Mijnheer Snepvangers

Part 2

Chapter 2 3,908 words Public domain Markdown

Zoohaast de dagen korter werden, en de vroege herfst zijn killig, buiïg weer liet aanstormen, bleven de bezoekers weg. In den begin vonden zij het aardig zoo hun alledaagschen gang te kunnen gaan. Zij konden nu 's Zondags ook eens de vijf zinnen bijeen rapen, en na het middagmaal een uil vangen. Maar eenzaam was het! Marieken was het eerst de lustelooze stilte en afzondering moede, want zij had de minste bezigheid. In den tuin viel nu niet meer te gieten, het regende meer dan te veel, de planten en struiken waren haar te bekend, de kleine fruitoogst was lang reeds geplukt. Moe gestaard op de kale velden, naar den neveligen, triestigen horizont achter de boerderijen aan den overkant, speelde zij troosteloos piano of las weer een boek van Conscience. En zij dacht aan het heilig sacrament des huwelijks... Madame wist wat elke dag brengen kon in het huishouden aan schuren en wasschen, aan strijken en kousen stoppen.

De beslommeringen van vruchten inmaken was voorbij, in den kelder stonden dozijnen pottekens gelei, steenen kruiken ingelegde boontjes, snijboonen en witte koolen. De winterprovisie brandhout en steenkolen was ingedaan, en nu had men weer geen kommer of zorgen meer, kon men rusten. Maar Snepvangers zelf, die niets te doen had, zocht maar telkens om de baan te Kunnen op trekken. Hij had in het dorp kennissen gevonden om kaart te spelen, maar hield het huis verdoken. Om eens naar de stad te kunnen gaan had hij dagen lang de noodzakelijkheid doen uitschijnen van een barometer te bezitten. Met zoo'n ding wist men tenminste wat u te wachten stond, regen of wind, of men al of niet zijn paraplu moest meesjouwen op de wandelingen, die zij niet deden. Hij bracht een Zwitsersch, in hout uitgewerkt kastje mee. Was er regen op handen, dan kwam er een paterken met een paraplu uit een deurken te voorschijn; kwam er droogte in de lucht dan stapte een flierefluiter, een heerken, zomersch uitgedost, uit het ander poortje. Zij mochten niet veel plezier aan het ding beleven dat meestal het weer aanwees dat geweest was. Ten einde raad wendde Mijnheer dringende zaken voor die hem dwongen, dwongen tot zijn spijt, naar de stad te gaan. Hij pinkte dan geheimzinnig, noemde terloops M. Boeykens, dit zeer kramakkelachtig werd en hem noodig had.

Met danig stoken kreeg men het in _Villa Yvonne_ ongeveer warm genoeg. Het kwam wel eens voor dat men in den vroegen avond gewaar werd dat de lampen ongevuld waren, en men naar het dorp moest door het vlagend weer voor petroleum. 't Was een geploeter door de duisternis over den slijkerigen weg! Er was nu niets nieuws meer te ondervinden. Zij wisten wanneer er treinen aankwamen, wisten wie voorbij zou stappen, nu een paar boeren, straks de matten-leurders van Putte, later nog het werkvolk, zonder den heremiet te rekenen, een jonge vent, die wat verder alleen in een huisje woonde. Nog slechts een paar autos snorden dagelijks heen en weer met kasteelvolk dat ergens, uren van de wereld verwijderd, woonde.

En de winter was bar, en streng, en lang. Amper mocht men het licht van den dag aanschouwen. De wind joeg onbarmhartig door de kale boomen, over de velden, rukte aan deuren en vensters. De regen zong door dagen en nachten zijn eenzaam lied. Dan vroor het weer weken lang of gierden sneeuwstormen, zoodat alles blank lag en bedolven. Eens moesten zij zelfs een pad graven naar het hekpoortje, zoo lag alles onder den dikken sneeuwpels. Teeken van leven kregen zij niet uit de stad, en M. Snepvangers waagde zich niet buiten. Met Nieuwjaar bracht de postbode Met de dagelijksche krant eenige nieuwjaarkaartjes, wenschen van voorspoed en geluk. Bedrukt spraken zij weer maar hoopvol van de lente, van de komende geneugte. De piano werd niet meer aangeraakt, de grauwe lucht en de regen stemden te moedeloos. Het pluimvee werd een last, men moest het verzorgen ook als men maar liefst bij de kachel bleef zitten soezen, en de hond, de grimmige dog, bevuilde het huis.

