Part 4
MEVR. WARREN. Jij! Je hebt geen hart! (plotseling barst zij heftig los in haar eigen spraak: het dialect van 'n vrouw uit het volk,--al haar affectaties van moederlijk gezag en conventioneele manieren verdwenen, en met 'n overstelpende inspiratie van echte overtuiging en toorn). O, ik verdraàg 't niet langer! Ik bedank voor die onrechtvaardigheid! Wat voor recht heb jij om je zoo boven me te plaatsen? Je bluft tegen me op wat je bent, tegen mij, die je in staat heb gesteld om te wòrden wat je bent. Welke kans had ik? Je moest je schamen om zoo'n slechte dochter en ingebeelde preutsche juf te zijn!
VIVIE (koel en beslist, maar niet langer met zelfvertrouwen, want haar antwoorden, die haar tot dusver overtuigend verstandig en krachtig hebben toegeschenen, beginnen nu tamelijk houterig en pedant te klinken tegenover den nieuwen toon van haar moeder). Geloof u geen oogenblik, dat ik me op eenigerlei wijs boven u plaats. U viel me aan met het conventioneele gezag van 'n moeder, en ìk verdedigde me met de conventioneele meerderheid van 'n fatsoenlijke vrouw. Ronduit gezegd, ben ik niet van plan, om iets van uw onzin te verdragen, en wanneer ù die laat schieten, verlang ik niet van u, dat u iets van de mijne verdraagt.--Ik zal altijd eerbiedigen het recht dat u hebt op uw eigen meeningen en uw eigen manier van leven.
MEVR. WARREN. M'n eigen meeningen en m'n eigen manier van leven! Hoor d'r is an!--Denk je, dat ik groot ben gebracht als jij,--in staat om m'n eigen manier van leven te zoeken en te kiezen? Denk je, dat ik deê, wàt ik deê, omdat ik 't prettig of goed vond, of dat ik niet liever na school zou zijn gegaan en 'n dametje geweest zijn, as ik er kans toe gezien had?
VIVIE. Ieder mensch heeft eènige keus, moeder. De armste meid ter wereld mag niet in staat zijn om te kiezen of ze koningin van Engeland of hoofd van 'n school wil worden, maar ze kan wèl kiezen tusschen lompen uitzoeken en bloemen verkoopen, alnaar dat haar smaak is. De menschen geven altijd de schuld aan de omstandigheden voor wat ze zijn. Ik geloof niet aan de omstandigheden. De menschen, die vooruit komen in de wereld, zijn de menschen die opstaan en uitkijken naar de omstandigheden die ze noodig hebben,--en vinden ze die niet, dan maken zij ze.
MEVR. WARREN. O, praten is makkelijk, heel gemakkelijk, hè? Nou! Wil je weten wat mijn omstandigheden waren?
VIVIE. Ja, 't is beter, dat u 't me vertelt. Wilt u niet gaan zitten?
MEVR. WARREN. Ja, ik zàl gaan zitten; wees maar gerust. (Zij plant haar stoel meer naar voren neer met ijzeren energie en gaat zitten. Vivie komt, ondanks haarzelf, onder den indruk). Weet je wie je groomoe was?
VIVIE. Nee.
MEVR. WARREN. Nee, dat weet je niet. Ik wel. Ze noemde d'r eigen een weduwvrouw en ze had 'n winkel van gebakken visch ergens bij de Munt en daar onderhield ze d'r eigen en d'r vier dochters van. Twee van ons ware zusters, dat ware Lies en ik, en we zage d'r allebei goed uit, met knappe figure. Ik vermoed, dat onze vader 'n goedgevoede man was. Moeder beweerde, dat 't een heer was, maar dà weet ik niet. De andere twee ware maar halfzusters: kleine, leelijke, magere, slovende, eerlijke onderkruipsels. Lies en ik zouen ze half vermoord hebben, als moeder òns niet half vermoord had, om onze handen van ze af te houden. Zij waren de fatsoenlijken van ons. Nou, weet je wat ze kregen voor d'r fatsoen? De eene werkte in 'n loodwitfabriek,--12 uur daags voor 9 shilling in de week, totdat ze stierf an loodwitvergiftiging. Ze dacht, dat ze alleen maar d'r handen wat verlamd zou krijgen, maar ze ging er van dood. De ander werd ons altijd voorgehouden als 'n voorbeeld, omdat ze met 'n werkman van de rijkswerf trouwde en d'r kamer en d'r drie kinderen netjes en zuiver hield van 18 shilling in de week, totdat hij aan de drank raakte. Dat was de moeite waard om fatsoenlijk voor te zijn, niet?
