# Mijnheer Snepvangers

## Part 1

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/mijnheer-snepvangers-15048/index.md

Produced by Miranda van de Heijning, Guido Royackers and the Online Distributed Proofreading Team.

LODE BAEKELMANS

MIJNHEER SNEPVANGERS

AMSTERDAM P.N. VAN KAMPEN & ZOON

HOOFDSTUK I.

VILLA YVONNE.

Mijnheer Snepvangers en Madame Snepvangers, geboren Verstraete, hadden jaren gediend bij Notaris Boeykens in de Hobokenstraat. In het statig, oude huis werd de vrijage van den heerenknecht met de keukenmeid niet opgemerkt of stilzwijgend geduld. Daarbij gaf de minnehandel geen aanstoot, geen stoornis in den dienst. Beiden waren zeer degelijk en ernstig, en alle aardsche zotternij was hun oogenschijnlijk vreemd. Om de veertien dagen profiteerden zij van een half Zondagmiddagverlof om te wandelen en om plannen voor de toekomst te beramen. De andere Zondagen, wanneer bovenmeid en koetsier op gang waren, zaten zij gezellig voor het keukenraam uit te rekenen wat er nog aan hun spaarpot ontbrak. Jaren lang hadden zij zoo hun leven gesleten, gierig gespaard hun loon En de fooien, tot zij eindelijk een flinken duit bezaten. En op een Zondag, zij waren toen zes-en-dertig jaar geworden, was de beslissing gevallen. Een eenige gelegenheid bood zich aan om een bloeiende kruidenierszaak over te nemen en hun eigen meester te worden. Spitsvondig onderzochten zij de kansen om noch Mevrouw noch den Notaris te krenken, vermits zij in de buurt bleven en de oude meesters goede klanten konden wezen. Daarbij was de bescherming niet te versmaden voor kleine lieden! Toen zij het eens waren dat Snepvangers M. Boeykens onder vier oogen om raad zou vragen, zaten zij in de schemering te staren naar de poort van het krijgsgasthuis aan den overkant der straat. En toen het tijd werd om voor het avondmaal te zorgen, overviel hun voor de eerste maal het gevoel vreemden, ondergeschikten in dit huis te zijn.

Na het souper zat de Notaris meestal nog een uurtje op zijn bureel en las er, onder pruttelend gaslicht, zijn gazet. Snepvangers talmde niet, waagde het voor den eersten keer zijn meester te storen in zijne rustige afzondering. Een beetje bekwemd keek hij naar het oud grijs heerken, naar de bibliotheek achter hem, hoorde het kreukelen van de krant. Dan vertelde hij van de schoone gelegenheid, van hun gewettigd verlangen om eindelijk te trouwen, en zij kennen daarbij een geschikt meisje en een kranige jongen om hen op te volgen. Dat gaf doorslag aan het voorstel. Welwillend beloofde de Notaris zijn steun bij Mevrouw, en meer nog wou hij doen om hen te beloonen voor de goede diensten sinds ongeveer zestien jaar: Snepvangers zou hij in dienst nemen als vaste getuige en ook voor verdere notariskarweikens gebruiken.

Zoo werd beslist over het leven van Mijnheer Snepvangers en zijn vrouw geboren Verstraete!

Mevrouw Boeykens had toegestemd; de nieuwe dienstboden bleken te voldoen.

_De Zoutkeet_ nabij de Rozenstraat werd overgenomen door de jonggetrouwden, die zich mochten verheugen in de klandizie van het notarishuis. Een mooi stuivertje won Snepvangers als getuige, met onder allerlei akten zijn naam te zetten. Het leven was nieuw en schoon, zij gingen vooruit in de wereld met hard werken en zuinig te leven. Zij beseften ten volle hoe zij zich verheugen mochten in de gunst van den Notaris, maar waren tevens overtuigd dat eerlijkheid en vlijt steeds passende belooning vinden in dit aardsche leven. Wie niet te lui is om te werken brengt zijn schaapkens wel op het droge! Zij konden gemakkelijk concurreeren tegen de winkels der buurt, verkochten alles en nog wat, verleenden geen krediet, lieten niet poffen. Na een jaar reeds namen zij een meid in dienst, een kloeke deerne uit Madame's geboortedorp in den Polder: eenige maanden later huurden zij een knechtje om den stootwagen te voeren en de bestellingen rond te dragen.

