Mevr. Warren's Bedrijf

Part 3

Chapter 34,140 wordsPublic domain

FRANK. Ja, dat 's in orde, oude heer. Hij heeft dat ding gebouwd, daar in Monmouthshire voor den hertog van Beaufort. Tintern Abbey heet 't. Je zult er wel van gehoord hebben. (Hij wenkt mevr. Warren toe met bliksemsnelle behendigheid en ziet z'n vader onschuldig aan).

DOMINÉ. O, in dat geval zal 't ons natuurlijk zeer aangenaam wezen. Ik vermoed, dat hij den hertog van Beaufort persoonlijk kent?

FRANK. O... heel intiem zelfs! We kunnen hem in Georgina's oude kamer plakken.

MEVR. WARREN. Zoo, dat is dus afgesproken. Als nou die twee maar wouen komen en wij ons soupé konden hebben. 't Komt niet te pas, om zoo lang na donker uit te blijven.

CROFTS (ruziemakerig). Wat voor kwaad doen ze je?

MEVR. WARREN. Kwaad of niet, 't bevalt me niet.

FRANK. U doet beter met niet op hen te wachten, mevrouw Warren. Praed zal zoo lang mogelijk uitblijven. Hij heeft nooit geweten, wat 't zeggen wil om op 'n zomernacht over de hei te dwalen met mijn Vivie.

CROFTS (gaat ontsteld overeind zitten). Zeg is even...!

DOMINÉ (uit z'n professionneele manieren opgeschrikt tot echte kracht en ernst). Frank, eens en voor al, dat is buiten de kwestie. Mevrouw Warren zal je vertellen, dat daar niet aan te denken valt.

CROFTS. Natuurlijk niet.

FRANK (met innemende kalmte). Is dat zoo, mevrouw Warren?

MEVR. WARREN (nadenkend). Wel, ik weet 't niet, Sam. Als 't kind wil trouwen, kan er geen goed van komen om haar òngetrouwd te laten.

DOMINÉ (perplext). Maar getrouwd met hèm! Jouw dochter met mijn zoon. Denk dan toch eens: dat is onmogelijk.

CROFTS. Natuurlijk is 't onmogelijk. Wees niet mal, Kitty.

MEVR. WARREN (geprikkeld). Waarom niet? Is mijn dochter niet goed genoeg voor jouw zoon?

DOMINÉ. Maar waarlijk, beste mevrouw Warren, je weet toch de reden....

MEVR. WARREN (uitdagend). Ik weèt van geen reden. Als jìj er een weet, kun je hem aan den jongen vertellen, of aan haàr, of aan je gemeente, als je wilt.

DOMINÉ (hulpeloos). Je weet heel goed, dat ik niemand de reden vertellen kan. Maar m'n jongen zal me wel gelooven, als ik hem zeg, dát er redenen zijn.

FRANK. Zeker oude, dat zal hij. Maar heeft jouw jongen zich ooit laten leiden door jouw redenen?

CROFTS. Je kùnt haar niet trouwen, en daarmee uit. (Hij staat op en gaat voor den haard staan, met z'n rug er naar toe, beslist wenkbrauwfronsend).

MEVR. WARREN (zich vinnig naar hem omkeerend). Wat heb jij er mee te maken, zeg?

FRANK (met z'n liefelijksten lyrischen stemval). Juist wat ik u wou vragen op m'n eigen, beminnelijke manier.

CROFTS (tot mevr. Warren). Ik vermoed, dat je je dochter niet verlangt te laten trouwen met 'n man jonger dan zij,--zonder 'n beroep, of 'n duit geld om haar te onderhouden. Vraag 't Sam, als je mij niet wilt gelooven (tot den dominé). Hoeveel geld denk je hem mee te geven?

DOMINÉ. Geen cent. Hij heeft z'n erfdeel al gehad en het laatste ervan opgemaakt in Juli. (Mevrouw Warren's gezicht betrekt).

CROFTS (haar observeerend). Heb ik 't je niet gezegd? (Hij herneemt z'n plaats op de bank en zet z'n beenen weer op de zitting, alsof nu voor goed met 't onderwerp is afgedaan).

FRANK (beklaaglijk). Dat is nou echt kruieniersachtig. Denk je, dat juffrouw Warren om geld wil trouwen? Als wij van elkaar houden....

