Mexiko De Aarde en haar volken, Jaargang 1865
Part 3
Dagelijks wordt de kapel der Cerrito door vele bedevaartgangers uit de hoofdstad en van andere punten der vallei bezocht, niet enkel om Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe, de beschermheilige des lands, hunne hulde te brengen, maar vooral om het water der wonderbron te drinken, dat gezegd wordt alle kwalen te genezen. Vooral op den verjaardag der verschijning, den 12den December, vloeit hier steeds van alle zijden des lands eene ontelbare menigte bijeen, en na den afloop der kerkelijke diensten heerschen dan in het vlek en den geheelen omtrek eene drukte en vroolijkheid, alsof er eene groote jaarmarkt werd gevierd.
VI.
Puebla de los Angelos.--Cholula.--De teocalli van Quetzalcoatl.
Na de hoofdstad is Puebla de los Angelos zoo al niet de volkrijkste stad van het mexikaansche rijk--zij telde in 1862 85,000 inwoners, en Guadalajara 5000 zielen meer--dan toch de fraaiste en belangrijkste. Even als Mexiko, munt zij uit door breede, rechte en goed geplaveide straten en ruime pleinen, door het aanzienlijk voorkomen harer huizen en de pracht harer openbare gebouwen. Zij bezit zestig kerken, omstreeks dertig kloosters, en een honderdtal klokketorens en hooge koepeldaken. Haar in dorischen stijl gebouwden dom, met zijne twee sierlijke torens, is niet alleen uitwendig grootscher dan de kathedraal der hoofdstad, maar overtreft deze wellicht ook in inwendigen rijkdom en luister. Het gewelf wordt door majestueuse zuilen gedragen; het kolossale hoogaltaar is geheel van marmer, en de wanden van het gebouw zijn met marmeren platen van verschillende kleur bekleed. Het oog wordt verblind door den glans der gouden en zilveren altaargereedschappen; vele altaren bestaan zelfs geheel uit massief zilver, en de kasuifels der priesters fonkelen van diamanten en andere edelgesteenten.
Puebla werd door den spaanschen onderkoning Mendoza (1530) gesticht, op weinige uren afstands van de oude vermaarde Azteken stad Cholula, die, zooals Cortez aan het hof te Madrid berichtte, twintigduizend huizen en vierhonderd tempeltorens bevatte, en in welker nabijheid zich een teocalli (berg door menschenhanden gemaakt) of vierzijdige pyramide verhief, die tot op den tegenwoordigen tijd wel bewaard bleef, en een van Mexiko's oudste bouwgewrochten is. Zij is echter zoodanig met gras en woekerplanten overdekt, dat men haar voor een natuurlijken berg zou houden. Uit leemen, in de zon gedroogde tichelsteenen gebouwd, die met lagen leem afwisselen, verheft de pyramide zich terrasvormig--met vier naar den top smaller wordende terrassen--tot eene hoogte van 54 Ned. el, terwijl elke zijde van haar grondvlak nagenoeg 450 el lang is; zoodat deze teocalli een veel uitgestrekter basis dan de egyptische pyramiden, maar eene aanmerkelijk geringer hoogte heeft. Tijdens den aanleg van den weg naar Vera-Cruz, in het begin dezer eeuw, vond men in een der zijden van den teocalli een grafkelder, die twee lijken, afgodsbeelden van bazalt, en eenig kunstig beschilderd vaatwerk bevatte; waardoor de overlevering bevestigd werd, dat deze pyramiden, even als die der Egyptenaren, tot grafsteden voor koningen en wijzen des volks gediend hadden. Ofschoon er in dezen grafkelder geen kostbaarheden gevonden werden, moet men er zich toch over verwonderen, dat deze en de overige teocalli, die Mexiko nog bezit, niet reeds lang omvergehaald werden, in de hoop van er schatten in te vinden, zoo aanzienlijk, als volgens de archieven van Truxillo, door Guttierez de Toledo ontdekt werden, die in 1576 in het graf van een peruaansch koning, voor eene waarde van omstreeks 2-1/2 millioen gulden aan goud en andere kostbaarheden vond.
