Part 4
Rijs vrolijk, rijs met spoed, Gewenschte Nachtbodinne, Die ik met eerbied groet, Als leidstar mijner minne! Geef mij gehoor! Licht op deez' avondtocht mijn' vluggen schreden voor! Bevangen Van verlangen, Trotseer ik 't aakligst van den nacht: Niet om roof of menschenslacht; Maar om Fyllis, die mij wacht.-- Zo pralen Uwe stralen Met zilvren licht en gouden' glans, Aan d'azuren Hemeltrans.
OP EENE ROOS.
ô Lust van 't oog, ô lenteplant, Die, als Vorstin van 't bloemrijk land, De veldkroon spant: Ontluik, bekoorlijk Roosje! Maar neen: ontzie, vertraag dien stond; Of uw aanminnig bloosje Gaat ijlings, eer gij 't weet, te grond. --Mijn Fyllis is een bloem als gij; Haar roem gaat als uw roem, voorbij: Gij moet, als zij, bekoren; En hare schoonheid (hoe volmaakt!) Als de uwe, gaan verloren. Helaas! het vreeslijk uur genaakt, Dat uw satijnen bladers slaakt, En 't zelfde lot is haar beschoren.
* * * * *
Welaan dan, frisse bloem, ontluik: En, eer de tijd uw' luister fnuik', Verlaat uw' struik! Ga Fyllis borst bekleeden! Haar sneeuwwit gloei' door uwen gloed; En, slage ik in mijn beden, Uw zachtheid lenig' heur gemoed! --Beminlijk Roosje, dat 'k benij'! Erken uw heil! het staat u vrij, Aan Fyllis borst te sterven! Haar boezem is uw throon en graf! Mocht ik dit lot verwerven! Ik wees Augustus wareldstaf En Krêzus goudtrezoren af, Om dus het levenslicht te derven.
* * * * *
Ga dan, en volg haar schone hand, Beschikster van uw plaats' en stand'; Als 't onderpand Van mijn wanhopig blaken. Doch, als zij u deze eerplaats biedt; Wier glans gij moet volmaken, Versier haar; maar bedek haar niet. --Dan, teffens, sla haar zuchtjes ga, Indien haar ooit een zucht ontsta: En poog haar te overreden, Door 't onherstelbaar ondergaan Van uw bevalligheden, Naauwkeurig acht op zich te slaan: ô Dat ze, zonder blinden waan, In tijds de haren mocht besteden'!
DE TAAL DER MIN.
'k Ging naar Pafos heiligdom, Om de taal der min te leren; Maar in Pafos werd ik stom, En moest spraakloos wederkeren.
'k Schrei Cythére troostloos aan; 'k Zie haar bij mij nederstijgen: Jongling, (zegt zij) wees voldaan; 't Is de taal der min, te ZWIJGEN.
[Illustratie]
DE LIEFDE.
't Hoofd der dartle minnegoden, Van een Honigbie gewond, Die hij in een roosje vond, Gaf, tot Venus schoot gevloden, Kreet op kreet. Moeder, riep hij, 'k zal 't besterven, Red mij, laat mij troost verwerven In mijn leed. In de rozeblaân gedoken, Heeft me een kleene draak gestoken, Dien de boer een Bietje heet.
* * * * *
Cypris zag zijn schreiende oogen, Overstelpt van traan bij traan, Met een' zoeten glimlach aan; En ze drukte uit mededogen Hem de hand. Staak, dus sprak zij, staak uw zuchten; Zoudt ge een' Bietjes angel duchten? Welk een schand! Doet zo klein een wond u klagen, Denk, wat pijnen hij moet dragen, Dien ge uw' schicht in 't harte plant?
[Illustratie]
DE SCHONE KUNNE.
Natuur heeft al wat zij deed leven Met eigen' wapentuig' voorzien; Of om 't geweld te wederstreven, Of om zijns vijands macht te ontvliên.
Den rossen Koning van de dieren Gaf ze overmacht in klaauw en tand: En heeft het woest geslacht der Stieren Het voorhoofdwapen ingeplant.
Dus schonk zij, voor de felle krachten, Verleend aan Tijger, Wolf, en Beer, Den Ever, ondoordringbre vachten; Den Haas, de snelheid, tot geweer.
Zij gaf den Visschen, om de baren, Den Vooglen, om het hemelruim, Op vlugge wieken door te varen, De breede vin en lichte pluim.
