Part 3
Van dat oogenblik af werd het leven voor Snepvangers vol belangrijke vraagstukken en tijdroovende bezigheden. Madame kon alleen over de kuren van haar dochter nadenken en het heilmiddel opsporen. Spoedig was hij zijn propagandavocabulaar meester, en met den verdierenpikker was hij een ijverig ronselaar voor nieuwe partijgenooten. Menigmaal gebeurde het nu dat de zachtmoedige, vredelievende Snepvangers in geweldige herbergtwisten gemengd werd. Drukker bezocht hij zijn herbergen en wanneer hij dan, een beetje zwaar van bier, rook en welsprekendheid naar huis toog, kwam soms wel zijn rustig gemoed in opstand, doch telkens dacht hij aan den gemeenteraad.
Om in breederen kring de aandacht op "zijnen" Bond te vestigen liet hij zich als eerelid opnemen in de onpartijdige fanfarenmaatschappij "De Broedermin". Een paar dagen later werd hij eerevoorzitter van een Vogelpikvereeniging in de buurt "De Lustige Pikkers" en van de tonmaatschappij "De Moedige Spelers", nam het voorzitterschap aan van "De Gezworen Spaarders", liet zich afgevaardigde kiezen van een duivenkring in het "Algemeen Verbond" en ondervoorzitter der liefdadige vereeniging "Nood baart Troost".
Dat kostte slechts pinten, goede woorden en centen. De uitslag was schitterend. Madame, die niet erg ingenomen was met de nieuwe levensinrichting, werd overbluft en stormenderhand gewonnen.
Bij fakkellicht werd het nieuwe eerelid door zijn fanfare een serenade gebracht, en afgevaardigden van de verschillende vereenigingen, hiertoe door den verdierenpikker aangezet, brachten complimenten en bloemen. Madame was ontroerd door het onverwachte.
Marieken gloeide van trots en Snepvangers stond met milde eenvoudigheid te genieten van dit voorsmaakje der toekomstige glorie. Hij trakteerde op wijn de afgevaardigden die zich in het salon en de eetkamer verdrongen, liet de muzikanten in de kroegen der buurt drinken op zijn kosten. Redevoeringen prezen zijne liefdadigheid, zijn zin voor kunst en muziek, zijn burgerdeugd en zijn liefde tot het volk, zijn vaderschap en zijn goedheid.
Tegen zooveel beeldsprakige ophemeling voelde hij zich niet bestand, het verteederde hem en hij geloofde in zijn eigenwaarde. Hij gaf een wenk aan den President van den Bond en aan den verdierenpikker die de glazen volschonk als trouwe regisseur van het spel.
"Mijne heeren, zei hij, het glas beeft mij in de hand bij zooveel sympathie die mij betuigd is geworden... Ik kan het niet zoo met stadhuiswoorden zeggen, maar 't komt uit mijn hart, onze stad heeft onafhankelijke mannen noodig om te strijden tegen bazars en cooperatieven, tegen Tietz en bakkerijen die het brood stelen uit den mond van den neringdoende!...
"Ik verklaar volmondig fier te zijn als lid van den Bond der neringdoenden waarvan de President mij de eer aandoet aanwezig te zijn op deze betooging die niet mij, maar onze heilige princiepen treft... Dank, vrienden, dank... 't Is een steun in den strijd die mij zal aanzetten om nog meer te vechten... Ik bedank u allemaal uit den grond van mijn hart, vooral den vriend die ik jaren ken en die mij den weg gewezen heeft naar den Bond!... Mijne heeren, nog eens op de gezondheid. Leve de neringdoenden! Leve de burgerij."
Uitbundig werd hij toegejuicht tot buiten de Brabançonne weerklonk.
