Part 4
Hij nam het dagblad, keek nog eens naar den President, die rood zag van oprechte verontwaardiging, naar den verdierenpikker, die hem met zeemzoet mededoogen aankeek, en voelde aller oogen--die der medekandidaten--vol nieuwsgierigheid op zich gevestigd. Taai blijven! Hij las:
_De Baaskens der Nief Partie!_
"Nu gunnen wij onze lezers het plezier kennis te maken met den laatste der fameuze pateekens, die gaarne in den raad zouden zitten en er niet bekwaam voor zijn.
"Een dezer vermomde geuzen is Snepvangers, die de neringdoenden zal gaan verdedigen, precies alsof wij dat niet altijd hebben gedaan.
"Deze framasson stinkt van pretentie en is zijnen tijd vergeten toen hij bij Notaris Boeykens de deur mocht open en toe doen, of korenten verkocht in "De Zoutkeet".
"Hij is rijk geworden met den strooman te spelen in de Roepzaal voor geuzenaffaires die het daglicht niet mochten zien.
"Hij is bekend in al de garstencafés, waar hij stoeft alsof hij reeds gekozen was.
"Het eerste deel van zijn naam is snep, en die beesten hebben gaarne een natten bek. Het tweede deel, vangers, beteekent dat hij de kiezers zou willen vangen, maar de kiezers zijn allemaal geen jongens uit "De Gaper"!
"Moest hij gekozen worden, wat de verstandige kiezers wel zullen beletten, dan wordt de Gemeenteraad herdoopt in Sneppenraad! Wij willen serieuse menschen!
"De kiezers mogen lachen, maar zich niet voor den aap laten houden door de vijanden van den godsdienst of door anarchisten! De deftige kiezers stemmen onder nr 1!"
* * * * *
Snepvangers hield zich kranig onder de mokerslagen. Zoo iets monsterachtigs schreef men tegen een deftigen burger, die altijd, naar behooren, zijn kerkelijke plichten vervuld had. Wat al leelijke aantijgingen, wat vuige beschuldigingen door een naamlooze uitgekraamd! Hij moest de stilte verbreken, toonen dat Snepvangers door zoo iets niet in zijn eer kon gekrenkt worden.
--Ik een framasson, zei hij schouderophalend, ik weet niet eens wat een framasson is!... Het kunnen misschien heel deftige menschen zijn. Als zij denken Snepvangers bang te maken, dan zijn zij er nog niet half... Ik ben onafhankelijk en niemand kan mij deren!... Zij zijn bang van ons.
--Wij moeten onze mannen verdedigen, schreeuwde de President.
-Ja! Ja!
--Tegen dat janhagel verdedigt men zich niet, verklaarde Snepvangers kalm, maar inwendig kookte hij van machtelooze woede.
--Ik ben zeker dat het van dien fijnen jezuiet komt, die op den Kauwenberg woont en secretaris is van de spaarmaatschappij, meende de verdierenpikker, hij schrijft in de gazet.
De vergadering duurde laat in den avond. In den frisschen herfstnacht ging Snepvangers alleen naar huis. De volle maan lei een zilveren glans over de stad. De gewogen Snepvangers, verstrikt in het geharrewar van de politiek, kwam in de stille haast tot bedaren.
Uit de eenzame Keizerstraat klonken stappen en een lange slungel scheerde hem voorbij. De man groette.
--Halt! vriendje, riep Snepvangers en greep den man stevig vast aan zijn ondervest, gij hebt mij dus dat affront gebakken, gij leelijke, lange slingeraap! Ik ben dus 'n framasson, 'n zatlap en 'n stoeffer!
--Wat wilt gij, Mijnheer Snepvangers, ik begrijpt u niet, verweerde de slungel angstig.
--Wij zijn nu onder vier oogen, niemand ziet ons, span nu maar een proces in zonder getuigen, deugniet, sjamfoeter, vuile jezuiet!