Vóór de komst der Spanjaarden was Cholula voor Anahuac--zooals het groote centrale tafelland genoemd wordt, dat nagenoeg drie vijfden der oppervlakte van het mexikaansche rijk uitmaakt--wat Mekka voor de Muzelmannen is: de bij uitnemendheid heilige stad. Het had deze vermaardheid te danken aan eene overlevering, volgens welke de heilige Quetzalcoatl (slang met groene vederen) zich weleer twintig jaren binnen haren omtrek had opgehouden; welk tijdsverloop eene soort van gouden eeuw voor de Cholulanen was geweest. Hij had hun de kunst geleerd om metalen te bewerken, en hen in de tijdrekenkunde en sterrenkunde ingewijd, en zich daarna verwijderd, onder belofte dat hij of zijn nakomelingen na verloop van eeuwen zouden terugkeeren, om de taak van leeraars en bestuurders van het volk der Azteken weder op te vatten. Daar het toeval wilde dat hij ter zelfder plaats verdwenen was, waar Cortez op de mexikaansche kust landde, kwam Montezuma op de gedachte, dat deze laatste wel de vergode Quetzalcoatl kon zijn: een waan, die zich weldra door gansch Anahuac verspreidde en niet weinig bijdroeg om den Spanjaarden de verovering der nieuwe wereld te vergemakkelijken.
De stad, door Mendoza in de nabuurschap van het Mekka der Azteken gesticht, overschaduwde dit spoedig. Naarmate de kathedraal, waaraan volgens de overlevering des nachts, als de arbeid der menschen rustte, door de engelen werd voortgebouwd,--eene overlevering aan welke de stad haren naam Puebla de los Angelos ontleent--zich verhief, taande de glans der heidensche tempels. De stroom der pelgrims richtte zich van lieverlede niet meer naar de aan Quetzalcoatl gewijde teocalli, maar naar de altaren der Madonna van los Remedios. Weldra zelfs verrees op den top der heidensche pyramide eene christelijke kapel; terwijl het vermaarde en machtige Cholula, ofschoon het nog lang eene schaduw van onafhankelijkheid tegenover de Spanjaarden behield, trapsgewijs van zijne grootheid verviel, en thans tot een onaanzienlijk, uitsluitend door Indianen bewoond vlek is gedaald.
De bevolking van Puebla onderscheidt zich gunstig door hare nijverheid en ondernemingszucht. De stad bezit een aantal spinnerijen, weverijen en allerlei andere fabrieken, ook van eene in het gansche land zeer gezochte soort van aardewerk. Zij werd echter door het beleg der Franschen, dat van September 1862 tot Mei 1863 duurde, zeer geteisterd.
Op de hoogten buiten de stad heeft men een ongemeen fraai gezicht op Mexiko's drie vermaardste bergen: westwaarts op den Popocateptl en den Iztaccihuatl, en oostwaarts, op eenigen verderen afstand, op den trotschen Cilalteptl (piek van Orizaba); een gezicht vooral indrukwekkend, wanneer de eerste stralen der morgenzon de bergspitsen met den schoonsten purperglans tooien, of de gloed der ondergaande zon die spitsen nog verguldt als de avondschaduwen reeds over de vlakte verspreid liggen. De reiziger, die van Puebla oostwaarts trekt, ziet onwillekeurig telkens om en staat stil op zijn pad, als kon hij geen afscheid nemen van dat prachtige tweeling-gebergte, dat wel van zelf op de oude bewoners des lands een diepen indruk moest maken, en hunne fantazie prikkelen tot zonderlinge scheppingen en aangrijpende beelden. In hun bijgeloof hielden zij den rookenden Popocateptl voor den man der "Witte Vrouw"; terwijl zij in zijn gerommel en gebulder het gekerm der booze opperhoofden meenden te herkennen, opstijgende uit den vuurpoel, die hun tot kerker was aangewezen. Zij verkeerden in den waan dat ieder, die het waagde den berg te beklimmen, op de plaats dood zou blijven; en het verhoogde dus niet weinig het prestige dat de blanken op hen uitoefenden, toen kapitein Diego Ortaz met negen andere Spanjaarden, door Cortez daartoe aangespoord, den vulkaan tot dicht bij den top beklom. Hoe verbaasd zouden zij hebben gestaan, indien zij hen de vermetelheid zoover hadden zien drijven van, gelijk later door anderen geschiedde, in dien krater af te dalen!
Zulk eene nederdaling was onder anderen het voorname doel van een tocht, in Januari 1857 door de heeren A. Sonntag en Jules Laberriere naar de kruin van den Popocateptl ondernomen, ter volbrenging van eene, hun door de mexikaansche regeering opgedragen wetenschappelijke taak,--een tocht waarvan wij hier een kort verslag laten volgen.