VIVIE (nu pensief-aandachtig). Dachten u en uw zuster dat?
MEVR. WARREN. Lies niet, dat kan ik je vertellen, diè was wijzer. We gingen allebei na 'n kerkelijke school,--dat hoorde zoo bij de damesachtige manieren die we ons gaven om meer te zijn dan de kinderen, die niks wisten en nergens heengingen,--en daar bleven we, totdat Lies eens op 'n nacht wegliep en nooit terug kwam. Ik weet, dat de schooljuffrouw dacht, dat ik wel gauw d'r voorbeeld zou volgen,--want de dominé waarschuwde me aldoor, dat Lies zou eindigen met van Waterloo-brug af te springen.--Arme hals,--dat was àl wat hij er van wist! Maar ik had meer angst voor de loodwitfabriek dan voor de rivier, en dat zou jij ook gehad hebben in mijn plaats.--De dominé wist 'n betrekking voor me te krijgen, as bijhulp in de keuken van 'n afschaffersrestauratie, waar ze uitzonden met alles wat je hebben wou.--Toen ben ik kellnerin geworden en daarna ging ik an 't buffet van 't Waterloostation,--veertien uur per dag drank bedienen en glazen omwasschen voor 4 shillings in de week en de kost. Dat werd toen beschouwd as 'n groote vooruitgang voor me.--Nou, op 'n kouwe, ellendige nacht, toen ik zòò moe was, dat ik nauwelijks wakker kon blijven, wie denk je dat er binnen kwam voor 'n halve schotsche? Lizzie;--in 'n lange, bonte mantel, elegant en lekker, met 'n hoop goudstukke in d'r beurs!
VIVIE (grimmig). Tante Lizzie.
MEVR. WARREN. Ja, en 'n beste tante òok om te hebben. Ze woont nou in Winchester, vlak bij de kathedraal, een van de meest geziene dames dáar.--Ze begeleidt jonge meisjes naar 't bal van de gouverneur,--asjeblieft hoor! Geen rivier voor Lies, dank je wel.--Jij doet me wat an Lies denken: ze was 'n eerste zakevrouw,--spaarde geld op van de beginne af,--liet nooit te veel zien wat ze was,--raakte nooit 'r hoofd kwijt, of liet 'n gelegenheid voorbijgaan.--Toen ze zag, dat ik knap op zou groeien, zei ze tegen me, zoo over de toonbank heen: "Wat doe jij hier, malle meid,--je gezondheid en je uiterlijk verwoesten voor 'n andermans profijt?" Lies was toen an 't opsparen, om 'n huis voor d'r eigen te nemen, in Brussel, en ze dacht, dat we samen gauwer zouen sparen, dan ieder voor zich. Daarom leende ze me wat geld en hielp me aan de gang; en ik spaarde geregeld an en betaalde d'r eerst af en begon toen 'n zaak met haàr als deelgenoot. Waarom zou ik 't nièt gedaan hebben? 't Huis in Brussel was er een van de eerste rang,--'n heel wat beter plaats voor 'n vrouw, dan de fabriek, waar Annemie vergiftigd werd. Geen één van onze meisjes werd ooit behandeld zoo als ik behandeld werd in de bijkeuken van die afschaffersboel, of as an 't buffet,--of as thuis: Had je gewild dat ik daar was gebleven en 'n afgewerkte ouwe sloof was geworden vòòr m'n 40ste jaar?
VIVIE (nu geweldig geïnteresseerd). Nee, maar waarom koos u diè zaak. Met spaarzaamheid en goed beheer kun je elke zaak er boven op werken.
