# Mijnheer Snepvangers

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/mijnheer-snepvangers-15048/index.md

De oude Generaal trok zijn zeemlederen handschoenen aan, nam hoed en stok, groette en ging.

Opgewekt wandelde Snepvangers naar de Torfbrug waar hij zijne vrouw moest afhalen.

--De oorlog zal lang duren, verklaarde hij een beetje ijdel.

--Wie zegt dat? vroeg Antoine uit de hoogte.

--Iemand die het weten kan... een vriend!

--Een vriend van u!

--Ja, Antoine, een Generaal!

--Een Generaal, wantrouwde Antoine...

--Ja, Generaal van den Bergh... en dat is de eerste de beste niet!

--Waar woont die Generaal, Papa?

--Ieverans op 't Zuid tegen het Justiciepaleis, verweerde zich Snepvangers.

--Ik wist niet dat ge een Generaal kendet... Ge hebt er nooit over gesproken...

--Ik heb er nooit aan gedacht er over te spreken... maar ik speel nog al eens domino met hem in 't café... hij spreekt Gentsch...

Dagelijks speelde hij voortaan domino met den Generaal. Soms gingen zij samen wandelen naar het Nachtegalenpark. De galante Generaal waardeerde zijn vriend voor zijn geduldig toeluisteren wanneer hij militaire aangelegenheden besprak. Hij was een vereenzaamd man die met zijn oude zuster onder een dak woonde. Van garnizoen naar garnizoen had zij hem gevolgd en nu leefden beiden stillekens onder vreemde menschen. Snepvangers zag in hem een toonbeeld der voorname wereld. Hij zwoer bij de woorden van den Generaal, droeg ook handschoenen wanneer hij naast hem liep en knikte diepzinnig bij elk betoog. Wanneer Antoine iets zei, haalde hij er maar telkens eene ware of eene ingebeelde meening van den Generaal bij te pas, wat niet naliet Antoine te hinderen.

In het najaar zaten beide heeren menigmaal te kijken naar de zwanen die op den parkvijver dreven.

--Aristocratische vogels, zei de Generaal.

--Zij hebben lange halzen, bemerkte Snepvangers.

--De bladeren vallen al van de boomen, nam de Generaal waar.

--'t Schoon weer zal gauw gedaan hebben, en dan krijgen wij weer regen en wind...

--Ja, Snepvangers, het schoon weer... maar dat komt nog eens terug... toekomend jaar... maar de schoone tijd komt nooit terug zoomin als onze jeugd...

--Meent ge dat, Generaal?

--Weet ge wat de schoone tijd was, Snepvangers?... Toen ik onderluitenant was en in garnizoen lag te Dendermonde...

--De meisjes, fluisterde Snepvangers.

--En de bals en de oefeningen... de kameraden... en later toen ik kapitein was en te Luik verbleef... en nog later als majoor op de manoeuvres... en toen ik kolonel was te Oostende en 's zomers de koning mij feliciteerde omdat mijn regiment zoo prachtig marcheerde...

--En toen ge gedecoreerd werd, vulde Snepvangers aan die reeds meermaals deze ontboezeming gehoord had.

--Ja, droomde de Generaal.

--En als uw muziekkorps zooveel bijval had!...

--Ja, Snepvangers.

--Ik begrijp het, zei Snepvangers, dat was zoo precies wanneer mijn kanarievogels bewonderd werden.

--Nu vechten zij, Snepvangers... waar voert het heen?

--De menschen vallen als vliegen en alles wordt verwoest, Generaal.

--Er komt een nieuwe tijd. Snepvangers, maar ik zeg: nooit komt het oud regiem terug... en dat was de schoone tijd...

--Wij zijn menschen van den schoenen tijd. Generaal.

--Ja, Snepvangers... het menschdom ontsnapt ons... wij kunnen het niet meer regeeren... en wie weet wat komen zal... Wie zal regeeren?... De volken vechten voor de heerschappij... Het zijn sterke vijanden... Ons arm land, Snepvangers.... Wij zijn het kind van de rekening....