Snepvangers moest telkens opwippen om met zijn vuist te kunnen bonken op de tronie van den lange. Jammerend probeerde deze zich los te rukken, maar de kandidaat hield wraakgierig vast, wipte maar en bokste op neus en oogen tot hij hijgend niet meer kon. De slungel griende.
--Zoo tem ik de gazettenmannekens, triomfeerde Snepvangers, zeg na maar gerust aan de andere sloebers wat zij van mij verwachten kunnen, en zeg dat ik mijn botten vaag aan die smeerlappekens! En als zij niet oppassen dan wordt ik nog framasson! Slaap wel en droom van zoetekoek! Maar in de spaarmaatschappij vliegt ge zeker buiten ...
Hij liet zijn slachtofter in den steek. Niemand had het gezien en niemand kon getuigen! 't Zal morgen 'n schoone jongen zijn, peinsde hij. Zegevierend kwam hij thuis waar de vrouwen, die ook de gazet gelezen hadden, angstig op hem zaten te wachten. Aan zijn kneukels kleefde bloed.
--Arme Papa, kreet Marieken, en hebben zij u daarbij nog willen vermoorden!
--Maar Snepvangers toch!
--Ik heb den deugniet zijn zaligheid gelezen achter den hoek, morgen loopt hij gelijk 'n karnavalzot met twee blauwe oogen, en hij kan mij niks, want hij heeft geen getuigen! 't Is de secretaris der spaarmaatschappij die mij dat gelapt heeft.
--Maar, Snepvangers, wat zullen de menschen denken van zoo in de gazet te figureeren, en dan nog vechten op den koop toe...
--En dan over _De Gaper_, snikte Marieken.
--Van 't vechten zal hij wel zwijgen en dan weet niemand iets... en de gazet dat is politiek, dat is maar comedie!... In de politiek moet ge filosoof zijn, en 't is niet zoo gemakkelijk om in den Gemeenteraad te komen.
--'k Wou dat de kiezing maar voorbij was!
--Ik ook, beaamde Marieken en zij dacht aan haar huwelijk.
--Ik ook, zuchtte Snepvangers terwijl hij zich het bloed van de hand wiesch.
De verdierenpikker en de President, in het geheim der tuchtiging ingewijd, verkneuterden zich van plezier. In hun brieventesch bewaarden zij het uitknipsel der gazet. Zij herlazen menigmaal het relaas van het voorval verschenen onder de rubriek _Stadsnieuws_:
"Gisteren avond was onze getrouwe medewerker A.S. het slachtoffer van een bandietenaanval. De lafaard mishandelde en kwetste onzen vriend zoodanig dat hij er bedlegerig van is. Politie was natuurlijk weer niet in den omtrek. Onder de regeering der mannen van "licht, immer licht" heeft onze stad niets meer te benijden aan Parijs en zijn apachen. De kiezers moeten er paal en perk aan stellen!"
Terwijl de kiesstrijd in volle hevigheid woedde, zorgden de dames voor den uitzet der kinderen. De mannen waren niet te spreken zoodat de moeders vrij waren alles naar eigen smaak te bedisselen. Antoine en Marieken gingen vrijend wandelen in den valavond, zoohaast de winkeldrukte voorbij was. In den loop van den dag wipte Marieken, dikwijls, onder een of ander voorwendsel, in _De Gaper_ binnen. Zij was verzot op drop, snoepte regelmatig aan den bokaal "jappekens", in de buurt als de beste befaamd. De reuk der specerijen, gedroogde kruiden en verfstoffen was haar haast reeds een behoefte geworden, en zij snuffelde in kasten en schuiven, in bakken en vaten. Den winkel, den aantrekkelijken winkel wou zij leeren, zij telde de dagen af die haar nog van het oogenblik gescheiden hielden dat zij de klanten zou te woord staan. Zij liet de moeders maar betijen; wanneer zij eenmaal bazin in _De Gaper_ was, dan zou zij alles wel naar eigen zin inrichten. In zijn drogerij was Antoine ernstig, een bijdehandsche winkelier.