MEVR. WARREN. Wel bedankt. Je liefde is 'n aardig, goedkoop artikel, jongenlief. Als jij niet de middelen hebt om 'n vrouw te onderhouden, dan is de zaak beslist; dan krijg je Vivie niet.

FRANK (hoogelijk geamuseerd). Wat zeg jij er van oude heer, hè?

DOMINÉ. Ik ben 't met mevrouw Warren eens.

FRANK. En die goeie, oude Crofts heeft z'n meening al gezegd.

CROFTS (wendt zich boos om op z'n elboog). Hoor 'ns: ik ben niet gediend van jouw onbeschaamdheid.

FRANK (gevat). 't Spijt me verbazend, dat ik je onaangenaam ben Crofts,--maar jij permitteerde jezelf daarnet de vrijheid om als 'n vader tegen me te spreken. Eén vader is genoeg, wel bedankt hoor.

CROFTS (verachtelijk). Phoe! (Hij draait zich weer om).

FRANK (opstaand). Mevrouw Warren,--ik kan geen afstand doen van Vivie, zelfs niet ter wille van u.

MEVR. WARREN (mompelend). Zoo'n kwajongen!

FRANK. En daar u ongetwijfeld van plan bent om andere vooruitzichten voor haar te openen, zal ik geen tijd verliezen met m'n zaak bij haar te bepleiten. (Zij staren allemaal naar hem, en hij begint op bekoorlijke wijze te declameeren):

"Of wel hij vreest zijn lot te zeer, Of acht zijn waarde kleen, Wie niet den worp waagt: op òf neer, Zijn àl op éénen steen!"

(De voordeur wordt geopend, terwijl hij reciteert en Vivie en Praed komen binnen. Hij houdt op. Praed legt z'n hoed op 't buffetje. Er is onmiddellijk 'n verbetering merkbaar in de manieren van het gezelschap. Crofts neemt z'n beenen van de bank af en gaat overeind zitten, als Praed zich bij hem voegt bij den haard. Mevrouw Warren verliest haar losheid van manieren en verschuilt zich in knorrigheid).

MEVR. WARREN. Waar ter wereld ben je geweest, Vivie?

VIVIE (neemt haar hoed af en gooit hem achteloos op tafel). Den heuvel op.

MEVR. WARREN. Nou, je behoorde niet zoo weg te loopen, zonder me iets te laten zeggen. Hoe kon ik weten, wat er van je geworden was, en dat nogal bijna in den nacht!

VIVIE (gaat naar de deur van de binnenkamer en opent die zonder op haar moeder te letten). En nu 't soupé!--Ik ben bang, dat we hier nogal opgepropt zullen zitten.

MEVR. WARREN. Hoorde je niet, wat ik zei, Vivie?

VIVIE (kalm). Ja moeder. (Weer terugkomend op de moeielijkheid van 't soupé) Met de hoevelen zijn we? (tellende). Een, twee, drie, vier, vijf, zes.... Wel, twee zullen er moeten wachten tot de rest klaar is. Juffrouw Alison heeft maar borden en messen voor vier.

PRAED. O, voor mij komt 't er niet opaan. Ik....

VIVIE. U hebt 'n lange wandeling gemaakt en u hebt honger, mijnheer Praed; u zult dàdelijk soupeeren. 't Is noodig, dat er een met me wacht. Frank, heb jij honger?

FRANK. In 't minst niet;--absoluut geen trek zelfs.

MEVR. WARREN. En jij ook niet George. Jij kan wachten.

CROFTS. Och, loop heen. Ik heb niets gegeten sinds theetijd. Kan Sam 't niet doen?

FRANK. Wou u m'n arme vader laten verhongeren?

DOMINÉ (knorrig). Sta me toe voor me zelf te spreken, jongmensch.

VIVIE (beslist). Dat hoeft niet. Er zijn er maar twee noodig. (Ze opent de deur naar de binnenkamer). Wilt u m'n moeder mee naar binnen nemen, mijnheer Gardner? (de dominé geleidt mevrouw Warren en gaat met haar naar de andere kamer. Praed en Crofts volgen. Allen, behalve Praed, zijn blijkbaar weinig ingenomen met deze schikking, maar weten niet hoe er zich tegen te verzetten. Vivie blijft bij de deur staan en kijkt naar hen). Kunt u u doorpersen tot aan dien hoek, mijnheer Praed,--'t past maar net aan. Pas op voor uw jas tegen de gewitte muur,--mooi zoo. Zit u nu allemaal goed?