--Hij heeft het goed gelapt, fluisterde de President tot den verdierenpikker, 't is een schoone propaganda-avond. Toen in de verte de muziek wegstierf en het rumoer in de straat opgehouden had, zat de familie nog, stil van opgetogenheid, te luisteren onder het gaslicht. Madame kloeg niet eens over het bevuild tapijt noch over den mildgeschonken wijn. Marieken kwam het eerst tot de werkelijkheid terug, draaide de overbodige lichten uit, nam de glazen weg.
--Wij moeten den President onze klandisie gunnen, oordeelde Madame.
--Ja Papa, steunde Marieken.
--Maar wij hebben niks noodig, de dakgoten zijn in orde!...
--Wij moesten een bad koopen, een bad hebben al de rijke menschen.
--Een bad?
--Een bad, herhaalde ook de verbaasde Madame, en voor wat? Wat zullen wij daarmede aanvangen, en waar zullen wij het zetten?
--Wel, Mama toch, op de kamer boven de keuken.
--Maar wat zullen wij met een bad doen? Pleitte Snepvangers.
--Wel, ons wasschen, Papa!
--Ik wasch me alle dagen kind, maar in een bad, denk eens na!
--Een toekomstig gemeenteraadslid die geen bad in huis heeft... de menschen moesten het weten.
--Ja daar is toch iets voor te zeggen, Snepvangers.
--Maar Mama, dat kost veel geld.
--Die over den hond kan, kan over den staart... Wij zullen eens naar den President gaan kiezen.
's Anderen daags trokken de moeder en de dochter naar de Melkmarkt, De President was niet thuis, maar zijn vrouw, een pronte, zwaarlijvige en praatlustige vrouw ontving. De serenade was haar stokpaardje. Haar man had er niet kunnen over zwijgen, en Craen was niet makkelijk. Zij kende de dames van in de Zoologie te zien, en Marieken had ze altijd zoo'n aardig meisje gevonden. Het gezellig gesprek werd in den winkel gevoerd. Madame Snepvangers zat in een ziekenstoel, Marieke op een tentoongesteld porceleinen kuipje met mahoniehouten deksel. Madame Crean leunde tegen een badkuip en zag zich weerkaatst in den ovalen spiegel van een lavabo.
Toen het onderonsje gestoord werd door winkelbezoek had men nog geen badkuip gekozen, niet eens bekeken. Volgens afspraak zou men den volgenden Zondag op koffievisiet komen met Snepvangers. Er was geen haast bij, en de man moest maar meekiezen.
De familie Snepvangers genoot de ongewone ontroeringen van nieuwe betrekkingen en verrassingen. Het leven had gebeurtenissen. De politiek bood zeer aardige uitzichten, ook voor de dames. Slechts een ding werd opgeofferd op het altaar der neringdoenden: het prettig kuieren en winkelen bij Tietz.
Zij togen dus naar de Melkmarkt en werden luidruchtig verwelkomd door den stevigen loodgieter en zijn gade. De President voerde het gezelschap in het salon boven den winkel, waar men op rood-fluweelen stoelen rond de koffietafel plaats nam. Terwijl men boterkoekjes en krentenbroodjes naar binnen werkte en ontelbare kopjes koffie dronk, zoodat de meid tweemaal moest opschenken, vertelde Madame Craen haar levensloop. Zij waren kleintjes begonnen. De President deed toen zelf de karweikens op de daken, maar 't was hen mee gevallen, hun eenige zoon hadden zij in een floreerende zaak geplaatst nadat hij gestudeerd had voor apotheker-drogist. Zij bleven maar in d'affaire uit gewoonte en uit schrik dat zij het rentenieren niet zouden gewoon worden.
--Ja, dat hebben wij ook ondervonden... en wij waren naar buiten gaan wonen.
--Spreek mij van geen buiten. Madame Snepvangers, ik ben er bang 's avonds.
--Wij waren ook blij terug in de oude buurt te zijn, en voor Marieken was het ook te triestig!