Zo heeft zij, voor alle ander wapen, Den Mann' een' onbetembren moed, Een stugge zielskracht, ingeschapen; Waar voor hij 't alles buigen doet.
Dit alles werd der Vrouw' onthouen. Zij bleef dan ongewapend?--Neen.-- Wat was dan 't aandeel van de Vrouwen?-- 't Aanminnig lichaamsschoon alleen.
Dit strekt haar in de plaats van speeren, Van klingen, bijlen, boog en schicht. Hier door weet ze alles te overheeren, Met eenen wenk van haar gezicht.
[Illustratie]
BEDRIEGLIJK MEDEDOGEN.
't Was middernacht; men zag het wentelend gewemel Der starren aan den duistren hemel; De mensch, door d'arbeid en de zorg des daags vermoeid, Lag in den zachten slaap geboeid; Wanneer ik aan mijn deur een dof geraas hoor maken. "Wie (roep ik,) doet mij dus ontwaken"? Men antwoordt: "'k ben een kind, doe open onbevreesd: 'k Ben al den nacht op weg geweest: Mijn kleedren zijn doornat van zware regenvlagen: Dus koom ik u herberging vragen. Mijn leden zijn verstijfd, van 't onweêr aangedaan, Zo dat ik verder niet kan gaan". Dit hoorend, word ik straks door teder mededogen Voor 't hulpeloze wicht bewogen: 'k Ontsteek een fakkel, en ontsluit in ijl de deur, Als ik een' jongen knaap bespeur; Maar met een' boog voorzien, en wapperende pennen, 't Geen mij Kupîdo deed herkennen. Ik breng hem bij den haard, op dat hij drogen mocht', En uit zijn lokken pers ik 't vocht, En poog de stramme leên van 't wichtje te verwarmen, Door 't wel te koestren in mijne armen. Doch naauwlijks was het warm, en zijn gewaad weêr droog, Of 't sprak: "beproeven wij mijn' boog, Of mogelijk de pees, bevochtigd door den regen, Ook eenig letsel heeft gekregen". Dus zegt hij; spant den boog; en treft me in 't ingewand, Dat ijlings vloog in vollen brand. Toen sprong hij schaatrend op, en riep: "wees wel te vreden, ô Vriend; mijn boog heeft niets geleden: Maar gij gevoelt nog lang de folterende smart Van deze wonde in 't kwijnend hart".
BEKLAG.
't Valt hard, den bloem, de lente van zijn dagen In doodkil ongevoel te slijten zonder min: 't Valt hard, den last der minnekwaal te dragen: Maar liefde zonder hoop heeft alle rampen in.
Dan ach! wat grond, om zich met hoop te vleien? Thands wordt de aeloude roem van 't glorierijkst geslacht, Thands 't eêlst vernuft, de groenste lauwrenmeien, Ja 't heilig zilverblank der reinste deugd veracht.
Wees om den glans der onbevlekste zeden, Wees om 't verlichtst verstand, beroemd, gezocht, geëerd: De Geldgod spreekt: en geen voortreflijkheden, Die zijn gezag niet straks met d'eersten wenk verneêrt.
Vervloekt zij hij, en zijn gedachtenisse, Die 't eerst aan schittrende erts een waarde heeft verknocht! Hij heeft het recht, de waarheid, en 't gewisse, Begeerlijkheid ter gunst', voor 't misdrijf omgekocht.
Hij heeft de twist ontstoken in gemoederen, Door de inspraak van natuur op 't allerteêrst vereend: Den band van 't bloed verbroken tusschen Broederen, En 't ouderlijke hart voor 't hulploos kroost versteend.
Van daar die pest, van bloed en tranen dronken, Wier voetstap 't bloeiendst veld met de ijzren zool vertrapt; Wier druipend zwaard, geschaard op menschenschonken, Niets aanblikt in 't gevecht, dat aan zijn woede ontsnapt.
Van daar, van hem, alle onheil in ons leven.-- Hoe zalig vloot het uwe, ô vroeger menschdom! voort, Eer weelde ons nog de wet had voorgeschreven, En 't onrustbarend goud de stem van 't hart versmoord!
Gij leefdet vrij van al die slaafsche boeien, Waar meê 't verderf der eeuw uw' naneef heeft belaân: Een zuivrer vreugd mocht u de borst doorgloeien, Dan die ooit overvloed in de onze deed ontstaan.