Van regeeringswege waren hun toegevoegd een natuurkundige, Sumichrast genaamd, en de heeren Salazar en Ochoa, kweekelingen van de mexikaansche scholen voor landbouw en geneeskunde; terwijl zich bovendien de heer Saturnino Perez, van Amecamea, bij hen aansloot, die den berg reeds meermalen had beklommen.
Den 20sten Januari vertrokken zij van laatstgenoemde plaats. Zij vernachtten in het op eene bergvlakte gelegen rancho (gehucht) Tlamacas, dat slechts uit een houten logement en eenige hutten bestaat, en zetten den volgenden morgen met het aanbreken van den dag de beklimming voort. Toen zij de baranca van Huiloac bereikt hadden, hield alle plantengroei reeds op, ofschoon die rotskloof nog op een aanmerkelijken afstand van het sneeuwveld ligt dat op 3860 el boven het waterpas der zee een aanvang neemt; terwijl de gansche hoogte van den Popocateptl ruim 5400 el bedraagt. Tot dusverre hadden zij den tocht te paard afgelegd; maar bij la Cruz, een dicht bij de sneeuwlijn gelegen punt, gekomen, werden de paarden, met eenige Indianen van het geleide, naar Tlamacas teruggezonden. Met den wakkeren gids Angel Bastillo en den heer Perez aan het hoofd, vervolgde het gezelschap de beklimming thans te voet. Het duurde echter niet lang, of de heeren Salazar en Ochoa moesten ten gevolge van zware vermoeidheid achterblijven. De overigen ondervonden in geen geringe mate de gewone bezwaren aan het bestijgen van hooge bergen verbonden, en vooral leed de heer Sonntag veel aan hartkloppingen en beklemdheid van ademhaling.
Reeds op een afstand van omstreeks duizend voeten van de kruin des bergs verried eene sterke sulferlucht de nabijheid van den krater, welks rand zij tegen half twee bereikten; een paar uur later werd het gezelschap verrast door de verschijning der heeren Salazar en Ochoa, die alle krachten hadden ingespannen om zich weder bij hunne metgezellen te voegen.
De heer Laberriere wilde thans onverwijld tot eene nederdaling in den berg overgaan; maar de toestand van den heer Sonntag liet dit niet toe. De Indianen werden nu op drie na, behalve den gids Bastillo, naar Tlamacas teruggezonden, werwaarts zich ook don Perez begaf, terwijl de overigen den nacht sleten in een kleine grot, la Cueva del Muerta geheeten, die binnen in de monding van den krater, op 70 of 80 el van zijn rand, wordt aangetroffen. Op die hoogte bevindt zich in den krater eene rotsvlakte, waartoe eene spleet in den bergwand toegang verleent. Deze grot was echter ternauwernood groot genoeg om de vijf reizigers te kunnen bevatten. "Die nacht," zegt Laberriere, "was de akeligste dien ik ooit doorbracht. Een brandende dorst verhinderde mij een oog dicht te doen, 't geen mij waarschijnlijk toch door het eeuwigdurend gerommel van den onderaardschen vuurhaard belet zou zijn. Mijn hoofd gloeide, mijne ledematen waren als bevroren, en de zwavellucht benauwde mijne ademhaling geducht. Mijn pols sloeg honderd-twintig slagen in de minuut. Ik behoef dus niet te zeggen met welk een verlangen ik het aanbreken van den dag te gemoet zag." Het verheven schouwspel dat het opgaan der zon op zulk eene hoogte opleverde, wischte echter de herinnering aan den treurigen nacht spoedig uit.
Het gezicht van den krater maakte op Laberriere geenszins dien ijzingwekkenden indruk, welken hij verwacht had. »De reusachtige middellijn van den mond van dezen bijna uitgedoofden vulkaan," zegt hij, »en de opeengetaste rostblokken en lavamassa's die zijn benedenruim vullen, verminderen grootelijks de gewaarwordingen, die anders het gezicht eener ontzettende diepte verwekt. Sommige afgronden in de Alpen en verscheidene gapende rotskloven in de Cordilleras maakten op mij een veel machtiger indruk."