--Natuurlijk, een jong meisken!... Seffens komt onze jongen een goedendag zeggen, en dan is er zoo wat jonkheid bijeen... In zijn affaire kan hij zoo moeilijk weg ... ge weet wel _De Gaper_, op de Torfbrug, bekend om het vliegenpapier ...
--Och zoo, dat is uw zoon! Marieken, daar koopen wij onze borstels en opneemvodden.
--Ja, onze jongen is werkzaam en braaf, maar ... zoo'n toonbeeld moest een vrouw hebben, ook voor d'affaire. Maar hij zegt geen tijd te hebben om er een te zoeken, dat hij nog jong genoeg is ... hij is nu drie-en-dertig.
Nu de dames zwegen en peinsden na, luisterden naar de mannen, die in politiek verdiept, eikaars vernuft en wijs inzicht waardeerden.
--Zouden wij niet eens in den winkel gaan zien? stelde Madame Snepvangers voor.
Gedwee volgden de mannen, doch staakten geen oogenblik het onderhoud. Madame Craen noemde prijzen van badkuipen, waterketels, lavabos, gemakken, raamde de kosten van plaating.
De belangrijke mededeeling werd onderbroken door de komst van den drogist, een mager jongmensch met bleek gelaat. Hij had een scherpen neus, waarop een gouden bril zijn flauw-grijze oogen beschermde.
--Dat is nu onze Antoine..., het eenig kind dat over bleef van de vier .... Antoine, dat is de familie Snepvangers, waarover wij gesproken hebben.
De drogist zei hoe aangenaam het hem was te mogen kennismaken met de familie, pluisde onderwijl aan zijn vlasblond geitenbaardje.
De badkuip werd vergeten. Antoine had zijn winkel gesloten en bleef in den familiekring die, in het salon, den wijn van den President proefde. Marieken, na lang pramen, bespeelde de piano die anders nooit geopend werd. Het was er zoo gezellig dat de familie niet weigeren kon te blijven avondmalen. Men was reeds als thuis tusschen oude vertrouwde vrienden. De oude heeren zaten in hun hemdsmouwen, en hun hoogroode, glimmende gezichten knikten elkaar mild toe onder het gaslicht.
De drogist zong nu, begeleid door Marieken, met lichte tenorstem een paar fransche romancen. Plots gaf hij zijn Vlaamsch gezindheid lucht:
Zij zullen hem niet temmen, Den fieren Vlaamschen leeuw, Al dreigen zij zijn vrijheid Met kluisters en geschreeuw...
Het begeesterd gezelschap zong het refrein mee. Maar na den ernst kwam de losgelaten leute, die de ouderen lang vergeten strophen in het geheugen riepen uit den tijd toen zij ook nog zongen of luisteren gingen naar de zangers in de zanglokalen aan de Werf. De president viel in met:
"Vaarwel, schoon lief, de tambour slaat, vaarwel, ik word soldaat."
Snepvangers kende slechts
"Er is gebeurd bij den pastoor van Heylen, een wreede moord, een groote schelmerij."
Madame Craen zong sentimenteel
"Wat was zij schoon, de blonde maagd, in 't blanke balgewaad."
en Madame Snepvangers won den bijval met het guitig-onfatsoenlijke:
"Want Sint-Nicolaas dat is een man Die al de meiskens troosten kan Hij brengt voor ieder verdriet of geluk Maar ieder meisken krijgt heur stuk!"
Verhit danste men hand aan hand rond de tafel en keelde
"Waar kan men beter zijn, dan bij de beste vrienden."
's Anderendaags was Marieken zeer teruggetrokken, en Madame voelde zich katterig, wat zij toeschreef aan de gebakken aardappelen en de te vette hesp!
Beiden waren een beetje verlegen met hun ongewone, dwaze luim van den vorigen avond.
