Part 5
Zingt Hymens roem, ô Zanggenoten! Zijn we allen uit hem voortgesproten, Hij eischt dan onze erkentenis.
DE REI,
_bestaande uit Feestgenoten, treedt in den Tempel, en, met palmen in de handen, 't Altaar omringende, zingt._
Geheiligde echt! behoud der stervelingen! Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend: Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!-- Gij hebt ons 't levenslicht verleend. _Geheiligde echt .... enz._ Gij schenkt deez' dag, deez' Echtgenoten In 't blij vernieuwen van den trouwdag hunner jeugd, In 't aanzien hunner huwlijksloten De liefelijkste hartevreugd. Geheiligde echt! behoud der stervelingen! Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend: Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!-- Gij, gij hebt hun dit heil verleend! 't Is u ter eer' dat onze reien Dit zilvren bruiloftsfeest verbreien. Mijn tonen, rijst! mijn stem, herneem een dubble kracht, Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht. _Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht._
EEN ZANGER, _voorgetreden_.
ô Huwlijksmin! wat waar de onzalige aarde, Zo niet alom uw invloed waar verspreid? Wat, zo uw hand ons niet te samen paarde, De mensch, gedoemd tot aaklige eenzaamheid? Hij zuchtte, en kwijnde, en zwoegde, in onrust omgedreven, En walgde van 't genot van 't duurgeschatte leven.
_RECITATIEF_.
Niet anders ligt de zwakke wijngaartrank Op 't woeste veld bij 't kruipend kruid te kwijnen. Nooit toont ze een' drop van Bacchus Godendrank In 't gloeiend rood van groeiende robijnen. Geen groene bot, gekronkeld om heur' bast, Zal 't jeugdig hout met dartle kusjes lekken: Maar neêrgebukt, gekromd door eigen' last, Moet ze aan den wind een nietig speeltuig strekken.
EEN ZANGERES.
Maar heeft des bouwmans nijvre hand Haar bij een' frisschen olm geplant, En aan zijn' stam een' steun geschonken;-- Straks heft zij 't groenend hoofd omhoog, Om voor ons opgetoogen oog Op 't luisterrijkst te pronken. Straks zien we in trotschen purpergloed Een' tallelozen overvloed Van frisse en eedle muskadellen Door liefelijken nektar zwellen.
BEIDE.
Thands is zij 't siersel, de eer en wellust der landouw' Geworden door haar trouw.
_RECITATIEF_.
Zo is een paar van Echtelingen, Aan één verknocht door hart en hand. Een stroom van Hemelzegeningen Bedauwd hunn' teedren huwlijksband. Zij juichen in dien lieven kluister Die, altoos even zacht en even zeer bemind, Het schittrend goud verdooft in luister En 't harde diamant in duurzaamheid verwint. Zij doen zich in hun kroost herleven, Door aan hun Vaders wakkre neven Op wie hun deugd wordt voortgeplant, En Burgers aan den Staat te geven, En zijn oneindig waard aan 't lieve Vaderland.
DE REI.
ô Heil! onschatbaar heil van Hymens heilgen band!
EEN ZANGER.
Wat kan halen bij de min, Die 't vereende hart en zin Van een paar doet samenvloeien, Dat, in 't bloeien Van zijns levens lentetijd, Door een zelfde vlam aan 't gloeien, Zijne trouw elkander wijdt?
EEN ZANGERES.
Geen spartlend veil in 't welig woud Kan aan 't omvlochten eikenhout Zich ooit zo vast verkleven:
EEN ZANGER.
Geen zeilsteen aan het ijzer: ja, Geen parelschelp, door storm op 't onvrij strand gedreven, Aan zijne wedergaê:
BEIDE.
Als huwlijksliefde 't hart verkleeft Aan d'onwaardeerbren schat, in wiens bezit het leeft.
DE REI _herhaalt het slot_.
EEN ZANGERES.
Maar vaster, ja oneindig vaster, Verbindt hen de echtknoop saam, wier hartsvereeniging Een vierde van een' eeuwenkring Ten zegelmerk' ontfing.
EEN ZANGER.
Ja, hoe de tijd het al verbaster', De huwlijksmin- alleen bezit een hemelkracht, Die de allesbuigende overmacht Van dien tyran veracht.