MEVR. WARREN. Ja, geld opsparen. Maar in welke zaak kàn 'n vrouw geld opspare? Zou jij kenne sparen van 4 shillings in de week en je d'r van kleeje ook? Jij niet. Natuurlijk, as je 'n dood gewoon mensch ben en niks anders kan verdienen, of as je idee heb in muziek of 't tooneel, of krantegeschrijf,--dan is 't iets anders. Maar zoomin Lies as ik hadden eenig benul van die dingen; alles wat wij hadden was ons uiterlijk en onze slag om de mannen in te pakken. Denk je, dat wij zulke gekken waren, om andere menschen zaken te laten doen met ònze mooie oogen, door òns te gebruiken as winkelmeisjes, of buffetjuffrouwen, of kellnerinnen, as wij zèlf er zaken mee konden doen en al 't profijt in ònze zak steken, inplaats van hongerloonen? Wìj niet, hoor.
VIVIE. U was zeker volkomen gerechtvaardigd uit 'n zakenoogpunt.
MEVR. WARREN. Ja, en uit ieder ànder oogpunt ook. Waartoe wordt ieder fatsoenlijk meisje anders grootgebracht als om 'n rijke man in te palmen en het voordeel van z'n geld te hebben door hem te trouwen? Asof 'n huwelijksceremonie eenig verschil maakt in het goeie of het slechte van de zaak! O, de huichelarij van de wereld maakt me misselijk! Lies en ik hadden te werke en te spare en te berekene net zoo goed als andere menschen; anders zouen we nou even arm zijn als iedere nikswaardige dronken doorbrengster van 'n vrouw, die denkt dat d'r goeie tijd altijd zal duren (met groote energie). Ik veracht dat soort menschen;--ze hebben geen karakter. En as d'r iets is, dat ik haat in 'n vrouw, dan is 't gebrek an karakter.
VIVIE. Kom nou, moeder, wees 'ns eerlijk! Is 't niet voor 'n deel wat je noemt karakter in 'n vrouw, dat haar die afschuw moet geven van dèze manier van geld verdienen.
MEVR. WARREN. O natuurlijk. Iedereen vindt 't onaangenaam om te moeten werken en geld te verdienen, maar d'r is geen keus. Waarachtig, ik weet wel, dat ik dikwijls genoeg meêlijen heb gehad met 'n arm meisje, dat moe was en landerig, als ze probeeren moest 'n man te amuseeren, om wie ze niks niemendal gaf--zoo'n halfdronken idioot, die denkt, dat ie zich aangenaam maakt wanneer hij 'n vrouw plaagt en lastig valt en half doet walgen, op 'n manier, die met geen gèld is goed te maken. Maar ze heeft die onaangename dingen nou eenmaal te verdrage, en 't zoete zoowel as 't zure te slikke, net even goed als 'n ziekenhuis-zuster of ieder ander. De hemel mag wete, dat 't geen werk is, dat eenige vrouw voor d'r plezier zou doen, al zou je, as je de vromen hoort praten, denken dat 't 'n bed van rozen was.
VIVIE. U beschouwt het toch als de moeite waard. Het betaalt.
MEVR. WARREN. Natuurlijk is 't de moeite waard voor 'n arm meisje, dat d'r eigen niet weggooit en er goed uitziet en zich verstandig en netjes gedraagt. 't Is oneindig beter dan eenige andere betrekking, die ze hebben kan. Ik heb altijd gevonden dat dat zoo niet moest zijn. 't Kàn niet rechtvaardig zijn, Vivie, dat 'n vrouw geen betere kansen zou hebben. Ik blijf er bij: dat is verkeerd. Maar goed of verkeerd, 't is eenmaal zoo, en 'n meisje moet 't neme zooas 't is. Maar natuurlijk is 't niet de moeite waard voor 'n dame. Als jij die kant uitging, zou je dwaas zijn; maar ìk zou dwaas geweest zijn, as ik 't nièt had gedaan.
VIVIE (meer en meer werkelijk ontroerd). Moeder, veronderstel eens, dat we allebei zoo arm waren als ù was in die ellendige dagen van vroeger, bent u zeker, dat u me dan niet raden zou om 't stationsbuffet te probeeren, of om 'n werkman te trouwen, of om zelfs in 'n fabriek te gaan?
