Mexiko De Aarde en haar volken, Jaargang 1865

Part 1

Chapter 13,517 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

DE AARDE EN HAAR VOLKEN.

MEXIKO.

I.

Geschiedkundige bijzonderheden.

Veel vroeger dan de overige oorspronkelijke bewoners der nieuwe wereld, en lang voor de aankomst der Europeanen in Amerika, waren de oude inboorlingen van Mexiko [1], de Tolteken en na hen de Azteken, tot eene vrij hooge mate van beschaving opgeklommen. Niet alleen weefden zij reeds zeer vroegtijdig tapijten en andere wollen stoffen en smeedden zij wapens en goud- en zilverwerk, maar zij waren ook bedreven in bouw-, beeldhouw-, schilder- en toonkunst, en beoefenden reeds lang vóór de ontdekking van Amerika door Columbus, met vrucht wetenschappen en letteren. Over de hoogte waarop zij in dit laatste opzicht stonden, zouden wij ongetwijfeld een veel grondiger oordeel kunnen vellen, wanneer niet, door den te ver gedreven geloofsijver der spaansche veroveraars, de gansche schat zoowel van handschriften als van schilderijen, dien onder anderen het paleis der oude Caciken of schatplichtige vorsten van Tezcuco bevatte, aan de vlammen was prijs gegeven.

Vooral waren de oude Mexikanen zeer bedreven in de bouwkunst. Even als bij de oude Egyptenaren, waren vele hunner bouwgewrochten pyramidaal-, andere echter ook kubiekvormig. Tot de meest bekende monumenten der oude mexikaansche architectuur behooren de pyramiden van Papantla, Teotizuacan en Cholula. Ofschoon de overoude "drijvende tuinen" der mexikaansche meren, en inzonderheid die van het niet ver van de hoofdstad gelegene Chalco-meer, beroemd zijn, stond echter, naar 't schijnt, de landbouw bij de Azteken op geen zeer hoogen trap van ontwikkeling. Deze weelderige vrucht- en bloemwaranden, chinambas geheeten, die werkelijk voor een gedeelte "drijven", en uit reusachtige, door riet, wortels en boomtakken saamverbonden aardschollen of zoden bestaan, hadden vermoedelijk hare wording te danken aan de behoefte, om de hoofdstad en andere groote steden van groenten te voorzien.

In weerwil van hunne vordering in beschaving, kenmerkte de heidensche eeredienst der Azteken zich door eene verregaande barbaarschheid: de menschenoffers, ter eere van den god Huitzilopochtli, werden misschien nergens elders op zoo groote schaal gebracht. Het christendom, door Cortez en zijne opvolgers in het land ingevoerd, maakte hieraan een einde; ofschoon men daarbij, zoowel als bij de verovering des lands, op eene wijze te werk ging, die weinig tot eer van de belijders der nieuwe eeredienst strekte. Alle pogingen van Karel V en van andere goedgezinden om verdraagzaamheid te kweeken en het lot der nieuwe onderdanen van het spaansche rijk te verzachten, leden schipbreuk eensdeels op de geestdrijverij der veroveraars, anderdeels op het ruwe egoïsme van het heir van gelukzoekers, dat de nieuwe wereld weldra overstroomde. De onderkoningen die over Mexiko regeerden en in den regel slechts voor vijf jaren benoemd werden, waren insgelijks meestal enkel op het bijeenschrapen van rijkdommen en op de strenge handhaving van hun gezag bedacht; zoodat de afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners des lands dikwijls maar al te veel reden hadden om aan hunne vaderen de vrijheid en welvaart te benijden, door dezen onder Montezuma en diens voorgangers genoten.

Slecht bestuurd, aan de belangen van het moederland opgeofferd, door eene bekrompene handelsstaatkunde in zijne ontwikkeling belemmerd, was het geen wonder dat Mexiko zich in 1810 de omstandigheden waarin Spanje verkeerde ten nutte maakte om, even als de overige spaansche koloniën in Amerika, het juk af te werpen, waaronder het drie eeuwen gezucht had. Dat die omwenteling in het mexikaansche rijk op eene meer geweldige wijze dan ergens elders in spaansch Amerika plaats had, was zeker voor een goed deel hieraan te wijten, dat in Mexiko een groot gedeelte der bevolking uit geboren Spanjaarden bestond.