Den vooravond der verkiezingen werden de laatste woorden aan de kiezers per post verzonden of nog in de brievenbussen gestopt. Een kort en bondig woord: "Wie zijn eigenbelang bemint en de groote concurrentie wil kapot maken, stemt onder Nr. 3!" De teerling was geworpen. Dien nacht sliep Snepvangers niet. Zeer vroeg stond hij op, trok zijne nieuwe redingote aan om zijn burgerplicht te gaan vervullen. Overal waren de muren bedekt met plakkaten, op de voetpaden nabij de kiesbureelen waren de strijdcijfers geschilderd, aan de deuren stonden de reclamedragers met een "Stemt onder Nr..." Na zorgvuldig zijn kiesbriefjes bewerkt te hebben ging hij een pintje drinken.
De roes der laatste weken viel weg wanneer hij zoo rustig achter eene herbergtafel zat. Ja, hij was vermagerd onder de zenuwachtige opwinding, en voor geen geld wou hij de geschiedenis opnieuw beginnen. Zou hij nu gekozen zijn? In geval het hem tegenviel zouden zijne vijanden niet weinig lachen! Anders kwam er weer een serenade met brabançonne, dan het huwelijksfeest, daarna de vergadering van den Gemeenteraad waarin hij den eed zou afleggen. Aan tafel praatte hij opgewekt en onbekommerd met Antoine en Marieken, met Madame Craen en zijn vrouw. Maar de tijd viel hem lang. Hij verlangde naar en vreesde de komst van den President om den uitslag te kennen, 't Werd avond en de stemming een beetje gedrukt. Dan klonk de huisschel onzeker, 't Is mis, peinsde Snepvangers. Beschroomd stonden President en verdierenpikker voor hem. Hun begrafenisgezichten waren welsprekend.
--Wij zijn helaas geklopt, fluisterde de President.
--Wij moeten den volgenden keer herbeginnen, beweerde de verdierenpikker, de kiezers werden misleid, zij hebben hun belang niet begrepen... En de anderen hadden gazetten!
--De kiezers zijn stommerikken, oordeelde Snepvangers die zijn luchtkasteelen zag ineenstorten, er is niks mee aan te vangen... en daar heb ik mij voor opgeofferd, mijn tijd, mijn centen en mijn ambitie in gesteld, mij door de goot laten sleuren! ...
--Ja, wij hebben er ons voor opgeofferd, getuigden ook de vrienden.
--Schreeuw niet, Marieken, 't is allemaal niks... ik vaag er nu toch mijn botten aan... 't Is nu gedaan met de politiek... Ik trek er uit... Ik geef mijn ontslag aan al de maatschappijen... dat zij het karreken maar zelf kruien, ik ben het beu... ik zet geen voet meer op de vergaderingen... ik ga rusten en van het leven profiteeren... 'n mensch is zot zich muug te maken voor al die vodden... De politiek is een smerige komedie, en ik wil geen komedie spelen in mijn ouden dag!... Ik ben er mager van geworden... Wij gaan nu samen een lekker glas wijn drinken in familie, om te toonen dat wij niks geven om hunnen Gemeenteraad... Antoine, jongen, als ik u 'n goeien raad mag geven, doe dan nooit aan politiek... 't Is puur zottigheid! De wereld wil bedonderd worden, awel voor mij is 't ook goed... En, Marieken, dat bad wil ik ook niet meer in mijn huis... ik heb mij nooit in een bad gewasschen en ik zal het zeker nu nog niet doen, ik geef het u cadeau in uw huishouden... en ik blijf van den ouden eed en wasch mijn voeten in een tobbeken!... Mama, haal maar een lekkere flesch op, ik ben blij dat alles voorbij is!... Niemand sprak de wrevelige rede tegen, vrucht van ondervinding en ontstemming.
En zoo werd de verloving nogmaals gevierd, en de rust gehuldigd, die voortaan in het gezin zou heerschen.