De zaak was een goudmijn! Maar Madame was ook buitengewoon geschikt om met de menschen om te gaan, luisterde geduldig en met belangstelling naar de praatjes, had geen eigen meeningen over de menschen en gebeurtenissen, kon dus steeds instemmen. Het dienen had haar iets onderdanigs op het gelaat gedrukt, wat haar niet belette meid en knecht flink te kunnen aanporren tot werken, en hard zijn tegenover het schamel volksken uit de Rozen- en Paradijsstraten, dat wel eens, door nood gedwongen, kleinigheden poogde te borgen. Zij kon pingelen bij de reizigers en leveranciers, wist De vriendschap der meiden uit heerenhuizen te onderhouden met kleine geschenkjes, zag steeds kans om overjaarsche waren in de handen te stoppen van het janhagel, dat toch geen fijnen smaak heeft. Snepvangers hielp zooveel hij kon, maar werd steeds meer en meer in beslag genomen door het winstgevend baantje van getuige. Hij was een uitgeslapen vent, en de Notaris waardeerde in hem zeer bijzondere hoedanigheden, kieschheid en bescheidenheid. Zoo had Snepvangers gewezen op wat te leeren valt in de Roepzaal der Notarissen. Zedig en sluw volgde hij maanden na maanden de verkoopingen, leerde er de waarde kennen van huizen en gronden, begreep stilaan de verkoopwaarde, de speculatie, het opjagen, doorzag wat men winnen kon met inzetten, met "verdieren", met hoogen. Hij kwam in kennis met inzetters en verdierenpikkers, kleine renteniers en menschen van zijn slag, die spraken van interesten en winsten, van verkavelingen en... de gelukkige hand!

Eén sloot zich bijzonder bij hem aan, een bleeke man met neerhangende snor, waarop hij zenuwachtig kauwde, terwijl hij wonderen verhaalde van door het lot begunstigde verdierenpikkers, die rijk geworden waren door toevallige speculaties of door wat hen eerst een strop had toegeschenen. Benijder was hij van hen die eens leefden van kleine winstjes, zijn gelijken waren, waarvoor hij nu zijn hoed afnam zooals voor de rijke speculateurs en de notarissen. Snepvangers kon geduldig luisteren naar zijn teemende uiteenzettingen, onderwijl bezig met eigen plannen waarvan zijn roode, gladgeschoren heerenknechtentronie niets verried.

Weldra vertrouwde M. Boeykens hem om eigendommen op te jagen in den eersten zitdag en de gemakkelijk gewonnen opcenten openden hem een nieuw veld van bedrijvigheid. Eenigen tijd later werd hij de strooman voor een anderen notaris en zijn vrienden die een uitgestrekten bouwgrond kochten te Borgerhout. Na korten tijd waren er straten getrokken en de gronden voordeelig verkocht aan aannemers en eigenaars. Met deze winst en het opgespaarde geld kocht Snepvangers een paar bouwvallige krotten in de oude volkswijk, in Sint-Andrieskwartier, waarvoor M. Boeykens hem eene rente bezorgde. Nu waren zij eigenaars, al was het ook maar van huizen met papieren balken. Doch dat hinderde niet, rijke eigenaars hadden ook huizen door hypotheken bezwaard.

Een jaar later, het was het vierde jaar van hun huwelijk, werd de gelukkige echt gezegend door de geboorte van een dochterken. De geboorte van het kind kostte bijna het leven aan de moeder. Maanden verbleef zij in het sukkelstraatje, zoodat de zaak wel een beetje achteruitboerde. Marieken werd bij familie, boerenmenschen in den Polder, uitbesteed. Zoohaast alles in 't reine was herbegon het zwoegen en het geld verdienen der waardige echtelingen. Het geluk bleef het dienen. Zekeren avond kwam M. Snepvangers een weinig geestelijk verheugd thuis. Zijne vrouw duidde het hem niet ten kwade want zij wist dat het buitenkansje hem niets gekost had. Hij had namelijk met zijn vriend, den verdierenpikker een wijnverkooping gaan bijwonen waar men kosteloos kon proeven en kaas gebruiken. Dat aardige uitspanningsken had hij door zijn vriend leeren waardeeren. Zoo werd men wijnkenner en fijnproever. Maar nu was het dubbel meegevallen! Snepvangers had er een man aangetroffen die hem zijn huisjes wou af koopen aan zeer gunstige voorwaarden. Ondanks dat zijn gemoed vermilderd was door den wijn, had hij zijn belang sluw behartigd, vooral toen hij gewaar werd dat M. Peeters deze krotten volstrekt noodig had om zijn danspaleis te vergrooten aan de straat.

