Mevr. Warren's Bedrijf

Part 5

Chapter 54,264 wordsPublic domain

FRANK. Bravo, ouwe heer. Luister 'ns,--laten we nou 'n gezelligen tijd er van maken vóór lunch. Eerst gaan we de kerk bekijken. Die behoort iedereen te zien. 't Is 'n typische oude, dertiende-eeuwsche kerk, weet je. De oude heer voelt er erg voor, omdat hij indertijd 'n restauratiefonds op touw heeft gezet,--en ze zes jaar geleden totaal verbouwd is geworden. Praed zal er jullie de merkwaardigheden van aantoonen.

DOMINÉ (allerminzaamst glimlachend tegen het gezelschap). 't Zal me bizonder aangenaam zijn, als Jhr. George en mevrouw Warren er werkelijk lust toe voelen.

MEVR. WARREN. Wel ja, laten we maar gaan en 't afdoen: 't Zal George goed doen; de kerk zal van hèm niet veel last hebben, wed ik.

CROFTS (terugkeerend naar 't hek). Ik heb er niets tegen.

DOMINÉ. Neen, die weg niet. We zullen door 't veld gaan, als u 't goed vindt. Dèzen kant uit.

CROFTS. O, mij goed. (Hij gaat met den dominé. Praed volgt met mevrouw Warren. Vivie beweegt zich niet, maar kijkt hen na met de lijnen van vastberadenheid scherp geteekend op haar gezicht).

FRANK. Kom je niet?

VIVIE. Nee. Ik wil je 'n waarschuwing geven, Frank. Je stak daarnet den draak met m'n moeder, toen je dat zei over den pastorie-tuin. Dat is voortaan taboe. Behandel m'n moeder asjeblieft met hetzelfde respect waarmee je je eigen moeder behandelt.

FRANK. M'n beste Vivie, dat zou ze niet apprecieëren. Ze is heel anders dan m'n moeder: dezelfde behandeling zou voor die twee niet deugen. Maar wat ter wereld is er met je gebeurd? Gisterenavond waren we 't samen volmaakt eens over je moeder en haar kliek. En van morgen stel je je sentimenteel aan met je arm om haar middel heen.

VIVIE (rood wordend). Me aanstellen!

FRANK. Dièn indruk maakte 't op me. Den eèrsten keer dat ik je iets zag doen van twijfelachtig allooi.

VIVIE (zichzelf bedwingend). Ja, Frank; er heèft 'n verandering met me plaats gehad, maar ik geloof niet 'n verandering ten kwade. Gisteren was ik 'n ingebeeld nest.

FRANK. En vandaag?

VIVIE (haar gezicht vertrekt pijnlijk, dan ziet ze hem vast aan). Vandaag ken ik m'n moeder beter dan jij.

FRANK. De hemel beware je daarvoor.

VIVIE. Wat bedoel je daarmee?

FRANK. Viv,--er bestaat 'n vrijmetselarij tusschen door-en-door-onzedelijke menschen, waar jij niets van afweet. Jij hebt te veel karakter. Maar dàt is de band tusschen je moeder en mij; en dat is ook de reden, dat ik haar beter ken dan jij ooit zult doen.

VIVIE. Je vergist je, je weet niets van haar af. Als je de omstandigheden kende, waarmee m'n moeder te worstelen heeft gehad....

FRANK (ad rem haar zin voor haar afmakend). Dan zou ik weten waàrom ze is geworden, wàt ze is,--is 't zoo niet? Wat zou er dat toe doen? Omstandigheden of geen omstandigheden Viv,--je zult nooit met je moeder kunnen opschieten.

VIVIE (heel boos). Waarom niet?

FRANK. Omdat ze 'n slecht wijf is, Viv. Als je ooit weer in mijn bijzijn je arm om haar middel slaat, dan schiet ik me op de plaats zelf voor m'n kop,--als 'n protest tegen 'n vertooning, die me in opstand brengt.

VIVIE. Moet ik dus kiezen tusschen jou en m'n moeder?

FRANK. Dat zou de oude dame 'n veel te slechte kans geven. Nee, Viv, je verwaande jongentje zal je in geen geval aan je lot overlaten. Maar daarom moet hij ook zorgen, dat je geen vergissingen begaat.--'t Geeft allemaal niks, Viv, je moeder ìs eenmaal onmogelijk. Ze mag in haar soort niet kwaad zijn,--maar 't soort zelf ìs slecht, door en door slecht.