Alleen Snepvangers gebaarde van niets, deed zijn dagelijkschen propagandatocht door de herbergen. Hij had andere katten te geeselen, werkte voor de partij die reeds met de aanstaande verkiezingen in het strijdperk zou treden. De loodgieter had hem nu zelf de stellige verzekering gegeven dat hij kandidaat zou gesteld worden.
* * * * *
Veertien dagen later ontving men het tegenbezoek, dat even prettig afliep. De President loofde de keuken van Snepvangers; nooit had hij zoo smakelijk Konijn gegeten. Antoine bleef in Mariekens nabijheid aan de piano. Madame Craen achtte Snepvangers een wijnkenner. Een lichte roes woog op allen en gaf het leven een rozig-leutig aanschijn.
--Ik heb onzen Antoine nog nooit zoo gezien, fluisterde Madame Craen.
--En Marieken dan... dat is de jonkheid, zuchtte Madame Snepvangers.
--Waar is onze tijd gebleven! treurde de loodgieter.
--Och, wij zijn ook nog kleppers, blufte Snepvangers, en klopte zijn zich verwerende vrouw op de knie.
Ook ditmaal liet de opwinding een beetje haarpijn achter, en Madame streek suf over de platte blessen. Zij was blij toen alles weer opgeredderd was en een kalmer uitzicht bood. Marieken liep neuriënd en bedrijvig rond en de rustelooze Snepvangers was reeds vroeg de baan op.
De zomerconcerten in den dierentuin brachten de vrienden geregeld samen. Het was een meer ingetogen verzet; de mannen hielden eindelooze redenaties over de verkiezingen en de middelen om _De Noodkreet_ overal te verspreiden; de vrouwen fezelden over het huishouden en over de menschen die rond hen zaten. Antoine en Marieken zwegen, luisterden aandachtig naar de muziek die versmolt met het geruisch der voetstappen van de rondwandelende meisjes over den kiezelgrond.
--Dat zoekt allemaal 'n vrijer, meende Madame Craen, dat loopt in de spitskar om zich te laten zien.
--Dat heeft Marieken nooit gedaan, weerde zich Madame Snepvangers.
In de pauze gaf Antoine zijn muziekbeschouwingen ten beste, de vaders bestelden een nieuw glas en vonden het lekker zitten onder de boomen. Na het concert werden de Snepvangers door hun vrienden naar huis gebracht. Antoine en Marieken liepen voorop, soms wel gearmd, gevolgd door de moeders, en op afstand door de politiekers.
Zoo liep de maand Juni ten einde. Doch toen gebeurde het dat Antoine aan Marieken voorstelde een eindje op te wandelen. In de oogen der ouders glom de nieuwsgierigheid al hielden zij het gesprek aan gang. Marieken voelde haar hart feller kloppen toen zij, onder de donkere boomen, waar een geur van wilde beesten en bloemen aanluwde, de helverlichte kiosk uit het oog verloor. Nabij de leeuwenzaal gingen zij op een bank zitten. Treinen floten langgerekt, de roofvogels krijschten in de verte en de woestijnkoningen brulden vervaarlijk in hun hokken.
Antoine plukte aan zijn geitenbaardje, wierp zijn sigaar weg, keek naar het stukje nachthemel dat zichtbaar was. Marieken had de handen in den schoot gevouwen,
--Marieken, aarzelde hij, wij zijn geen kinderen meer... Onze ouders zullen er niets tegen hebben... wij zijn van den zelfden stand... 'k heb 'n goede affaire en nog te verwachten, gij zijt een eenige dochter van welhebbende menschen en... ik zie u gaarne!
--Antoine!
In de verte begon de muziek opnieuw te wiegelen. Zij waren beiden bedremmeld.
--Ja, ik zie u gaarne, maar ik wist niet hoe ik het u zeggen moest ... ge zijt zoo 'n deftig meisken.
--Antoine toch!
Hij schoof nu dichter bij, lei zijn arm over haar schouders. Zij liet het hoofd tegen hem aanleunen, rilde alsof zij koorts had.