Gij mindet meê; maar vrij van de ongenuchten, Waar mede in onzen tijd de liefde wordt omstuwd.-- Leide ooit uw hart zich wetten op in 't zuchten? Of dwong het zich, om 't goud, te vleien 't geen het schuwt?
Noodlottig goud! Onlijdbre dwinglandije! Is 't offer onzer rust dan nog niet groot genoeg, Ontbreekt er iets aan uwe heerschappije, Ten zij het harte-zelf in uwe ketens zwoeg'?
ô Gruwzaamheên!--Door vuig metaal bewogen, Verraadt zich 't maagdlijk hart, en werpt zich weg, en beeft! De minnaar ziet zijn hoop, zijn heil vervlogen!-- Hij zwijgt, en voedt zijn vlam, en kwijnt, en zucht, en sneeft!
DE LIEFDE.
Als Kupîdo, met zijn' staf, Mij in hobbelige dalen, Die nooit wind verfrissing gaf, Door de struiken heen deed dwalen; Heeft me een adder, voor het oog In de kruiden neêrgedoken, Op het onvoorzienst gestoken: 't Scheen dat mij de geest ontvloog; 't Hart kromp in mijne ingewanden; 'k Dacht, mijn dood is nu voor handen: Maar Kupîdo, die dit ziet, Slaande 't dons van zijne vlerken Op mijn hoofd, om mij te sterken, Zegt: gij kunt nog 't minnen niet.
[Illustratie]
AAN MIJNE LUIT.
Voor overvloed, voor mateloze schatten Bezit ik u, beminnelijke Luit! Gij zijt mij meer, dan Peruus mijnen vatten, Of de Indus in zijn kronklende armen sluit. Gij zijt mij de eer, de wellust, en 't genoegen, 't Genot van 't heil, de troost in 't zwoegen, En perst aan 't drijvend oog de zoetste traantjes uit.
* * * * *
Rampzalig! die, gevoelloos voor uw klanken, Die sombre vreugd miskent, waar meê ge ons harte streelt. Hij moog zich vrij van 't blinde lot bedanken, Wien 't staven gouds en gouden staven deelt: Hij is, wat staat hem zij beschoren, In 's Hemels ongenaâ geboren, Die 't hart voor maatzang heeft vereeld.
* * * * *
Mijn Cyther, klink, ja klink dan in mijn handen! En zo mijn ziel ooit zweemsel voel' van nijd, Zo ze ooit mijn borst van wrevel voele ontbranden, ô Wees mij dan, wees gij mij tot verwijt! Dan moeten, midden in mijn zingen, Uw snaren mij voor 't voorhoofd springen, En roepen, dat gij me alles zijt!
[Illustratie]
LIEFDE.
Het lust, het lust me te beminnen: Kupído had het mij geboôn; Maar ik, geheel beroofd van zinnen, Verachtede 't bevel van Cytherêaas zoon. Dus, na mij tot den strijd te dagen, Maakt hij zijn' stalen boog gereed, En pijlen, op den rug gedragen, Die hem Vulkaan weleer in Lemnos had gesmeed. Ik gesp het harnas aan de leden, En koom, van speer en schild voorzien, Als Peleûs zoon, te voorschijn treden, Om met een' fieren moed Kupído weer te biên. 't Gevecht begon; hij schoot; ik vluchtte; Tot hij, van pijlen gantsch ontbloot, Van spijt en wrevel diep verzuchtte, En, als een' schicht, zich-zelv' in mijnen boezem schoot. Dus drong het wicht zich in mijn harte: Op zulk een wijs beheerscht hij mij. Nu baat geen schild voor deze smarte: 't Is al inwendig en onzichtbaar dat ik lij'.
DE PIJLEN DER LIEFDE.
Als Venus kreupele Gemaal In Lemnos smits', van blinkend staal, Kupído pijlen stond te smeden, Die zij met honig streek, door 't wicht vermengd met gal; Kwam daar de Krijgsgod, bij geval, Den heirbijl zwaaiende, uit het slagveld binnen treden. Hij spotte met den kleenen schicht, Van 't snelgevleugeld Minnewicht, Dat hij beneden zich verachtte. Kupído sprak hier op: "dit tuig is u te zwaar: Beproef mijn woorden vrij, hou daar": En Mavors nam 't geweer, daar Cytherê om lachte. Doch zo als hij het aangevat, En in zijn hand geheven had, Moest hem zijn overmoed berouwen: "'t is zwaar, (verzucht hij straks;) neem gij het pijltje weêr: Ik geef u uw verschuldigde eer". "Neen, (zegt de loze knaap:) gij zult den pijl behouen".
