Mevr. Warren's Bedrijf

Part 2

Chapter 24,239 wordsPublic domain

(Mevrouw Warren en Jonkheer George Crofts komen aan bij het hek. Mevrouw Warren is 'n vrouw van tusschen de 40 en 50; knap van uiterlijk, opzichtig gekleed met een veelkleurigen hoed en 'n dito blouse, nauw aansluitend over haar buste en geflankeerd door modieuse mouwen. Nogal bedorven en bevelend, maar over 't geheel een opgewekte en tamelijk presentabele koppelaarster van 'n vrouw. Crofts is 'n lange, forsch gebouwde man van ongeveer 50, modieus en jeugdig gekleed. Heeft 'n dun, scherp neusgeluid, zooals niet van z'n krachtig lichaam verwacht zou worden. Gladgeschoren bulldogkaken, groote, platte ooren en 'n dikke nek; een heerachtige combinatie van de brutaalste typen van 'n stadsmensch, sportman en doordraaier).

VIVIE. Daar zijn ze. (Gaat naar hen toe, als ze binnenkomen), Hoe gaat 't ouwe vrouw? Mijnheer Praed heeft hier al 'n half uur op u gewacht.

MEVR. WARREN. Ja, als je gewacht hebt, Praeddie, dan is 't je eigen schuld. Ik dacht, dat je zoo snugger zou geweest zijn, om te bedenken, dat ik met den trein van 3.10 zou komen. Vivie, zet je hoed op lieverd, je verbrandt anders zoo.--O, ik vergat nog je voor te stellen. Jhr. George Crofts,--m'n kleine Vivie. (Crofts gaat naar Vivie toe met zijn meest hoffelijk air. Zij knikt, maar maakt geen beweging om hem 'n hand te geven).

CROFTS. Mag ik de hand drukken van 'n jonge dame, die ik al lang bij reputatie gekend heb als de dochter van een van m'n oudste vrienden?

VIVIE (die hem scherp heeft opgenomen). Als u wilt. (Zij neemt zijn weder aangeboden hand en geeft die 'n kneep, die hem z'n oogen doet opensperren. Draait zich dan om en zegt tot haar moeder) Wilt u binnen komen of zal ik nog een paar stoelen krijgen? (Zij gaat naar den ingang voor de stoelen).

MEVR. WARREN. Wel George, hoe vindt je haar nu?

CROFTS (bedrukt). Zij heeft kracht in d'r handen.--Heb jij haar een hand gegeven, Praed?

PRAED. 't Zal straks wel overgaan.

CROFTS. Dat hoop ik. (Vivie verschijnt weer met twee stoelen. Hij snelt toe om haar te helpen). Permitteert u me.

MEVR. WARREN (beschermend). Laat Jhr. Crofts je helpen, kindlief.

VIVIE (de stoelen bijna in z'n armen smijtend). Daar dan. (Zij slaat haar handen af en wendt zich tot mevrouw Warren). U wilt zeker wel thee hebben, niet?

MEVR. WARREN (gaat op Praeds stoel zitten en bewaait zichzelf). Ja, ik smacht naar een druppel drinken.

VIVIE. Ik zal er voor zorgen. (Zij gaat de villa binnen. Jhr. Crofts is er intusschen in geslaagd om 'n stoel uit elkaar te vouwen en zet die naast Mevr. Warren aan haar linkerkant. Hij gooit den andere op het gras en gaat zitten,--terwijl hij er wat terneergeslagen en onnoozel uitziet,--met den knop van z'n stok in z'n mond. Praed, nog steeds niet op z'n gemak, scharrelt onrustig, rechts van hen, heen en weer door den tuin).

MEVR. WARREN (tot Praed, terwijl zij naar Crofts kijkt). Kijk eens naar hem, Praeddie; ziet-ie er niet vroolijk uit? Daar heeft-ie me nou drie jaar lang het hoofd gek gemaakt om dat kind van me te mogen zien. En nou ik 't gedaan heb, is-ie heelemaal van streek (levendig). Kom, zit rechtop, George en neem die stok uit je mond. (Hij gehoorzaamt knorrig).

PRAED. Ik geloof, zie je--je moet me niet kwalijk nemen als ik 't zeg--dat wij ons àf moeten wennen, om aan Vivie te denken als aan 'n klein meisje. Ze heeft zich werkelijk onderscheiden en, ik ben niet zeker na hetgeen ik van haar gezien heb, dat ze niet ouder is dan een van ons allen.