Wanneer de gasten uitgeleid werden en in leutige opgewektheid afscheid namen, hoorden zij in de verte schorre stemmen weergalmen. Hij voelde zelfs geen bitterheid meer bij het kiesliedje der overwinnaars: "Van 't ongediert der papen, verlost ons vaderland?"
HOOFDSTUK III.
WIJSHEID EN LEVENSKUNST.
Marieken was met pralende plechtigheid getrouwd om de geburen en kennissen te doen biskeeren. De zingende mis in St.-Jacobskerk, het orgelmuziek op het Stadhuis en het Bruiloftsfeest bij Weber hadden heel wat opschudding verwekt en het aanzien der familie Snepvangers weer hersteld, dat door het mislukt kiesavontuur gedaald was.
Wanneer de wijnroes was opgeklaard, hernam Snepvangers zijn rustig renteniersbestaan. Madame, in eeuwige ongedurigheid, dribbelde in huis rond of winkelde in de buurt.
's Zondags dineerden zij met de familie Craen bij de kinderen. Heimelijk zonden beide moeders een en ander om de dischkaart een fraaier uitzicht te bezorgen. De winterzondag-namiddagen werden met lekker eten en drinken, in famillie-gezelligheid, doorgebracht.
Het jonge paar had, voor het oog der menschen en omdat men toch een huwelijksreis moet doen, enkele dagen te Brussel doorgebracht. Daarna werd Mariekens blanke bruidstooi voorzichtig in een koffer geborgen, haar bruidskrans en ruiker onder een glazen stolp, op de schouw der slaapkamer te prijken gesteld, en Marieken nam haar plaats in achter den toog der drogerij op de Torfbrug. De oude meid liet zij baas in de keuken, de winkelknecht verontrustte zij niet in kelder of magazijn. Zij regeerde dus met wijsheid, en troonde naast Antoine met groot zelfgenoegen. De uren vlogen voorbij met het gerammel op den beiaard van Onze-Lieve-Vrouw-toren, 's Maandags ging zij in den namiddag met de moeders op boodschappen uit; 's Woensdags woonden zij de avondconcerten in den Dierentuin bij; Vrijdag morgen gaf als afwisseling het druk geloop van buitenlieden in de drogerij tot het beiaardspel van twaalf uur verpoozing bracht; de Zaterdag werd besteed aan schoonmaak en de rustdag volgde dan met groote eetpartij.
Snepvangers had woord gehouden, zich teruggetrokken uit het vereenigingsleven. Craen bleef President van den Bond der Neringdoenden en verweet zijn vriend de verregaande onverschilligheid tegenover de openbare belangen. Maar Snepvangers, openlijk gesteund door zijn vrouw, was niet van zijn stuk te brengen. Met den verdierenpikker was het haast tot een breuk gekomen daar deze aan hetzelfde zeel trok met den President. De critiek van een ouden vriend kan men natuurlijk minder dulden! Hij vergaf daarbij zijn kameraad niet hem in dat spoor te hebben gevoerd, ontmoette hem nog slechts in de herberg om den wille van het kaartspel.
Hij schiep groot behagen in zijn schoonzoon die, 's Zondags na het eten, nooit naliet uit te pakken met zijn wetenschappelijken ballast te Leuven opgedaan. Antoine noemde zijn kruiden met hun latijnsche namen die Snepvangers niet onthouden kon. Hij sprak over sterrekunde en delfstoffen, over scheikunde en filosofie.
De geneeskunde was hem niet vreemd, zijn zalf tegen brandwonden, eigen uitvinding, vond wonderlijk veel afzet. En hij peinsde, hij peinsde maar door op nieuwe uitvindingen, middelen om het menschdom te helpen en zijn inkomsten te verhoogen. Om op de hoogte te blijven der jongste wetenschappelijke gegevens, las hij geregeld populaire tijdschriften, want in zijn vak was er voortdurend nieuwigheid en vooruitgang.