Na zijne eerste gelukkige speculatie kreeg M. Snepvangers meer zelfbewustzijn van zijn kunnen en zijn durven. Glad als een paling was hij in zaken, meende hij zelf wel in vertrouwelijke oogenblikken, hij overtrof zijn vrienden in de Roepzaal en daarbuiten! Madame was vergroeid in haar winkel, bedrijvig van den vroegen morgen tot den avond. Het mesje sneed langs twee kanten en zij werden met de jaren stijve burgers, die een schoonen spaarpot hadden, eigen huizen en bouwgrond, stadsloten en aandeelen in naamlooze vennootschappen. Wanneer zij samen 's zondags naar de mis gingen in de St.-Jacobskerk, wekten zij onwillekeurig de afgunst der geburen op. In vroeger jaren ging elk op zijn beurt, maar nu paste een winkeldochter op de zaak. M. Snepvangers was deftig gekleed, droeg een zwaar gouden ketting op den buik en had dan zijn hoogen zijden hoed. Madame verlangde het, zoo leek hij wat grooter en... voornamer. Want beiden waren klein van gestalte, en dat hinderde haar en heur echtgenoot. Was hij met den tijd vetter geworden, zij niet. Haar rusteloosheid had er volgens de meening van Snepvangers schuld aan. Naast haar man voelde zij telkens een groote bewondering voor hem, met hem had zij het ver gebracht. Ze droeg veel goud, een zijden kleed en een hoed met binders, zeer Kostelijk goed, niets van dat ondegelijk mode-goed. Het platgestreken haar was echter lichtjes met het pinijzer gekroezeld.

* * * * *

Nieuwe verandering kwam in hun leven, toen de achttienjarige dochter thuis kwam uit de kostschool. In den beginne scheen het vreemd. Zij hadden Marieken maar op feestdagen kunnen bezoeken en haar telkens, een vergoeding van de ouderliefde die ze niet geven konden, met geschenken getroost. De korte vacanties brachten nooit de groote toenadering. Weldra was het geluk volkomen in het gezin. Marieken had eene fijne opvoeding genoten bij de nonnekens, kende manieren, sprak fransch, speelde piano, en was tevens zeer vroom.

In toenemenden welstand had Snepvangers mooie meubelen gekocht in sterfhuizen en op de graanmarkt, bij de uitdragers, spiegels, lusters, piano en zoo meer.

Nu gingen zij reeds jaren met hun drieën 's Zondags naar de kerk... Snepvangers was lid van den Dierentuin, waar zij regelmatig de concerten bijwoonden of 's Zondags in den hof wandelden om de beesten te bekijken. Er kwam het deftigste volk van de stad, zooals de stokoude familie Boeykens, de peperkoekbakker van de St-Jacobsmarkt, die koffiekoopman van over de deur, en die was zelfs lid van den Gemeenteraad.

Het leven was zeer fraai en redelijk.

Maar de weelde zoekt ook verandering, en zoo gebeurde het dat Mijnheer en Madame zekeren dag tot de ontdekking kwamen dat zij niet jong meer waren, recht hadden op rust. De winkel gaf te veel slameur, en hun kind kon onbezorgd haar toekomst tegemoet zien. De _Zoutkeet_ konden zij gemakkelijk overlaten aan den zoon van den schouwvager, die geen lust had in het roetbedrijf van zijn vader. Wie het voorstel opperde van buiten te gaan wonen is later nooit gebleken, maar zeker is het dat zij het roerend eens waren, 't Was heerlijk te denken, aan de koele buitenlucht, aan den schoonen hof, en zijn vruchten, en zijn bloemen!

Op een stuk bouwgrond, waar enkel schrale dennen groeiden, door Snepvangers onlangs bij ongunstig verdieren aan zijn broek gehouden, zou het huis verrijzen. De schouwvagerszoon leerde de affaire en zijn vrouw, dochter van een kruidenier, bleek zeer goed aangelegd om de zaak te drijven. Zij ook kende geen genade voor het straatjesvolk, was zeer voorkomend voor De andere menschen. Gerust gingen zij dus van huis weg naar Cappellen. Tien minuten buiten de kom van het dorp lag hun eigendom, op de baan naar Putte. Zij waren aanwezig toen de eerste spade in den grond gestoken werd, volgden het uitgraven, het metselen der grondvesten, zagen de villa optrekken met jammerlijke traagheid, steen na steen. In den natten herfst keerden zij peinzend terug, droomend van het schoone buitenleven. Vele avonden brachten zij zoek om een naam te vinden voor het landhuisje. Eindelijk doopte Marieken den rooden blok _Villa Yvonne_, dat klonk romantisch en chic. Begin Maart was de woning klaar, en alleen in den tuin was de hovenier nog bezig met het planten van boomkens en struiken.