--En wat staat er ons nog te wachten, zei Snepvangers somber.

--De nieuwe tijd ... nieuwe regeerders ... maar de menschen verbeelden zich nog dat alles weer worden zal zooals het was....

Het betreuren van het verleden en de ernst van de bespiegeling wogen Snepvangers wel eens zwaar, maar de Generaal, in tegenstelling met Antoine, scheen ook zijn meeningen te waardeeren. Het gaf hem zelfvertrouwen, vooral sinds hij in het dominospel een knapheid had verworven die zijn tegenstander bewondering afdwong.

Op Oudejaarsavond verraste Antoine ditmaal de familie op het bericht dat hij een heerenhuis gekocht had op de Leopoldslei. Zijn fortuin was aangegroeid tot bij het millioen. Hij beheerschte nu de markt der specerijen, had groote hoeveelheden peper, saffraan, kaneel en kruidnoten opgestapeld, was betrokken in een zaak die alcohol, azijn en leder opkocht. De drogerij deed hij van de hand.

--Nu gaat gij zeker koets en paard houden? Polste Snepvangers.

--Och, neen, Papa ... later zullen we zien ...

--Die het er nu zóó aanhangen, zei Craen, zijn maar mannen die geen geld gewoon waren ... met het trommeltje gewonnen, met het fluit je verteerd.... Antoine zal ze wel bijhouden.... Maar ik ga nu ook rentenieren....

--Hij komt misschien nog in den Senaat, blufte Marieken.

--Met uw cens moogt ge wel een amusement hebben, vergoelijkte Snepvangers.

--Een amusement, Papa!... Ik zou het aanzien als een vaderlandsche plicht....

--De nieuwe tijd, jongen.... Ik begrijp het wel.... De Generaal heeft het mij uitgelegd....

--Ha, de Generaal, wrokte Antoine.

Het leven ging zijn gang en de menschen bekommerden zich haast nog uitsluitend om het eten. Soms, als het gebonk der kanonnen luider daverde dan naar gewoonte, besloop hen wel een heimelijke vrees. Wat stond hen nog te wachten?

Snepvangers leed weinig onder het oorlogsgebrek. Hij was van oordeel dat, nu de kinderen zoo rijk waren, zij zich niets moesten te kort doen. Madame vond in koken en smooken haar behagen, maar Madame Craen leed onder een beredeneerde onrust en vermagerde zichtbaar. In het voorjaar ontmoette Snepvangers den vervallen Verdierenpikker. Hij had hem wekenlang niet gezien.

--Dag, Snepvangers!

--Waar hebt ge zoolang gezeten? zei Snepvangers joviaal.

--In de Begijnenstraat... Ja, in 't gevang...

--'t Is wat schoons, verweet Snepvangers.

--Ja maar, vriend, 't was omdat ik verboden gazettekens had rondgegeven...

--Bemoei u met die vodden niet, bestrafte Snepvangers, blijf overal uit... Gij kunt er toch niks aan veranderen...

--Maar...

--De Generaal zei het ook!...

--Ik ben toch een martelaar voor de goei zaak, oordeelde de Verdierenpikker.

--Och martelaar, 't kan zijn, zei Snepvangers, maar dat trekt mij niks aan... ik eet liever thuis dan in den amigo...

--En wat denkt de Generaal van den oorlog? Vroeg de Verdierenpikker kleintjes.

--'t Zal nog heel lang duren, verzekerde Snepvangers.

--Dat is goed voor de woekeraars, zei de Verdierenpikker, maar slecht voor ons arm huisbaaskens... de huizen zullen dan geen cent meer opbrengen...

--Ja, vriend, weifelde Snepvangers, waar is onze tijd...

--Die komt nooit meer terug, zuchtte de Verdierenpikker.

Zij herdachten hun gezellige dagen, hun centjes winnen in de verkoopzalen, de wijnproeverijen en ook den onvergetelijken Goeden Vrijdag.

--Saluut, Snepvangers, zei de Verdierenpikker een diepen zucht slakend.