Was dat nu het schoon rentenieren op den buiten? Zij dachten terug aan hun gelukkige bedrijvigheid in de stad, waardoor zij nooit het ellendige winterseizoen hadden gevoeld in zijn ijselijke naarheid. Al lengden de dagen, zij werden het niet gewaar, en zoo lang het te koud was om buiten te zitten konden zij van de mooie dagen niet genieten. In de stad kon men ten minste wandelen, door de drukke straten, naar de winkels kijken. Sinds de kermis van Putte hadden zij geen bezoek meer ontvangen, al die maanden hadden zij geen menschen meer gesproken buiten de dorpelingen, en die telden zij niet. Karnaval was nog wel de triestigste dag, want zij dachten aan het volk dat zich ginder, onder den lichtgloed der stad, wist te amuseeren. Was dat nu rentenieren? Marieken verslond maar al de boeken, die zij kon leenen in het dorp. Madame gunde sinds lang niet meer aan Snepvangers zijn uitstapjes naar Antwerpen. Het inroepen van M. Boeykens mocht niet baten, en de arme man vond geen genoegen meer in de bouwgronden van den omtrek, rookte maar verwoed pijp na pijp, zoodat alle kamers van tabakrook doortrokken waren. Zoo kwam Goede Vrijdag.

Snepvangers kon het niet langer volhouden. Vandaag moest hij de stad zien, hij wou en zou. Aan de koffietafel kreeg hij den gelukkigen inval.

--Het water rijst me over het hart als ik aan schelvisch denk!

--Zoo, wat gedacht, wantrouwde Madame, dat kunnen we niet krijgen in het dorp.

--Schelvisch, dweepte Marieken.

--Ik ben ziek van goesting naar schelvisch, droomde Mijnheer.

--Ge kunt bottekens krijgen, misschien ook mosselen, als de vent van Bergen-op-Zoom komt!...

--Och!

--Schelvisch, onderlijnde Marieken.

--Kunt gij hem halen? vroeg bits Madame.

--Och, als ik u daar plezier kan mee doen ... Ja dan wil ik wel eens naar de vischmarkt gaan.

--Naar de stad!?

--Wel ja, Mama, 't is toch zoo geen reis.

--Wel, ik zal maar gauw gaan.

--Wat vreemde kuren, schuddebolde Madame, die zich verloren moest geven.

En Snepvangers ging met zijn paraplu en zijn vischnet onder den arm. Aan het kleine station ontmoette hij de vroolijke menschen, die dagelijks naar de stad gingen werken. Hij mengde zich in hun gesprekken, voelde zich leven. Een mensch moet toch menschen zien, zich niet van de wereld afzonderen! Wat gewoel bood de stad en wat afwisseling! Hij verbeuzelde zijn tijd met kuieren en met pintjes pakken in de estaminets, door hem vroeger regelmatig bezocht. Hoe prettig zich weer thuis te voelen in de beweging der menschen! Ja, de stad was toch wel aantrekkelijk, daar kan men, alles wel beschouwd, nog van het leven profiteeren. Het werd middag voor hij er aan dacht naar de vischmarkt te gaan. Madame zou zuur zien nu hij nog niet thuis was... maar hij was immers man en meester! Kon hij het verhelpen dat de tijd hier zoo vlug voorbij ging? God, nu moest de schelvisch maar voor het avondmaal dienen. Wat zouden zij smullen. Na lang met kennersoogen de kramen te hebben onderzocht, na loven en bieden kocht hij twee puur nog levende schelvisschen. Met zijn vischnet in de hand en zijn paraplu onder den arm gekneld trok hij nu terug naar het station, maar hij wandelde zoo gelukzalig traag dat hij zijn trein mankeerde.