Nadat Ferdinand VII op den troon hersteld was, deed hij wel herhaalde pogingen om zijne verloren bezittingen in Amerika te heroveren, maar dit plan moest hij ten laatste opgeven; en in 1821 werd het gemeenebest Mexiko door het voormalige moederland voor onafhankelijk verklaard. Men besloot daarop, den republikeinschen tegen den monarchalen regeeringsvorm te verwisselen; en daar Spanje weigerde de kroon voor een zijner Infanten aan te nemen, werd in Februari 1822 de overste Iturbide, onder den naam van Augustinus I, te Mexiko tot Keizer uitgeroepen: eene waardigheid, waarvan hij echter na verloop van een jaar reeds weder afstand moest doen, daar de republikeinsche partij hem te sterk werd. Het keizerrijk werd nu in een bondgenootschappelijk gemeenebest hervormd, samengesteld uit één bondgenootschappelijk district, een zeker aantal staten en "territoriën."

In de veertig jaren die sedert verliepen, werd Mexiko door niet minder dan tweehonderdzestig opstanden geschokt, bij welke nu eens de "republikeinen", ook liberalen of federalisten genoemd, dan weder de conservatieven, anders voorstanders van een gecentraliseerd gezag of clericalen geheeten, de bovenhand behielden. Het behoeft nauwelijks opmerking, dat die onophoudelijke opstanden en omwentelingen de reeds zoozeer verzwakte krachten en verwaarloosde hulpbronnen des lands met volslagen ondergang bedreigden. Wat de gevolgen van dezen toestand waren, en hoezeer de innerlijke ontwikkeling des lands daaronder leed, blijkt genoegzaam uit het feit, dat een land zoo vruchtbaar en rijk als Mexiko, 't welk bovendien aan twee wereldzeeën gelegen is, eene oppervlakte van meer dan 40,000 vierk. mijlen en nagenoeg 8,300,000 inwoners heeft, van 1856--1860 gemiddeld voor niet meer dan 18 millioen guld. 's jaars uitvoerde, tegen een invoer van ruim 31 millioen guld.; terwijl Peru, met eene oppervlakte van 24,000 vierk. mijlen en eene bevolking van 2,500,000 zielen, in 1862 voor 83 mill. gld. uitvoerde en voor 68 mill. gld. invoerde; en het zooveel minder belangrijke Venezuela, dat iets meer dan anderhalf millioen inwoners telt, in hetzelfde jaar nog voor 40 mill. gld. in zijnen handel omzette. De toestand waarin het mexikaansche rijk verkeerde, deed dan ook duchten, dat het, wat vroeger of later, eene maar al te gemakkelijke prooi der noord-amerikaansche Unie zou worden, waarin reeds achtereenvolgens het goudrijke Opper-Californië, Texas en Nieuw-Mexiko, vroeger deelen van het mexikaansche gebied, werden ingelijfd. Een der gevolgen van deze gebeurtenis zou toen voorzeker geweest zijn de wederinvoering in het veroverde rijk van de slavernij, die er reeds vóór jaren werd afgeschaft.

Toen nu in 1857 alweder eene ernstige worsteling ontstond tusschen de behoudende partij met den president Miramon, en de republikeinsche met Benito-Juarez aan 't hoofd, besloten Frankrijk, Spanje en Groot-Brittannië, op de dringende aanzoeken hunner in Mexiko gevestigde onderdanen, tot het uitzenden eener vereenigde expeditie, ten einde van de republiek waarborgen voor de veiligheid der zich op haar gebied bevindende vreemdelingen en voldoening der aan dezen verschuldigde gelden te eischen, welke een bedrag van nagenoeg 41 millioen piasters of ruim 102 millioen gulden beliepen.

De uitslag dier belangrijke expeditie is bekend. Aanvankelijk vermoedde men dat Spanje de herovering zijner oude kolonie in het schild voerde, en zich ter uitvoering van dit plan van de hulp van Frankrijk en Engeland verzekerd had. Nauwelijks evenwel waren de eskaders uitgezeild, of er verbreidde zich een geheel ander gerucht, dat namelijk keizer Napoleon's geheime bedoeling met de onderneming was, om aan den jammerlijken toestand van Mexiko, des noods door omverwerping van den bestaanden regeeringsvorm, een einde te maken. Nadat dit gerucht zich bevestigd had, trokken de beide bondgenooten des keizers zich terug; en nu legde hij zijn wel van vele zijden aangevallen en wat den vorm betreft geenszins onberispelijk, maar metterdaad praktisch en menschlievend plan geheel alleen ten uitvoer.

