Part 2
Volschone Cinthia! maar schoner duizendmalen Door zuiverheid van hart, begaafdheên van den geest, En wat volmaaktheên meer in 't alvolmaakte pralen, Dan 's lichaams juistgevormde en minnelijke leest! Gun een' verwonneling', aan uw aantreklijkheden Gekluisterd, gun een' slaaf die in uw boeien bukt, Met sidderende schreên tot uwen throon te treden, En zie meêdogend neêr op 't onheil dat hem drukt. Maar ach! wat zegge ik u, wie 't alles waar gebleken, Zo slechts uw boezem niet, ontrefbaar voor mijn smart, De uitdrukkelijke taal die oog en boezem spreken, Den vrijen toegang had verboden tot uw hart? Of, daar 't ontzag der min mijn rede in d'aanvang smoorde, Getuigde 't brandend oog de vlam die mij versmelt, Verraadde een doffe zucht, die uit mijn' boezem boorde, De schroevende angst u niet, die mij inwendig knelt? Ach! moest de doodsche verw, zich spreidende op mijn kaken, De ontroering, die de kracht vermeestert van mijn' geest, Moest zelfs mijn spraakloosheid den staat niet kenbaar maken Eens harts, dat in het uwe een' strengen rechter vreest? ô Vreeselijke dag, als uw betoovrende oogen, Gewapend met een vuur van onweêrstaanbre kracht', Mij tevens rust en vreugd met eenen wenk onttoogen, Mij leevrend tot een' prooi aan eindeloze klacht. Ik zag u! en, verrukt door uw aanminnigheden, Dronk mijn begeerig oog die minnevlammen in! Straks zaagt ge uw mogendheid volstandig aangebeden, Straks werd mijn hart de throon en 't outer van de min. Onze aandacht zie aan 't zwerk de dagtoorts vierig blinken; Mijn borst voedt heeter vlam, een vlam van groter duur: Haar zien we in d'oceaan bij beurten nederzinken; Mij blaakt een strenger, een onafgewisseld vuur. Schoon Klytie eindeloos blijft staren op uw' luister, Apol; de nacht verschijnt, zij wendt het aangezicht: Maar 't oog van Cinthia blijft stralende in het duister, En 't mijne is zonder eind op zijnen glans gericht. Vergeefsch houdt de afstand ons in onderscheiden streken Door beemden, stromen, en muuraadjen afgesneên: De min weet door den vloed van Hellaas zee te breken; Zij dringt door 't metselwerk der bouwgevaarten heen: Zij heft zich boven 't zwerk, daalt in den afgrond neder: Vermurwt de harde rots, versmelt het kille staal:-- Maar, wat haar macht bereik', haar heilig vuur verteder'! De ontrefbre Cinthia belacht heur zegepraal. ô Te ongevoelige! ô te wrede! wat vermogen Bevrijdt u voor de macht, die 't alles overheert? Ach! wil niet roekeloos op uw verwinning bogen: De min doet meer geweld, wordt ze eenmaal afgeweerd. ô Liefde, ô tederheid! ô Liefde, die mij 't harte Verscheurt! waar om op mij uw krachten uitgeput? Die fiere, die tot nog uw pijlen strafloos tartte, Zal eedler doelwit zijn voor uw gevreesd geschut. Haar voegt het u (niet mij, rampzaalge!) te bestrijden. Zij is uw zege waard: wat toeft gij? wet uw' schicht. Of zoude u nevens mij de stugge moed ontglijden Bij d'eersten opslag van 't aanbidlijk aangezicht? Dat aanzicht, dat, bestierd door teder mededogen, Met eenen enklen lach den hemel open stelt: Maar, met een wrede wolk van strengheid overtoogen, Geheel 't geschapendom met doodschen rouw' beknelt! Gewis, dit fier gelaat, die oogstraal van Minerve, Vervult de Liefde-zelv' met Godgewijd ontzag: Die boezem, die in glans, gevoelloosheid, en verve, Het eedle albast braveert, braveert Kupidoos slag. Maar, al te onnoosle Min! bij Pallas hemelsche oogen Voegt zij dat kwijnend vuur, daar Venus oog van gloeit; En 't marmer van haar borst, door d'ademtocht bewogen, Toont purpren druiven, op zijn heuveltjes gegroeid. Leer des, bedeesde min, uit dees voldoende blijken, Dat Cinthia, hoe fier van hartsgesteldteniss'! En welk een strengheid ook op heur gelaat moog prijken! Dat