Mexiko De Aarde en haar volken, Jaargang 1865

Part 4

Chapter 41,903 wordsPublic domain

Niet slechts de jaarmis, maar ook de gewone markten worden te Jalapa ongemeen druk bezocht. Onder de velen, die van alle kanten hunne koopwaren hier komen brengen, onderscheiden zich de bloemen- en fruitverkoopsters van eene op eenigen afstand der stad gelegen streek, door het teekenachtige en inderdaad klassieke van hare gestalte en kleeding. Deze laatste bestaat uit eene meestal witte sarape (mantel) en een rooden, gelen of blauwen rok, even als de mantel prijkende met een zoom van eene sterk afstekende kleur, die met eigenaardige figuren in bijna etrurischen stijl, versierd is. Ze hebben fraai gekruld zwart haar of dragen het in sierlijke vlechten, door welke roode linten of koorden zijn gestrengeld.--Nog andere typen trekken op deze markten de aandacht van den vreemdeling. Onder anderen is dit het geval met den indiaanschen mandenkoopman. Het zoogenaamde markt-zonnescherm is hier, even als op andere plaatsen in Mexiko, zeer in zwang, en voor de kleinere kramers, die er geen tenten op na houden, eene onontbeerlijke beschutting tegen de tropische zon.

In den omtrek van Jalapa ligt de bekende hacienda Mango de Clavo, waar generaal Santa-Anna--die gedurende ruim een veertigtal jaren, in hoedanigheid van legerhoofd, president of dictator der mexikaansche republiek, dikwerf eene allerbelangrijkste rol speelde--zich veelal ophield wanneer hij niet verbannen was; in welk geval Carthagena in Nieuw-Grenada of Cuba hem tot wijkplaats verstrekte.

Hoewel Jalapa de officiëele hoofdstad van den staat Vera-Cruz is, kan de stad van dien naam toch als de gewichtigste van dien staat worden beschouwd. Zij is tevens de voornaamste van al de havens van Mexiko, daar hare scheepvaartbeweging, ondanks de onveiligheid der reede, gemiddeld de helft van die der gezamenlijke mexikaansche havens bedraagt. [4] In 1856 werden in geheel Mexiko slechts een duizendtal schepen, een inhoud van honderd-duizend ton hebbende, in- en uitgeklaard, en daarvan deden alleen 435 zeilschepen, te zamen 67,423 ton metende, en 104 stoomvaartuigen de haven van Vera-Cruz aan. Ongeveer de helft der genoemde duizend vaartuigen bestond uit kustvaarders. De belangrijkste mexikaansche havens, na Vera-Cruz, zijn Acapulco, Tampico, Mazatlan en Matamoras.

Gedurende de drie laatste jaren voor 1864 is, ten gevolge der buitengewone omstandigheden, het verkeer te Vera-Cruz natuurlijk sterk verminderd. Uit een dezer dagen bekend geworden feit blijkt echter, dat het zich van de geleden schokken wondersnel herstelt. De invoerrechten te Vera-Cruz hebben namelijk over de negen eerste maanden van dit jaar (1864) 2,445,292 piasters opgebracht: met andere woorden drie maal meer dan gedurende 't zelfde tijdvak van 1863, en slechts weinig minder dan zij (in evenredigheid) gemiddeld over de jaren 1856-60 bedroegen.

De haven van Vera-Cruz is slechts eene reede tusschen den vasten wal en San-Juan d'Ulloa, het kasteel of versterkte eiland, dat de stad dekt en reeds zoo menig bombardement onderging. Vera-Cruz is fraai en regelmatig gebouwd en bezit vele schoone kerken en andere openbare gebouwen. In weerwil echter dat deze stad het middenpunt vormt van het verkeer tusschen het voormalige Nieuw-Spanje en Europa, en Mexiko's voornaamste haven is, telt zij niet meer dan 18,000 inwoners. De oorzaak daarvan moet hoofdzakelijk worden gezocht in de omstandigheid, dat Vera-Cruz, door zijne ongunstige ligging tusschen moerassen en zandwoestijnen en door de verschroeiende zuide- en verstijvende noordewinden, die afwisselend langs deze kust heerschen, gedurende een groot deel des jaar door de gele koorts wordt geteisterd.

Vier en een half uur van Vera-Cruz ligt het dorp Oud-Vera-Cruz, de plek waar Cortez op Goeden Vrijdag van het jaar 1519 (21 April) aan wal stapte, en waar nog in dat zelfde jaar eene stad door hem gebouwd werd, aan welke hij, naar aanleiding van den dag waarop hij geland was, den naam Vera-Cruz (het ware kruis) gaf. Deze stad moest echter om de ongezondheid der plek, drie jaren later zuidwaarts worden verlegd. De nieuwe stad, Antigua geheeten, werd evenwel om dezelfde reden weder verlaten, toen de spaansche onderkoning Monterey, op 't laatst der 16de eeuw, overging tot het bouwen der tegenwoordige stad Vera-Cruz.