Doelloos liep hij over de De Keyserlei, dacht aan het onthaal dat hem te wachten stond. Was dat niet een ouwe vriend, de verdierenpikker, die daar kwam aangeslenterd?

--Wel verdorie, Snepvangers, zijt gij het? En ik die dacht dat ge reeds dood en begraven waart!

--Neen, goddank, maar ik woon buiten...

--Dat wil zooveel zeggen als levend begraven!

--Neen, dat is wat sterk! ...

--Trein gemankeerd?

--Ja.

--Kom, we gaan er eenntje pakken op het weerzien.. Zoo, zoo!

En ze pakten er eenigen op het weerzien, spraken van vroeger dagen, van verdierenpikken en gronden, van bekenden en notarissen. Zij hadden beiden geluk gehad in het leven, zagen alles rooskleurig in, deden joviaal. Voor zij het wisten zaten zij elkaar genoegelijk toe te knikken in een hotelzaal. Het was Goede Vrijdag! Zij prezen het lekker vischdiner, proefden als twee smulpapen van de gerechten en de wijnen, voelden zich behaaglijk zwellen. Wat tafelweelde! Visch te kust en te keur, en wijn, witte en roode, beter en meer dan op de beste verkooping. Juist toen zij discuteerden waarom taling toegelaten wordt op een vischdiner in den Vasten, werd het electrisch licht opgedraaid. Hun oogen knipperden even, het tafelgerei schitterde licht helder en zij bemerkten dat de glazen leeg stonden.

--Dat mag niet, beweerde Snepvangers als beleedigd.

--Neen, zeker niet! ...

De vrienden kenden uur noch tijd. De "Villa Yvonne" lag zoo ver, en de schelvisch was door den garçon ergens weggelegd, als om de zorgloosheid te verhoogen. De kreeft werd nu een eenig belangrijk ding, de wijnsoorten een oud zwak. Met verteedering dronken zij op elkaars gezondheid, en dat spel beviel hen zeer. Bij het nagerecht bestelden zij champagne, sigaren en koffie.

--Het leven is schoon, mijmerde de verdierenpikker.

--Dat is het ja... dat is de waarheid, stemde Snepvangers in, vleide zich wellustig tegen de leuning van zijn stoel en zag diepzinnig de rookwolkjes na.

Hoe lang het geduurd heeft is lastig bij benadering te bepalen en Snepvangers heeft zich er nooit rekenschap van kunnen geven. Zij genoten nog lang van elkaars aantrekkelijk gezelschap, behandelden alle mogelijke onderwerpen, vertelden moppen en fluisterden zinnelijke opwellingen, waarbij ze vertrouwelijk knipoogden. Menig glas werd nog gedronken en menige dure sigaar gerookt. Wat Mijnheer bijbleef was het vreemd geval dat zij ruzie hadden gekregen bij de betaling van dit uitspanningsken. Elk wou het gelag voor zijn rekening nemen, maar ten slotte betaalde elk Zijn deel en was wat vrijgeviger tegenover den garçon. Deze stopte Snepvangers wat in de hand, zijn vischnet met schelvisch en zijn paraplu, en dan trokken de vrienden weg met hoogroode gezichten. Tot afscheid werd nog een glas gedronken, hier een, daar een, dan ging Mijnheer zijn vriend een eindje vergezellen tot aan den tram, want hij meende te bespeuren dat deze een klein beetje zattekens was.

Later zeilde hij alleen terug naar het station. Plots was zijn vriend verdwenen en nu voelde hij zich danig moe, wou ergens rusten om het even waar, zitten en uitrusten.