PRAED (van binnen af). Heel goed, dank u.

MEVR. WARREN (van binnen af). Laat de deur open, liefje. (Frank kijkt naar Vivie, sluipt dan naar de buitendeur en zet die zachtjes wijd open). O Heere, wat 'n tocht! Doe hem toch maar liever dicht, kind. (Vivie sluit de deur dadelijk, Frank sluit zachtjes de buitendeur).

FRANK (juichend). Ha! Ze kwijtgeraakt! Vivie, wat vind je van m'n ouden heer?

VIVIE (gepreoccupeerd en ernstig). Ik heb hem ternauwernood gesproken. Hij geeft me niet den indruk van 'n bizonder intelligent man.

FRANK. Och, weet je, de oude is, over 't geheel genomen, niet zòò dwaas als hij er uitziet. Je moet denken, hij is nou eenmaal dominé hier, en doordat hij 't ook wil schijnen, stelt hij zich veel stommer aan dan hij eigenlijk is. Nee, de oude heer is zoo kwaad niet, en ik heb volstrekt 't land zoo niet aan hem als je misschien zou denken. Hij meent 't goed. Hoe denk je, dat je met hem op zult schieten?

VIVIE (bijtend sarcastisch). Ik geloof niet, dat hij 'n groote plaats in m'n toekomstig leven zal innemen, noch een van m'n moeders ouden kring, behalve Praed misschien. Wat denk jij van m'n moeder?

FRANK. Eerlijk en oprecht?

VIVIE. Ja, eerlijk en oprecht.

FRANK. Wel, ze is allemachtig leuk.--Maar 't is me er eentje, niet? En Crofts. Groote goden, die Crofts!

VIVIE. Wat 'n troep, Frank!

FRANK. Wat 'n zootje!

VIVIE (met de diepste verachting voor hen). Als ik dacht, dat ik zòò was, dat ik 'n doorbrengster zou worden, die doelloos haar tijd verslabakt van den eenen maaltijd tot den anderen, zonder karakter en zonder pit in me,--dan zou ik me 'n aâr openen en me dood laten bloeden, zonder 'n oogenblik aarzelen.

FRANK. Welnee, dat zou je niet. Waarom zouden zij aan den zwoeg gaan, als ze 't niet hoèven te doen? Ik wou, dat ìk zoo gelukkig was. Nee, waar ik op tegen heb, dat zijn hun manieren. 't Is niet de leeglooperij zelf. Hun manieren zijn schunnig, echt ordinair.

VIVIE. Geloof je, dat jouw manieren 'n haar beter zullen wezen, als je zoo oud zult zijn als Crofts,--wanneer je niet werkt?

FRANK. Natuurlijk geloof ik dat,--oneindig veel beter. Vivums moet niet preeken; haar kleine jongen is onverbeterlijk. (Hij tracht haar gezicht liefkoozend tusschen z'n handen te nemen).

VIVIE. Weg er mee! Vivums is niet in de stemming om haar jongentje te vertroetelen.

FRANK. Hoe onvriendelijk!

VIVIE (stampend). Wees ernstig. Ik ben ernstig.

FRANK. Goed. Laten we geleerd spreken. Juffrouw Warren, weet u wel, dat al de meest liberale denkers hièrin overeenstemmen, dat de helft van de ziekten der moderne beschaving moeten toegeschreven worden aan verhongering der affecties in de jeugd? Ik nu...

VIVIE (hem kortaf onderbrekend). Je wordt vervelend. (Zij opent de binnendeur.) Is er nog plaats voor Frank? Hij klaagt dat hij verhongert.

MEVR. WARREN (van binnenaf). Zeker is er. (Gekletter van messen en glazen, als zij die op tafel verschuift). Hier, er is nù plaats naast mij. Kom, Frank!

FRANK (zachtjes tot Vivie als hij gaat). D'r kleine jongen zal dit z'n Vivums goed betaald zetten. (Hij gaat de andere kamer binnen).