--En ziet ge mij ook gaarne? fluisterde hij, het gelaat dicht bij het hare zoodat de krullende haarkens boven de slapen zijn wang kittelden.
Haar oogen glansden, en zij voelde zijn warmen adem over haar wezen. Eindelijk was het gekomen waarvan zij als jong meisje gedroomd had.
--Ja, Antoine!
Hij zoende haar en zij kuste terug zonder nog te denken aan fatsoen. In zijn armen vergat zij ouders en concert.
---En wanneer trouwen wij?
--Als Papa in den Gemeenteraad zit... Dat zal de menschen niet weinig doen biskeeren.
Het publiek trok reeds weg toen zij de geduldig-wachtende ouders vervoegden.
--Awel jongen, wat hebt gij Marieken toch zoo te vertellen gehad? wierp de loodgieter op.
--En in den donkeren nogal, plaagde Snepvangers die het minst argwaan had.
--Dat zal ik seffens bij Mariekens' ouders verklaren, zei de drogist gewichtig.
--Maar 't is al zoo laat, Antoine, wacht tot morgen.
--Neen Mama!
In de eetkamer der Hobokenstraat deed Antoine aanzoek naar de hand van Marieken Snepvangers.
Madame schonk een glas wijn. Madame Craen zei nu haar levensdroom vervuld te zien, Craen toastte en Snepvangers zat verwezen te kijken naar de wondere Teniersmannekens op de deuren der eikenhouten buffetten uitgestoken. Nooit had hij dat zoo nauwkeurig bekeken. En Marieken ging trouwen zoohaast hij in den Gemeenteraad zou zetelen. Zijn kind ging zijn hhui verlaten, een eigen gezin vormen! Op haar beurt zou zij kinderen krijgen, misschien ziekten en tegenslag kennen! Maar Antoine was een goede jongen en kleinkinderen zouden een vreugd zijn voor hun levensavond.
Madame was blij dat zij niet langer moest nadenken over Marieken. Haar kuren zouden nu voorbij zijn, en de rust zou in huis heerschen. Het hoofd zou men neerleggen zonder angst dat het kind alleen achterbleef. Was Snepvangers nu maar wat minder ongedurig!
Onder het verteederd toekijken der ouders namen de verloofden afscheid.
* * * * *
Om het bedekt en openlijk vrijen der kinderen bekreunde Snepvangers zich niet.
De weken vergingen in bezoeken, vergaderingen, bijeenkomsten en herberggetwist. De strijd was reeds volop aan gang, in den Bond strijd om voorrang, buiten den bond strijd tegen de partijen. Onvermoeibaar stond hij op de bres van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Zijn persoonlijke meeningen had hij zoo goed het ging in een manifest uiteengezet. Antoine had het verbeterd, een sierlijken vorm gegeven zoodat het nu gerust kon gedrukt worden in _De Noodkreet_. De avond vóór de algemeene vergadering, waarop de kandidaten zouden worden aangeduid, verzekerde hem de President dat hij gerust mocht zijn over den uitslag. De verdierenpikker had de mannekens van de fanfare bewerkt, de vogelpik- en tonspelers, de spaarders en de vrienden van den armen gesproken. De echte neringdoenden zouden stemmen voor den onbaatzuchtigen rentenier.
Toch baande Snepvangers zich slechts met beklemd gemoed een weg door de propvolle zaal naar de tafel, waarachter het bestuur geschaard zat. De President knipoogde. Hij hield zijn gelaat in effen plooi om de inwendige ontroering te kunnen verbergen, maar hij zoog smakkend op zijn sigaar, en zijn blikken gleden over allen en zagen niemand. Hij luisterde niet naar het lezen van het verslag van den secretaris, naar de woorden van den voorzitter, naar de losgelaten welsprekendheid der andere kandidaten, die een voor een zich bij hun medeleden kwamen aanbevelen. Zijn zekerheid was hij kwijt, de vaste grond zakte onder hem weg en hij voelde zich hulpeloos tegenover de menigte in de zaal. Van zeer verre klonk het hem eindelijk uit den rook: Het woord is aan M. Snepvangers! Zijn aanhangers juichten hem toe. Dat stak hem een hart onder den riem. Met een woesten ruk wipte hij recht naar het verhoog, schonk zich een glas water, dronk, en toen weer stilte heerschte, sprak hij met gloeiende overtuiging:
"Medeburgers!