MEVR. WARREN (verontwaardigd). Natuurlijk niet. Voor wat voor soort moeder zie je me an! Hoe zou jij je zelfrespect kenne beware bij zòò 'n hongerlijë en gesloof. En wat is 'n vrouw waard, wat is 't lèven waard, zonder zelfrespect? Waarom ben ik onafhankelijk en in staat om m'n dochter 'n piekfijne opvoeding te geven, terwijl andere vrouwen, die net dezelfde kansen hadden, nou in de goot legge? Omdat ik m'n eigen altijd heb wete te respecteere en te beheersche. Waarom kijke ze op tegen Lies in 'n vrome stad? Om dezelfde reden. En waar zouden we nou an toe zijn, als we ons gestoord hadden an de malligheid van die dominé? An vloeren schrobben voor anderhalve shilling per dag en niks in 't vooruitzicht as 't armhuis. Laat jij je niet van de wijs brengen door menschen die de wereld niet kennen. De eenige manier voor 'n vrouw om fatsoenlijk voor d'r eigen te zorgen is om goed te zijn voor 'n man, die 't betalen kan om goed voor haar te wezen. Als ze van zìjn stand is, laat ze dan zorgen, dat-ie haar trouwt, maar is ze dat niet, dan kan ze dat niet verwachten.--Hoe zou ze? 't Zou niet voor d'r eigen geluk weze. Vraag-t-er iedere dame in de Londensche wereld na, die dochters heeft,--en ze zal je hetzelfde zegge,--behalve dat ik 't je ronduit zeg, en zij verdraaid.--Daarin zit 'em 't eenige verschil.
VIVIE (geboeid,--staart haar aan). Beste moeder,--u bent 'n merkwaardige vrouw, u bent sterker dan heel Engeland. En voelt u nu werkelijk en waarachtig niet 'n sikkepitje twijfel ... of ... of schaamte?
MEVR. WARREN. Wel natuurlijk, lieverd,--'t hoort er zoo bij om je te schame,--dat wordt eenmaal verwacht van 'n vrouw. Vrouwen moeten zich altijd houe of ze 'n heeleboel voele wat ze niet doen. Lies was dikwijls kwaad op me, as ik zoo botweg de waarheid er over zei. Zij zei altijd, dat, omdat iedere vrouw genoeg kon leere van wat ze voor d'r ooge in de wereld ziet gebeure, 't nergens toe dient om er over te prate. Maar Lies was ook op en top 'n dame. Ze had er 't echte instinct van; terwijl je an mijn altijd m'n lage kom-af kon merken: Ik plach zoo in m'n schik te zijn, wanneer je me je portretten zond en ik zag, dat je opgroeide als Lies. Je hebt nèt haar damesachtige, positieve manier van doen.--Maar ik kan 't niet uitstaan, om 't ééne te zeggen, als iedereen weet, dat ik 't andere meen. Waar dient dat gehuichel toe? Als de menschen de wereld op diè manier voor de vrouwen inrichten, geeft 't niks om net te doen, of ze anders is ingericht. Ronduit gezegd heb ik me nooit in 't minst geschaamd. Ik beweer, dat ik 't recht heb om trotsch te zijn, dat we alles zoo goed bedistelden, en er nooit iets op ons te zeggen was, en dat de meisjes zoo goed behandeld werden. 'n Paar ervan kwamen best terecht: één trouwde er met 'n gezant. Maar natuurlijk, daar mag ik nou niet meer van spreken, wat zouen ze wel van me denken! (Zij geeuwt). O Heere, ik geloof, dat ik tenslotte toch slaperig ben geworden. (Zij rekt zichzelf luid uit, echt opgelucht door haar uitbarsting, en kalmpjes bereid voor haar nachtrust).
VIVIE. Ik geloof, dat ik 't zal zijn, die nu niet zal kunnen slapen. (Zij gaat naar 't buffetje en steekt de kaars aan. Dan doet ze de lamp uit, waardoor de kamer veel donkerder wordt). We zullen wat frissche lucht in laten vòòr we sluiten. (Zij opent de buitendeur en ziet dat 't heldere maan is). Kijk eens! (Zij trekt de gordijnen van 't raam open. Men ziet het landschap badend in de stralen van 'n nazomermaan, die boven Blackdown rijst).