En hij werd wakker op eene bank onder kale boomen van het Park. Waar was hij? Hij rilde van koude, voelde zich ziek, had hoofdpijn. Scheen het daglicht? Neen, 't was de lantaarnschijn. Hoe laat was het nu wel? Even zien. Maar hij vond zijn uurwerk niet in zijn zak, tastte instinctmatig naar zijn geldbeugel. Ook weg. God wat beteekende dit nu! Zijn blikken zochten rond, zijn regenscherm, zijn zijden regenscherm met zilveren kruk, eveneens spoorloos verdwenen. Voor zijn voeten echter lag het vischnet met de schelvisschen, besmeurd door het slijk. God! kon hij zijne vijf zinnen maar eens bijeenrapen! Wat zou hij doen, wat zou hij zeggen? Zoo'n avontuur moest aan hem overkomen, aan een deftig getrouwd rentenier, aan den eigenaar der "Villa Yvonne"!

Zeer verlegen stond hij recht, onthutst raapte hij zijn vischnet op, liep de stad in. Hoe nu naar huis gesukkeld waar men angstig op hem zat te wachten in den nacht? Zij zouden natuurlijk niet kunnen slapen, het huis doorloopen en bang het ergste ongeluk vreezen Hij moest ook om schelvisch gaan, Marieken moest ook aandringen alsof haar moeder niet meer verstand had... Maar het dwaaste van al, M. Snepvangers moest ook eens buitensporigheden bedrijven, zich te buiten te gaan, Goeden Vrijdag vieren! Te laat beklaagd oude zot! Wat nu aangevangen?

Hij ging M. Boeykens spreken, zou hem alles biechten en die zou wel raad weten om de ruzie te vermijden in zijn huishouden, wie weet en echtscheiding kunnen beletten!

Suf stond hij voor de woning van den notaris te wachten tot het licht werd. Tot zijn verbazing werd plots de poort geopend en liep de knecht hem op het lijf.

--Hoe weet gij het nu al? vroeg de knecht verwonderd.

--M. Boeykens?...

--Ja, zoo plots... ja hij was wel niet goed, maar niemand kon zich daaraan verwachten.... Saluut... tot weerziens.

M. Snepvangers oogde den knecht na, die haastig voortliep in den nacht. Nu kon hij plots zijn vijf zinnen bijeenrapen! Hij had wel kunnen jubelen van verrukking, nu was hij gered, nu kwam alles in orde. Hij had immers zijn kaartje nog om weer te keeren?

Met den eersten trein trok hij naar Capellen. De nacht lag nog over de velden, en in de verte scheen het licht in de "Villa Yvonne". Hoe meer hij naderde hoe luider de hond begon te blaffen. Het tuinpoortje knarste open, uit de open deur viel het helle licht. Hij hoorde geklaag en geschrei, gesnik en gejammer, keek niemand aan, zag strak en wezenloos voor zich uit. In de keuken liet hij zich zuchtend op een stoel neerzakken, den schelvisch vóór de voeten.

Een oogenblik hoorde men de stilte, dan zei hij langzaam, met tranen in de stem:

--M. Boeykens is dood!

--Maar wij blijven hier niet langer... wij hebben duizend angsten uitgestaan, zei Madame tot rouwbeklag.

--Alleen in den nacht, zuchtte Marieken, alleen in den triestigen buiten...

--Ja, 'n mensch weet nooit wat er gebeuren kan, beaamde Snepvangers nederig en treurig, zoo 'n goede man... Het buitenleven is toch niet zoo schoon als men denkt... Voor mij is het niks... ik ben niet bang... Ik ben heelemaal van streek... 't heeft me danig gepakt.

--We zullen maar gauw koffie drinken, meende Madame.