AAN EENE SCHONE.
Men zegt dat Niobe voorheen Aan Xanthus oever is veranderd in een' steen; En dat Pandsons telg het wraakzwaard naar den hogen Op zwaluwwieken is ontvlogen:
Maar ik, ik wenschte een spiegelglas Te zijn, op dat me altoos uw minlijke oogen zagen: Ik wenschte dat ik u een kleed, ô schone, was, Op dat gij me altijd meê mocht dragen.
ô! Ware ik u een halssieraad, Of kostelijk kleinood van jaspis of agaat: Zo mogt ik 't zachte albast van uwen boezem strelen, En dartel om uw' gorgel spelen!
Och of ik ware een zuiver vocht; Zo waschtet gij met mij uw poezle en blanke leden! Och of ik in uw' schoen voor 't minst verwandlen mocht; Zo wierd ik door uw' lieven voet vertreden!
AAN DEN NACHTEGAAL.
Bewoneres der dichte loovrenzalen, ô Toef, ja toef, geliefde Filomeel! Verbeid bij 't licht der eerste morgenstralen, Verbeid Lykoor in 't ruischend woudprieel. Uw gorgeltoon verrukt de veldelingen; Doch hoor heur stem: en tuig, dat ze u verwint. Leer, leer van haar een' zuivren Zangtoon zingen; Maar gij, leer gij Lykoris, hoe men mint.
[Illustratie]
VERGANGKLIJKHEID VAN HET GENOEGEN.
Op zachte myrth- en lotosblaân Genoeglijk uitgestrekt, Breng' mij Kupído-zelf den vollen beker aan, Met opgestrikt gewaad bedekt! Want, met wat spoed een rennend wagenspan Door 't vlak der velden rijd', Veel sneller is het vlieden van Des menschen levenstijd: En liggen we in het graf ter neêr, Wij zijn een hand vol asch; niets meer.
* * * * *
Waar toe stort ge offergaven uit? Wat zalft gij toch den steen, Die in zijn' hollen buik het zielloos rif besluit? Wat strooit gij daar 't gebloemte om heen? Spil liever nu den nardus aan mijn hoofd, En vlecht me een' rozenkrans: Eer ik, van 't levenslicht beroofd, De schimmen lei' ten dans', Wil ik van alle zorg en pijn, Van allen druk ontheven zijn.
[Illustratie]
HET GOUD.
Kon 't Goud de stervelingen 't Geweld des doods ontwringen; 'k Vergaarde een' groten schat, Om, tot rantsoen voor 't leven, Aan 't lelijk spook te geven, Wanneer het tot mij trad. Maar wijl men 's menschen dagen In 't minst niet kan vertragen, Vergeefsch is 't wat ik klaag: Moet ik mijn leven laten, Wat kan het geld mij baten, Dat 'k in mijn' gordel draag? Mag ik, voor alle schatten, Den berkenmeier vatten In de opgeheven hand! Mag ik mijn' lust verzaden, En in de weelde baden Van 't troetelledikant!
OP DE MINNAARS.
De Paarden hadden in hun zijden, Voorheen, huns meesters merk gebrand; Zo was de Parth, sints oude tijden, Te kennen aan zijn' tulleband: Maar mij zijn al die liefde kweken Op 't allereerst gezicht bekend; Want allen is een zelfde teeken In 't teêrverzuchtend hart geprent.
[Illustratie]
OP EENE DUIF.
Beminlijk Vogeltje, van Cytherê geliefd, Ai! zeg, wat is de reên Dat gij, met zulk een' spoed, de ruime lucht doorklieft? Waar toch, waar vliegt gij heen? Van waar brengt gij dien balsem aan, Waar mede uw wieken zijn belaân? En waar gij 't bloemtapijt der velden meê besproeit, Daar 't van uw veedren vloeit?