De belangwekkende beschouwingen werden gewoonlijk in den winkel gehouden. Marieken bewonderde haar echtgenoot en snoepte onderwijl drop, de dames Kauwden jujube, en de heeren rookten hun sigaar. Antoine ploos zijn geitenbaardje, zijn gelaat stond ernstig en zijn woorden klonken beslist en doctoraal. Het was verbazend vreemd voor Snepvangers en Craen die gretig luisterden, wat de dames niet deden. Marieken knikte telkens alsof zij het fijne van de zaak verstond.
--De zon wordt kleiner, verzekerde eens Antoine.
--Maar jongen wat ge nu zegt, schuddebolde zijn vader.
--'k Heb het altijd gepeinsd, bevestigde Snepvangers diepzinnig, de zomers worden korter.
--De zon wordt dagelijks ouder, orakelde Antoine die zich door geen onderbreking liet afleiden, de zon neemt af en verliest in warmte.
--Precies zooals ik gedacht heb, zei Snepvangers, deed een zware haal aan zijn sigaar en blies kwaadaardig een rookwolk op.
--Zij verliest haar zelfstandigheid, ja zij verliest haar zelfstandigheid en vermagert, als ik mij zoo doodgewoon mag uitdrukken, zij vermagert door ons haar stralen toe te zenden! De geleerde J. Bosles,--er klonk eerbied in zijn stem--heeft berekend dat de zon elk jaar door uitstraling een gewicht van 18 maal 10.20 gram verliest...
--Dat moet een cijferaar zijn, betwijfelde de President.
--Met andere woorden, hield Antoine vol, in dertig millioen jaren zal de zon een hoeveelheid stof uitgestraald hebben die gelijk is aan de aardmassa.
--'t Is kolossaal, bedacht Snepvangers en hij voelde dat Antoine hem doordringend aankeek.
--Ja Papa!... Als nu de zonnemassa vermindert, dan wordt haar aantrekkingskracht kleiner: de aarde, minder sterk door haar aangetrokken, moet minder snel van het aphelium naar het perihelium afdalen en minder snel van het perihelium naar het aphelium opklimmen!... De duur van deze dubbele beweging, met andere woorden het sterrekundig jaar, moet langer worden.
--Zoo is 't Antoine, M. Boskes heeft gelijk, ik ben er zeker van, gaf de President toe, verheugd dat de uitleg voorbij was.
--Ik versta niks van ofelium en perium, bekende Snepvangers schuchter, maar ik wil u wel gelooven op uw woord... maar hoeveel langer moet volgens u het sterrekundig jaar wel worden?
--Elk millioen jaar, en hij lei den klemtoon op millioen, elk millioen jaar zes seconden.
--'t Is niet veel, meende Snepvangers teleurgesteld, en dan moeten wij er ons nog niet ongerust in maken, wij hebben nog al den tijd...
--Laat ons maar liever gaan soupeeren in plaats van daar den kop mee te breken, stelde Madame Craen voor.
--De vrouwen hebben geen verstand van wetenschap, misprees Antoine.
--Neen jongen, troostte Snepvangers. Terwijl zij eens aan een goudbruin-gebraden kip peuzelden, lei Antoine eene echte geloofsbelijdenis af:
--Wat is een mensch tegenover het heelal?
Bedenkelijk vaagde hij de vettige vingers aan zijn servet; hmde genoegelijk en bekeek strak zijn schoonvader.
Snepvangers verschrok, liet het kippen boutje, waaraan hij zoo blijhartig te kluiven zat, terug in zijn bord vallen, loerde bedeesd naar zijn teljoor en vond in zijn bedremmeling geen antwoord. Met zijn plakkerige hand streek hij zich over zijn kort-grijs stekelhaar, voelde aller oogen op hem gevestigd.
--Ja, wat is een mensch tegenover het heelal?
--Niet veel, waagde Snepvangers en wou zijn boutje weer vastgrijpen.
--Neen, niks, Papa, niks, absoluut niks, klonk vernietigend het betoog uit den mond van den drogist, zoodat Snepvangers de hand van het kippenboutje aftrok.