MEVR. WARREN (van binnenuit). Hier Vivie, kom jij ook binnen, kind. Je zult wel uitgehongerd zijn. (Zij komt binnen, gevolgd door Crofts, die de deur voor Vivie openhoudt met kennelijk ontzag. Zij gaat heen zonder hem aan te zien en hij sluit de deur achter haar). Wel George, jij kunt nog niet klaar zijn. Je hebt niks gegeten.

GEORGE. O, ik had alleen maar trek om wat te drinken. (Hij steekt z'n handen in z'n zakken en begint door de kamer te draaien, onrustig en stuursch).

MEVR. WARREN. Nou, ik hoû er van om genoeg te krijgen,--maar met wat koud vleesch, met sla en kaas, kom je al 'n heel eind. (Met 'n zucht van slechts halve verzadiging gaat ze lui neerzitten bij de tafel).

CROFTS. Waarom blijf je die snotneus aanmoedigen?

MEVR. WARREN (dadelijk op haar qui-vive). Hoor is George: wat wìl je nou met m'n dochter? Ik heb gezien op wat voor manier je haar aankijkt. Weet wel: ik ken je en ik weet wat je blikken beteekenen.

CROFTS. 't Kan toch geen kwaad om naar d'r te kijken, wel?

MEVR. WARREN. Ik zou je heel gauw de deur uitzetten en naar Londen terugsturen als ik iets van jouw onzin in de gaten kreeg. Mijn dochters pink is me meer waard dan jouw heele lichaam en ziel. (Crofts hoort dit aan met 'n grijns. Mevrouw Warren, even blozend door haar onmacht om indruk op hem te maken als 'n theatrale moeder vol toewijding, voegt er zachtjes aan toe): Wees maar gerust, de jonge snotneus heeft niet meer kans dan jij.

CROFTS. Mag 'n man zich dan niet voor 'n meisje interesseeren?

MEVR. WARREN. Niet 'n man als jij.

CROFTS. Hoe oud is ze?

MEVR. WARREN. Dat gaat je niet an.

CROFTS. Waarom maak je daar zoo'n geheim van?

MEVR. WARREN. Omdat ik 't verkies.

CROFTS. Nou, ik ben nog geen vijftig. En m'n bezittingen zijn in zoo'n goeien staat als ooit....

MEVR. WARREN (hem in de rede vallend). Ja, omdat je even gierig als gemeen bent.

CROFTS (vervolgend). En 'n jonkheer is niet iederen dag te krijgen. Niet één andere man in mijn positie zou genoegen nemen met 'n schoonmoeder als jij. Waarom zou ze me niet trouwen?

MEVR. WARREN. Jou?

CROFTS. We zouden met z'n drieën lekkertjes kunnen leven. Ik zou vòòr haar sterven en haar achterlaten als 'n zwierig weeuwtje met overvloed van geld. Waarom niet? De gedachte daaraan is aldoor sterker in me geworden, terwijl ik met dien gek van daarbinnen liep te wandelen.

MEVR. WARREN (in opstand komend). Ja, juist 't soort van gedachte om in joù op te komen. (Hij houdt op met rondsluipen en de twee kijken elkaar aan; zij vast, met 'n zekeren angst verscholen achter haar verachting en afschuw, hij heimelijk met 'n zinnelijken grijns en oogenglimp, waarmee hij haar tracht te verlokken).

CROFTS (wordt plotseling bezorgd en dringend, als hij geen teeken van sympathie bij haar ziet). Hoor 'is Kitty, je bent 'n verstandige vrouw, stel je nou niet braaf an.--Ik zal niet meer vragen en jij hoeft niet meer te antwoorden. Ik zal m'n heele bezitting op haar vastzetten. En als jij op den huwelijksdag voor jezelf 'n wissel verlangt, dan kun je de som noemen, die jezelf wilt,--altijd in 't redelijke.

MEVR. WARREN. Bah! Daartoe is 't dus met je gekomen, George, net als met alle andere afgesjouwde ouwe kerels.

CROFTS (woest). Verdomd! (Zij staat op en keert zich heftig naar hem toe,--maar de deur van de binnenkamer wordt dan juist geopend en men hoort de stemmen van de anderen, die terugkomen. Crofts, niet in staat zich te beheerschen, snelt naar buiten. De dominé komt terug).