VIII.

De bouwvallen bij Palenque en Chichen-Itza.--Processie te Merida.

Toen Francisco Hernandez de Cordova, in 1517, van San Domingo in het schiereiland Yucatan kwam, vond hij het in verscheidene kleine staatjes gesmaldeeld; hij vernam echter van de ingezetenen, dat deze oostelijke uithoek van Mexiko sedert onheugelijke tijden één rijk had uitgemaakt, maar dat omstreeks zeventig jaren vóór zijne komst de verschillende hoofden des volks hunne onafhankelijkheid bevochten en de prachtige en groote hoofdstad Mayapan verwoest hadden. Twee en een halve eeuw ruim verliepen er voordat deze mondelinge overlevering op onwederlegbare wijze bevestigd werd, en men door het ontdekken van overoude bouwgewrochten in de bosschen van het aan Yucatan grenzende Chiapas tot de overtuiging kwam, dat het schiereiland in een ver verleden tijd een machtigen staat had gevormd, die niet onder de heerschappij der Azteken en Tolteken gestaan, en welks bevolking een nog hoogeren trap van beschaving bereikt had, dan waarop die vroegste bewoners der overige deelen van Mexiko stonden. Hoogst merkwaardig zijn de uitgestrekte bouwvallen, door kapitein Antonio de Rio en don Jose Alonso in 1787, bij Palenque in den mexikaanschen staat Chiapas ontdekt, maar, ten gevolge der verregaande lauwheid van het spaansche bestuur, eerst in 1822 door kapitein Dupaix beschreven en in plaat gebracht. Niet minder belangrijk echter en wellicht nog uitgestrekter, zijn de ruïnen, in 1842 door een noord-amerikaansch reiziger te Chichen-Itza bij Uxmal in Yucatan ontdekt, en die, naar men meent, tot eene stad behoord hebben, welke "een der grootste was die ooit op de aarde bestonden."

De fransche natuuronderzoeker Charnay gevoelde zich, door hetgeen hij omtrent deze bouwvallen gelezen en vernomen had, in 1860 aangespoord om eene reis naar Yucatan te ondernemen, uitsluitend met het doel om door middel der photographie getrouwe afbeeldingen van een deel dezer ruïnen te verkrijgen. De plaat, die wij op bladz. 21 mededeelen, en die van den bouwtrant der te Chichen-Itza ontdekte gebouwen een juiste voorstelling geeft, toont genoegzaam tot welk een hoogte de oude bewoners des lands het in de bouwkunst gebracht hadden, en doet tevens zien in welken toestand hunne fraaie bouwgewrochten zich tegenwoordig bevinden.

Het belangwekkendste der gebouwen; door den heer Charnay in plaat gebracht, is het zoogenaamde "Nonnenpaleis," waarvan hij drie afbeeldingen gaf, één van het voorfront en twee van de noordzijde. Hij noemt dit gebouw Chichen-Itza's juweel, om den rijkdom van beeldwerk en andere versieringen, dien zijne gevels ten toon spreiden en die hem aan den bouwtrant der Chineezen en Japaneezen herinnerde, te meer nog omdat de vorm van het gebouw naar een chineeschen koffer gelijkt; punten van overeenkomst, waardoor de meening dat de Chineezen reeds in de eerste eeuwen onzer jaartelling met Amerika bekend waren, waarschijnlijk op nieuw versterkt zal worden. Het inwendige van dit gebouw bestaat uit vijf zalen, welke, even als die der te Palenque ontdekte paleizen, volkomen op elkaar gelijken.

Een ander gebouw, door Charnay afgebeeld, wordt door de inboorlingen "de kerk" genoemd. Hij gelooft echter met velen, dat het tot een circus of worstelperk voor het aankomend geslacht gediend heeft, iets waaromtrent het allegorische van het beeldwerk waarmede zijne gevels prijken, naar zijne meening, geen twijfel overlaat. Aan het gebouw, waarvan de afbeelding in dit blad voorkomt, wordt, Charnay weet niet op welken grond, de naam van "gevangenis" gegeven. Het is niet het rijkst versierde, maar wel het best bewaarde der in plaat gebrachte monumenten.

Acht dagen hield de heer Charnay zich te midden der ruïnen op, werwaarts hij door eenige ingezetenen van het schiereiland en een geleide van Indianen en soldaten vergezeld was geworden. Voordat men de bouwvallen kon genaken, moest men zich met de bijl een weg door de lianen, heesters en doornstruiken banen, waarmede zij bedekt en omgeven waren. De komst van het reisgezelschap joeg de eenig overgebleven bewoners dezer verblijven, slangen, iguanen of groote hagedissen en vogels met ongemeen fraaie vederen, op de vlucht. Des nachts moesten er rondom de hangmatten vuren ontstoken worden, om de tijgers op een eerbiedigen afstand te houden.