Cinthia noch rots, noch wrede Pallas is. Gewis, zij is, zij kan niet gantsch ontrefbaar wezen. Zij is gevoelig, ja! voor teêre minnepijn; Schep moed, mijn hart:--maar neen, vermeer uw angstig vrezen: Een teder hart kan zelfs voor u gevoelloos zijn. Gevoelloos zijn voor mij,--en teder voor een' ander'! ô Hemel! welk een taal! ik ijs, ik gruuw daar van! Waar is op 't wareldrond die trotsche tegenstander, Die bij mijn min, zijn min slechts vergelijken kan? Spreek: wie gij wezen moogt, die zo veel heils zoudt wachten: Vermeetle spreek, en meld me uw' fellen boezemgloed: Beschrijf me uw kwijning, angst; verhaal me uw jammerklachten, Noem me al uw zuchtjes op, en toon me uw' tranenvloed. Zeg, of uw gloed den gloed van d'Etna oversteiger'; Zeg, of een knagend gift u door uw aders kruip', Zeg me, of de nacht u rust, de dag genoegen weiger', Uw boezem eindloos zwoeg', uw oog oneindig druip'? En kunt gij 't oeverzand, de blaauwe pekelbaren, De zilvren druppelen van 's uchtends milden daauw, Door 't bruischend tranenvocht in menigte evenaren; Noem dan uw liefde nog bij mijne liefde flaauw. Kom, wrede, kom en zie, mijn eindloos smeltende oogen, Verdronken, afgewaakt, verduisterd, uitgeknaagd: Mijn borst, door zucht op zucht het krimpend hart ontvlogen, Verscheurd, betoont wie 't zij, die waarlijk liefde draagt, 'k Zwijg van een uitzicht, dat door wanhoop is verwilderd; Gelaat, waar op de dood met eigen rechterhand In bleeke lijkaschverv' zijn beeldtnis heeft geschilderd; En voorhoofd, dat van 't vuur der felste woede brandt. Zie dit, en durf u dan van uwe vlamm' beroemen! Of schroomt gij 't echte merk van een' oprechten gloed, Uit spoorloos onverstand, bewijs van minn' te noemen; Nog één onwraakbaar blijk is me over in mijn' bloed'. Aanvaard dit blijk: treed toe: zie hier den toets der minne. Stel u voor mijnen arm, ik geef mijn borst u bloot. Gelukkig! zo ik slechts dit gunstbewijs verwinne, Dat Cinthia alleen een' zucht loost om mijn' dood. Thands moet het kloppend hart het weemlend oog vervangen; Een stroom van gudzend bloed het lekend tranenbad: Een andre daauw vall' neêr, droogt op, bedaauwde wangen! --Maar ach! waar dwale ik heen, door 't woeden afgemat. Verwarde geest, te rug! betoomt u, dolle zinnen! Een ijdle hersenschim spoort uw verwoedheid aan. Dien immer Cinthia verwaardigt te beminnen, Waar toch zou in 't heelal dat waardig hoofd bestaan? Dien immer Cinthia met hare minn' verwaardigt!-- Wat kan beminnenswaard in eenig voorwerp zijn, Dat, lichtgeloovig brein! een achterdocht rechtvaardigt, Zo honend voor heur hart, als foltrend voor het mijn? Zou afkomst, zou geboorte, of ijdele eeretittelen, Die zich de hoogmoed delft uit grootvaârs heilige assch', (Ontleend blanketsel slechts!) het edel harte kittelen, Dat, aan zich-zelf genoeg, in 't minst hoogmoedig was? Weg hij, die met de deugd van zijn verstorven vaderen Zijne ondeugd,--met hunne eer, zijn schand te dekken tracht! Onwaardige, sta af van al hun lauwerbladeren, Of druk hun voetspoor na tot roem van uw geslacht'!-- Doch, zo een brave stam, die helden heeft geschonken Aan 't Vaderland, aan de eer, heure aandacht waardig zij; Mijn stamboom mag van ouds met wakkre loten pronken, Wien meê eene eerplaats voegt bij Neêrlands burgerij: Of grondt zich geen verdienste op overleden magen En wordt een brave telg door eigen deugd vereêld;-- Kan zuiverheid van hart een zuiver hart behagen, ô Schone, lees in 't mijne, en ken uw eigen beeld. Zie of mijn boezem ooit een vurig zuchtje loosde, Dan voor de deugd, den roem, de Godheid, en--voor u: Zie of mijn voorhoofd ooit om wanbedrijven bloosde: Zie--: maar doorzoek mijn hart, van eigen glorie schuuw. Dan, mooglijk mocht de glans der fraaie wetenschappen Haar fierheid neigen tot een teder blijk van gunst. Hoe kneedde ik 't letterspoor met onvermoeide stappen, ô Hemel! waar dat heil verbonden aan de kunst. Gij die u te onbedacht met zo veel vreugd zoudt vleien, Verwaande: toon uw kracht, ontweldig mij den prijs: Of ben ik onbekend bij Neêrlands dichtrenreien, En is mijn kruin ontbloot van eenig eerbewijs?