De nederdaling in den krater heeft plaats door middel van een ruwen maar stevigen kaapstander, die op de vlakte in zijnen mond is opgericht. De toestand van den heer Sonntag maakte ook den volgenden dag eene afdaling onmogelijk. Hij volbracht die evenwel korten tijd daarna zonder Laberriere, en bereikte toen zijn doel, het doen van geodesische opmetingen, naar wensch. Het is ons oogmerk niet, in bijzonderheden te treden omtrent de uitkomsten van dit onderzoek, die aan vele onzer lezers waarschijnlijk te afgetrokken zouden voorkomen.--In de maand Mei van hetzelfde jaar werd ook door den kapitein der genie, don Perez de Castro, eene nederdaling in den Popocateptl ondernomen.
VII.
De vallei van Otumba.--De bouwvallen van Teotizuacan.--Perote.--Het graf van Iturbide.--De mexikaansche wegen.--De laatste beklimming van den piek van Orizaba.--Jalapa en zijne typen.--De hacienda Manga de Clavo.--Vera-Cruz.
Behalve over Puebla, kan men zich nog langs een anderen weg, over Tlascala namelijk, uit Mexiko naar Vera-Cruz begeven. Deze prachtige weg is niet minder rijk aan geschiedkundige herinneringen. Immers hij leidt door de vallei van Otumba, waar Cortez, zes dagen na zijn aftocht in la noche triste, aan het hem achtervolgende talrijke heir der Mexikanen slag leverde, en met zijn handvol dapperen, bijgestaan door de hem trouw gebleven Tlascalanen, eene merkwaardige zege behaalde: eene zege, die echter 't meest aan het beleid en den persoonlijken moed van Cortez zelf te danken was. Waarschijnlijk toch zouden de Mexikanen niet op de vlucht gegaan zijn, wanneer hij niet--zich ter rechter tijd herinnerende, dat de val der rijksvaan in hunne oogen den slag besliste--slechts door eenige weinige ruiters vergezeld, op den aanvoerder, die den mexikaanschen standaard droeg, was losgerend en de vaan in triomf met zich had gevoerd.
In het aan deze vermaarde vallei grenzend dal van Tlascala worden de bouwvallen van Teotizuacan gevonden, die, met de teocalli van Cholula, de oudste overblijfselen der toltekische bouwkunst zijn. Reeds bij de komst der Azteken in Mexiko, was Teotizuacan (godenverblijf), thans een onbeduidend indiaansch vlek, de mededingster van Tula, de groote hoofdstad der Tolteken. De twee voornaamste pyramiden die men hier aantreft, waren gewijd aan Tonatiuh (de zon) en Metztlie (de maan), en de vele kleinere, van welke slechts weinigen hooger dan tien el zijn, aan de voornaamste sterren of sterrenbeelden. Op den top der twee eerstgenoemde teocallies stonden reusachtige beelden, zon en maan voorstellende, die geheel met goud bekleed waren; 't geen den volgelingen van Cortez nog te eerder tot hunne vernieling deed besluiten.
De beide wegen naar Vera-Cruz gaan over Perote, die ruim 2350 el boven het vlak der zee gelegen is, en waar het dan ook streng koud kan zijn; niet streng genoeg evenwel om den naam van mexikaansch Siberië, dien Perote draagt, te rechtvaardigen. In de nabijheid dezer plaats verheft zich de Nauhcampateptl of Coffre de Perote, eene vulkanische porfierrots, die nagenoeg 4100 el hoog is, en welker top de gedaante eener kist heeft.
De kapel van het sterke, met een tuighuis, eene kanongieterij en eene wapensmederij verbonden kasteel van Perote bevat de asch van den gewezen mexikaanschen keizer Augustus I (generaal Iturbide), die, in 1824 uit Europa naar Mexiko wedergekeerd om zich op nieuw van het gezag meester te maken, dadelijk bij zijne landing te Soto la Marina, door La Garza gevangen genomen, en den 19den Juli te Padilla, zonder vorm van proces, gefusilleerd werd.