MEVR. WARREN (met 'n vluchtigen blik naar buiten). Ja liefje, maar pas op, dat je geen kou vat van de nachtlucht.
VIVIE (minachtend). Gekheid!
MEVR. WARREN (knorrig). Welzeker, alles wat ik zeg is gekheid volgens jou.
VIVIE (keert zich haastig naar haar toe). Nee, dat is volstrekt niet waar, moeder. U hebt 't vannacht totaal van me gewonnen, hoewel ìk gewild had, dat 't andersom zou zijn geweest. Laten we nu goeie vrienden zijn.
MEVR. WARREN (wat droevig haar hoofd schuddend). Dus 't is andersom geweest. Maar tòch zal ik wel de kleinste motten wezen. Ik trok met Lies altijd an 't kortste eindje, en ik denk, dat 't nou wel 'tzelfde met jou zal worden.
VIVIE. Dat hindert niet... Kom, goeie nacht goeie, oude moeder. (Zij omarmt haar moeder).
MEVR. WARREN (teeder). Ik heb je goed grootgebracht, heb ik niet, lieverd?
VIVIE. Ja, dat hebt u.
MEVR. WARREN. En je zult goed zijn voor je arme, ouwe moeder, niet waar?
VIVIE. Zeker moederlief (kust haar). Goeie nacht.
MEVR. WARREN (zalvend). M'n zegen over m'n eigen lieveling!--'n moeders zegen! (Zij omhelst haar dochter beschermend, terwijl zij opziet naar boven, alsof zij 'n zegening over Vivie af wil smeeken).
DERDE BEDRIJF.
In den tuin van de pastorie, den volgenden morgen. De zon schijnt, de vogels zingen lustig. De tuinmuur heeft 'n houten hek, breed genoeg om 'n rijtuig door te laten. Naast het hek hangt 'n bel aan 'n gekronkelden spiraal die in verbinding staat met 'n trekker er buiten. Het rijpad loopt tot aan het midden van den tuin en buigt dan naar links, waar het eindigt in 'n kleine begrinte ronde plaats tegenover den overdekten ingang naar de pastorie. Aan den anderen kant van het hek ziet men den stoffigen straatweg, parallel aan den muur en aan de verste zij afgezet door 'n grasrand en 'n ònomheind dennenbosch. Op het grasveld, tusschen het huis en den rijweg, staat 'n gesnoeide taxusboom, waaronder in de schaduw een tuinbank. Aan den tegenovergestelden kant is de tuin ingesloten door 'n palmhaag; op het grasveld staat een zonnewijzer en daarnaast een ijzeren stoel. Een smal paadje voert, achter den zonnewijzer, door de palmhaag heen.
Frank zit op den stoel bij den zonnewijzer, waarop hij de ochtendbladen gelegd heeft en leest de Standard, (conservatief Londensch blad). Zijn vader komt 't huis uit, rillerig en met roode oogen;--en ontmoet Franks blik wat onzeker.
FRANK (kijkt op z'n horloge). Half twaalf, 'n Mooi uur voor 'n dominé om te komen ontbijten.
DOMINÉ SAM. Spot niet Frank, spot niet. Ik ben 'n beetje .... è ... (hij rilt).
FRANK. Katterig?
DOMINÉ. Nee jongmensch;--ongesteld van ochtend. Waar is je moeder?
FRANK. Schrik niet, die is hier niet. Naar stad gegaan met Bessie met den trein van 11.13. Heeft verscheiden boodschappen voor je achtergelaten. Voel je je in staat om ze nu aan te hooren, of wil ik wachten tot je ontbeten hebt?
DOMINÉ. Ik hèb ontbeten, sinjeur. 't Verwondert me, dat je moeder naar de stad is gegaan, terwijl we logé's hebben. Die zullen 't heel vreemd vinden.
FRANK. Daar zal ze mogelijk wel aan gedacht hebben. In ieder geval, als Crofts hier nog blijft en jij iederen nacht tot vier uur toe met hem op blijft zitten, om herinneringen uit je vurige jeugd op te halen, dan is 't natuurlijk m'n moeders plicht om naar stad te gaan en 'n vat whisky en 'n paar honderd flesschen spuitwater te bestellen.