"Hoe dus? gaat u dat aan? of waarom vraagt gij dit? Mijn Meester vaardigt me af Aan haar, die, als vorstin, geheel zijn hart bezit, Dat haar de liefde gaf. Beschouw hoe ik op zijn bevel, Zijn minneliederen bestell'. Hij zei' mij voor de trouw, die ik hem blijken doe, Ontslag en vrijheid toe.
"Doch alhoewel hij mij in volle vrijheid stelt, Ik blijf bij mijnen Heer. Want waarom zoude ik toch, om berg, en bosch, en veld, Steeds vliegen heen en weêr; Op dat ik, in mijn snelle vlucht, Mij de eene, of andre wilde vrucht (Wat wordt men, buiten die, in 't woeste woud gewaar?) Ter wrange spijz' vergaar'?
"Terwijl ik, in mijn' dienst', een beter lot geniet, En edeler onthaal. 'k Eet brood uit 's Meesters hand, die mij te drinken biedt Uit zijn kristallen schaal: Waar na ik om hem henen zwier, Of rust op zijne ijvoren Lier. Vaarwel! Gij hebt der kraai', om haar geklap gelaakt, Mij reeds gelijk gemaakt".
* * * * *
OP DE ROOS.
Mij lust de Lent', die bloemgewassen draagt, De Lenteroos, die Goôn en mensch' behaagt; 't Aanminnigste versiersel voor een Maagd, Ter eer' te zingen. Het is de Roos, de malsche Roos-alleen, Met welker blaân de drie Bevalligheên, Als 't Minnewicht met haar ten rei' zal treên, Haar hoofd omringen. Zing, Dischgenoot! zing vrolijk met mij meê! De Roos, de lust van gulden Cythereê: De schone Roos, 't bemind gewas der ne- gen Zanggodinnen! Schoon zij de hand met spitsche doornen drukt, Wanneer men haar den groenen steel ontrukt; Wie is er, die geen lieflijk Roosje plukt Met blijde zinnen? Hoe aangenaam zijn haar satijnen blaân! Men brengt de Roos op blijde tafels aan, En Bacchus feest. Wat wordt er toch gedaan, Wat zonder Rozen? Haar purper doet den schonen Dageraad, Die 's Hemels poort in 't Oost' ontsluiten gaat, En 't Wagenspan van Titan binnen laat, De vingers blozen: Zelv Cypris wordt, van die haar schoonheid roemt, In heilig Dicht, na dezen blos genoemd. Der Helden graf versiert men door 't gebloemt' Der Rozelaren. Niet minder is haar frissche reuk geacht: Vergeefsch beproeft de tijd daar op zijn macht; Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en pracht Zijn weggevaren. Doch melden wij, hoe ze eerst haar' oorsprong kreeg! Als Venus uit de azuren golven steeg Der zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg, En scheen te slapen; Wanneer Minerve uit 's Vaders edel hoofd, Door 't diamant van Mulciber gekloofd, Met speer en schild, wier glans den glans verdooft Van Mavors wapen, Te voorschijn kwam; toen is de nieuwe plant Der Roos, gevormd door de alleswijze hand Van vrouw' Natuur, uit 's aardrijks ingewand Eerst voortgesproten. Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid, Of heeft het met zijn' nektar mild besproeid; En uit haar' struik is de eedle druif gegroeid, Die sedert wortel heeft geschoten.
* * *
OP DE ROOS.
Zo Jupiter in 't Rijk der bloemen Een Heerscheresse zou benoemen, Aan 't Roosje schonk hij de oppermacht.-- Der bloemen oog, des aardrijks pracht, Der planten luister, zijn de Rozen, Zij ademen een liefdegeur, En doen, door schitterende kleur, De velden allerlieflijkst blozen. Zij pronken met de zachtste blaân: Zij kweken minnelustjes aan; En lachen, van groen loof omgeven, De Zéfyrs toe, die om haar zweven.
OP DE ROOS.
Dat wij de Roos, der minn' gewijd, Met Vader Bacchus paren! Dat we, in het druivenvocht verblijd, En 't hoofd bekransende met frissche rozeblaâren, Geen zoete lachjes sparen! --De Roos, der Lente schoonste pracht, De Roos, het sierraad van de bloemen, De Roos, bij 't Godendom geacht, Wil ik op mijne Cyther roemen. --Diones dartelende zoon Vlecht om zijn blonde kruin een purpren rozekroon, Wanneer de drie Bevalligheden Met hem ten reie treden. --Dat ik mij ook met Roosjes sier', En in uw' tempel, op mijn lier, ô Bacchus! u verbreide: En een beminnelijke maagd, Die Roosjes om heur' schedel draagt, Ten blijden dans' geleide!