Hij ziet er niks goed uit, overwoog Snepvangers, hij veroudert.

Op Sinxendag ontving Antoine voor de eerste maal in zijn hotel. Het was een puik familiedineetje opgediend door twee pronte meiskens in 't zwart. Zij droegen witte schorten en blanke tulen mutsjes en liepen geruischloos over den geboenden vloer der stemmige, oud-vlaamsche eetkamer. Aan den muur hingen groote schotels in nieuw Delftsch, twee prenten, kermissen van Teniers, en een schilderij, een stilleven, waarop een overvloed van vruchten was afgebeeld. Op de piano stonden de familieportretten.

Na het eten werd de koffie geschonken in de verandah. De muren, in rotspleister, waren met mos en groen bezet, een fonteintje spoot. De dames zaten op bamboestoeltjes en de heeren lagen lui hun sigaar te rooken in clubfauteuils. Snepvangers zag de fraaiheid weerkaatst in een grooten, zilveren spiegelbal, aan een kant de kamer, daarnaast een stuk van den diepen tuin, een rood bed geraniums en het levend groen. De deuren stonden open, vogels kwinkeleerden in de hoornen, Albertken zat als verloren te droomen op den tuintrap.

--Wel, Antoine, ge haalt er eer van...

--Rijk zijn is toch plezant, meende Craen.

--Ge moet den Generaal eens verzoeken...

--Ja... dat kon ik wel doen, gaf Antoine toe.

De kinderen werden door de meiden weggeleid en Marieken ging de moeders voor om het huis te bezichtigen.

--Ge kunt niet gelooven hoeveel geld er gewonnen wordt, herbegon Antoine, ge kent Vervarcken, de huurhouder, die nu "_La Joie de Vivre_" exploiteert...

--Die heeft het met buksvet verdiend, zei Craen.

--Ja, Papa, maar hij wint nu nog meer...

--'t Is toch geen treffelijk gewin, vond Snepvangers.

--Och, Papa, omdat daar juffrouwen dansen en er champagne gedronken wordt...

--De Generaal...

--De Generaal, Papa, is iemand van een anderen tijd... Ik heb de zaal gezien toen het dochterken van zijn broer, Sofieke, haar eerste communie deed... Vervarcken heeft geen kosten gespaard... vijf-en-twintig duizend frank heeft het feest hem gekost... Ik bewaar de spijs-kaart van het banket...

--Vijf-en-twintig duizend frank! kreunde Snepvangers.

--Maar 't was een droom... de voituren roken naar de bloemen... de gang en de zaal was één tapijt en de juffrouwen in lichte toiletjes strooiden tuiltjes voor de voeten... 't was zonde voor de rozen... De zaal was vol electrisch licht. Aan het banket ontbrak niks... Het orkest speelde en er werd gezongen... Op champagne kwam het niet aan... en de eerste communiekante zat als een prinsesken in 't wit aan den kop der tafel... Op het einde hebben de juffrouwen hun schoonste dansen uitgevoerd... de tango... de one step... la danse d'Hérodiade...

--Die Vervarcken heeft het ook ver gebracht, zei Craen.

--Ik zou dat wel eens willen gaan zien, bedacht Snepvangers.

--Dat past u niet, Papa, op uwen ouderdom...

--Maar, Antoine, vermits de zaal zoo schoon is...

--Ik zeg u dat het u niet past... 't is voor de jonkheid...

--Goed, Antoine, zóó erg ben ik er niet op verzot...

Een der volgende avonden, wanneer Snepvangers thuis kwam, werd hij opgewacht door Miranda. Sinds het misverstand hadden zij elkaar niet meer weergezien.

--Snepvangers, zei hij en hield de trouwe oogen beschaamd neergeslagen, ik wou u niet lastig vallen, maar...

--Wat wilt ge? verzocht Snepvangers norsch.

--Wilt ge Spitsken terug... Gij zijt toen zeer vriendelijk voor mij geweest...

--Gegeven blijft gegeven, Miranda, 't was alles goed en we waren goei vrienden... maar dat woord over mijn schoonzoon...