Eene maand nadat de Franschen, na Juarez wel niet geheel ten onder gebracht, maar toch onschadelijk gemaakt te hebben, de hoofdstad binnenrukten, werd door eene vergadering van mexikaansche notabelen, met 231 tegen 19 stemmen, tot de invoering eener "erfelijke getemperde monarchie", met een katholiek souverein, den titel van keizer voerende, besloten, en te gelijker tijd bepaald, dat de keizerlijke kroon in de eerste plaats aan den aartshertog Ferdinand Maximiliaan van Oostenrijk, oudsten broeder van keizer Frans Joseph, zou worden aangeboden. De aartshertog--een man, gunstig bekend om zijne schranderheid, humaniteit en andere eigenschappen, geschikt om de liefde van een volk te winnen--aarzelde niet deze gewichtige roeping te aanvaarden; en het is voorzeker de wensch van alle weldenkenden in de beide halfronden, dat de offers door Frankrijk gebracht, en de ijver waarmede de nieuwe monarch bezield is, heilrijke vruchten zullen dragen, en het dezen laatste vooral spoedig gelukken moge de noodlottige partijschap die de Mexikanen verdeelt, uit te roeien. [2]

Wij willen in de eerste plaats de hoofdstad van het oude rijk van Montezuma en haren naasten omtrek bezoeken, om vervolgens nog een paar andere punten van het mexikaansche gebied aan te doen.

II.

De vallei van Mexiko.--De Desague van Huehuetoca.--De hoofdstad.--De Kathedraal.--De Plaza de Armas.--De Plazuelo van Santo Domingo.--Het klooster van Barmhartigheid.--De Salto del Agua.--Markten.

De vallei, te midden waarvan zich het Venetië der Azteken verheft, vormt een ovaal van achttien mijlen in de lengte en van ongeveer twaalf in de breedte, en wordt door een krans van porfierrotsen omgeven, wier afwisselende lijnen het schilderachtigst effect te weeg brengen. De Iztaccihuatl of Witte-Vrouw, die door den glans van haren altijd besneeuwden top, het oog schier verblindt, en de Popocatepl of Rookende Berg, de hoogste bergspits van Mexiko en wellicht de sierlijkste vulkaan der gansche wereld, die beiden ten zuidwesten van de hoofdstad liggen, vormen als 't ware den sluithaak dezer prachtige keten. Hoewel de laatste dezer bergen zijnen naam nog maar al te zeer rechtvaardigt, en de bewoners der hoofdstad zich steeds met angst en schrik de geduchte aardbeving van 1858 herinneren, is de mexikaansche vallei voor het tegenwoordige veel minder vulkanisch dan vroeger.

Zes groote meren nemen een aanzienlijk deel van de oppervlakte der vallei in. Tegenover Huehuetoca ligt het meer Zumpango; daarna volgen, in eene zuidelijke richting, die van Jaltocan en San-Cristoval, het groote meer van Tezcuco; en eindelijk die van Jochimilco en Chalco, welke slechts door een straatweg vaneen worden gescheiden. Van al die meren is het water zoet, uitgenomen van het Tezcuco-meer, welks water brak is.

Groote belangstelling verdient in deze vallei de vermaarde "desague" van Huehuetoca: een dwars door het hooge gebergte gegraven kanaal, ter afleiding van de rivier Guantitlan--die zich vroeger in het Zumpango-meer stortte, hetgeen veelvuldige overstroomingen ten gevolge had--naar de ruim 200 voet lager gelegen Rio de Tula, die zich in den mexikaanschen zeeboezem ontlast. Dit reusachtige werk, in 1607 begonnen, werd eerst in 1789 voltooid, hoewel er schier onophoudelijk 15,000 Indianen aan arbeidden. Het kostte millioenen schats en, zoowel ten gevolge van vermoeienis, ziekte en harde behandeling, als van herhaalde instortingen van bergwanden, duizenden menschenlevens; maar nog bereikt het in verre na niet het nut, dat het zou kunnen opleveren wanneer het met het Tezcuco-meer in gemeenschap was gebracht, daar alsdan de hoofdstad niet langer, zoo als thans, aan overstroomingen blootgesteld en, bij droogte, van toevoer van water uit de bovenvallei verstoken zou zijn. In 1804 werd wel door den onderkoning Iturrigaray, op raad van Humboldt, last tot voltooiing der grootsche onderneming gegeven, maar de geduchte hinderpalen die het terrein tusschen Mexiko en Huehuetoca oplevert, deden den arbeid staken.