VIVIE (heftig). Frank! (Hij blijft kalm. Zij wendt zich af en gaat zitten op de bank onder den taxus, worstelend om haar zelfbeheersching te herkrijgen. Dan zegt ze). Moet ze door iedereen verlaten worden, omdat ze eenmaal is wat jij "'n slecht soort" noemt? Heeft ze geen recht om te leven?

FRANK. Daar hoef je niet bang voor te wezen, Viv; zij zal nooit verlaten zijn. (Hij gaat naast haar zitten op de bank).

VIVIE. Maar ik moet haàr zeker verlaten.

FRANK (sust haar op babyachtige manier en vleit haar met z'n stem). Moèt niet met haar leven. Familiegroepje van moeder en dochter zou geen succes zijn. Zou òns groepje bederven.

VIVIE (onder de bekoring komend). Welk groepje?

FRANK. De babies in 't bosch; Vivie en haar kleine Frank. (Hij glijdt z'n arm om haar middel en nestelt zich tegen haar aan als 'n moe kind). Laten we mekaar toedekken met dorre blaâren.

VIVIE (hem zachtjes wiegend als 'n moeder). Vast in slaap, hand in hand, onder de boomen.

FRANK. Het wijze kleine meisje en naar dwaze kleine jongentje.

VIVIE. Het lieve kleine jongentje, met het zielige kleine meisje.

FRANK. Heel, hèèl rustig en bevrijd van de idiotigheid van den vader van 't jongentje en de rarigheid van de moe....

VIVIE (het woord smorend tegen haar borst aan). St. st. stst! 't Kleine meisje wil alles vergeten van haar moeder. (Zij zwijgen eenige oogenblikken elkaar wiegend. Dan komt Vivie plotseling tot bezinning en roept uit): Wat 'n paar gekken zijn we! Kom, zit overeind. Goeie hemel, je haar! (Zij strijkt 't glad). Ik zou wel eens willen weten of alle groote menschen zoo kinderachtig doen, als er niemand bij is. Ik heb 't nooit gedaan als kind.

FRANK. Ik ook niet. Jij bent m'n eerste speelkameraad. (Hij vat haar hand en wil die kussen, maar houdt eerst even op om rond te kijken. Heel onverwacht verschijnt Crofts door de palmhaag). O verdomd!

VIVIE. Waarom, verdomd?

FRANK (fluisterend). Sst! Daar komt die fielt van 'n Crofts aan. (Hij gaat verder van haar af zitten met 'n heel onschuldig gezicht).

VIVIE. Wees niet lomp tegen hem, Frank. Ik wil erg m'n best doen om beleefd tegen hem te zijn. Dat zal m'n moeder plezier doen. (Frank trekt 'n leelijk gezicht).

CROFTS. Mag ik 'n paar woorden met u spreken, juffrouw Warren?

VIVIE. Zeker.

CROFTS (tot Frank). Je excuseert me wel, Gardner.--Ze wachten op je in de kerk, als je er niets tegen hebt.

FRANK (staat op). Ik wil je graag van dienst zijn, Crofts, behalve met naar de kerk te gaan. Als je iets noodig hebt, Vivie, bel dan aan 't hek, dan verschijnt een van de dienstboden. (Hij gaat 't huis in met kalme beminnelijkheid).

CROFTS. (Kijkt hem met 'n sluwe uitdrukking nà, terwijl ie verdwijnt, en spreekt dan tot Vivie op 'n toon alsof hij op vertrouwelijken voet met haar is). 'n Aardige jongen, juffrouw Vivie. Jammer, dat hij geen geld heeft, hè?

VIVIE. Vindt u?

CROFTS. Wel, wat moet hij uitvoeren? Heeft geen betrekking en geen fortuin.--Waar dient hij toe?

VIVIE. Ik zie volkomen goed z'n zwakke punten, Jhr. George.

CROFTS ('n beetje van z'n stuk gebracht, omdat hij zoo volmaakt doorzien wordt). O zòò meen ik 't niet, Maar zoolang we eenmaal op deze wereld zijn, moeten we er ook rekening mee houden,--en geld is geld. (Vivie antwoordt niet). 'n Mooie dag, vindt u niet?