Elk der huisgenooten was als ontlast. De oplossing was gekomen, zonder dat een hunner zijn weerzin voor het landleven had moeten te kennen geven, zijn verlangen had moeten toonen naar de loszinnige geneugten van de stad, die zij voor maanden met zooveel genot hadden verlaten en belasterd. Zij hadden genoeg van de stijve deftigheid, wenschten maar liefst te gaan rentenieren in de oude buurt waar het zoo gezellig was, waar de menschen en straten hen zoo bekend waren, waar zij meetelden in het leven, waar muziek was en bedrijvigheid, en waar zij nooit onder de drukkende afzondering, de eenzaamheid zouden lijden. Marieke peinsde daarbij stillekens aan het huwelijk, en Mijnheer aan zijn parapluie en zijn uurwerk. Bij het eerste schemeren van den dag was M. Snepvangers bezig achter het tuinhek een paal op te richten waaraan een bordje bevestigd was, vermeldende met onzekere, zwarte letters: _Villa te huur of te koop_.

HOOFDSTUK II

LIEFDE EN ANDERE ONRUSTIGHEID.

De familie Snepvangers woonde weer in de stad. Het renteniershuisje in de Hobokenstraat was kraakzindelijk. Het geveltje, frisch in de verf, was versierd met kolommetjes en grillig loofwerk, op het balcon prijkte een lange vlaggestok en op de witgeschilderde deur blonk de geelkoperen naamplaat. Binnen hielden Madame, Marieken en de werkvrouw met dagelijksche zorg alles helder aan kant en vrij van stof. In de achterkamer stond de piano, in de veranda, die als huiskamer diende, kefte een zwart spitsken, het salonneken aan de straat werd slechts voor vreemden geopend.

Het tuintje, een voorschoot groot, bood Snepvangers en zijn dochter gelegenheid tot tuinieren. Het geurde en fleurde er met bonte bloemen en riekende kruiden, terwijl een sappige wijngaard zijn ranken schoot onder het glazen afdak.

's Morgens vroeg stond Snepvangers op den drempel der woning zijn pijp te rooken, liet het hondje zijn ochtendwandeling doen; wanneer de melkboer kwam, nam hij het pannetje aan, trok dan aan de huisbel om Madame en Marieken te wekken. De dames kwamen gekleed beneden, want na het ontbijt ging Madame in de buurt winkelen en speelde Marieken piano, terwijl de werkvrouw den boel in orde bracht.

Snepvangers knutselde in het tuintje, las andermaal de gazet van den vorigen avond, kleedde zich dan voor de wandeling. Zijn barometer gunde hij geen blik meer, in de stad was dat overbodig, en daarbij nam hij, uit louter voorzorg, haast altijd zijn zijden regenscherm mee. Elken dag had hij zijn afwisselende stamlokalen waar hij een pintje of een borreltje dronk en over de stadsnieuwsjes en het weer redekavelde. In de buurt bezocht hij "De Koning van Spanje", "Het Zwart Paard", "De Paardenwei", "Sint-Jacob", "De drij Kauwkens", verder in de oude stad "De Klok", "Het Gulick", "Het Koningsken", "Het Nachtlicht", "De Boer van Tienen", "De Wildeman", "Het Schuttershof", "De Oude Sint-Jan", "De Gouden Kroon", De Kolkoensche Haan", "De Zeven Provinciën". In de week dronk hij garsten, 's Zondags, in de buurt van het station, verkoos hij uitheemsche bieren.

Klokslag één was hij thuis voor het middagmaal, ving dan een uiltje, ging daarna naar de roepzaal, waar hij, bij gelegenheid, nog een paar centen verdiende, trof er zijn vriend aan, den verdierenpikker. Samen keuvelden zij dan over eigendommen, gronden en centjes verdienen. Rond acht uur kwam hij voor het avondmaal. Madame vertelde van menschen die zij ontmoet had, van koopjes en buurtnieuws, Marieken verslond de feuilleton en zalig genoot Snepvangers. Later las hij de gazet, terwijl zijn vrouw kousen stopte en Marieken weer piano speelde. Op Vrijdag en Zaterdag gingen de vrouwen niet op boodschappen uit, er werd gekuischt en geboend en Snepvangers ging, na het avondmaal, kaarten in "De Klok."