-- Of zou de glans der weelde, op één gehoopte schatten...? Zwijg, onbedachte tong! wat denkbeeld! welk een woord! Zou 't blinkend stof der aarde aantreklijkheên bevatten, Waar door 't verheven hart dier schone wierd bekoord? 't Gemeen blijve aan den schijn van grootheid zich vergapen! Het goud bezit geen waarde in 't welverlicht gezicht. De wijze weet zijn heil uit beter goed te rapen; Uit zelfgenoegzaamheid en liefde tot zijn' plicht. Of, zo iets buiten ons, verdient het hart te raken, 't Is de achting, die verdienste onscheidbaar vergezelt. Door deugd, door wetenschap, door moed, naar eer te haken, Is 't kenmerk van den brave, en kunst- en oorlogsheld. Volschone, is dit, is roem behaaglijk in uw oogen, Gebied, en 'k offer u driedubble lauwerblaân; Één lonkje, één lachje slechts, vernieuw' mijn kunstvermogen, En 'k brenge u op een nieuw een dubble zangkroon aan. Hoe moedloos, hoe verslapt, hoe kwijnend, hoe verslagen. Daar me uw verachting als een bliksem heeft verplet; Zal niemand mij den prijs, den prijs der eere, ontdragen, Door de enkle hoop op u ten zangstrijde aangezet. Of zoude ik twijflen? ik--! Wie zet de liefde palen? Quintijn, uw grove vuist, om d'ijzren bout gekromd, Greep op haar stem 't penceel om Fyllis af te malen, En ijlings was Natuur verwonnen en verstomd. Dit wrocht, dit wrocht ge, ô Min! Uw macht is hier gebleken; Gij vormde uit dien Cykloop Apol een' wonderzoon; Elk werkstuk van zijn hand is u een zegeteeken: De kunsten buigen neêr voor uw' geduchten throon: Uw invloed is genoeg om glorierijk te pralen: Maar--zo een lieve lonk dien invloed kracht verleent--! ô Dierbre, laat uw gunst mijn liefde slechts bestralen, En zie, wat min vermag, met blijde hoop vereend. Of mint gij oorlogsroem, bemorste krijgslauwrieren, Bij 't grimmen van den dood, door 't blikkrend heldenstaal Van d'overstroomden boord der purpren bloedrivieren Geöogst, en 't aaklig schoon van Mavors wapenpraal? Beveel, en dees mijn arm zal d'oorlogsbliksem zwaaien; Op 't rokend moordtoneel van woede en razernij' Met opgeheven kling een' tas van lijken maaien, En sneuvlen u ter eer'--ach! ware 't aan uw zij'! ô Mocht ik door een woud gevelde legersperen U rukken, Cinthia, uit 's vijands overmacht! Of tegen duizenden door 't blanke staal verweeren, Ik trotste Achilles moed,--Alcîdes reuzenkracht! ô Mocht ik voor uw oog, met wond op wond doorregen, En vruchtloos hijgend naar den ademtocht, vergaan! Mocht, mocht mijn vlotte ziel uw koelheid slechts bewegen, En, glippende uit de borst, uw wedermin verstaan! ô Hemel! zulk een dood waar ruim een leven waardig. Wat zeg ik! zulk een dood waar mij de onsterflijkheid. Neen, mijn geboortestar, nooit noemde ik u kwaadaartdig, Zo zulk een uitvaart mij door 't noodlot waar bereid. Maar neen! bedrieglijkheid der wenschen! neen: mijn leven, Een schakel van verdriet, heeft zo veel heils niet in. Ach! mocht ik dan voor 't minst gelijk uw minnaar sneven, Van 's medeminnaars hand, begunstigd met uw min! Helaas! ook zelfs die gunst wordt mij door 't lot verboden, Te sterven van een hand, door Cinthia geliefd! ô Foltring! die mij meer dan duizendduizend doden De borst en 't ingewand, 't gebeente en merg, doorgrieft! ô Machteloze woede! ô ijselijke slagen! Ik wensch me (ô hemel!) zelf een' medeminnaar toe! Een' die den draad verkort van mijn gevloekte dagen?-- --Neen, op wiens rokend lijk ik mijne wraak voldoe. Zoude ik lafhartig--? neen.--Waar zijt gij, wuste zinnen? Ja: 'k staaf dit gruwzaam woord, 'k herhaal het andermaal: Die 't aangebeden hart wanhopig moet beminnen, Wat rest, wat rest dien meer, dan 't leedverkortend staal? ô Cinthia, beschouw, zie neêr op mijn ellenden: Mijn leven en mijn dood hangt van uw wenken af. Of laat één lieve lonk mijn angstig lijden enden: Of één vergramde blik mij domplen in het graf!