DE DOMINÉ (rondkijkend). Waar is Jhr. George?

MEVR. WARREN. Naar buiten gegaan om z'n pijp te rooken. (Zij gaat naar den haard, met haar rug naar hem toe, om tot bedaren te komen. De dominé gaat naar de tafel om z'n hoed te krijgen. Onderwijl komt Vivie binnen, gevolgd door Frank, die met 'n vertoon van diepe uitputting in den meest nabijzijnden stoel neervalt. Mevrouw Warren kijkt rond naar Vivie en zegt met haar affectatie van moederlijke bezorgdheid nog gemaakter dan gewoonlijk). Wel lieverd, heb je lekker gesoupeerd?

VIVIE. U weet wat juffrouw Alisons soupé's waard zijn! (Zij keert zich tot Frank en troetelt hem). Arme Frank, was al 't vleesch dan op? Heeft hij niets gehad dan brood en kaas en gemberbier? (weer ernstig, alsof ze al genoeg gekheid heeft gemaakt voor één avond). Haar boter is heusch afschuwelijk. Ik moet wat boter van Londen laten komen.

FRANK. Doe dat in 's hemelsnaam. (Vivie gaat naar de schrijftafel en noteert de bestelling van de boter. Praed komt binnen van de andere kamer,--z'n zakdoek opvouwend, die hij als servet gebruikt had).

DOMINÉ. Frank, m'n jongen, 't is tijd voor ons om naar huis te gaan. Je moeder weet nog niet, dat we gasten krijgen.

PRAED. Ik ben bang, dat we moeite zullen geven.

FRANK. In 't minst niet, Praed; m'n moeder zal 't heerlijk vinden om kennis met je te maken. Ze is 'n echt intellectueele, artistieke vrouw, en ziet hier niemand van 't begin tot 't eind van het jaar behalve den ouden heer. Je kunt je dus voorstellen hoe suf dat voor haar is (tot den dominé). Jij bent niet intellectueel of artistiek, wel piepa? Neem Praed dus dadelijk mee naar huis; dan zal ik hier blijven om mevrouw Warren gezelschap te houden. Je zult Crofts in den tuin vinden. Hij zal uitstekend gezelschap zijn voor onzen jongen bulhond.

PRAED (neemt z'n hoed van het buffetje en komt dicht naar Frank toe). Kom met ons mee, Frank. Mevrouw Warren heeft juffrouw Vivie in zoo lang niet gezien en tot nu toe hebben wij ze belet om maar 'n oogenblik samen te zijn.

Frank (geheel verteederd, kijkt op naar Praed met romantische bewondering). Natuurlijk, dat vergat ik. Wel bedankt voor je vermaning. Bent 'n echte gentleman, Praeddie. Altijd geweest--m'n levensideaal! (Hij staat op om te gaan, maar blijft 'n oogenblik staan tusschen de twee oude heeren en legt z'n hand op Praeds schouder). Och, als jij maar m'n vader was geweest, inplaats van dezen onwaardigen, ouden man! (Hij legt z'n andere hand op z'n vaders schouder).

DOMINÉ (lawaaiig). Zwijg jongmensch, zwijg; je bent profaan.

MEVR. WARREN (lacht hartelijk). Je moest hem beter in toom houden, Sam. Goeie nacht. Hier, geef George z'n hoed en stok met m'n complimenten.

DOMINÉ (ze aannemend). Goeien nacht. (Zij geven elkaar de hand. Als hij langs Vivie gaat, geeft hij die ook de hand en zegt haar goeden nacht. Daarna, bulderend commandeerend tot Frank): Komaan jongmensch, vlug wat. (Hij gaat heen. Frank heeft onderwijl z'n pet van de aanrecht genomen en z'n geweer uit het rek. Praed geeft mevrouw Warren en Vivie de hand en gaat heen,--mevrouw Warren begeleidt hem op haar gemak en kijkt hem achterna door den tuin. Frank bedelt stilletjes om 'n kus van Vivie, maar zij zendt hem weg met 'n strengen blik, neemt dan 'n paar boeken en wat papier van de schrijftafel en gaat er mee zitten aan de tafel, in 't midden, om het schijnsel van de lamp te hebben).