--Laat ons daarover niet meer spreken, Snepvangers, maar nu heb ik Spitsken niet meer noodig...

--Niet meer noodig?

--Mijn vrouw is terug... haar kozijn heeft haar in den steek gelaten...

--En ge hebt haar niet buiten gesmeten?

--Och, Snepvangers, ze beefde als een vogeltje toen zij in den winkel kwam, zij moest zich aan den post van de deur vasthouden... Zij is zoo mager en oud geworden... Miranda, kent ge me nog? zei ze.

--En?...

--Dan heb ik haar op mijn schoot genomen en gekust!... Nu heb ik weer aanspraak en kan ik Spitsken missen...

--Als ge den hond gaarne ziet...

--Ik houd veel van Spitsken, Snepvangers, maar hij zal mij altijd aan dezen triestigen tijd herinneren... daarom...

--Ja, Miranda... breng Spitsken maar terug... en veel geluk in uw huishouden...

--Dank, Snepvangers... ik heb nog over dat woord nagedacht... het was zoo boos niet bedoeld... alle fortuinen worden zoo opgebouwd... met arbeid schraapt men het niet bijeen... Antoine zal niet slechter zijn dan anderen...

--'t Is een van den nieuwen tijd, Miranda... 't is misschien wel woeker... maar Albertken en de kinderen zullen er later goed bij varen...

In den Herfst van het jaar 1916 zat Snepvangers vruchteloos op den Generaal te wachten. Het sloeg vijf uur. Langzaam toog de schemering in de herberg waar hij verlaten zat. Er haperde iets met zijn vriend. Wanneer het halfzes sloeg was hij zijn ongeduld niet langer meester. Aan de deur liep hij een man met grijzen profetenbaard tegen het lijf. In zijn arm droeg deze een bedelbus ten voordeele van het werk tot bestrijding der tering.

--Mijnheer Snepvangers, vroeg hij en streek, onderzoekend loerend over zijn stalen bril, met zijn wijsvinger langs zijn gebogen neus.

--Wat belieft? vroeg Snepvangers en schoof achteruit van de deur.

--Mijnheer Snepvangers, zei de Oude en nam zijn vettigen, slappen hoed van het hoofd, onze vriend, de Generaal is plots gestorven...

Snepvangers leunde tegen den toog, alles draaide en schemerde voor zijn oogen. Uit het nevelig licht staken de priemende, bruine oogen van den man met de bedelbus.

--Wie zijt gij, stamelde Snepvangers.

--Ik ben Peer De Backer!

--Peer De Backer, mompelde hij verdwaasd.

--Kom, zei Peer, dat is 's werelds loop... Kom mee in open lucht...

--Dood, prevelde Snepvangers terwijl hij achter Peer op straat stapte.

Hij hoorde de bladeren ritselen, terwijl hij naar een verre lantaarn in den wazigen mist tuurde. In de hemel stonden de sterren helder geplant en ver weerklonk wat ijdel geluid. Ik kom nooit meer in dat café, peinsde Snepvangers ik zou altijd zijn gelaat zien en denken aan de partijtjes domino.

--Hij had zijn middagslaapje gedaan zooals gewoonlijk... en toen hij wakker werd was hij onpasselijk... Hij kon niet opstaan uit zijn zetel... Clemence, zei hij tot zijn zuster, laat Peer De Backer roepen...

--Waart gij ook zijn vriend, Mijnheer de Backer, vroeg Snepvangers, haast achterdochtig.

--Zeg maar Peer... Vriend?... Ja, vriend en gebuur... ik heb me altijd met heraldiek bezig gehouden... ik ken de stamboomen van al onze adellijke families... van als ze iets geworden zijn... ik weet hoe zij geparenteerd zijn... en zoo heb ik den Generaal leeren kennen...

--Was hij van adel?

--Bij lange niet... maar hij stelde er veel belang in... vooral als zijn respect wat verminderd was...

--Hoe?