"Op dit plechtig oogenblik dat gij komt te kiezen tusschen uw mannen die uw belangen zullen gaan verdedigen in den Gemeenteraad, zal ik zeer kort zijn en geen lange redevoeringen uitspreken... Ik ben geen advokaat, maar ik weet wat de burgerij en de neringdoenden toekomt. Wat ik in het verleden geweest ben dat zal ik ook in de toekomst zijn! Ik ben tegen bazars en coöperatieven, ik wil ze belasten zoodat de kleine burger niet meer failliet zal gaan met te willen concureeren. Uwe belangen zijn zoo treffelijk als die van het werkvolk, waar zooveel voor gedaan wordt. Ik wil mij opofferen voor de zaak! Als onafhankelijk man zal ik uw intresten verdedigen. Ge kunt lezen wat ik in _De Noodkreet_ geschreven heb... Bij mij is het niet te doen om op de kussens te zitten, mijn princiep is: Leven de Neringdoenden!"
Onder uitbundig gejuich verliet hij het podium, drukte handen, ontving gelukwenschen. Van dat moment af en voor altijd wist Snepvangers wat hij voor had op den gewonen sterveling: hij was een spreker! Hij was direct vergeten dat zijn hart geen boontje groot was vóór de begeestering over hem kwam! Het baarde hem geen verwondering, met groote meerderheid, te worden aangeduid naast acht andere kandidaten. De partij zou met een onvolledige lijst optreden, berekend naar de omstandigheden en naar de stemming onder de kiezers. 's Morgens aan de koffietafel feliciteerde hem Marieken.
--Nu zullen de geburen het gauw weten, Papa.
--Het kan niet anders, kind, oprecht, ik ben niet rap content over mezelf, maar ik heb gisteren avond goed gesproken.
--Snepvangers, zei Madame, ik heb er over nagedacht, nu ge kandidaat zijt, zult ge uw rang moeten ophouden.
--Dat spreekt!
--Ja, en daarom zoudt ge maar alle dagen uwe redingote moeten dragen, dat staat zoo deftig!
--En 's Zondags dan?
--Ge laat er 'n nieuwe maken bij een anderen kleermaker... dat zijn weeral stemmen.
--En 'k zou mijn buis maar dragen, Papa.
--Alles behalve dat... zij is voor 's Zondags en blijft voor 's Zondags... maar ge moest nog eens aan het bad denken dat, met al die stroebeling, in den vergeethoek is geraakt.
--Ja, Papa.
* * * * *
Drukke dagen volgden. Met den verdierenpikker, de leden van het bestuur en de andere kandidaten schreven zij adresbanden om _De Noodkreet_ te verzenden, bezochten winkeliers, herbergiers, beenhouwers, bakkers, kleermakers en andere neringdoenden, menschen die niet bij den bond waren aangesloten. Ook onder de leden zelf moest het heilig vuur onderhouden worden, want de tegenpartijen vielen hen reeds aan in eigen kamp.
Snepvangers vermagerde zichtbaar van inspanning, onrust en slapeloosheid. Laat duurden de vergaderingen waar plakkaten en vlugschriften werden opgesteld, kiezerslijsten uitgeplozen en stemmen berekend. De secretaris, een gewezen onderwijzer, wiens ambt betaald werd, gaf uitleg over de kieswet, leerde hen wat zij te doen hadden als getuige in de kiesbureelen en cijferde de ingewikkelde kansen na om de kandidaten gekozen te zien.