Maar de Zondag werd, naar ouden trant, bijzonder gevierd. De familie trok de beste kleeren aan en 't was vette keuken. De schrale Madame in haar ruischende zijde stapte links van haar dikken echtgenoot naar de kerk. Op zijn buikje bengelde de zwaar gouden ketting en zijn zijden hoed stond achterover in den nek. Zijn hoogroode, gladgeschoren tronie glom van zelfvoldaanheid. Marieken, naar de mode gekleed, ging aan zijn rechterkant, in stille bewondering voor haar papa. Hij was zoo'n tegenstelling van mama, hij was een klein vetzakje, een joviaal rentenierken, dat veel menschen kende en groette. Doch zij geleek veel aan mama, was sprietmager, hetgeen haar ergerde en soms verbitterde.

Na de hoogmis wandelden zij naar de bloemenmarkt op de Groenplaats, zagen het volk uit Onze-Lieve-Vrouwekerk door de spitskar trekken, volgden mee, langs de Schoenmarkt en de Meir, door de Leysstraat, naar de De Keyserlei. Daar dronk men ergens een pot Münchener, waarbij Mijnheer de bekenden groette en de dames critiek uitoefenden over kleeding en menschen. Na deze eerzame en onschuldige uitspanning ging men eten, wat dutten, trok dan weer op wandeling, kwam thuis om te avondmalen, keerde opnieuw om te luisteren naar het concert in den Dierentuin of bezocht men de feesten en vertooningen in den Burgerskring, waar de vrouwenrollen ook door mannen werden vervuld.

Aan deze ordelievende, deftige levenswijze brachten de seizoenen met wind en regen soms lichte afwijkingen, zoodat de dames thuis bleven, geen onderhoudende en opwekkende critiek konden voeren, en Mijnheer alleen zijn stamlokalen bezocht.

Het leven was schoon in zijn effen uitzicht, zonder ontroering, zonder slag of gebeurtenis. Alleen Marieken had vlagen van droefgeestigheid, wanneer zij dacht aan getrouwde vriendinnen. Dan was zij onhandelbaar, had scherpe woorden. Mijnheer zorgde dan dat het hondje niet onder de voeten liep. Madame peinsde, terwijl zij de dampende potten in de keuken bestaarde, aan de kennissen die als schoonzoon welkom hadden kunnen zijn. Marieken ging naar de dertig.

Zekeren avond in de lente had het echtpaar een belangrijk gesprek in de slaapkamer.

--Marieken heeft weer leelijk haar kuren!

--Ja, mama, bevestigde Snepvangers bekommerd.

--Snepvangers, zei Madame besloten, ik heb er lang over nagedacht ... Marieken moet trouwen.

--Ja, mama, gaf hij onderdanig toe, maar met wie?

--Dat weet ik juist niet, zuchtte zij: wij moeten uitzien naar 'n treffelijken burgersjongen!

--Ja!

--Gij kent zooveel menschen....

--Ja!

--Ik zal mijn best doen, beloofde Snepvangers, terwijl hij in de echtkoets stapte.

--Hij nam den verdierenpikker in zijn vertrouwen, die de zaak niet te zwaartillend onderzocht. De beste koeikens zoekt men op stal, maar toch moeten de liefhebbers ze weten staan. Hij zou eens rondzien, maar nu had hij Snepvangers over iets gewichtigs te onderhouden.

--'t Is geen politiek en toch politiek, Snepvangers.... Tegenwoordig is alles politiek om de kiezers te lokken en stemmen te winnen. Katholiek en liberaal, uit schrik voor de socialisten, houden het werkvolk tot vriend... alles voor den werkman, en de burgers worden vergeten.... Dat kan niet blijven duren, dat mag niet? Wij willen het hekken aan den ouden stijl houden, de belangen der neringdoenden behartigen....

--Wie zijn wij?