BEIDE.
Zij groeit, En gloeit: Zij kent, onsterflijk, geen verouden:
DE REI.
Haar vlammen zijn niet vatbaar voor 't verkouden, Uit de eeuwge liefdevlam des hemels voortgevloeid.
ZANGER.
Laat duizenden aantreklijkheden, Waar onze jeugd zich in verblindt, Door de ongenaê des tijds bestreden, Verdwenen zijn gelijk de wind; Geen deugdzaam hart heeft iets bij 't tijdsverloop geleden, En dit, dit is 't alleen, 't geen 't echtsnoer samenbindt. Terwijl dees naauwverknochte banden Door eene reeks van echte panden Waar meê hun vruchtbre sponde praalt, Nog naauwer worden toegehaald.
ZANGERES.
Ja, 't is de Liefde voor hun telgen, De zegen van de huwlijkskoets;
ZANGER.
't Is de onweêrspreekbre zucht des bloeds, Door geen vermogen uit te delgen:
ZANGERES.
't Is wederzijdsche kindermin: 't Is de inspraak der natuur; waar in De tederheid der Echtgenoten Voor 't dierbaar zaad, uit hun gesproten, Zich t' allen oogenblikk' ontmoet, Hier in vernieuwt hun hart zijn' onderlingen gloed!
DE REI.
Wat wellust voor een teêr gemoed!
Wat wellust voor een teêr gemoed, Wanneer 't in 't lachend wicht, wanneer 't in rijper spruiten, De tederheid van 't echte bloed; En in het voorwerp van zijn' gloed, Den oorsprong van zijn kroost ontmoet! ô Treffend, zielverrukkend zoet! Wie kan uw zaligheid in flaauwe klanken uiten?
ZANGERES.
ô Echt! ô heilig echtverbond! Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond. Gij schonkt in de aardsche zorg en kommer, Hun in de omhelzing' van hun kroost, De teêrste vreugd, den rijksten troost! Gij hebt hunn' disch gedekt in stille olijvenlommer! ô Echt! ô heilig echtverbond! Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.
ZANGER.
Vereenden, 't is aan u gegeven, Geacht, geëerd, geliefkoosd van uw zaad, (Dat u voor de eedle gift van 't leven En zo veel weldaân, meer verheven, Ontbloot van tal, gewicht en maat, Erkentelijke harten heiligt, Naar d'onverbreekbren kinderplicht,) 't Genot te minnen van het licht. Terwijl gij, voor den schrik van 't menschlijk lot beveiligd, Gerust in d'arm van uw geslacht, Na frissen ouderdom en hooggeklommen dagen, De dankbre tranen uwer magen Op uwen grafsteen wacht.
ZANGERES.
Hoe heerlijk, ach! hoe welbehaaglijk is De dierbre naam en nagedachtenis Van oudren, die 't bestaan aan brave telgen schonken! Wat ongevoelige verleent Geen tranen aan hun koud gebeent'! En doet hun tombe niet met frisse bloemen pronken.
_RECITATIEF_.
Geen zachte hyacinth, geen blanke leliebladen, Geen geurige viool, noch Indiesch balsemhof, Geen frisse rozengaard, met uchtenddauw beladen, Haalt in welriekendheid, bij hunn' gerechten lof. Geen zoete honigzeem kan zo 't verhemelt' strelen, Als hun geliefde naam der braven tong verheugt. Het laatste nakroost smaakt, en roemt met luide kelen, De vruchten van hun deugd.
EEN ZANGER.
Gewis: want zo wij eerbied dragen Voor hem, dien we in den Heldenzaâl, Tot ons behoud, het lijf zien wagen Aan 't woeden van musket en staal: Indien wij wettige achting tonen Aan hem, die 't leven ons behoedt; Wat zijn dan rechtgeaartde zonen Verplicht aan d'oorsprong van hun bloed?
EEN STEM _van binnen_.
Laat af, Gespelen, staakt uw zingen; 't Is Hymen reeds genoeg verbreid. Toont nu deez' Echtverbondelingen, Wien vijf en twintig zonnekringen De kruin met zilvren glans omringen, De blijken van uw tederheid.
DE REI _herhaalt_.
't Is genoeg, laat af van zingen Hymen werd genoeg verbreid.