Toen Snepvangers hun lijst op de aanplakplaatsen in de stad zag prijken, en zijn eigen naam en al zijn voornamen las, toen oordeelde hij de kansen gunstig. De lijst hing naast de roode der socialisten, de blauwe der liberalen, de driekleurig omkranste der katholieken.
De politieke strijd begon thans voor goed. Meetings zouden zij niet houden, vermits zij niet op de massa maar wel op de eigen standgenooten steunden. De dagbladen mengden zich in 't gevecht met al de klem en de kracht van het gedrukte woord. Snepvangers las alles en raakte soms de kluts kwijt, werd haast wanhopig onder de aantijgingen tegen menschen die, al waren zij niet van den bond, hem toch eerbiedwaardig schenen. Zijn simpele ziel duizelde onder het schelden en bezwadderen, hij had nooit zooveel kwaad in de wereld vermoed, en hij begreep niet dat journalisten zoo wat durfden te schrijven. De mannekens der eigen partij werden opgehemeld, alle deugden en bekwaamheden hun toegeschreven. De verdierenpikker moest hem steunen in zijn moedeloosheid.
--Dat is politiek, Snepvangers, politiek, anders niks... Geloof niet dat zij dat zelf meenen... Zij zijn er voor betaald juist gelijk onzen sekretaris... Als de kiezing voorbij is spelen zij weer samen smousjes op 't Groenkerkhof in hun café, en de mannen die in den gemeenteraad zitten van de verschillende koleuren zijn dan weer dikke vrienden.
--Neen, maar zoo versta ik het niet!
--Gij zijt 'n brave vent, Snepvangers, en neemt dat veel te serieus op... Ze spelen allemaal komedie in de politiek... Trek het u vooral maar niet aan wanneer ge vandaag of morgen door 't slijk gesleurd wordt.
--Ik doe een ongeluk als er een het hart heeft mij zoo te affronteeren!
--Doe liever niks, anders wordt gij nog veroordeeld tot schadeloosstelling en de kosten, en de menschen zullen met u lachen omdat ge niet meer van de politiek verstondt en toch kandidaat hebt willen zijn. Een kandidaat moet tegen alles kunnen; als zij schrijven dat ge 'n dief zijt, dan moet ge er nog uw botten aan vagen... Om kandidaat te wezen, moet ge 'n filosoof zijn. Wacht maar, uw beurt komt wel. In de _Gazet van Allen_ beginnen ze portretten te geven van de mannen der "nief partie". Bakker Janssens hebben ze vandaag uitgekleed, ze noemen hem 'n vermomden geus en doen verstaan dat hij zich rijk gestolen heeft met te pooteren op het gewicht!...
Dag aan dag verschenen nu portretten der medekandidaten in het frutkrantje, dat overal gratis verspreid werd. Morgen werd het nu zijn beurt; hij was de laatste om afgetakeld te worden. Heel de stad zou het lezen, velen zouden er een heimelijk plezier in hebben of het voor waarheid verslijten. Ja, men moest filozoof zijn om dat alles te verdragen voor zijn overtuiging! Vooral niks toonen, waardig doen gelijk iemand die het gewoon is, porde hij zich zelf aan.
Hij hoorde de gazettenleurders toeten en gillen in de straten, toen hij aan het lokaal van den Bond kwam. Nauwelijks zat hij tusschen de strijdmakkers, of de deur vloog geweldig open en President en verdierenpikker verschenen in zeer opgewonden toestand. Zij hielden de gazet in de vuist geklemd.
--'t Is schandalig, Snepvangers!
--Trek het u toch vooral niet aan. Snepvangers, 't is te gemeen!
--Laat maar eens zien, zei de kandidaat zoo bedaard mogelijk; die dat geschreven heeft, is toch een tienstuiversgast!