Den vooravond van hun vertrek zaten zij boven, voor het raam van het salon, tusschen ingepakte meubelen. Nu ging men weldra van de schoone rust genieten, nog enkele dagen en zij zouden rentenieren. Mijnheer en Madame dachten aan het verleden, wat nu komen ging was de betrachting van hun leven geweest, waarvoor zij gewroet hadden, gescharreld en gespaard. Marieken hunkerde naar haar verjaardag, die in het nieuwe huis zou gevierd worden, zij werd zes-en-twintig. Madame trok het raam open, en zij keken nu nog eens, als tot afscheid, in de ouder bekende straat. 't Was tusschen licht en donker. Het plein lag eenzaam, en de lucht werd stilaan befloersd door den aandoezelenden avond. Leerjongens en leegloopers stonden fluitend en rookend te lanterfanten aan den hoek. De uitstallingen van het ellengoederenmagazijn op den hoek der St-Annastraat waren reeds helder verlicht. Ja, het licht klaarde reeds helder overal. Ginder, in de Roodestraat, tegen het oude Begijnenhof, kwam de lantaarnman met het weifelend lichtje op zijn langen stok, en telkens als hij stil stond brandde er een gaslamp meer. Aan den overkant, bij den loodgieter, schemerde nu rossige lampschijn achter de vitrien, en ook in _De Hoop_, het oude danslokaal, verder huis na huis, ook op de bovenverdiepingen, ten allen kant van het driehoekig plein, bloeide het avondlicht. Boven de Ossenmarkt, in het broksken hemel, schitterden nu sterren als wonderheldere lichtoogen. Het kloksken der kapel tampte rustig. Nu lazen ongetwijfeld de paterkens in bruine pijen hun avondgebed onder het schamel knetterlicht der kaarsen. Vreemd en eenzelvig stond kerkgevel en kloostermuur in het donker, 't Was Maandag, en in _De Hoop_ begon het orgel te draaien. Voor de open deur probeerden aankomelingen te dansen. Telkens zwenkten zij even door de lichtstreep, schoven dan weer in de schaduw weg op het kreunend georgel en gedjingel der muziek. De jongens begeleiden het deuntje met schel-vinnig gefluit, de meisjes deden hun best om de rokken zoo bol mogelijk te doen uitzetten bij elken zwier, alsof het krinolienen waren. Wanneer een dans uit was, en het orgel zweeg, dan hoorde men nog immer het meewarig-kalm gelui. Beneden zag Madame een haveloos, slonsig meisken op moeders pantoffels komen aansloffen. De blikken petroleumkan liet zij keer op keer tegen den muuur rammelen. Dat volksken kom altijd in den laten avond, morde zij, dan pas worden zij gewaar dat er geen olie meer in de lamp is. De stemming was weg, en met genoegen, met verlichting werd aan de toekomst gedacht, aan morgen en de volgende dagen.

Nadat de verhuiswagen weggereden was, nam het gezin, op zijn paaschbest gekleed, afscheid van de nieuwe eigenaars der _Zoutkeet_, van de twee oude knechten, van de geburen. Daarna gingen zij vaarwel zeggen aan de familie Boeykens, eten in een hôtel over het station, zeer verteederd en opgewonden. Madame droeg den regenscherm van Mijnheer, die al zijn voorzichtige aandacht wijdde aan den reiszak, waarin de papieren zaten, eigendomstitels waarde-aandeelen en geld, reiszak die zwaar woog.