FRANK (bij de deur, vat mevrouw Warrens hand). Goeie nacht, liève mevrouw Warren. (Hij knijpt haar hand. Zij trekt die haastig weg, klemt haar lippen samen en ziet er meer dan half geneigd uit om hem om z'n ooren te slaan. Hij lacht ondeugend en rent weg, de deur achter zich toeslaand).

MEVR. WARREN (keert terug naar haar plaats aan de tafel, tegenover Vivie, blijkbaar berustend in 't vooruitzicht van 'n vervelenden avond, na het vertrek van de heeren). Heb je ooit in je leven iemand zòò hooren kakelen? (zij gaat zitten). Wat 'n plaag is 't-ie, hè? Nou ik er aan denk liefje, moedig jij hem niet an, hoor. Ik ben zeker, dat hij 'n echte deugniet is.

VIVIE. Ja, ik ben wel bang, dat hij 'n echte deugniet is. Ik zal hem moeten zien kwijt te raken. Maar 't zal me erg voor hem spijten, al is hij 't niet waard, de arme jongen.--Die Crofts schijnt me ook niet veel zaaks te zijn, wel?

MEVR. WARREN (gekwetst door haar toon). Wat weet jij van de mannen af, kind, om op die manier over ze te praten? Je kunt je er op voorbereiden om Jhr. George hier dikwijls te zien,--omdat hij 'n vrind van me is.

VIVIE (volmaakt koel). Waarom? Verwacht u, dat we veel samen zullen zijn,--u en ik, meen ik?

MEVR. WARREN (haar aanstarend). Natuurlijk, totdat je getrouwd bent. Je gaat niet meer naar je colleges terug.

VIVIE. Gelooft u dan, dat mijn manier van leven u zou bevallen? Ik betwijfel het.

MEVR. WARREN. Jouw manier van leven? Wat meen je?

VIVIE (terwijl zij 'n pagina van haar boek opensnijdt met het vouwbeen van haar chatelaine). Is 't heusch nooit bij u opgekomen, moeder, dat ik 'n manier van leven heb zoo goed als andere menschen?

MEVR. WARREN. Wat 'n onzin probeer je nou te praten! Wil je me soms je onafhankelijkheid toonen, omdat je nou op school 'n persoontje van belang bent geworden? Wees niet mal, kind.

VIVIE (op toegevenden toon). Is dat alles wat u over het onderwerp te zeggen hebt, moeder?

MEVR. WARREN (verbijsterd, daarna boos). Ga nou niet door me zoo te ondervragen (heftig). Hoû je mond. (Vivie gaat door met haar werk, zonder tijd te verliezen of iets te zeggen). Jij met je manier van leven! Wat nog meer? (Zij kijkt naar Vivie; geen antwoord). Jouw manier van leven zal zijn wat mij bevalt;--dàt zal-die (weer 'n pauze). Ik heb die pretenties van je al opgelet, van af dat je die tripos gekregen hebt, of hoe dat examen heeten mag.--Als je denkt, dat ik daarmee genoegen neem, dan vergis je je, en hoe eerder je dat merkt, des te beter (pruttelend). Al wat ìk er over te zeggen heb,--wel zeker! (weer haar stem verheffend, boos). Weet je wel, tegen wie je spreekt, juffertje?

VIVIE (haar aankijkend, zonder haar hoofd van haar boek op te heffen). Nee. Wie bent u? Wàt bent u?

MEVR. WARREN (staat ademloos op). Jouw brutaal nest!

VIVIE. Iedereen kent mìjn reputatie, mìjn maatschappelijke positie en het beroep, dat ik wil volgen. Ik daarentegen weet niets van u af. Wat is dat soort van leven, dat u verlangt, dat ik deelen zal met u en Jhr. George?

MEVR. WARREN. Pas op! Ik zal iets doen, waar ik later spijt van zal hebben, en jij ook.

VIVIE (haar boek op zij schuivend met koele beslistheid). Wel, laten we dan 't onderwerp laten rusten, tot u 't beter aan zult durven (bekijkt haar moeder kritisch). U moet eens flink wandelen en tennissen om weer op streek te komen. U bent in 'n allertreurigste conditie; u was vandaag niet eens in staat om twintig meter te klimmen zonder te hijgen;--en uw polsen zijn net rolletjes vet. Kijk de mijne eens (zij steekt haar polsen uit).