--Wel ik bewees hem dat een stamvader van een baron als Hollandsch kleermaker naar Antwerpen gekomen was in de zeventiende eeuw... dat een ander adellijk heer een afstammeling was van een kamerknecht...

--Maar wat kan u dat schelen, Peer...

--Eigenlijk niks... maar dat nu is zoo'n liefhebberij... ik amuseer mij met blazoenen en wapens... met familieoorkonden en geschiedenissen...

--De Generaal?...

--Ja, hij liet mij roepen... "Peer, zei hij, aan mijn hart hapert iets... ik voel mij zoo aardig... en mijn zuster en de meid zijn maar vrouwen... als er mij iets overkomt... Ik ben een man, Peer... dan reken ik op u... vergeet dan niet mijn vriend Snepvangers te verwittigen..." Hij gaf mij nog een hand, zakte terug in zijn zetel en was dood... Hartaderbreuk...

--Zoo onverwacht, Peer!

--Elk krijgt zijn beurt... heden ik... morgen gij... Weet gij nog dat wij samen op school geweest zijn... Herinnert ge u rosse Peer niet?...

--Ja, aarzelde Snepvangers, hij heeft me nog een bloedneus geslagen...

--Dat was ik, bekende Peer zedig.

--Wel!... wel!...

--Ja... gij zijt in uw affaire rijk geworden... en ik niet... anders ging ik met geen bedelbus rond in de cafés... Nu moet ik mijn ronde beginnen... Ik ben filosoof, Snepvangers... gij met uw geld zijt toch niet gelukkiger dan ik zonder cens... Kom mij morgen halen, ik woon boven den kronenwinkel naast het huis van den Generaal... dan gaan we samen naar 't sterfhuis.

--Ik zal komen, beloofde Snepvangers en sukkelde alleen voort.

Hij trok door stille straten, suffend en als geslagen. Vrees knaagde hem, vrees voor wat hij niet noemen dorst. Wat is het toch rap met een mensch gedaan, kreunde hij. Tegenspartelen baat niet, en niemand gaat gaarne....

--De Generaal is dood, Mama.

--Och, zei Madame onverschillig, dat is erg ... voor zijn zuster!... Wanneer wordt hij begraven!...

--Dat zal ik morgen vernemen....

--Ge moet een kroon koopen!

--Ja.

Dien nacht droomde Snepvangers dat hij met Peer naar het front moest, zij hadden schrik en wilden in een schuur kruipen om zich te verstoppen, maar werden gevat door een lijkbidder en de Generaal stond er bij te lachen, zoo valsch en zoo harteloos. Het koude zweet brak hem uit toen hij het dievenkarreken zag voorkomen, het dievenkarreken waarop een kruis stond als op een lijkwagen. Als afscheid gaf de Generaal hem de hand en in de zeemlederen handschoen voelde hij de afgeteerde kootjes. Angstig gilde hij en ontwaakte.

Aan de koffietafel pruttelde Madame dat het brood weer zoo onsmakelijk was en zij weer in den regen moest gaan aanschuiven aan de winkeldeur van het "Nationaal Comiteit". Maar Snepvangers was zijn opgewektheid kwijt, zijn luchthartigheid waarmede hij anders opbeuren kon en punteeren in het leven.

's Namiddags, de straten waren glibberig en de lucht was een gesloten wolk, trok hij naar Peer. De luiken van het sterfhuis waren gesloten. Een oogenblik stond hij voor de vitrien van den kronenwinkel, keek naar de zwart parelen grafkronen, naar porceleinen kruisjes en harten, naar celluloïden bloemkransen. Op een purperen lint stond met zilveren letters gedrukt: "Regrets éternels".

De winkeldame was een kort, dik menschken met fleurig opzicht. Vruchteloos probeerde zij haar gelaat in droeve plooi te vertrekken.

--De schoonste kroon, Madame, en een met zoo'n purperen lint ... 't Is voor mijn vriend de Generaal!...

--Ha, de Generaal, Mijnheer.... Wat sterven er menschen ... en zoo'n twee aardige gevallen ... de Generaal in zijn zetel en de bakkerszoon van hierover aan den IJzer ... Peer ... och, pardon....