MEVR. WARREN (grootelijks geamuseerd). Hoor je hem, George! Ouder dan een van ons allen! Wel, wel, ze heeft je aardig weten te overduvelen met het besef van haar eigen gewichtigheid.

PRAED. Jonge menschen zijn er bizonder gevoelig voor om op die manier behandeld te worden.

MEVR. WARREN. Ja, en daarom moet al die nonsens er maar eens bij jonge menschen uitgetrommeld worden en nog 'n boel meer daarenboven. Bemoei jij er je niet mee, Praeddie. Ik weet hoe ik met m'n eigen kind moet omgaan, zoo goed als jij.

(Ernstig hoofdschuddend, wandelt Praed den tuin in, met z'n handen achter op z'n rug. Mevr. Warren doet of ze lacht, maar kijkt hem na met zichtbare bezorgdheid, dan fluistert ze tegen Crofts) Wat is er aan de hand met hem? Waarom vat hij dat nou zoo op?

CROFTS (knorrig). Je bent bang voor Praed.

MEVR. WARREN. Wat? Ik?--Bang voor goeie, ouwe Praeddie?--'n Vlieg zou niet eens bang voor hem zijn.

CROFTS. Jij bent bang voor hem.

MEVR. WARREN (boos). Ik verzoek je je met je eigen zaken te bemoeien en niet je kwaaie humeur op mìj te luchten. Ik ben in ieder geval niet bang voor jóu. Als jij jezelf niet aangenamer weet te maken, ga dan liever naar huis toe. (Zij staat op en terwijl ze hem haar rug toedraait, staat ze ineens van aangezicht tot aangezicht met Praed). Kom, Praeddie, ik weet, dat 't alleen je goedhartigheid is. Je bent bang, dat ik haar te hard aan zal pakken.

PRAED. M'n beste Kitty, je denkt dat ik beleedigd ben, maar heusch, dat is zoo niet. Je weet, dat ik dikwijls dingen oplet, die jou ontsnappen. En hoewel je nooit m'n raad opvolgt, moet je soms later wel eens toegeven, dat je 't wèl hadt moeten doen.

MEVR. WARREN. Wel, en wat let je dan nou op?

PRAED. Alleen maar, dat Vivie 'n volwassen vrouw is. Ik smeek je Kitty, behandel haar met alle respect.

MEVR. WARREN (met echte verbazing). Respect! M'n eigen dochter met respect behandelen! Wat nog meer, asjeblieft!

VIVIE (verschijnt aan de deur van de woning en roept tot Mevr. Warren). Moeder, wil u ook naar m'n kamer komen en uw hoed afzetten voor de thee?

MEVR. WARREN. Ja lieverd. (Zij lacht toegevend tegen Praed en tikt hem op z'n wang als ze langs hem heen gaat op weg naar den ingang. Zij volgt Vivie naar binnen).

CROFTS (haastig). Zeg, Praed.

PRAED. Ja.

CROFTS. Ik moetje nogal 'n eigenaardige vraag doen.

PRAED. Ga je gang. (Hij neemt mevr. Warren's stoel en gaat vlak naast Crofts zitten).

CROFTS. Juist; ze mochten ons eens hooren, door 't raam heen.--Zeg eens, heeft Kitty je ooit verteld wie de vader is van dat meisje?

PRAED. Nooit.

CROFTS. Heb je eenig vermoeden, wie 't zijn kan?

PRAED. In 't minst niet.

CROFTS (gelooft hem niet). Ik begrijp natuurlijk, dat jij je misschien verplicht kunt voelen om niets te zeggen, als zij je wat verteld had. Maar 't is heel onaangenaam om in onzekerheid te blijven, juist nu we 't meisje iederen dag zullen ontmoeten. Je weet niet precies hoe je tegenover haar staat.

PRAED. Wat maakt dat voor onderscheid? We nemen haar voor wat ze zelf waard is. Wat komt 't er op aan wie haar vader was?

CROFTS (wantrouwend). Dus je weet wie 't was?

PRAED (even uit z'n humeur). Ik zei je toch van niet. Heb je dat niet gehoord?

CROFTS. Kijk eens hier, Praed. Ik vraag 't je als 'n bizondere gunst: als je 't wèèt (beweging van protest van Praed).--Ik zeg alleen, als je 't weet, stel me dan tenminste gerust. De zaak is, dat ik me tot haar aangetrokken voel. O, maak je niet benauwd. 't Is 'n heel onschuldig gevoel, dat is 't juist wat me in de war brengt.--Heere bewaar me, voor zoover ik weet, kan ik wel haar vader zijn.