Een week zonnetje verwelkomde hen buiten. In de villa, waar het rook naar de klamme kalk en versch geschilderd houtwerk, vonden zij de oude meid bezig met de verhuisventen. Na eenige rommeldagen kwam alles op zijn plaats. Nu vonden zij gelegenheid om hun eigendom te "ontdekken." Marie roemde het salon waar men zoo'n prachtig uitzicht had op het bouwland aan den overkant. Tot verre in den Polder kon men zien waar de lucht, achter de hoeven en boerenhuisjes, tot aan de boomen en den grond scheen te raken. Madame genoot van haar eetkamer en het terras er voor, waar men in den zomer zou kunnen koffiedrinken en genieten van den tuin. Mijnheer dweepte met de slaapkamers boven, zoo ruim en frisch, daar kon men pas goed het omliggende land bewonderen. De meid was in haar schik met de keuken en het schommelhuis. Allen waren vol minachting voor de stad waar men benepen gehuisvest was, waar het dompig rook, waar men van het leven niet genieten kon zooals hier. Snepvangers vergat zijn Roepzaal, zijn verkoopingen, zijn stamkroeg en zijn vrienden; Madame begreep niet hoe zij het jaren volgehouden had in den winkel, Marieken koesterde de hoop hier dik te worden en fleurig, want zij was bleek en mager. 's Zondags zaten zij vooraan in de kerk tusschen de notabelen van het dorp, de pastoor had hen met een bezoek vereerd, bakker, beenhouwer en winkelier waren zeer beleefd, en de melkboer en groentenvent kwamen geregeld en op tijd.

De lente was in aantocht. Overal begon het groen uit zijn zwachtels los te breken, en de fruitboomen droegen bloesem. De lucht was meestal helder, en de zon scheen zoo plezierig over de wereld. Zij schenen het alles voor den eersten keer in hun leven te mogen aanschouwen. Regen en wind kon hun stemming niet bederven, er viel nog zooveel te veranderen een t schikken, en 't werd avond vóór men 't wist. Vroeg ging men slapen, doodmoe van het bezigzijn en de zware lucht. Vooraleer de vensters te sluiten en de rolgordijnen neer te laten keken zij dan soms in de richting der stad, waar een lichtschijn tegen den hemelkoepel, opsteeg. Dan beseften zij pas goed hun geluk. De honden blaften in de verte, en 't was eenzaam en vredig alom. In het dorp brandde nog licht, maar het was er stil, doodstil. Slechts de wind suizelde, en op de kerk sloeg de klok.

Zoo kwam M. Snepvangers op het gedacht ook een hond te houden. En vermits het buiten zoo eenzaam was, vond elkeen het goed dat een waker 's avonds op het erf zou kunnen passen. Dan sliepen de bewoners der _Villa Yvonne_ nog veiliger. Het beest, een grimmige doghond, kon huilen en blaffen dat het een aard had. Hij was weldra berucht om zijn kwaadaardigheid, erkende enkel Snepvangers. Uren lang lag hij met gloeiende oogen aan de ketting voor zijn hok te loeren naar het houten hekpoortje, opspringend wanneer iemand belde, vooral nijdig wanneer het volk van Putte, dat 's morgens vroeg en 's avonds laat voorbijtrok, in aantocht was.

Alles stond thans in lentegroen, de lucht kreeg nu een lekkere mildheid, vogels zongen in de boomen, de wind zoemde, bracht varende geruchten aan en den balsemgeur der dennebosschen. Twee nesten zwaluwen hadden hun huisje gebouwd onder het houten beschot der dakgoot, wat Madame als een goed voorteeken beschouwde. Het bracht geluk, al gaven de vogels wel wat last, zoo juist boven het terras, want zij lieten wel wat vallen. Marieken kreeg zin in duiven en Madame in kippen. Duiven waren zoo'n dichterlijke beestjes, al beweerde vader dat het stomme dieren waren! Kippen legden eieren, beweerde Madame, al kraait een haan ook vroeg de menschen wakker, maar de hond wekte hen ook vroeg genoeg. En duiventil en kippenhok werden gebouwd, netjes groen geverfd, en bevolkt. Zij telden de eieren, zagen de jonge duiven groeien, hun duivelshaar verliezen, rekenden uit hoeveel een doghond verorberen kan, stelden belang in de kwijnende rozelaars, telden de vruchtknoppen aan elk boomken, begoten het magere gras en de bloemen, de viooltjes, de madeliefjes, de vergeet-mij-nietjes en de andere, onderzochten de kale hagen en de boomenstokjes met zuinigen bladertooi.