[Illustratie]
OP _WEISSES_ TONEELSPEL:
ROMEO EN JULIA.
Bleven de leerzame dochters van Mîneus weleer aan de lippen Harer welsprekende zuster in luisterende aandacht geketend, Wen ze d'oplettenden kring de onzaligste liefde verhaalde; Liefde, gekweekt in den wrok van twee vijandlijke stammen, t' Ondergebracht en vernield door hunne vereenigde telgen: 't Was met dezelfde verrukking', met d'eigensten wellust des harte Dat mijn begochelde zinnen zich in de beschouwing' verloren Van het ontzetlijk tafreel dier tederverknochte gelieven, De offers des woedenden haats, die beider geslachten verdeelde.
Teder, beminnelijk paar, wier harten, te samengestrengeld Door d'onverbreekbaarsten band, eenstemmige bewegingen voelden, Eenerlei zuchtjes ontlastten, in de eigene kwelling' verteerden, Zich in elkander vernietigden en in elkander vernieuwden! Teder, beminnelijk paar! hoe heeft me uw noodlot getroffen! Hoe mijne ziel uw liefde, en hoe uw rampen verzwolgen! Hoe uw liefde benijd, ja zelfs uw rampen gezegend!
Rômeo, 'k zie u nog, met de verwe des doods op de kaken, 't Staamlend vaarwel, eer gij 't uit, met afschrik en ijzing herroepen. Ai mij, hoe dobbert uw ziel met dit woord op uw siddrende lippen! 'k Zie uwen boezem bedaauwd met brandende, blakende tranen. 'k Zie hoe gij spraakloos, geschokt, versmoord, door bruischende tochten, De armen, verstijfd om den hals der minlijke Julia, los rukt, Vol van het aaklig gevoelen des naadrenden onheils.--ô Hemel! Moest dan zo veel min zo gruwzame ellenden ten doel' staan!
Julia, 'k zie u nog, en gevoele de maat van uw lijden. Wanhoop, vertwijfling,--wat naam, wat naam aan uw' toestand gegeven? Bevend beschouwe ik de schaal die 't doodlijk bereidzel u aanbiedt. 't Doodlijk bereidzel? Gewis: om voor eeuwig uwe oogen te sluiten Moest het u eenmaal het licht, 't noodlottige daglicht hergeven! Al te lichtzinnige Lijfarts, wat baat uw te roekloos beloven? Waar toe de ontwaking bereid, daar de eindloze slaap op zal volgen? Waarom bedroogt gij haar niet, die zich uwer kunde betrouwde? Zulk een bedrog ware een weldaad; een weldaad, die al hare ellenden Kortte, en haar einde 't besef van 't smartelijk sterven bespaarde. Hemel, wat zeg ik!--ô Neen: onzalige! 't Angstig herleven In de verblijfplaats des doods, wordt rijklijk, ja dubbeld, vergolden Door het geluk van in d'arm van die u waard is te sneven. Rômeo, welk een geluk! gij kent, gij proeft het volkomen: Dank zij 't knagend vergift. Te gelukkig in d'arm uwer schone, Sterft ge in de blakende minne, om geene verkoeling te vrezen: Sterft ge, en het aardrijk ontsluit u 't herbergzaam verblijf van de ruste. Rômeo, weet ge uw geluk naar eisch, naar waarde, te schatten? Kent gij 't?--het aardrijk verschaffe u een zachte en vredige rustplaats! Julia, 'k zie uwe drift de verwilderende oogen ontgloeien: 'k Hoor u den noodkreet, den galm der vertwijfeling uiten!--Wat doet ge? 't Einde is nabij van uw leed. Zijn ziel zweeft om uwen boezem, Om uwe lippen, in 't rond: zij zoekt met vurig verlangen De uwe te ontmoeten; zij zoekt met de uwe te samen te vloeien: Ja, gij erkent haar begeerte, en zult haar begeerte genoegen. 'k Sidder!--gij stort in uw bloed! en ik! waan met u te sneven.