--Ik ken Peer wel, knikte Snepvangers, ik kom hem halen om naar 't sterfhuis te gaan....

--Tweede verdieping, Mijnheer, voorkamer.

In de duistere trapzaal strompelde Snepvangers met beklemd gemoed naar boven. Glibberig zweetten de muren en de trap kraakte. Een vunze reuk van afgekookte savooikoolen benauwde hem.

Vooraleer hij kon aankloppen, opende Peer de kamerdeur en stak zijn profetenkop buiten.

--Het riekt weer naar savooien, Snepvangers, ik geloof dat ze beneden niks anders eten ... ja, zij eten nog raapkoolen.... Kom zet u aan tafel om uit te blazen....

--Ik word oud, zei Snepvangers verdrietig.

--Ja, wij worden oud, bedacht Peer, wij zullen spoedig niet meer deugen voor dees wereld.... Dan komt het moment dat ze ons met de voeten vooruit naar buiten dragen.... Mij is het onverschillig ... ik heb kind noch kraai.... Met mijn boeken en mijn stamboomen kan niemand iets aanvangen.. 't is al gehavend en kapot gelezen.... Dat komt in een voddenhuis terecht of valt in de handen van een koopman in oude boeken.... Zij stoppen mij stillekens 's morgens vroeg in mijn put.... Zoo, onbekend en onbemind, worden dagelijks duizenden begraven ... arme menschen vullen de wereld, Snepvangers.... Maar rijk of arm, allemaal moeten wij den put in om plaats te maken voor den nieuwen tijd ... voor den nieuwen tijd vechten zij ... maar wat zal het geven?... Overal zal het wel anders worden, doch de menschen die komen zullen gelijken aan de dooden in hun ijdelheid en hun zwakheid.... Ik heb veel gelezen, en ik ben wijs geworden!... Zoo zal het zijn!...

--Wij kunnen niet mee heeft de Generaal mij gezegd, Peer.

--Wilt ge de wereld van gisteren en morgen eens zien?... Kom maar mee....

Peer stak een lampje aan en ging voor over het trapportaal, opende de deur der achterkamer. Het rolgordijn was neergelaten en het lichtje schemerde. Op reien, aan kapstokken hingen vastenavondpakken: dominos, prinsendrachten vol klatergoud, gazen danseresjesrokken, clownpakjes, togas, gendarmen- en rooverskostumen. Grijnzende, kartonnen maskers en fluweelen mombakkessen lagen op een tafel gestapeld naast hoeden en bijhoorigheden.

--Dat verhuren ze beneden rond carnaval, dan bergen ze de kronen weg...

--Het is griezelig zoo in halfdonker, Peer...

--Gij hebt het leven nooit griezelig gekend, Snepvangers... Voor de meesten is het altijd zoo... Kom... Ja de menschen loopen met een mombakkes en in een vastenavondkostuum... en hoe ouder zij worden hoe minder zij zeggen wat ze denken...

Zij zaten weer aan de tafel en de scherpe haviksoogen van Peer loerden ver zijn stalen bril.

--Gij hebt zooals de andere menschen van alles geprobeerd om uwen tijd te passeeren... zoo doen wij allen... Ik zocht in stamboomen, gij in wat anders... Gij hebt centen gewonnen en uw dochter grootgebracht... Mijn kinderen stierven en mijn geld verloor ik! Wij jagen veel na en bereiken haast niks, zitten vol tegenstrijdigheden. Gij hebt uw fortuin gewonnen in uwen winkel en met huizen... ik was zielhond die soldaten wierf, vrijwilligers voor ons leger, voor Oost-Indië en het vreemdelingenlegioen van Frankrijk... En de zielhond was voor de vrede en tegen den oorlog... Ik was arm en vond behagen in de stamboomen van den adel... Ik ga met een bedelbus voor de weldadigheid rond maar leef er van, vermits men mij betaalt om te gaan schooien... En ongelukkiger dan gij ben ik niet, al weet ik nooit met een tienuren-mis begraven te zullen worden...