DOMINÉ. Ik heb niet opgemerkt, dat Jhr. George bizonder veel heeft gedronken.
FRANK. Daar was je niet toe in staat, ouwe heer.
DOMINÉ. Wil je te kennen geven, dat ik...?
FRANK (kalm). Nog nooit heb ik 'n weleerwaarden dominé minder sober gezien. De anekdoten uit je vroegere leven, die je verteld hebt, waren zòò schandelijk, dat ik zeker geloof, dat Praed den nacht niet onder je dak zou hebben doorgebracht, als 't niet was geweest, dat hij en moeder zoo goed met elkaar waren opgeschoten.
DOMINÉ. Gekheid, jongmensch. Ik ben Jhr. George z'n gastheer. Ik moet toch over iets met hem praten, en hij heeft maar één onderwerp. Waar is mijnheer Praed nu?
FRANK. Die rijdt met m'n moeder en Bessie naar 't station.
DOMINÉ. Is Crofts al op?
FRANK. O, al lang. Die is zoo frisch als 'n hoen; hij is veel beter geoefend dan jij:--heeft de training waarschijnlijk tot nu toe bijgehouden. Hij is ergens gaan rooken. (Frank neemt z'n krant weer op. De dominé wendt zich ontstemd naar het hek toe en komt dan besluiteloos terug).
DOMINÉ. E.... Frank.
FRANK. Ja.
DOMINÉ. Geloof je, dat de Warren's verwachten hier geïnviteerd te worden, na gisteravond?
FRANK. Ze zijn al geïnviteerd. Crofts vertelde ons aan 't ontbijt, dat je hem gezegd hadt om mevrouw Warren en Vivie vandaag hier te brengen en hun te verzoeken dit huis als het hunne te beschouwen. 't Was na diè mededeeling, dat moeder bedacht, dat ze naar stad moest met den trein van 11.13.
DOMINÉ (met wanhopige heftigheid). Ik heb die invitatie niet gedaan. Ik heb noòit aan zoo iets gedacht.
FRANK (medelijdend). Hoe kun je weten, ouwe heer, wàt je gisterennacht gezegd en gedacht hebt? Allo! Hier is Praed terug.
PRAED (komt binnen door 't hek). Goeie morgen.
DOMINÉ. Goeien morgen. Ik moet me verontschuldigen, dat ik u niet aan 't ontbijt heb gezien. Ik heb 'n lichte aanval van... van...
FRANK. Dominé's keelpijn, Praed. Gelukkig niet chronisch.
PRAED (van onderwerp veranderend). Wel, ik moet zeggen, uw huis is allerliefst gelegen, werkelijk allerliefst.
DOMINÉ. Ja, dat is 't ook. Als u wilt, zal Frank 'n eindje met u gaan wandelen. Ik hoop dat u me zult excuseeren: ik moet de gelegenheid waarnemen om m'n preek te schrijven, terwijl mevrouw Gardner weg is en m'n gasten zich amuseeren. U neemt me niet kwalijk, niet waar?
PRAED. Zeker niet, u moet voor mij niet de minste complimenten maken.
DOMINÉ. Dank u. Ik zal... è... è... (stamelend gaat hij naar den ingang en verdwijnt in huis).
PRAED (gaat op 't gras zitten en pakt z'n enkels beet). Wonderlijk moet dat zijn om iedere week 'n preek te schrijven.
FRANK. Heel wonderlijk als hij 't deèd. Hij koopt ze. Hij is nou spuitwater gaan drinken.
PRAED. Beste jongen, ik wou dat je meer respect toonde tegenover je vader. Je weet zelf hoe aardig je kunt zijn als je wìlt.
FRANK. M'n goeie Praeddie, je vergeet dat ik met den ouden heer moet lèven. Als twee menschen samen wonen--'t doet er niet toe of ze vader en zoon, man en vrouw of broeder en zuster zijn--dan kunnen ze onmogelijk de beleefde voor-den-gek-houderij volhouden, die zoo makkelijk valt voor 'n minuut of tien op 'n middagvisite. De oude heer nou, die aan veel bewonderenswaardige huiselijke hoedanigheden paart de besluiteloosheid van 'n schaap met de opgeblazenheid en de ongemakkelijkheid van 'n jakhals...