VIVIE (met ternauwernood bedwongen minachting voor z'n poging tot conversatie). Heel mooi.

CROFTS (met brutale jovialiteit, alsof hij haar flinkheid bewondert). Wel, daarover wou ik anders niet praten (met voorgewende openhartigheid). Luister 'ns, juffrouw Vivie. Ik ben me volkomen bewust, dat ik geen man voor dames ben.

VIVIE. Heusch niet?

CROFTS. Nee; en om u de waarheid te zeggen, dat wil ik ook niet zijn. Maar als ik wat zeg, dan meen ik het;--als ik iets voel, dan voel ik 't ècht,--en wat ik graag wil hebben, daar wil ik ook goed voor betalen. Dàt soort van man ben ik.

VIVIE. Dat doet u alle eer aan.

CROFTS. O, ik wil m'n eigen lof niet zingen. De hemel weet, dat ik m'n fouten heb;--geen man ziet die beter dan ik. Ik weet, dat ik niet volmaakt ben: die zelfkennis is een van de voordeelen van 'n man van middelbaren leeftijd;--want ik bèn niet jong meer en daar geef ik me niet voor uit ook. Mìjn moraal is heel eenvoudig en ik geloof goed: Eergevoel tusschen man en man, trouw tusschen man en vrouw en geen malle praatjes over den een of anderen godsdienst, maar 'n eerlijk geloof, dat de wereld geleidelijk vooruitgaat.

VIVIE (snijdend ironisch). "Een macht, niet wijzelf, die rechtvaardigheid wil."

CROFTS (haar au sérieux nemend). O zeker, wijzelf natuurlijk niet. U begrijpt wat ik bedoel. (Hij gaat naast haar zitten, op 'n wijze alsof hij 'n verwante ziel had gevonden). En nu, wat practische zaken betreft. U zult misschien meenen, dat ik m'n geld heb weggegooid, maar dat is zoo niet. Ik ben vandaag rijker, dan toen ik indertijd m'n fortuin in handen kreeg. Ik heb van m'n wereldkennis geprofiteerd, om m'n geld te steken in zaken, die andere menschen over 't hoofd hebben gezien; en wàt ik ook wezen mag, op 't punt van geld ben ik 'n betrouwbaar man.

VIVIE. 't Is heel vriendelijk van u, me dat allemaal te vertellen.

CROFTS. Kom nou, juffrouw Vivie,--u hoeft u niet te houden, alsof u niet weet, waar ik heen wil. Ik verlang om me te vestigen met 'n "Lady Crofts".--Ik vermoed, dat u me wel erg botaf vindt?

VIVIE. Volstrekt niet. Ik ben er u heel dankbaar voor, dat u zoo kort en zakelijk bent. Ik stel uw aanbod zeer op prijs: het geld, de positie, Lady Crofts en zoo al meer. Maar, met uw welnemen, zal ik toch maar "nee" zeggen. Liever niet. (Zij staat en drentelt naar den zonnewijzer, om wat uit z'n onmiddellijke nabijheid te zijn).

CROFTS (in 't minst niet ontmoedigd, gebruik makend van de meerdere plaats op de bank om er zich gemakkelijk op uit te strekken, vat het op alsof 'n paar voorloopige weigeringen 'n onvermijdelijk deel uitmaakten van den gewonen gang van 'n huwelijksaanzoek). Ik heb geen haast. Ik wou u dit alleen maar laten weten, voor 't geval dat de jonge Gardner mocht probeeren u te vangen. Denk er eens over na.

VIVIE (scherp). Mijn neen blijft neen. Ik kom er niet op terug. (Zij ziet hem aan van uit de hoogte. Hij grijnst; buigt zich voorover met z'n elbogen op z'n knieën om met z'n stok naar 'n ongelukkig insect in 't gras te prikken. Hij kijkt haar sluw aan. Ongeduldig wendt zij zich af).

CROFTS. Ik ben 'n goed beetje ouder dan u,--vijf en twintig jaar, 'n kwart eeuw. Ik heb 't eeuwige leven niet, en ik zal zorgen, dat u goed achterblijft, als ik er niet meer zijn zal.