Mexiko, niet slechts de grootste en schoonste stad des rijks, maar ook de prachtigste stad van Noord-Amerika en misschien regelmatiger en grootscher gebouwd dan eenige andere stad der wereld, droeg, lang voordat Europa het bestaan van Amerika nog vermoedde, den naam van Tenochtitlan. Deze residentie der Aztekenkoningen deed geenszins onder in luister en grootte voor de hedendaagsche hoofdstad van het mexikaansche rijk. Men kan dit alleen reeds nagaan uit de schier fabelachtige berichten, die tot ons kwamen omtrent hare talrijke en weidsche tempels en het beroemde paleis van Montezuma, dat twintig poorten of ingangen had, onder zijn overgroot aantal zalen er ééne bezat die drie duizend personen kon bevatten, en waarin zich onder anderen eene menagerie bevond, welker vogelen-afdeeling alleen, naar verzekerd wordt, zóó groot was, dat er driehonderd personen aan verbonden waren. Van deze luisterrijke oude hoofdstad, die door Cortez nagenoeg geheel geslecht werd,--voornamelijk omdat zij sedert onheugelijke tijden het tooneel eener afgoderij was geweest die, volgens de getuigenis van Zumarragia, den eersten bisschop van Mexiko, jaarlijks meer dan 20,000 menschenoffers eischte;--is niets meer in wezen; hoewel er van tijd tot tijd nog genoeg overblijfselen worden opgegraven, om de nasporingen der geschied- en oudheidkundigen te beloonen.

Het hedendaagsche Mexiko, dat ruim 13,000 voet van het Tezcuco- en omstreeks tweemaal zoover van het Chalco-meer verwijderd, en ruim 7000 voet boven den spiegel der zee verheven ligt, telt eene bevolking van 206,000 zielen. Die bevolking bestaat, even als door het geheele land, uit de navolgende rassen: Guachupinen (Europeanen, meestal Spanjaarden), Creolen (inboorlingen van onvermengd spaansch of europeesch ras), Mestizen (afkomelingen van blanken en Indianen), Mulatten (afkomelingen van blanken en negers), Zambos (afkomelingen van negers en Indianen); voorts uit enkele echte Indianen (onverbasterde afkomelingen van de oorspronkelijke bewoners des lands), die zich evenwel meestal ver van de steden ophouden; eindelijk uit de onderrassen, die uit het kruisen dezer verschillende hoofdrassen ontstonden.

De huizen der hoofdstad, over 't geheel stevig gebouwd, hebben meerendeels twee hooge verdiepingen en ruime vertrekken, terwijl de gevels schier zonder uitzondering witgepleisterd of met kalk bestreken zijn. Op de hoeken der huizen bevinden zich nissen met het beeld der H. Maagd of van den eenen of anderen heilige. De daken of azoteas (terrassen) zijn plat en veelal met eene sierlijke balustrade omgeven. De straten zijn fraai geplaveid, van weêrszijden van trottoirs voorzien en meest allen breed en rechthoekig.

De hoofdstad bezit niet minder dan zestig kerkgebouwen en veertig kloosters. Heeft men echter de kathedraal en haren sagrario (kapel), het klooster van San-Fransisco met zijne twee kerken en drie kapellen en zijn ongemeen prachtigen gevel, de kerken van het nonnenklooster der Menschwording en die van de Jezuïeten der Professa bezichtigd, dan kan men zich vergenoegen met op de overige slechts in het voorbijgaan een blik te werpen.