--Ik versta niks van de wereld en de menschen bekende Snepvangers langzaam.

Peer lachte somber en er zat een boosaardige lustigheid in zijn oogen.

--Toch aardig wanneer men met een schoolkameraad kan klappen...

--Gij zijt nog altijd rosse Peer, fluisterde Snepvangers geknakt, laat ons nu maar naar den Generaal gaan zien.

Zij spraken geen woord meer en gingen naar het sterfhuis, zaten een tijdje tegenover de terneergeslagen zuster van den doode, spraken schaarsche woorden doch vermeden iets over den afgestorvene te zeggen. Maar alle drie voelden zij den dood in huis.

--Willen de heeren hem nog zien? stelde ten slotte Juffrouw Clemence voor.

In zijn oud uniform gestoken lag de Generaal op zijn bed. Twee kaarsen stonden weerszijden van een zilveren crucifix op het nachttafeltje. Op zijn borst hing zijn eerekruis. Zijn rustig gelaat was matgeel en onder zijn linkeroog zat een bruine peperkoor. Hij droeg zijn eeuwige zeemlederen handschoenen.

--Hij is schoon, lispelde Juffrouw Clemence verteederd.

--Ik moet weg, antwoordde Snepvangers, het wordt mij hier te benauwd, 't is zeker de reuk van die bloemen en van het waslicht...

Op straat herademde hij een weinig maar hij voelde zich flauw. Ik heb precies honger, dacht hij.

--Tot morgen, zei Peer, ik ga mijn toer beginnen met mijn bedelbus... 'n mensch moet in zijn nooddruft voorzien...

Moeizaam drentelde Snepvangers naar huis. Onzeker was zijn gang, telkens verdoofden zijn blikken en werd hij duizelig... Klappertandend van koorts kroop hij achter de stoof en nam spitsken op den schoot.

--Ik vrees dat ik niet naar de begrafenis zal kunnen gaan, zei hij.

--Morgen is het weer beter, troostte Madame, ik zal een warm bierpap gereed maken en er veel foelie in doen... niks zoo goed om te zweeten...

--En ik die nooit ziek ben geweest!

--Het moet eens de eerste keer worden, Snepvangers!

Hij had een onrustigen nacht, bleef 's anderendaags lusteloos in zijn bed liggen.

--We zullen Dokter Vaeremans laten halen, besloot Madame.

--Ik ben ziek en niet ziek, zei Snepvangers, staarde naar de gordijnbloemen en veronderstelde dat thans de Generaal in zijn lijkkoets naar het kerkhof reed, enkel vergezeld van Peer vermits de begrafenis in stilte plaats had.

Rond den middag hoorde hij de trappen kraken onder het gewicht van den dikken dokter Vaeremans. Op het portaal hoorde hij hem kortademig blazen, dan zag hij zijn kortgeknipten, grijzen baard, zijn kinderlijk blauwe oogen en hoorde hij zijn stem.

--Steek uw tong eens uit, riep hij van verre, kwam aan het bed en liet zich naast Snepvangers op het deken neerzakken.

--Ik ben verder versleten dan gij, Mijnheer Snepvangers, maar ik heb geen tijd om in mijn bed te liggen.

--Ik ben ziek en niet ziek, aarzelde Snepvangers.

--Dat ken ik!... 't Zal niet blijven duren!... 'k Zal een fleschken schrijven...

--Alle uren 'n lepel, Mijnheer Doctoor?

--Ja, Madame, en morgen kom ik nog eens zien...

De trap kraakte weer, Madame zei nog wat in den gang en dan sloeg de deur dicht.

--'t Zal niet blijven duren, paaide zich Snepvangers.

* * * * *

Het kloksken der Paters van de Ossenmarkt hield op met kleppen.

In de Hobokenstraat marcheerde Dokter Vaeremans en bromde onbedacht een liedje dat hem in het hoofd zat:

"'t Is 'n vogel veur de kat!... 't Is 'n vogel veur de kat!"...

INHOUD.