--Dat is wat straf, Antoine, verweerde hij zich.
--Neen, niks, niks, niks! Een korreltje zand in de woestijn, een druppel water in de zee... een molecule...
--Watte?
--Een molecule, dat is de kleinste denkbare hoeveelheid stof die op zichzelf kan bestaan!...
--Toch iets meer, Antoine, toch iets meer, hield Snepvangers, rood van ontroering, vol, nu ben ik het niet akkoord.
--Ha, ik weet wat ge zeggen wilt, zegevierde de drogist, ge wilt zeggen dat wij een ziel hebben, dat wij redelijke schepselen Gods zijn! ...
--Ja, stemde Snepvangers direct in, gelukkig dat hij zich aan dat argument kon vastklampen, en hij greep weer naar zijn bord, ja Antoine.
--Maar dat is een ander kwestie... ik ben het met u eens op dat punt... maar gesproken volgens absolute stelling, onder wetenschappelijk oogpunt beschouwd, zijn wij tegenover het heelal niet meer dan een mier, een zandkorrel of een druppel regenwater!...
Snepvangers voelde zich angstig onbehagelijk, hij begreep niet waar zijn schoonzoon heen wou met zijn smakelijk gepeuzel te onderbreken.
--Wetenschappelijk mag dat waar zijn, antwoordde hij gebelgd maar waardig, doch 'n mensch is geen mier, 'n mensch is een mensch!.. Ja een mensch!... Geen regenwater!... Hij is naar God geschapen!... Zoo is 't! ... De geleerden kunnen ons wijs maken wat zij willen!... Ik blijf bij het geloof, Antoine.
--Maar Papa toch, kreet Marieken.
--Papa heeft gelijk, koos Madame Craen partij.
--Wij moeten tot stof vergaan, probeerde Madame Snepvangers te verzoenen.
--Mama begrijpt mij, draaide Antoine bij. Hij had de tafel vergeten en zag niet in waarom de fraaie, wetenschappelijke bespiegeling niet beviel. Ja, wij moeten helaas tot stof vergaan.
--Ja, dat is zoo, gaf Snepvangers toe, in het besef dat er een eind moest aan komen.
--Ja, rotten moeten wij allemaal, verzekerde ook Craen.
--Papa heeft me verkeerd begrepen, ik ook verbind de wetenschap aan den godsdienst... geloof sluit geen wetenschap uit...
--Ja, 't is wat te zeggen in de wereld, gaf Snepvangers nu berustend toe en begon ditmaal opnieuw te kluiven. Het woord molecule moet ik onthouden, dacht hij, terwijl hij wat appelmoes op zijn bord nam.
--Ik ben neo-thomist, speelde Antoine onverstoord uit.
--Een neo-thomist? vroeg Marieken benauwd.
--Die partij ken ik niet en wil ik niet kennen, weerde Craen zich.
--Gelooven die dat we van de apen afstammen? Vroeg Snepvangers bekommerd, maar bleef voortpeuzelen.
--Dat kan niet, zei Madame Craen angstig.
--Ik wil van geen apen afstammen, weigerde Marieken.
--Neen, maar zij oordeelen... Darwin...
--Och dan is het goed, Antoine, besloot Snepvangers onverschillig, en nam nog een stukje van de borstkas, dan zullen ze wel gelijk hebben.
--Snepvangers, ik geloof dat het nu een goed oogenblik is om petrool-fondsen te koopen... die gaan stijgen, man!
Hierdoor gaf de President het gesprek een andere wending, want hij ook was bevreesd voor de wetenschappelijke invallen van zijn zoon. Hij had verschrikkelijk veel geleerdheid opgedaan, doch Craen sprak liever over koetjes en kalfjes zooals het een gewoon, ordentelijk man past. Antoine benuchterd, liet zijne benarde zaak in den steek, daalde af tot de gemeenschap en sprak over fondsen en beurskoersen.