Sprekender bewijs van de zorgeloosheid der mexikaansche regeering bestaat er wel niet, dan de toestand, waarin de weg tusschen Perote en Jalapa verkeert. Wij bedoelen natuurlijk den straatweg: spoorwegen zijn in Mexiko nog uiterst schaars; maar ook de steen- en andere wegen verkeeren er over 't geheel in een droevigen staat van verval en verwaarloozing, 't geen er het reizen met postwagens--groote gevaarten, in den trant der engelsche en noord-amerikaansche stage-coaches, met drie tot vijf paar muilezels of paarden bespannen--verre van aangenaam maakt. Voegt men hierbij, dat het meerendeel der openbare wegen in Mexiko over 't geheel niets minder dan veilig is, dan zal men te eerder begrijpen, dat het reizen in dit gedeelte der nieuwe wereld nog wel iets te wenschen overlaat. Intusschen werd er, dank hebbe de zorg van den handelstand van Vera-Cruz, in het begin dezer eeuw, van die haven, over bergen en door wildernissen heen, een fraaie weg naar het hooge binnenland aangelegd. In het jaar 1815 maakten de opstandelingen dezen weg echter op sommige plaatsen, en vooral op dit punt, totaal onbruikbaar; en nu werd er, noch door de spaansche onderkoningen, die zich achtereenvolgens tot in 1821 in de opgestane kolonie trachtten te handhaven, noch door de overheden der latere republiek, iets verricht om de veroorzaakte verwoesting te herstellen, zoodat de beste gedeelten van den weg misschien die zijn, waar geen zweem van plaveisel gevonden wordt.
Men mag zich echter vleien, dat Mexiko, wat zijne middelen van gemeenschap en het veilig gebruik daarvan betreft, spoedig gelukkiger dagen beleven zal. De staat der wegen is--het kon inderdaad niet anders--een der eerste onderwerpen geweest, die de aandacht der keizerlijke regeering tot zich getrokken hebben. Naar men verzekert, is er reeds een fransch hoofdambtenaar van den waterstaat naar Mexiko op weg, om die regeering bij de uitvoering harer plannen ter zijde te staan; terwijl eene concessie, in 1856 aan den heer Escandon verleend, om den Atlantischen oceaan met de Stille Zuidzee door middel van een spoorweg, van Vera-Cruz uitgaande en langs de hoofdstad loopende, te verbinden, op dit oogenblik weder een punt van ernstige overweging bij het mexikaansche kabinet uitmaakt. Van hoeveel belang voor Mexiko's handel en nijverheid en ook voor het algemeen verkeer, het bestaan eener gemakkelijke en snelle gemeenschap van het binnenland met de oost- en westkust des lands zou zijn, behoeft wel geen betoog. [3]
Hoe meer echter de reiziger, die zich van Perote naar Jalapa begeeft, deze laatste stad nadert, hoe meer hij zich de schokken getroost, die hij onophoudelijk moet doorstaan; want zoodra hij San Miguel el Soldado achter den rug heeft, wordt het landschap, dat in den omtrek van Perote zeer dor en eentonig is, weder veel fraaier; en terwijl het oog nog met bewondering op den Coffre de Perote rust, daagt aan den zuidelijken gezichteinder de in den eeuwigen sneeuwmantel gehulde piek van Orizaba weder op, aan welks voet de steden Orizaba en Cordova liggen.
In 1856 werd deze piek, althans voor zoover bekend is, voor 't laatst beklommen, en wel door den duitschen natuuronderzoeker baron Von Müller. Den 30sten Augustus verliet hij de stad Vera-Cruz met drie reisgezellen: den heer A. Sonntag, dezelfde, die herhaaldelijk den Popocateptl besteeg; Malmsjö, een Zweed van geboorte, en een ongenoemd berlijnsch geneesheer. Zij vernachtten den derden dag na hun vertrek op een punt van den berg, dat reeds hooger lag dan de hoogste spits van den Mont-Blanc, die zich 4800 el boven het zeevlak verheft. De koude was hier zoo streng, dat zij niet alleen een vuur ontsteken, maar ook een hut moesten samenstellen om zich een weinig te beschutten. De thermometer teekende 10° onder nul, terwijl hij weinige uren te voren nog 29° daar boven stond. Den volgenden morgen te zeven uur nam de beklimming van den top een aanvang. Na met zeer veel moeite en inspanning 360 el te zijn gestegen, waren de gidsen zoo kortademig en afgemat, dat zij moesten achterblijven; Von Müller en zijne medgezellen zetten nu alleen den tocht over het met eene dunne ijskorst bedekte en hoe langer hoe steiler wordende sneeuwveld voort; terwijl zij om beurten zelven den korf met mondbehoeften en verdere benoodigdheden droegen.