De dagen lengden zachtjes aan en brachten de zomergenoegens, de jonge groenten, de eerste vruchten. En wat zij zelf gewonnen hadden, achter in een kleinen moestuin, al was het nog maar een mager gewin, al kwam het pas wanneer de nieuwheid reeds voorbij was, smaakte nog eens zoo heerlijk! De salade was wel te weelderig opgeschoten, had geen malschen krop; de radijsjes waren wel bitter, klein en voos; de erwten schaars te zoeken tusschen het loof; de aardappelen waren als knikkers en weinig talrijk! Doch wanneer zij bezoek kregen, en zij hadden nu haast alle Zondagen bezoek van oude kennissen en geburen, vertelden zij welgevallig en fier van de vruchten, van de zelfgewonnen vruchten, terwijl zij argeloos er maar niet bijvoegden dat, wat op tafel stond, door den groentenleurder geleverd was. Zoo overviel hen de verschroeiende zonnebrand, waarin de villa, naakt en onbeschut, de hitte stond op te zuigen. De tuin bood geen plekje schaduw, en alleen aan den straatweg schenen de boomen langs den macadamweg een beetje koelte te bewaren. Gelukkig dat er nu niets meer te verrichten viel! Zij konden binnenshuis rusten en stil zitten in de halfdonkere kamers, waar de rolluiken waren neergelaten. Geen belangstelling meer voor de uitschietende twijgen van den wingerd, noch voor de verschrompelde appelkens en peerkens, noch voor de beesten. Zalig zoo niets te moeten doen, ongegeneerd te luieren wijl men ginder, in de stad niet voelen mocht de teistering van den zomer.

Na het middageten deden zij een smakelijk dutje, man en vrouw tegenover elkaar gezeten in een leunstoel, en de koffietijd brak aan voor men het wist. Marieken, die niet slapen kon, bracht de lange namiddagen door met haakwerk, met borduren, of las de werken van Conscience, die vader in vroeger jaren gekocht had. Buiten joeg het macadamstof omhoog onder de jagende autos en bedekte alles met grijzen schimmel.

Dat was nu rentenieren! Men kon tenminste zijn vijf zinnen eens bijeenrapen meende Snepvangers. Geen verlangen meer naar de stad, slechts in zeer bijzondere aangelegenheden waren zij te bewegen eens over en weer met den trein te gaan. 's Avonds, wanneer de zon onder was, hadden zij het druk den hof te begieten. Zij pompten en sleurden het water in den tuin tot zij piepaf waren, en op het terras gingen zij dan zitten uitblazen in de nieuwe tuinzetels. Hier kloegen zij wel eens over de zwaluwen die niets ontzagen, en over de muggen die hen zoo lastig vielen. Tegenover de zondagbezoekers gewaagden zij nooit van deze kleine onaangenaamheden, roemden maar voortdurend en opgewekt het onschatbare buitenleven. Het gebeurde menigmaal dat Snepvangers moedermensch alleen terugkeerend van het station tot waar hij bezoekers vergezeld had, zichzelf overtuigde dat zij gelukkig waren. Zijn lantaarn wierp een verren lichtschijn voor hem uit, de maan lachte aan den hemel, en het dorp lag dan achter hem wanneer hij tot deze gevolgtrekking kwam. In het dorp was er nog licht in de herbergen, daar zaten de dorpelingen te kaarten. Ja, dat was toch wel gezellig! Daar schoof soms iemand in 't duister voorbij en riep goedenavond; hij verschrok even, riep dan zeer joviaal zijn wedergroet, maar was blij weer op eigen erf aan te landen en zijn doghond te hooren aanslaan. Madame vond het dagelijksch leven wel een weinig eentonig, zij die zoo gewoon was al de kletspraatjes te moeten aanhooren in haar kruidenierszaak. Marieken had ook wel eens vage gevoelens van onrust, neen zij benijdde haar vriendinnekens niet die naar bals gingen, uitstapjes deden, ja, die met een vrijer mochten gaan wandelen, maar toch!...

Na zoo'n oogenblikken van zwakheid probeerden zij tegenover elkaar den lof te zingen van den buiten, alsof zij wederzijds iets van elkaar afwisten. Zij zochten nieuwe veranderingen en verbeteringen, lieten voor het huis een vijvertje aanleggen in cementrotsblokken, schilderden de trappen, kochten konijnen. Maar het vijvertje stond altijd droog en de konijnen stierven spoedig. Eenigen tijd hield een mol, die hun eigendom in alle richtingen doorwroette, hen in spanning, Maar het beest verdween even geheimzinnig als het gekomen was. Mijnheer begon nu weer iets te voelen voor de prijzen van bouwgronden, liep heele voormiddagen langs de wegen, knoopte kennis aan met de boeren.