Boven alles wordt het oog geboeid door de hoofdkerk, die op dezelfde plek staat waar zich weleer de aan den oppersten mexikaanschen krijgsgod Huitzilopochtli gewijde, luisterrijke tempel verhief, in welken zeker niet het geringste gedeelte der gruwzame offers voltrokken werd, met welke de Azteken hunne vertoornde godheden meenden te kunnen verzoenen. Deze kathedraal vormt de noordzijde der Plaza de Armas, het Wapen- of ook wel Constitutie-plein geheeten, en wekt door hare grootsche afmetingen, de schoone evenredigheid die tusschen hare verschillende deelen heerscht, en den smaak waarmede de bouwkunstige versieringen zijn aangebracht, hooge bewondering. In den voorgevel bevinden zich drie deuren, die tot het schip en de beide zijbeuken toegang verleenen. Het middengedeelte van den gevel, dat veel hooger dan de zijgedeelten is, prijkt met een aantal schoone beelden en sierlijke dorische en korinthische zuilen. Boven het schip, dat insgelijks veel hooger dan de zijbeuken is, verheft zich een in edelen stijl gebouwde en met vele beelden omringde hooge koepel. Binnen in het tempelgebouw wordt het oog niets dan goud en zilver gewaar. Men vindt hier eene beeldengroep, Maria's hemelvaart voorstellende, die uit massief goud vervaardigd is. De zilveren hostiekas en de zilveren kroonkandelaar vóór het hoofdaltaar zijn verscheidene tonnen schats waard. Bovendien wordt in deze kathedraal een tal van diamanten, robijnen, saffieren en andere edelgesteenten en eene aanzienlijke hoeveelheid gouden en zilveren vaatwerk gevonden. De hoogste waarde wordt door de Mexikanen echter aan een in de kerk voorhanden schilderstuk van Murillo gehecht, Onze-Lieve-Vrouwe van Belèn voorstellende: een doek, dat nogtans niet onder de voortreffelijkste van den schilder kan gerangschikt worden.

Deze kerk heeft nog eene groote en rijk versierde kapel, waarin de doop toegediend, de huwelijken gesloten, de uitvaarten gehouden worden, en het hoogwaardige ten toon wordt gesteld. De stijl dezer in later tijd gebouwde kapel is echter in verre na zoo onberispelijk niet als die der hoofdkerk zelve. De bouw dezer laatste, die in 1573, op last van Filips II, begonnen en niet vóór 1657 geheel voltooid werd, heeft, naar verzekerd wordt, nagenoeg derdehalf millioen piasters gekost.

De oostzijde van het Wapen- of Constitutie-plein wordt ingenomen door het even prachtige als uitgestrekte regeerings-paleis, welks voorzijde eene lengte van tweehonderd el heeft, en waarin, behalve de woning van het hoofd van den staat, de bureaux en archieven der regeering, eene gevangenis, eene kazerne en eene ontzaggelijk groote munt vereenigd worden aangetroffen. Tegenover de kathedraal staat de Casa de Cabildo of het stadhuis; terwijl zich aan de westzijde de portales de mercaderes bevinden, waar men verscheidene koffiehuizen en restaurants benevens de schoonste winkelmagazijnen der stad aantreft. In de meeste steden van spaansch Amerika wordt de kleinhandel niet in afzonderlijke, door de gansche stad verspreide winkelhuizen, maar, op een of meer bepaalde punten, onder portales of gaanderijen gedreven.

Dit plein wordt zeer druk bezocht: het wemelt er steeds van soldaten, priesters en monniken, pordioseros, leperos, aguadores, vrouwen van alle standen, ruiters en rijtuigen van allerlei soort. Vóór de koffiehuizen doen zich bestendig guitareros en andere muziekanten hooren. Midden op het plein zijn kramen en stellages opgericht, waarin de kalebassen, helados en aguos frescas, of ijs en soortgelijke ververschingen, op met linnen overdekte en met bloemen versierde tafels zijn uitgestald.

Een ander fraai plein is dat van Santo Domingo, ook Douanenplein geheeten, waar men het gewezen paleis der Inquisitie en het hoofdkantoor der in- en uitgaande rechten vindt. Het eerste gebouw, het voormalige klooster van Santo Domingo, tegenwoordig tot geneeskundige school ingericht, is, uitwendig, een der schoonste van de hoofdstad; inwendig heeft het echter veel van zijn vroegeren glans verloren. In den omtrek van het andere groote gebouw, dat zeer uitgestrekt is maar er weinig behagelijk uitziet, heerscht steeds eene ongemeene drukte en beweging.