MEVR. WARREN (ziet haar eerst hulpeloos aan, begint dan te huilen). Vivie....

VIVIE (springt haastig op). Begin nou asjeblieft niet te huilen. Alles liever dan dat. Ik kan wezenlijk geen gegrien verdragen. Als u dat doet, zal ik de kamer uitgaan.

MEVR. WARREN (beklaaglijk). O m'n lieveling, hoe kàn je zoo hard tegen me zijn? Heb ik dan geen rechten op je als moeder?

VIVIE. Bènt u m'n moeder?

MEVR. WARREN (hevig ontdaan). Bèn ik je moeder! O Vivie!

VIVIE. Waar zijn dan m'n bloedverwanten, m'n vader--onze familievrienden? U eischt de rechten van 'n moeder; het recht om me 'n dwaas en 'n kind te noemen, om tegen me te spreken, zooals niet één vrouw, die boven me stond op school, ooit tegen me durfde te spreken,--om me een levenswijs voor te schrijven en me de kennismaking op te dringen van 'n vent, van wien iedereen kan zien, dat hij tot het gemeenste soort van viveurs behoort. Vòòr ik mezelf nu de moeite geef om me tegen die eischen te verzetten, doe ik, dunkt me, beter, er eerst achter te komen of ze eenig recht van bestaan hebben.

MEVR. WARREN (op haar knieën neervallend). O nee, nee, hoû op, hou op! Ik bèn je moeder, ik zweer het! O je zult je toch niet tègen me willen keeren,--m'n eigen kind;--'t is niet natuurlijk! Je gelooft me, niet waar? Zeg dat je me gelooft?

VIVIE. Wie was m'n vader?

MEVR. WARREN. Je weet niet wat je vraagt. Dat kan ik je niet vertellen.

VIVIE (beslist). O ja, dat kunt u wel, als u wilt. Ik heb 't recht dat te weten.--En u weet heel goed, dat ik dat recht hèb. U kunt weigeren om 't me te zeggen, als u verkiest,--maar àls u dat doet, zult u me morgenochtend voor 't laatst gezien hebben.

MEVR. WARREN. O, 't is vreeselijk je zòò te hooren praten. Je zoudt me niet.... je kùnt me niet verlaten.

VIVIE (meedoogenloos). Ja, zonder 'n oogenblik te aarzelen, als u me op dàt punt aan 't lijntje blijft houden (rillend van afschuw). Hoe kan ik zeker zijn, dat ik niet 't bedorven bloed van dien gemeenen doorbrenger in m'n lichaam heb?

MEVR. WARREN. Nee, nee. Ik zweer je, dat hij 't niet is, zoomin als een van de andere die je ontmoet hebt. Daàrvan tenminste ben ik zeker. (Vivie's oogen vestigen zich streng op haar moeder als de beteekenis hiervan voor haar opgaat).

VIVIE (langzaam). "Daarvan tenminste bent u zeker." Ah! U meent, dat dàt 't eenige is, waar u zeker van bent (peinzend). Ik begrijp 't. (Mevrouw Warren verbergt haar gezicht in haar handen). Doe dat niet moeder;--u weet, dat u 't volstrekt zoo niet voelt. (Mevrouw Warren neemt haar handen weg en kijkt droevig op naar Vivie, die haar horloge uithaalt en zegt) Nu, dat is genoeg voor van avond.--Hoe laat wilt u ontbijten? Is half negen te vroeg voor u?

MEVR. WARREN (verbijsterd). M'n God, wat voor soort van vrouw ben je?

VIVIE (koel). Van 't soort, waar de wereld voor 't meerendeel uit bestaat, hoop ik. Anders begrijp ik niet hoe ze d'r werk gedaan zou krijgen. Kom, (vat haar moeder bij de polsen en trekt haar op;--met beslistheid) 'n beetje flink nu. Zoo is 't goed.

MEVR. WARREN (knorrig). Je bent erg ruw tegen me, Vivie.

VIVIE. Gekheid. Wat denkt u van naar bed gaan? 't Is over tienen.

MEVR. WARREN (hartstochtelijk). Wat geeft 't of ik naar bed ga. Denk je, dat ik zou kunnen slapen?

VIVIE. Waarom niet? Ik wel.