VIVIE. Zelfs tegen diè verleiding ben ik bestand, Jhr. George. Gelooft u niet, dat u beter zoudt doen met m'n antwoord te accepteeren? Er is niet de minste kans, dat ik veranderen zal.

CROFTS (staat op, na 'n laatsten slag naar 'n madeliefje en begint heen en weer te loopen.) Wel, 't hindert niet. Ik zou u dingen kunnen vertellen, die u gauw genoeg van gedachten zouden doen veranderen,--maar dat wil ik niet, omdat ik u liever wil zien te winnen door eerlijke liefde. Ik ben 'n goeie vriend voor uw moeder geweest, vraag haar dat maar eens. Zij zou nooit 't geld verdiend hebben, dat uw opvoeding betaald heeft, als ìk haar niet geraden en geholpen had. Om niet te spreken van het geld, dat ik haar heb voorgeschoten. Er zijn niet veel menschen, die haar gesteund zouden hebben, zooals ìk 't heb gedaan. Ik heb van 't begin tot 't laatst toe niet minder dan 40,000 pond in haar zaak gestoken.

VIVIE (hem aanstarend). Wilt u zeggen, dat u m'n moeders deelgenoot geweest bent?

CROFTS. Ja. Bedenk dus nou 'ns wat 'n last en explicaties 't besparen zou, als wij 't heele geval onder ons hielden, om zoo te zeggen. Vraag uw moeder maar eens of zij 't prettig zou vinden om uitlegging van d'r zaken te geven aan 'n totaal vreemde.

VIVIE. Daar zie ik de bezwaren niet van in, nu de zaken toch aan kant zijn gedaan en het geld belegd is.

CROFTS (blijft plotseling verbaasd staan). Aan kant gedaan? Een onderneming aan kant doen, die 35 percent uitkeert in de slechtste jaren?! Niet waarschijnlijk, hoor. Wie heeft u dàt verteld?

VIVIE (plotseling verbleekend). Bedoelt u dat ze nog...? (Zij houdt op eens stil en legt haar hand op den zonnewijzer om zichzelf te ondersteunen. Dan loopt ze haastig naar den ijzeren stoel en gaat zitten). Over welke onderneming spreekt u?

CROFTS. Wel, de kwestie is, dat ze nou niet precies als 'n zaak van den eersten rang beschouwd wordt in mijn kringen, de voorname kringen, weet u;--die ònze kringen zullen worden, als u anders over m'n aanzoek gaat denken. Niet, dat er iets niet in den haak mee is, dat moet u niet denken. U begrijpt door het feit, dat uw moeder er in is, dat ze volkomen fair en eerlijk is. Ik heb haar jaren lang gekend en ik weet van haar, dat ze liever haar hand zou afslaan, dan met iets te doen te hebben, wat niet heelemaal behoorlijk is. Als u wilt zal ik er u alles van vertellen. Ik weet niet of u wel eens ondervonden hebt, als u op reis was, hoe moeilijk 't is, om 'n werkelijk goèd ingericht familiehotel te vinden.

VIVIE (wendt haar gezicht af met walging.) Ja,--ga door.

CROFTS. Nu, dat is alles. Uw moeder heeft 'n zeldzame gave om die dingen te besturen. We hebben er twee in Brussel, één in Berlijn, één in Weenen en twee in Buda-Pest.--Natuurlijk zijn er nog anderen behalve wij in de zaak, maar wìj hebben er het meeste kapitaal in,--en uw moeder is onmisbaar als directrice. U hebt zeker wel gemerkt, dat zij veel reist.--Maar u begrijpt,--over zulke dingen kun je in gezelschap niet spreken. Noem 't woord "hotel" maar eens en iedereen zegt, dat je 'n publiek huis houdt. U zoudt toch niet willen, dat ze dàt van uw moeder zouden zeggen, wel? Daarom houden we 't zoo stil. Wat ik zeggen wil, u zult 't ook wel voòr u houden, niet? Nu 't al zòòlang 'n geheim is geweest, is 't beter dat 't dat ook blijft.

VIVIE. En dit is dus de onderneming, waar u wilt, dat ik deel in zal nemen!

CROFTS. Welnee. Mijn vrouw zal niets met zaken te maken hebben. U zult er niet meer mee te maken hebben dan u altijd gedaan hebt.

VIVIE. Altijd gedaan heb! Wat bedoelt u?