Schilder der min, der natuur! wie heeft het penceel u gegeven, Om ons de driften des harte met zo veel waarheid te malen? Wie toch, wie leerde u 't gemoed dus door uwe klanken beroeren? Wie de geheimen der liefde, de kwellingen, de angsten, de pijnen, De onvergelijklijke zoetheid der hoop die zij ingeeft, te kennen?-- Liefde bestierde uwe vingren in 't schetsen dier levende trekken: Trekken, daar 't tedere hart zich-zelve in herkent en beoefent. Zij, die de schrijfstift van Naso geleidde om haar krachten te schetsen, Zij gaf zelv u de taal, de eenvoudige taal van een hart in, Even gevoelig als 't mijne, en licht...! Doch, dat we ons bedwingen: Treffend genoegen, zich-zelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien! Onder het masker van medegevoeligheid, zonder beschroomdheid, Vrijlijk d'opborlende tranen een' ruimeren loop te vergunnen! Edel vermaak! 't is in u, dat zich mijn geest mag verpoozen Van de geduurzame plagen, verknocht aan het menschelijk leven.
[Illustratie]
KUPIDO OP DE VLUCHT.
De schone Cypris schreeuwde om haar' verloren' zoon. "Zag niemand hier de Min? hij is mijn' schoot ontvloôn. Zo iemand uwer mij zijn schuilplaats weet te melden, Zo spreekt: een waardig loon zal uwen dienst vergelden: Een kus van Venus mond! maar brengt gij 't wicht mij weêr, Gij zult geen' bloten kus ontfangen, maar nog meer.
Dan, om een klaar bericht van 't zwervend kind te geven, Zie hier zijn beeldtnis in volkomenheid beschreven.--
Het jongske is geenszins blank, maar gloeiend rood, van huid: Zijn oogen schieten vuur en bliksemflitsen uit: Hij is boosaartdig; maar lieftalig: in zijn spreken Geveinsd: zijn stem is zacht en vloeit als honigbeken. Gramstorig, is hij loos, bedrieglijk, valsch, en fel: Arglistig maakt hij zich van wreedheid kinderspel. Zijn kruin moog door den zwier van 't kronklend hair bekoren, Maar 't voorhoofd heeft den blos der schaamte lang verloren: Zijn handtjes zijn zeer klein; maar treffen vreeslijk veer; Ja, tot den Acheron en 's afgronds Opperheer, Van lichaam naakt, weet hij zijne inborst loos te omkleeden; En, plegende als een duif de dunne lucht te kneden, Zweeft hij gedurig om, met onstandvasten zin, Van de een naar de andre kunne, en strijkt ten boezem in. Zijn armtje voert een' boog, en nog een' schicht daar boven: Dat schichtje, hoe gering, bereikt de Hemelhoven. Een gouden bus hangt hem ter schouder af, belaân Met pijlen, die ik-zelv somtijds ten doel moest staan. 't Is al verschriklijk, wreed: maar meest van alle zaken, Een toortsje, daar hij zelfs de zon meê weet te blaken.
Indien gij 't wichtje grijpt, hou 't onbeweeglijk vast; En schreit hij, zie wel toe, eer u zijn list verrast: Of lacht hij, bind hem wel. Maar poogt hij u te kussen, Wijs, wijs zijn lippen af, daar schuilt iets giftigs tusschen. En zo de loozaart u zijn schone wapens biedt, 't Verradersch tuig draagt vuur, aanvaard zijn gaven niet".