Het klooster der Mercie of Barmhartigheid beveelt zich, zoomin als zijne kerk, door een fraai uiterlijk aan; maar het inwendige van het klooster en vooral zijn binnenplein is misschien bezienswaardiger dan eenig ander gebouw der mexikaansche hoofdstad. Op dit binnenplein verheft zich slechts eene eenvoudige fontein, doch het wordt door uitgestrekte gaanderijen met witte kolommen en getande bogen omringd, die zoo edel van vorm en zoo schoon gebeiteld zijn, dat men zich bij de aanschouwing in de Alhambra van Grenada verplaatst waant. De muren dezer gaanderijen zijn met schilderijen bedekt, die met levensgroote figuren prijken. Het klooster bezit eene belangrijke bibliotheek; terwijl het koor der kerk, dat een honderdtal fraai gebeeldhouwde koorstoelen bevat, tot de schoonste werken der kunst mag gerekend worden.

Onder de monumenten verdient ook nog genoemd te worden de Salto del Agua, de eenige wezenlijk fraaie fontein die Mexiko bezit. Zij staat in een der voorsteden en vormt het einde der waterleiding, die het water uit de bronnen van Chapultepec naar de hoofdstad voert. Tusschen twee zuilen met korinthische kapiteelen prijkt een groote arend met uitgespreide vlerken, het wapenschild der stad in de klauwen houdende; terwijl op de kapiteelen zelve twee zinnebeeldige figuren, Europa en Amerika voorstellende, zijn geplaatst.

Er zijn vele markten in Mexiko; de belangrijkste is ongetwijfeld die, welke des morgens in de straat Roldan en op de kaaien langs het kanaal van Viga gehouden wordt, waar de schuiten met vruchten, groenten, gevogelte en bloemen liggen, die van de drijvende eilanden in het Tezcuco-, Jochimilco- en Chalco-meer worden aangevoerd. Hier verschijnt niet alleen de opkooper, maar ook de huismoeder uit den burgerstand en de kok uit de aanzienlijke huizen komen hier hunne inkoopen doen; terwijl het voorts wemelt van lieden van allerlei slag, beroep en kleur: Indianen, Creolen en vreemdelingen, bedelaars en rijke burgers, cargadores, soldaten en muildierdrijvers, monniken van allerlei orden, dienstmeisjes, chinas (de mexikaansche grisetten) en fruit- en bloemenverkoopsters, die op de omgekeerde en ter hoogte van den schouder opgeheven hand, in eene echt academische houding, den met vruchten of bloemen gevulden korf of den sierlijken cantaro dragen.

III.

De aguadores.--Kooplieden.--De cargador.--De evangelistas.--De lepero.--De pordiosero.--De presidarios.--De sereno.--Soldaten.--Marine.--Geestelijkheid.

De straten en pleinen der stad en van hare voorsteden leveren een aantal typen op, die de belangstelling van den vreemdeling ten volle verdienen.

Inzonderheid is dit het geval met den aguador of waterdrager. Even als de cargador, is ook de aguador, door geheel spaansch Amerika, steeds een Indiaan. Hij heeft gewoonlijk weinig kleederen noodig: een hemd, waarvan de mouwen zijn opgestroopt en dat den hals bloot laat; een zeer wijde broek, bijna altijd tot aan de knieën opgeslagen; somtijds sandalen aan de meestal bloote voeten; een gekleurde doek, om zijn lang en stijf haar gewonden, die zijn hoofd, reeds van nature groot, nog grooter doet schijnen; een stroohoed, te nauw van bol, maar welks breede rand zijn gelaat overschaduwt:--ziedaar het armelijk maar teekenachtig kostuum van den aguador van spaansch Amerika. Buiten, ten platten lande, laadt hij zijn water op een ezel, en wel in twee groote lederen zakken, die de zijden van het dier bijna indrukken en bijna evenzeer met den ezel schijnen saamgegroeid als het kropgezwel met den armen cretin. Daar deze ezels altijd vochtig zijn, verkrijgen zij eene zonderlinge, groen-blauwe tint. Door middel eener opening aan de beide benedenhoeken wordt de zak gevuld en geledigd; doch daar deze openingen gebrekkig gesloten zijn, loopt het water er voortdurend met een straaltje uit. Het vocht, dat de zakken bevatten, is warm en troebel en wordt nooit helder. Zijn zij geledigd, dan neemt de aguador eene cigaar van achter zijn oor of uit zijn hoed en steekt die aan; vervolgens plaatst hij zich op zijn dier, met het gezicht naar den staart gekeerd, die hem te gelijk tot zweep en steun dient, en laat zich zoo naar de noria of waterput brengen.