--Wij? De bond der neringdoenden!... Wij willen ons woordje te zeggen hebben in het Bestuur.... Wij zijn onpartijdig in ons belang, liberaal en katholiek en democraat kan meedoen wanneer zij het goed meenen met de belangen der kleine burgers en neringdoenden! Wij strijden tegen cooperatieven en naamlooze maatschappijen, willen de nering bevorderen, ons beschermen door goede wetten.... Recht door zee, willen wij; de neringdoenden zijn den politieken winkel beu.... En nu vraag ik u of ge meedoet.... Ge zijt een onafhankelijk man, een rentenier, en zoo'n mannen hebben wij noodig, wij, handelaars, wij, ambachtslieden en eigenaars!

--Ik heb me nooit met politiek bemoeid, opperde Snepvangers, ik ben van den ouden eed en ga naar de kerk.

--Dat is geen beletsel.... Wij zijn met veel goede katholieken, maar wij vergeten ons belang niet.... Het is geen geuzenbond, maar eene vereeniging om onze stoffelijke--ja stoffelijke, dat is het woord van den President--belangen te verdedigen.

--Zijt gij reeds lang lid?

--Ik? Een paar weken, maar op de vergadering werd het zoo klaar uiteengezet. Er zijn knappe bollen bij, mannen die het goed kunnen zeggen, en 't staat allemaal in de gazet _De Noodkreet_. Ik heb seffens aan u gedacht!... Dat was nu iets voor Snepvangers, iemand die zelf affaire heeft gedaan, bij een notaris gewoond heeft en dus al de knepen kent, onafhankelijk is! Den President heb ik over u gesproken en hij vond dat wij mannen van uwen aard noodig hebben voor den gemeenteraad en voor den provincieraad!...

--Hm! Te veel eer; ik ben maar 'n simpele burger, geen advokaat, meende de gevleide Snepvangers.

--Wij willen juist geen advokaten, maar mannen van ons... geen praatjesmakers, maar mannen waarop wij rekenen kunnen.

--Lid wil ik wel worden... maar de rest blijft onder ons... ik kan dat niet aannemen, ik houd van de rust, ik houd veel van de rust... dat moeten jonge mannen doen, die van den spanaard gesneden zijn.

--Snepvangers, ik bedank u namens den Bond voor uwe bijtreding, die wij hoogschatten, zei de verdierenpikker langzaam en plechtig, laat er ons nog een pint op drinken; maar één ding zeg ik u: met snotters en tafelspringers zijn wij niet gediend, wij willen ernstige mannen!

Na dit vekwikkelijk gesprek keerde Snepvangers mijmerend huiswaarts. Geheimzinnig hmde hij aan tafel, liet soms zijn vork zakken om zich even in zijn toekomstdroomen te verdiepen.

--Papa, wat scheelt er toch? ondervroeg Marieken, wier kuur weer voorbij was.

--Och, kind!

--Awel ja, Snepvangers, ge doet zoo vreemd, wat is er gebeurd?

--Och, mama, nu willen ze mij met alle geweld naar den gemeenteraad zenden!

--Zijt ge zot, Snepvangers? Daar zenden ze andere kleppers, die daar iets kunnen vertellen!

--Dat weet ik niet, mama; ik ben onafhankelijk, ik ken veel menschen, ik ben zoo geen wauwelaar van een advocaat, maar ik heb veel ondervinding en er zetelen er anderen dan Snepvangers.... De neringdoenden willen mij absoluut, verklaarde hij behagelijk.

--Och Papa dat zal aardig zijn als ze bij u komen bellen voor plaatskens op 't stadhuis, en als we gevraagd worden op de feestjes...

--Ja, maar zoo ver zijn we nog niet!

--Pas maar goed op, de politiek kost centen en ik geloof daar nog niks van dien gemeenteraad, waarschuwde Madame.

--Och ik weet nog niet of ik aannemen zal!

--Maar Papa toch!

--Ja, als ik den Bond en de President daarmee een plezier kan doen, en als de leden er dan erg aan houden, dan zal ik mij nog eens bedenken...