AAN DEN HEER * * * OP DEN VERJAARDAG VAN HET GENOOTSCHAP:
* * * * *
ACER EQVVS QVONDAM, MAGNAEQVE IN PVLVERE FAMAE, DEGENERAT; PALMAS VETERVMQVE OBLITVS HONORVM, AD PRAESEPE GEMIT, MORBO MORITVRVS INERTI.
OVID.
Wat poogt ge, ô dierbre Vriend! mijn dichtluim op te wekken, Daar ze in gevoelloosheid als weggezonken ligt? Ach! wilde ik thands mijn hand naar 't stramme speeltuig strekken; Ik bracht een' rouwgalm voort, voor juichend Feestgedicht. De erkentenis ('t is waar) moest mij de borst ontgloeien; Uw voorbeeld boven al mij strekken tot een spoor; Maar ach! mijn vuur verdooft, mijn dichtaâr schroomt te vloeien, Een lome vadzigheid dringt al mijn leden door: Een aaklig aantal van bedroefde mijmeringen Houdt steeds mijn' geest geboeid, mijne aandacht opgeschort; En, daar zich 't hart verteert in wrede pijnigingen, Is 't vruchtloos dat men zich tot blijde zangen port. Zie daar mijn' staat geschetst: en kan me uw vriendschap vergen, Dat ik, mij-zelv' ten spijt', gedwongen tonen slaa? Neen, gun mij dat ik slechts mijne onmacht moog verbergen, Eer d'onbedachte mond mijn hartsgeheim verraâ! ô Hatelijk besef! Onzalig onvermogen! Korts daagde ik elk vol moeds ten fieren zangstrijd' uit; En nu, gevoeleloos en werkloos neêrgebogen, Ontziet mijn blode hand de weigerende Luit! Waar zijt gij heengevloôn, ô heuchelijke dagen! Toen ik, den Hengst' gelijk, door wapenklank verhit, In 't edel strijdperk vloog, en de eerkroon weg mocht dragen, Van Leydens Dichtrenchoor begroet als Medelid? Waar zijt gij? keert te rug, geeft mij mij-zelven weder!-- Ach! 't eertijds vierig ros, in 't wagenkrijt vermaard, Stort kwijnende en vermoeid bij zijne krib ter neder, Verzaad van d'ouden roem, verbasterd van zijn' aart. --Geloofde ik 't, dat mij ooit mijn Cyther zou verveelen, Mijn Cyther! Hemel! eer, de wellust van mijn ziel! Eer waande ik dat de stem der schelle Filomeelen In 't dichtbekroosd moerasch den Vorsch' te beurte viel: Eer, dacht ik, zal de Lent' zich van haar groen ontbloten: Eer strijkt de Wintervorst de kegels uit zijn' baard: Dan 't hoge Jaargetij' der Leydsche Kunstgenoten Bij 't vrolijk Feestgejuich mijn speeltuig vinde ontsnaard. Laat van uw' zangtoon af, begaafde Nachtegalen; Leer, Lyciaansch gedrocht, gepaste klanken slaan; Pronk, gure Wintervorst, met zomerzonnestralen; En, Lente, doe een kleed van Noordsche Sneeuwjacht aan! Want vruchtloos grijpt mijn hand na de afgeleerde tonen, Bezweken onder 't wicht van ziels- en lichaamssmart. Vergeeft mij dit verzuim, Apolloos echte zonen! Zijt met mijn' will' vernoegd en toegenegen' hart'!
[Illustratie]
AAN DAFNE.
De snelgewiekte God der minn' Is Cytherêaas schoot ontvloden; Die vluchtling sloop ten mijnen boezem in. Men heeft uit Venus naam drie kusjes aangeboden Voor die, haar gramschap ten gevall', Het wichtje wederbrengen zal.
Hergeef, behoude ik hem--? Ik blijf in twijfel hangen; Daar trekt mij 't gastvrijrecht; hier spreken mijn belangen: Een lieve kus van Venus is zo zoet! Gij, Dafne, die hij-zelf voor zijne moeder groet. Zeg, wilt gij hem tot d'eigen' prijs ontfangen?
[Illustratie]
MIJMERING.