OP EENEN ZILVEREN KROES.
Wil mij, vernuftige Vulkaan, Geen wapenrusting voor mijn leden (Want wat gaat mij Gradívus aan?) Maar een' Bokaal van zilver smeden. Wil om den rand geen Firmament, Orìon, of Kalisto snijden: (Mij zijn de starren niet bekend; Ik wil den zouten plas vermijden.) Maar dat me uw bijtel daar een' wijnstok om vertoon, Met vruchten, die het hart ververschen; En Sémeles en Venus zoon, Die in een gouden kuip de rijpe druiven persen.
[Illustratie]
_ALKAÏSCHE LIERZANG._
OP DE DEUGD.
ô Edel voorwerp onzer bedoelingen, Volschone Deugd! maar zwaar ter betrachtinge! Wat is het schoon, voor u te sterven! 't Aakligste, gruuwzaamste wee te lijden!
Den geest bedeelt gij Hemelsche voorrechten, Meer waard dan 't goud, ja 't eêlst der bezittingen; En meer dan de edelste geboorte, 't Treffelijkst stamhuis, op prijs te stellen:
Den zinnen deelt gij stille gelatenheid, En zoete rust meê; kalmte en te vredenheid, Verkwikkelijker dan de sluimring, Die den vermoeide de leden koestert.
Om u, om u is 't, dat de onverwinlijke Gedrochtenschrik, dat Spartes gebroederen Zo veel verrichtten en verduurden, Door uwe mogendheid ingenomen.
Door zucht tot u is 't, dat de Dardanier En Peleus zoon, en Aiax zag sneuvelen, En 't bloed van duizend andre helden De oevers des snellen Scamanders verwen.
't Was ook om u, om uwe beminlijkheid, Dat Smyrnes burger, 't daglicht verliezende, De glibberige weg der oogen, Voor de begeerlijkheid werd gefloten:
Maar, door zijn werken eindloos verheerelijkt, Zo verre 't aardrijk pronkt met bewoneren, Beschonken hem de Zanggodinnen Met eene onsterflijkheid, u vereerend.
[Illustratie]
BIJ EENE TEEKENING, VERBEELDENDE DEN OORSPRONG DER SCHILDERKONST:
_IN DE VRIENDENROL DES SCHILDERS * * *._
Nooit moet het denkbeeld van uw' vond, Nooit uw geheugenis versterven, Beminnelijke Rozemond! Wier vlugge hand zich onderwond, Door losse trekken, duistre verven, Eens wuften minnaars vluchtig beeld Te hechten aan 't paneel, waar op zijn schaduw speelt.
De Liefde, roerster van uw' zin, Wier Godheid uwe kool geleidde, Gaf u dit edel denkbeeld in; Als 't lieve voorwerp uwer minn' Van uw verkleefde lippen scheidde: Zij deelde, in weêrwil van Natuur, 't Afwezig, 't aanzijn meê; 't verdwijnend, stand en duur.
Zo dit een dartle vlam vermocht, Laat vriendschap u in deze trekken, (Hoe ruw en kunsteloos gewrocht) Een hart, dat ze aan uw hart verknocht, APELL! het hart eens vriends ontdekken. Zo blijv' mijn naam u steeds zo waard, Als ik 't penceel waardeer, dat d'uwen maakt vermaard!
[Illustratie]
TER VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTVIERINGE.
_Aan 't eind van de zaal vertoont zich een Tempel, waar in men het beeld en Altaar van_ HYMEN _beschouwt._
EEN ZANGER.
Rijst op, rijst op, ô Zangchoralen; De tijd vermaant ons onzen pligt; Vervangt den klank der feestbokalen Met keur en trant van maatgedicht.
EEN STEM _uit den Tempel_.
Treedt toe, treedt toe, ô Zangchoralen! Ziet Hymens blijde tempelzalen. Tot uwen feestzang ingericht.
EEN ZANGERES.
Ja viert deez' dag, mijn Zanggenoten, Die Hymen toegeheiligd is! Zijn outerchoren, reeds ontsloten, Onttrekken ons den tragen disch.
BEIDE.