Reeds waren zij den rand des kraters tot op een geringen afstand genaderd, toen eene breede, gedeeltelijk met sneeuw gevulde rotskloof hun den weg afsneed. Een plotseling opkomende dikke nevel maakte het hun onmogelijk den koers te bepalen, dien zij volgen moesten om deze kloof om te trekken; zij oordeelden het dus raadzaam naar de door hen gebouwde hut terug te keeren. De tweede nacht, dien zij hierin doorbrachten, was nog vrij wat hachelijker dan de eerste; want niet alleen hadden zij de mand met ververschingen onder weg verloren, maar hunne oogen waren door de gestadige opstijging van het bloed naar het hoofd en door de scherpe koude zóó ontstoken, dat zij eene geduchte pijn leden. De oogen van twee der reizigers, de heeren Sonntag en Malmsjö, bevonden zich den volgenden morgen zelfs in een deerniswaardigen toestand.
Von Müller besloot thans de bestijging aan de zijde van Chalchicomula te ondernemen. Hier liet hij de ooglijders achter, en voegden zich twee nieuwe metgezellen bij hem: de heer Campbell, een Noord-Amerikaan, met het bestuur van het mexikaansche telegraafwezen belast, en de heer de la Huerta uit Puebla. De beklimming ging nu aanvankelijk voorspoediger; maar weldra werd de ademhaling der reizigers zeer belemmerd, en ondervonden zij, ofschoon hun gelaat gesluierd was, zulk eene pijn aan de oogen, dat de gidsen weigerden verder te gaan, en Von Müller enkel door de ernstige bedreiging dat hij den tocht alleen zou vervolgen, zijne reisgezellen bewegen kon om dien met hem voort te zetten. Ondanks alle bezwaren: vermoeidheid, benauwde ademhaling, hartkloppingen, drukking der hersenen, eene scherpe jachtsneeuw die de huid allergevoeligst aandeed; ondanks het opgeven van bloed uit neus en mond en van herhaalde flauwten zelfs,--bereikte Von Müller, tegen zes uur des namiddags van den 9den September, den rand van den krater. De vreugde over het bereiken van zijn doel deed hem al zijn doorgestaan lijden vergeten; maar toen hij zich de verkregen uitkomst ten nutte wilde maken, verloor hij andermaal zijn bewustzijn.
"Zoodra ik weder tot mij zelven gekomen was," zegt hij, "spande ik alle krachten in om den krater nauwkeurig op te nemen. Ik kon dien echter, zoo ten gevolge der sneeuwbuien als van mijne afgematheid, niet met den sextant meten; maar de indruk, dien zijn geduchte omvang en diepte op mij maakten, was onbeschrijfelijk. Welk eene verbazende kracht, riep ik uit, moet de natuur ontwikkelen, om den lavastroom uit dien ontzettenden afgrond tot aan den rand des kraters op te voeren!"
De reizigers hadden den nacht op den top willen doorbrengen; maar de omstandigheden gedoogden dit niet. De beide gidsen, die zich weder bij hen hadden gevoegd, vormden nu van de petates of matten, die zij medegenomen hadden, eene soort van sleden, met behulp waarvan Von Müller en de zijnen zich met zulk eene snelheid langs de steile, bevroren berghelling naar beneden lieten glijden, dat hunne vaart op sommige oogenblikken veel naar een val geleek. Bij hunne terugkomst te San Andres Chalchicomula, werden zij door de bevolking feestelijk ingehaald. De piek van den Orizaba--Cilalteptl of Berg van het gestarnte genaamd--is, volgens Von Müller's berekening, niet minder dan 5527 Ned. el hoog; door anderen wordt zijne hoogte echter op nog geen 5300 el geschat.
Jalapa, aan welke stad de bekende medicinale wortel, die hier in 't wild groeit, zijne naam ontleent, is niet zeer groot--zij telt ongeveer 12000 inwoners--maar allerfraaist gelegen, en zoo gezond dat het een toevluchtsoord is voor kranken en zwakken uit den omtrek, vooral gedurende die gedeelten des jaars, waarin de vomito zijne verwoestingen langs de kust en in de vlakte aanricht. Het plantenrijk is hier misschien weelderiger dan ergens elders in Mexiko en vervult de lucht met de heerlijkste geuren. De tint der bevolking is er blanker dan in het binnenland, en de vrouwen van Jalapa gaan zelfs voor de schoonste des lands door.