CROFTS. Alleen maar dat u er altijd van geleefd hebt. Ze heeft betaald voor uw opvoeding en voor de japon die u aan uw lijf hebt. Trek uw neus maar niet op voor zaken, juffrouw Vivie. Wat zou er van uw mooie scholen worden zonder geld?

VIVIE (staat op, half buiten zichzelf). Pas op. Ik weet wàt voor zaak 't is.

CROFTS (opschrikkend, met 'n onderdrukte vloek). Wie heeft u dat verteld?

VIVIE. Uw compagnon--m'n moeder.

CROFTS (zwart van woede). Die ouwe.... (Vivie ziet hem haastig aan. Hij slikt 't woord in en staat stilletjes voor zich te razen en te vloeken. Dan bedenkt hij zich, dat hij sympathiek moet zijn en hij neemt z'n toevlucht tot 'n edele verontwaardiging). Zij behoorde u meer te hebben ontzien. Ik zou 't u nooit verteld hebben.

VIVIE. Ik denk, dat u waarschijnlijk gewacht zoudt hebben tot we getrouwd waren. Het zou 'n makkelijk wapen voor u geweest zijn om me mee klein te krijgen.

CROFTS (heel oprecht). Ik had 't nooit willen doen. Op m'n woord niet. (Vivie ziet hem verwonderd aan. Haar gevoel voor de ironie van zijn protest kalmeert haar en geeft haar kracht. Zij antwoordt met minachtende zelfbeheersching.)

VIVIE. 't Doet er niet toe. Ik veronderstel dat u begrijpt, dat wanneer wij vandaag van hier weggaan, onze kennismaking tot 'n eind komt.

CROFTS. Waarom? Omdat ik u moeder geholpen heb?

VIVIE. Mijn moeder was 'n arme vrouw die geen keus had om anders te handelen dan ze gedaan heeft. Maar ù was rijk en u deed hetzelfde terwille van 35 percent. U bent mijns inziens 'n gewone, echte schurk. Dàt is m'n opinie van u.

CROFTS (staart haar even aan,--volstrekt niet gekwetst, en veel meer op z'n gemak, nu ze op dezen ongegeneerden voet met elkaar zijn, dan toen ze eerst wat vormelijk waren). Ha, ha, ha, ha! ga je gang, juffie, geef er me van langs; 't hindert me niet en 't amuseert me. Wat weerga, waarom zou ik m'n geld niet op die manier beleggen? Ik neem de interest van 'n kapitaal net als alle andere menschen. Ik hoop niet, dat je vindt, dat ik er m'n eigen handen mee vuil maak. Zeg 'ns zelf: je zoudt toch niet weigeren om kennis te maken met m'n moeders neef, den hertog van Belgravia, omdat sommige van de renten, die hij ontvangt, op 'n wat wonderlijke wijze verdiend worden? Je zoudt vermoedelijk den aartsbisschop van Canterbury niet negeeren omdat de leden van de kerkelijke commissies enkele kroeghouders en zondaren onder hun huurders hebben? Herinner je je de Croftsbeurs in Newnham? Nu, die is gesticht door m'n broer, het parlementslid. Hij krijgt z'n 22 percent van 'n fabriek met 600 meisjes, waarvan er niet één genoeg verdient om van te leven. Hoe stel je je voor, dat die rondscharrelen? Vraag 't je moeder maar eens. En verwacht je dan, dat ik bedanken zou voor 35 percent, terwijl andere menschen in hun zak steken wàt ze maar kunnen, als verstandige lui? Zòò gek ben ik niet. Als je je kennissen wilt kiezen en uitzoeken volgens zedelijke principes, dan kun je 't land wel uittrekken, tenzij je jezelf buiten de heele fatsoenlijke maatschappij wilt houden.

VIVIE (met gewetenswroeging). U kunt er verder nog op wijzen, dat ik zelfs nooit gevraagd heb, waar 't geld, dat ik uitgaf, vandaan kwam. Ik geloof, dat ik net even slecht ben als u.

CROFTS (geheel gerustgesteld). Natuurlijk,--en dat is maar goed ook. Wat voor kwaad doet 't ten slotte? (met een familiare grappigheid). Nou je er verder over nadenkt, zul je me zoo'n schurk wel niet meer vinden, wèl?