Merida, Yucatans hoofdstad, werd door den heer Charnay in de Heilige-week van 1860 bezocht. Hij was bij die gelegenheid getuige van vele kerkelijke optochten en feesten, die in Mexiko misschien nog veelvuldiger dan in eenigen anderen katholieken staat plaats hebben, omdat de mexikaansche geestelijkheid zich overtuigd houdt, dat de Christenen uit de Indianen grootelijks behoefte hebben om de voorwerpen hunner aanbidding en vereering verzinnelijkt te zien. Van een gedeelte der processie op Goeden Vrijdag gehouden deelt Charnay de photographische afbeelding mede, die op bladz. 13 voorkomt. De vrouw, die de Heilige Moedermaagd voorstelde, was met eene menigte paarlen en diamanten versierd, en werd door de Heilige Elisabeth gevolgd, die zich geheel aan hare droefheid overgaf. Bij den ernstigen aard van den optocht en bij de prachtige kostumen stak het echter zeer af, dat het orkest 't welk den trein opende, en zelfs de muziek in de kerk, enkel uit een draaiorgel bestond. Des avonds waren de vensters der huizen bij het voorbijtrekken van den stoet met duizende waskaarsen verlicht, en eene overgroote volksmenigte in bonte, schilderachtige kleederdracht, onder welke ook vele aanzienlijke vrouwen waren, sloot zich, met brandende kaarsen in de hand, aan den optocht aan.

Hier nemen wij afscheid van dit schoone land, door de natuur zoo mild gezegend, met zoo oneindig vele hulpbronnen en schatten van allerlei aard begiftigd, en toch zoo rampzalig, machteloos worstelende tegen den druk van een noodlot, dat alle waarachtige ontwikkeling onmogelijk maakt. Inderdaad, daar schijnt een fatum te rusten op verreweg de meeste dezer amerikaansche republieken, met bijkans wanhopige regelmatigheid rondgevoerd in den fatalen toovercirkel van anarchie en despotisme, zonder dat hetzij de vrijheid, hetzij het gezag, zich immer op vaste grondslagen vestigen, in ware en vruchtbare harmonie ontwikkelen kunnen. Een onderzoek naar de oorzaken van dit verschijnsel zou ons te ver voeren: hopen wij slechts dat spaansch-Amerika eenmaal een man moge vinden, die uit dezen rampzaligen baaierd orde weet te scheppen.

AANTEEKENINGEN

[1] De eigenlijke spelling is Mejiko, waarbij de j als onzen ch wordt uitgesproken--Mechiko.

[2] Die wensch, wij weten het, werd niet vervuld; de edele, ridderlijke, maar onvoorzichtige Maximiliaan viel als slachtoffer dezer gewaagde onderneming, als slachtoffer misschien ook zijner illusie, dat het mogelijk was een volk van roovers en bandieten te regeeren met behulp eener opgeschroefde phraseologie. Hij werd, wij weten het allen, op bevel van Juarez als een gemeen misdadiger, doodgeschoten, nadat Frankrijk, hetwelk hem naar Mexiko riep, hem in den steek gelaten had.--Het is hier niet de plaats over deze zooveel besproken, in de gevolgen zoo bedenkelijke mexikaansche expeditie uit te weiden: men mag echter veilig aannemen, dat de uitkomst, en dus ook het algemeene oordeel over de zaak, geheel anders zou geweest zijn, indien niet, vooral door de onbegrijpelijke politiek van Engeland, waarop Napoleon zeker niet kon rekenen, de oorlog tusschen de noordelijke en zuidelijke staten der Unie den uitslag gehad had, dien wij kennen, en die de verwezenlijking van Napoleons verziende plannen onmogelijk maakte. (Red.)

[3] Wat er van deze plannen sedert geworden is, weten wij niet. De ongelukkige Maximiliaan had wel aan andere dingen te denken dan verbetering van wegen en spoorweg-concessies; en bij den normalen staat van anarchie en revolutie, waartoe Mexiko sedert weer is teruggekeerd, zal er van dit alles ook wel niet veel zijn gekomen.

[4] Wij hebben op blz. 2, 2e kol., verkeerdelijk gezegd, dat de daar genoemde cijfers van in- en uitvoer den handel van Mexiko over 1856-60 vertegenwoordigden: zij hebben enkel betrekking op het handelsverkeer van Vera-Cruz. In 1856 beliep de algemeene invoer in Mexiko 65 en de algemeene uitvoer 70 millioen gulden.