen op en vond Albertken een wonder kind. Sinds hij naar school ging en van makkers en meesters te vertellen had opende hij voor zijn grootvader een nieuwe wereld van kinderverbeelding en logica. Haast dagelijks ging Snepvangers hem aan school afhalen en als vertrouwelingen bazelden zij samen. In den zomer gingen zij, na koffie gedronken te hebben, nog op wandel naar het terras om de schepen en het water te zien! Zij zaten op een bank, zagen de kranen werken en hoorden de stoomers toeteren. Grootvader was het vraagbaken dat voor alles een antwoord vond dat het kind voldoening gaf. Grijsaard en kind lieten hun verbeelding vrij spel.

--Pa weet dat allemaal niet, misprees Albertken.

--Foei, strafte Snepvangers gevleid.

Albertken was verbazend knap en slim oordeelde de grootvader die zijn eigen kinderherinnering ter hulp riep om den hoogen dunk van het jongetje te behouden. Maar soms werd hij toch overbluft en was de verrassing hem te groot.

Zoo zaten zij eens in het Park voor den met kroos bedekten vijver waarop de eenden dreven. Albertken zat te peinzen en Snepvangers rookte een sigaar en luisterde naar een merel die aan de overzijde van het water in een boschje verscholen zat.

--Grootva, fluisterde Albertken, is het aardig, altijd getrouwd te zijn?

--Maar manneken toch!... Wat een vraag!...

--Janneken Palincx zei gisteren dat zijn vader tegen zijn moeder gezegd had dat hij het beu is...

--Janneken Palincx is een snotaap, een kwajongen!

--Hij is de sterkste van allemaal, Grootva!... En hij liegt nooit... Vindt gij het aardig altijd met Grootmoe getrouwd te zijn? Zij kan soms toch zagen!...

--Kind, kind, 't is goed dat het niemand hoort... maar zoo'n dingen moogt ge niet zeggen of denken...

Snepvangers zag ongerust rond, maar er was geen mensch in de buurt.

--Als Grootmoe het moest hooren!

--Ik zal het haar toch niet zeggen, troostte Albertken, maar ik zou toch niet altijd met één vrouw willen getrouwd zijn...

Snepvangers begon uitbundig te lachen en Albertken, een oogenblik uit zijn lood geslagen, lachte mee.

--Wij, jongens, zagen nooit, zei hij en verzonk weer in zijn gemijmer.

Toen zij opstonden om naar huis te gaan, gaf Albertken de rest van zijn overtuiging prijs.

--Grootva!

--Albertken?...

--Als ik groot ben trouw ik toch ook!

--Zoo?...

--Ja, met een heel leelijke...

--Maar manneken toch!

--Ja, een heel leelijke, dan kunnen wij er samen goed om lachen!...

Albertken grinnikte genoegelijk en Snepvangers wierp van ontsteltenis zijn sigaar onder de bank.

's Anderdaags vertelde hij Sander wat zijn kleinzoon hem gezegd had.

--Die jongen zal het ver brengen, meende de Speeker, ge moet hem leeren speeken.

--Ja, zei Snepvangers zonder overtuiging...

--Hij heeft gelijk over het huwelijk...

Hij werd onderbroken door zijn vrouw die hem riep.

--Ik kom, antwoordde hij gedwee maar treuzelde nog even, hoe oud is Albertken?

--Zes jaar...

--Dat wordt een advokaat, Snepvangers, let op mijn woorden... dat kind heeft menschenverstand...

Dan haastte hij zich naar binnen en Snepvangers floot blijgezind op zijn hond.

Enkele dagen later waren grootvader en kleinzoon in de weer om grootmoeders verjaardag te vieren. Het trof op een Zondag en heel de familie werd in de Hobokenstraat verzocht.

--Ge zoudt een gedichtje moeten kennen, opperde Snepvangers.

--Is dat wel noodig, weifelde Albertken.

--Natuurlijk, manneken... Het zal grootmoeder zooveel plezier doen, zei Snepvangers, alsof hij berouw over iets had.

--Als het dan toch moet, schikte zich de kleine wijs... Ik vind dat wij moesten paleeren en vuurwerk afsteken op de koer...

--Ballonnekens en vuurwerk... Maar wat zullen de geburen wel denken?...

--Daar moet ge nooit niks om geven, wijsgeerde Albertken.

--Dat is waar, gaf Grootvader toe.

Grootmoeder werd feestelijk gehuldigd met bloemen en geschenken. Een kokin had de zorg voor het eten overgenomen, en nu zat Madame Snepvangers in een leunstoel en hield de kinderen bezig die beurtelings op haar schoot klauterden.

Antoine had zijn vader beet met een onuitputtelijke beschouwing, terwijl Marieken en Madame Craen de kleintjes susten.