VIVIE. Ik heb dezelfde voordeelen met u gedeeld, en ik ben al zoo ver gegaan van u op vertrouwelijke wijze te vertellen wàt ik van u denk.

CROFTS (met serieuze minzaamheid). Zeker, dat heb je ook.--Je zult me zoo'n kwaje niet vinden. Ik geef me niet uit voor iemand met een prima intellect, maar ik heb een goeie dozis eerlijk, humaan gevoel; en het oude ras van de Croften komt uìt in 'n zekere instinctmatige haat van alles wat min is,--waarin je zeker met me zult sympathiseeren. Geloof me, juffrouw Vivie, de wereld is zoo kwaad niet, als sommige schreeuwers wel beweren. Zoo lang je de maatschappij niet openlijk trotseert, zal ze je ook geen lastige vragen doen;--en ze maakt korte metten met de ploerten, die 't wèl doen. Er blijven geen geheimen beter bewaard, dan dìè, die half bekend zijn. In de kringen, waarin ik je zal introduceeren, zal geen heer of dame zich zòò ver vergeten om de zaken van mij of je moeder te bespreken. Geen man kan je 'n veiliger positie aanbieden.

VIVIE. Ik geloof dat u heusch denkt, dat u uitstekend met me opschiet.

CROFTS. Wel, ik geloof, dat ik mezelf mag vleien, dat je beter over me denkt, dan je eerst hebt gedaan.

VIVIE (kalm). Ik vind u nu nauwelijks de moeite waard, om over te denken. (Zij staat op en gaat naar het hek toe, onderweg stilhoudend om hem te bekijken en om bijna zachtzinnig maar met diepe overtuiging tot hem te zeggen): Als ik denk aan de maatschappij die ù duldt, en de wet die ù beschermt,--als ik bedenk hoe hulpeloos overgeleverd negen van de tien meisjes zullen zijn in de handen van u en van m'n moeder:--van de vrouw met het onnoembare bedrijf en haar kapitalist-slavenjager....

CROFTS (wit van woede). Verdomd!

VIVIE. U hoèft me niet meer te verdoemen. Ik voel al of ik onder de verdoemden leef. (Zij licht den klink van 't hek op, om het te openen en er door te gaan. Hij volgt haar en legt z'n hand zwaar op den hoogsten dwarsbalk om te beletten, dat 't hek geopend wordt).

CROFTS (hijgend van woede). Denk je, dat ik dit alles van je verdraag, jij kleine duivel?

VIVIE (koel). Wees bedaard. Er zal iemand komen in antwoord op de bel. (Zonder even te aarzelen slaat zij tegen de bel met den rug van haar hand. 't Klinkt hard, en Crofts schrikt onwilkeurig terug. Bijna onmiddellijk verschijnt Frank in den ingang van 't huis met z'n geweer).

FRANK (met opgewekte beleefdheid). Wil jij 't geweer hebben Viv, of zal ik 't gebruiken?

VIVIE. Heb je geluisterd, Frank?

FRANK. Alleen maar naar de bel, ik verzeker 't je,--zoodat je niet zoudt hoeven te wachten. Ik geloof, dat ik je karakter goed heb doorzien, Crofts.

CROFTS. Voor 'n kleinigheid zou ik dat geweer van je overnemen en 't kapot slaan op je hoofd.

FRANK (voorzichtig naar hem toesluipend). Doe dat niet. Ik ga heel onhandig met vuurwapenen om. Er zou stellig 'n noodlottig ongeluk plaats hebben met later 'n waarschuwing van de jury voor m'n onachtzaamheid.

VIVIE. Zet 't geweer weg, Frank, 't is volmaakt onnoodig.

FRANK. Groot gelijk, Viv. Veel beter jagersmanier om hem in 'n val te vangen. (Crofts, die de beleediging begrijpt, maakt 'n dreigende beweging). Crofts, er zijn vijftien kogels in 't magazijn en ik ben 'n zekere treffer van 'n afstand als deze, op 'n schijf van jouw omvang.

CROFTS. O je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je niet aanraken.

FRANK. Heel grootmoedig van je onder de omstandigheden. Wel bedankt.