_Zij scharen zich in twee rijen, waar van de voorste zich tot de Echtgenoten wendt met het volgend_
_RECITATIEF_.
ô Welvereenden! wien we op deez' gewenschten stond, Na 't tijdsverloop van dertienhonderd weken, De fakkel van uw trouwverbond Ten tweeden male zien ontsteken! Duldt, dat uw maagschap, in dees rij', U hare oprechte beden wij', Uit een welmeenend hart gesproten. Hoe kleen een gaaf 't ook zij, een wensch, Indien hij invloed heeft op 't welzijn van een' mensch, Zijt, tot aan 't late graf, de zaligste Echtgenoten!
DE REI.
Zo moet ge in 't volste zielsgenoegen Bij dit uw tweede Bruiloftsfeest De derde Huwlijksviering voegen, In de eigen bloei en kracht van lichaam beide en geest! Zo doen nog vijf en twintig jaren Op 't blinkend zilver van uw hairen Ook eens de gouden Echtkroon staan! Zo moet ge niet dan laat, van 't levenslicht verzadigd, En door des Hemels gunst geduurzaam beweldadigd, Het algemeene lot der menschheid ondergaan!
EEN ZANGER.
Zo juiche uw echte sponde in bloesemrijke struiken!
EEN ANDER.
Zo moet een dankbaar kroost uw stervende oogen luiken!
EERSTE RIJ.
Dit wenscht uw vriend, uw bloedverwant, Die uwen disch versiert.
EEN STEM.
De menschheid, welker feest in 't uwe wordt gevierd.
TWEEDE RIJ.
En dit 's de wensch van 't lieve Vaderland, Dat uit uw' vruchtbren echt zich burgers op ziet kweken.
ALLEN.
Gij, Hemel! laat uw milde hand d'Oprechten wensch van bloedverwant, Van vriendschap, menschheid, Vaderland, Geen heuchlijke uitkomst doen ontbreken!
_RECITATIEF_,
_voor de Kinderen._
En ons, wie plicht en dankbaarheid Aan 't Ouderlijke hart zo naauw, zo teêr verbinden, Wat vergt ons 't Bruiloftsfeest, dus staatlijk toebereid, Te voegen bij den wensch van zo veel dierbre vrinden? Wat wensch? wat heilbeê?--Hemel, ach! Wat kan uw kroost voor zich van 's Hoogsten gunst verlangen; Dan 't dier geluk, van, dag aan dag De blijken van uw tederheid te ontfangen? Het blaakt voor u in kinderlijke minn'. Uw heil is 't zijn; uw rampen zijn zijn plagen. Gij hebt ons hart gevormd, mijne Ouders; leest daarin, 't Is u geheel plichtmatig opgedragen.
DE REI
_treedt ten Tempel en omringt Hymens beeld en Altaar._
Hymen, Hymen, bron van 't leven, En behouder der natuur! Wil in dit gelukkig uur 't Echte paar op nieuw verkleven; Geef hunn' banden kracht en duur: Laat uw heilig hemelvuur Altoos door hunn' boezem zweven!
DE ZANGERESSEN
_omhangen het Altaar met bloemen._
Hymen, Hymen, bron van 't leven! Laat het u gewijd altaar, Onder plechtig feestgebaar Met dit bloemfestoen omgeven, Door de jonge maagdenschaar Tot eene echtkroon saamgeweven.
DE ZANGERES, _die den krans omhangen heeft_.
Zo moet hun huwlijksband altoos De glorende en satijnen blaâren Der verschgeplukte lenteroos In bloei en zachtheid evenaren!
DE REI, _onder 't ontsteken van 't Altaar_.
Gij, behouder der natuur, Gij, van wien wij 't licht ontfingen! Hymen, Hymen, wien wij zingen! In deez' blijden Tempelmuur Wijden deze jongelingen, Die uw Outerchoor omringen, U dit blakend offervuur.
DE ZANGER, _die 't vuur ontstoken heeft_.
Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden In 't teder hart van dit vereenigd paar, Dan de offervlam, die onze handen Ontstaken op dit echtaltaar!
ALLEN.
_Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden In 't teder hart van dit vereenigd paar, Dan de offervlam, die onze handen Ontstaken op dit echtaltaar! Zo moet hun huwlijksband altoos De glorende en satijnen blaâren Der verschgeplukte lenteroos In bloei en zachtheid evenaren!_
(_Zij doen eenen statigen ommegang om het brandend Altaar._)
_Hymen, Hymen, bron van 't leven! En behouder der natuur! Wil in dit gelukkig uur 't Echte paar op nieuw verkleven; Geef hunn' banden kracht en duur: Laat uw heilig hemelvuur Altoos door hunn' boezem zweven!_
_Zo moet hun huwlijksband altoos, enz._
_Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden, enz._
[Illustratie]
INHOUD.
OFFERZANG. Bladz. 3 AAN CINTHIA. 13 OP _WEISSES TONEELSPEL_, ROMEO EN JULIA. 25 KUPIDO OP DE VLUCHT. 29 AAN DEN HEER * * *. 31 AAN DAFNE. 34 MIJMERING. 35 THYRSIS EN EGLE, _HERDERSZANG_. 39 * * * 47 INGETOOGENHEID. 48 INGETOOGENHEID. 49 LIEFDE. 50 DE LIEFDE EN DE DICHTER. 51 AAN DE LIEFDE. 55 DE ZACHTE KLUISTERS. 58
ANAKREONTISCHE DICHTSTUKJES, _IN ZANGMAAT_.
Aan de Zangkunst. 59 _MIJN CYTHER_. 63 _AAN DE AVONDSTAR_. 64 _OP EENE ROOS_. 65 _DE TAAL DER MIN_. 68 _DE LIEFDE_. 69 _DE SCHONE KUNNE_. 71
LIERZANGEN _NA, OF IN DEN SMAAK VAN_ ANAKREON.
_Bedrieglijk Mededogen_. 73 _Beklag_. 75 _De Liefde_. 78 _Aan mijne Luit_. 79 _Liefde_. 81 _De Pijlen der Liefde_. 82 _Aan eene Schone_. 83 _Aan den Nachtegaal_. 84 _Vergangklijkheid van het Genoegen_. 85 _Het Goud_. 87 _Op de Minnaars_. 88 _Op eene Duif_. 89 _Op de Roos_. 91 _Op de Roos_. 94 _Op de Roos_. 95 _Op eenen zilveren Kroes_. 96 _OP DE DEUGD_. 97 _DE OORSPRONG DER SCHILDERKONST_. 99 TER VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTVIERINGE. 101
* * * * *
KUNDIGEN ZULLEN UIT DE OORSPRONGKLIJKE STUKKEN, IN DEZEN BONDEL VERVAT, DE VERTALINGEN EN VERRE NAVOLGINGEN KENNEN: VOOR VREEMDELINGEN IN DE OUDE EN NIEUWERE LETTERKUNDE ZOU MEN ZE NUTLOOS ONDERSCHEIDEN.
BERICHT VAN DE UITGEVEREN.
_De Dichtstukjes, in deez' kleenen bondel vervat, zijn niet door den Schrijver geschikt geweest om immer het licht te zien. Doch, daar een afschrift derzelven, toevallig in vreemde handen geraakt, onder eenige lieden van smaak bekend, vermenigvuldigd, en verspreid wierd, bereidde men zich in het heimlijk, die toevertrouwde panden door de Drukpers gemeen te maken.--Op deze wijze gedreigd door eenen waarschijnlijk gebrekkigen Druk, hoedanige diergelijke vruchten der gewinzucht gewonelijk zijn; die doorgaands de beste verzen door de lompste onachtzaamheden misvormen, en de eer eens Dichters, bij Lezers, van de vervalsching der uitgave onkundig, bezwalken; zo heeft de Heer * * * ons wel willen toestaan, dezen Algemeenen Druk (ter voorkoming' van zodanigen onechten, als te wachten stond) na zijn oorsprongkelijk Handschrift te doen vervaardigen, en daar toe 't gebruik van eenige door hem-zelv' geëtste Vignetten vergund, welke de bewijzen van echtheid met zich brengen._
[Illustratie]
CORRECTIES
pagina originele tekst correctie viii in de Minnedichtten, in de Minnedichten, 31 PALMAE VETERVMQVE PALMAS VETERVMQVE