Snepvangers bewonderde de kundigheden van zijn schoonzoon, maar was toch tevreden, na de zondagsche hoogvliegerij, weer zonder inspanning te kunnen praten met geburen en herbergvrienden.
Tot zijn overbuur voelde hij zich bijzonder aangetrokken. Zoohaast het weer eenigszins beter werd, liet hij 's morgens vroeg zijn spitsken weer de dringende wandeling doen in de straat. Hoe vroeg hij ook opstond, steeds lag de man uit het kousen winkeltje aan den overkant, met gekruiste armen over de halfdeur te loeren en riep hem, immer welgemutst een goeden morgen toe. Hij dampte uit zijn goudsche pijp en hield den steel tusschen de dikke worstvingertjes geklemd. Steeds spuwde hij regelmatig, met pletsend geluid, juist op den kant van het voetpad voor zijn deur. Ssnepvanger kende hem sedert lang als een zwaarlijvig wezen, van gelijkmatig humeur. De vrouw regeerde in den kousenhandel. De baas mocht de vitrien wasschen en de uitstalling van kousen, roode snuifzakdoeken, sajet en garen onderhouuden, soms een boodschap doen uit visschen gaan of bij zijn duiven zitten op zolder. In zijn vrije oogenblikken lag hij maar altijd over de halfdeur te rooken en te spuwen. Snepvangers die jaren de welvarende nering kende, vermoedde wel dat het koppel dikkerds er warmpjes in zat. Zij leefden afgetrokken en vergenoegd, de man wist dat de vrouw de broek droeg, maar 't verhinderde hem niet vermits hij op tijd zijn natje en zijn droogje had. Het huisje was nog antieker dan zijn ouderwetsche bewoners, al was het trapgeveltje weggebroken om plaats te maken voor een kroonlijst. De halfdeur was gebleven om overbuur van zijn gemakje niet te berooven.
Het bleef bij wederzijdsche beleefdheid. Snepvangers had maar gaarne geweten wanneer overbuur opstond; hij deed heimelijk zijn best om eens voor hem te zijn, doch steeds lag de vent, die hem mogelijk doorzag, reeds rustig te rooken en groette hem met een welwillend gegrinnik. Hij slaapt niet, oordeelde Snepvangers, er zijn menschen die niet slapen kunnen omdat zij wat op den lever hebben. Maar het geweten van den man zou wel door niets bezwaard zijn, hij was steeds te vergenoegd. De duiven zullen hem wekken, veronderstelde hij, hij zal juist onder het duivenhok slapen. Hij moet een droge keel krijgen met al zijn speeksel zoo te vermorsen, bedacht hij verder. Nooit had het doen en laten van een mensch zoozeer zijn belangstelling gewekt. Aan de koffietafel zelfs praatte hij over de eigenaardigheden van den buurman, over zijn spuwkracht. Nooit ontvingen de menschen uit het oude kousenwinkeltje bezoek, vertelde Madame, de vrouw, het mafkoeiken, zei geen schamel woord meer dan noodig was in de winkels, en rijk waren zij gewis, want ook het huisje was hun eigendom. Propere, stille menschen, die jaarlijks hun geveltje laten schilderen de deur in eik zetten! Op een voorjaarsmorgen, de zon koesterde reeds warm den spinnenden, grijzen kater vóór het huis van Sander, bood zich de gelegenheid om nader kennis te maken. Spitsken joeg in lente-overmoed achter de poes, die over de halfdeur naast het hoofd van haar meester wegsprong. Snepvangers stak de straat over en zocht zijnen hond te verontschuldigen.
--Dat doet hij anders nooit, Sander.
Neen, schuddebolde de kousenvent, maar hij zei geen woord, verbluft door den plotsen aanval. De mogelijkheid van een gesprek met Snepvangers te voeren had hij nimmer bedacht. Onthust staarde Snepvangers in den klaren hemel, Sander vergat te rooken.
--Schoon lenteweer, teemde Snepvangers.