CROFTS. Ik wil jullie dit nog zeggen vòor ik heenga. 't Zal je misschien interesseeren, omdat jullie zoo op elkaar gesteld bent. Sta me toe, Frank, je voor te stellen aan je halfzuster, de oudste dochter van den eerwaarden Samuel Gardner. Juffrouw Vivie, uw halfbroer. Goeie morgen. (Hij gaat door 't hek heen den weg op).

FRANK (na 'n pauze van ontdaanheid, neemt z'n geweer op). Viv, je zult voor den rechter getuigen, dat 't een ongeluk was. (Hij mikt op de verdwijnende figuur van Crofts. Vivie grijpt den loop en draait die rond, tegen haar borst aan).

VIVIE. Schiet nou. Nu mag je.

FRANK (laat 't eind van z'n geweer haastig vallen). Halt! Pas op! (Zij laat 't gaan. 't Valt op den grond). O, wat heb je je jongentje laten schrikken! Stel je voor, dat 't af was gegaan.... O! (geheel ontdaan valt hij op de bank neer).

VIVIE. Ja, stel je dat voor. Begrijp je niet, dat 't een verlichting voor me geweest zou zijn om 'n felle lichamelijke pijn in me te voelen scheuren?

FRANK (vleiend). Trek 't je niet zoo aan, beste Viv. Bedenk maar, dat àls m'n geweer den vent zòò heeft verschrikt, dat hij voor 't eerst in z'n leven de waarheid gezegd heeft, 't ons dan in èrnst maakt tot de babies in 't bosch. (Hij houdt z'n armen voor haar open). Kom, laten we ons weer toedekken met blaâren.

VIVIE (met 'n kreet van afschuw). O, dat niet, dat niet! Je laat me rillen!

FRANK. Waarom,--wat scheelt je?

VIVIE. Adieu! (Zij gaat heen door 't hek).

FRANK (opspringend). Allo! Wacht even! Viv! Viv! (Zij draait zich om bij 't hek). Waar ga je naar toe? Waar kan ik je vinden?

VIVIE. Op Honoria Frasers kantoor, Chancery Lane 67,--voor de rest van m'n leven. (Zij gaat heen in de tegenovergestelde richting van Crofts).

FRANK. Maar hoor dan toch 'ns... wacht even... Wat drommel! (hij rent haar achterna).

VIERDE BEDRIJF.

De kamers van Honoria Fraser in Chancery Lane. Een kantoor op de hoogste verdieping met een raam van spiegelglas; geverfde muren, electrisch licht en een vulkachel. Zaterdagmiddag. Men ziet de schoorsteenen van Lincoln's Inn en den hemel daarachter in 't Westen, door het venster. Er staat 'n dubbel schrijfbureau in het midden van de kamer met een kistje sigaren, aschbakjes en een verplaatsbare electrische lamp, de laatste half verborgen onder hoopen papier en boeken. Dit schrijfbureau heeft gaten voor de knieën, rechts en links ervan staan stoelen.--Het ziet er heel slordig uit. Het bureau van den klerk, gesloten en netjes, met 'n hoogen stoel er voor, staat tegen den muur aan, dicht bij 'n deur, die in verbinding staat tot de binnenkamer. In den tegenovergestelden muur is de deur, die voert naar de algemeene gang. Zijn bovenpaneel is van matglas, waarop met zwarte letters aan den buitenkant "Fraser en Warren". Een groen baaien scherm verbergt den hoek tusschen die deur en het venster.

Frank, in 'n modieus licht sport-reispak met zijn stok, handschoenen en witte hoed in z'n handen, loopt heen en weer in 't kantoor. Iemand probeert de deur open te maken, met 'n sleutel.

FRANK (roept). Binnen! 't Is niet gesloten. (Vivie komt binnen met hoed op en mantel aan. Zij blijft staan en staart hem aan).

VIVIE (streng). Wat voer je hier uit?

FRANK. Op je wachten. Ik hen hier al uren geweest. Is dat de manier om op je zaken te passen? (Hij legt zijn hoed en stok op tafel, gaat met 'n sprong boven op de klerks kruk zitten, en kijkt haar aan met al de symptomen van 'n onrustige, plagerige, lichtzinnige stemming).

VIVIE. Ik ben precies twintig minuten weg geweest om 'n kop thee te drinken. (Zij neemt haar hoed en mantel af en hangt die achter het scherm). Hoe ben je binnen gekomen?