PRAED. Nee, asjeblieft, beste Frank. Bedenk toch, dat hij je vader is.
FRANK. Daar geef ik hem alle eer van.--Maar stel je voor, dat hij Crofts gezegd heeft om de Warrens hier te brengen!! Hij moet totaal weg zijn geweest. Je weet beste Praeddie, dat m'n moeder haar dadelijk weg zou kijken. Vivie moet hier niet komen, vòòrdat zij naar de stad terug is.
PRAED. Maar je moeder weèt toch niets van mevrouw Warren, wel?
FRANK. Ik weet 't niet. Haar gaan naar de stad doet me denken van wel. Niet, dat 't m'n moeder in 't algemeèn zou kunnen schelen. Zij heeft 't dikwijls kranig opgenomen voor 'n massa vrouwen, die in moeilijkheden waren geraakt. Maar dat waren allemaal behoòrlijke vrouwen. Daarin zit 'em het verschil. Mevrouw Warren heeft zeker haar eigenaardige verdiensten, maar ze is zoo allemachtig lawaaiig,--en m'n moeder zou haar eenvoudig niet kunnen dulden. Daarom... Allo! (Deze uitroep wordt veroorzaakt door de wederverschijning van den dominé, die haastig en ontsteld z'n huis uitkomt).
DOMINÉ. Frank, mevrouw Warren en haar dochter komen de hei over met Crofts. Ik zag ze van uit m'n studeerkamer. Wat moèt ik zeggen van je moeder?
FRANK (energiek opspringend). Plak je hoed op je hoofd en ga hen tegemoet en zeg hoe allerplezierigst je 't vindt om ze te zien;--en dat Frank in den tuin is, en dat moeder en Bessie zijn weggeroepen bij 'n ziek familielid, en dat 't hun zoo speet dat ze niet konden blijven, en dat je hoopt, dat mevrouw Warren goed geslapen heeft en... en... zeg hun àl 't mogelijke behalve de waarheid en laat de rest aan onzen lieven Heer over.
DOMINÉ. Maar hoe moeten we hen later kwijt raken?
FRANK. Daar is nou geen tijd voor om over te denken. Hier! (Hij vliegt 't huis in en keert onmiddellijk terug met 'n vilten dominé's hoed, die hij z'n vader op 't hoofd duwt). Maak nu, dat je weg komt. Praed en ik zullen hier wachten, om het zaakje 'n ongezocht aanzien te geven. (De dominé, beduusd maar gehoorzaam, snelt weg door 't hek. Praed staat op en stoft zichzelf af).
FRANK. We moeten de oude dame op de een of andere manier naar de stad terugzenden, Praed. Toe, zeg 'ns eerlijk, Praeddie, hoû jij er van om ze samen te zien: Vivie en de ouwe dame?
PRAED. Och, waarom niet?
FRANK (z'n tanden op elkaar). Krijg jij er geen kippenvel van? Die kwaje oude duvel, in staat tot àlles wat gemeen is, en Vivie.... brr!
PRAED. Sst, asjeblieft. Daar komen ze. (De dominé en Crofts komen samen het rijpad op, gevolgd door Mevrouw Warren en Vivie, die heel innig met elkaar loopen.)
FRANK. Kijk, ze heeft waarachtig haar arm om het middel van de oude vrouw. 't Is haar rechterarm; zij moet er mee begonnen zijn. God in den hemel, ze is sentimenteel geworden! Ai! jai! Krijg je nou geen kippenvel? (De dominé opent het hek en mevrouw Warren en Vivie gaan hem voorbij en blijven in het midden van den tuin naar 't huis staan kijken. Frank, in 'n extase van veinzerij, wendt zich vroolijk naar mevrouw Warren toe en roept uit): Alleraangenaamst om u te zien, mevrouw Warren,--deze rustige, oude pastorie-tuin flatteert u bizonder.
MEVR. WARREN. Wel, heb je ooit! Hoor je dat George? Hij zegt dat ik er zoo goed uitzie in 'n rustigen, ouden pastorie-tuin.
DOMINÉ (houdt het hek nog open voor Crofts, die er met 'n bizonder landerig air doorheen slentert). U ziet er overal goed uit, mevrouw Warren.