PRAED. Jij! Onmogelijk! Welnee, onzin!

CROFTS (hem slim trachtend te vangen). Weet je dan, dat ik 't nièt ben?

PRAED. Ik weet er niets van, zeg ik je, zoo min als jij. Maar werkelijk Crofts--dàt is buiten de kwestie. Er is niet de minste gelijkenis.

CROFTS. Wat dat betreft, is er geen gelijkenis tusschen haar en haar moeder, voor zoover ik zien kan. Ik veronderstel, dat ze niet jouw dochter is, hè?

PRAED (verneemt die vraag met 'n verontwaardigden blik; dan herstelt hij zich met geweld en zegt zacht en ernstig). Hoor eens, m'n beste Crofts. Met dien kant van mevrouw Warrens leven heb ik niets te maken en nooit te maken gehad. Zij heeft er mij nooit over gesproken en natuurlijk heb ik 't haàr niet gedaan. Je kieschheid zal je vertellen, dat 'n knappe vrouw behoefte heeft aan 'n paar vrienden, die, wel ... waarmee ze niet op dièn voet staat. Haar eigen schoonheid zou 'n echte last voor haar worden, als zij er niet nu en dan eens aan ontkomen kon. Waarschijnlijk ben jij veel vertrouwelijker met Kitty dan ik. Je kunt haar dus stellig zelf die vraag doen.

CROFTS (staat ongeduldig op). Ik hèb 't haar gevraagd,--dikwijls genoeg. Maar zij staat er zòò op om 't kind heelemaal voor zich te houden, dat ze, als ze kon, zelfs zou loochenen, dat 't ooit 'n vader gehad heeft.--Nee, uit haàr is niets te halen, niks geloofwaardigs tenminste.--Ik voel er me niks op m'n gemak over, Praed.

PRAED. Wel, daar je in ieder geval oud genoeg bent om haar vader te zijn, kunnen we samen hièrin overeenkomen, om juffrouw Vivie vaderlijk te behandelen, als 'n meisje, dat we moeten helpen en beschermen. En dàt te meer, omdat haar werkelijke vader, wie die dan geweest mag zijn, waarschijnlijk 'n schurk was. Wat denk jij hiervan?

CROFTS (nijdig). Ik ben niet ouder dan jij, als je daàrop doelt.

PRAED. Dat ben je wel, ouwe jongen. Jij bent oud geboren. Ik ben jong geboren. Ik heb 't nooit zoover kunnen brengen in m'n leven, om het zelfvertrouwen te krijgen van 'n volwassen man.

MEVR. WARREN (roept van 't huis uit). Praed...die! George!... Thee...e...ee!

CROFTS (haastig). Ze roept ons.--(Hij snelt naar binnen. Praed schudt ongerust 't hoofd en wil langzaam volgen, als hij begroet wordt door 'n jongen man, die juist op 't veld verscheen, en naar 't hek toekomt. Hij is 'n aardige, knappe, smaakvol gekleede absolute-deugniet-van-'n-jongen, van even 20 jaar, met 'n allerliefste stem en grappige, familjare manieren. Hij draagt 'n klein jachtgeweer).

DE JONGE MAN. Allo! Praed!

PRAED. Wat! Frank Gardner! (Frank komt binnen en schudt hem hartelijk de hand). Wat ter wereld voer jij hier uit?

FRANK. Ik ben bij m'n vader.

PRAED. De romeinsche vader?

FRANK (knikkend). Die is dominé hier.--Ik woon dezen zomer bij m'n familie,--uit zuinigheid. De zaken zijn in Juli tot 'n crisis gekomen, toen moest de romeinsche vader opdokken.--Hij is daardoor absoluut blut, net als ik.--Wat haal jij uit in deze buurt? Ken je hier de menschen?

PRAED. Ja. Ik breng den dag door bij 'n zekere juffrouw Warren.

FRANK (enthousiast). Wat! Ken je Vivie? Is ze geen leuke meid? Ik leer haar schieten, weet je (hij toont hem z'n geweer). Ik ben blij, dat zij jou kent. Jij bent juist 't soort van man, dien ze kennen moet. (Hij glimlacht en laat z'n welluidende stem zingend de hoogte ingaan, als hij uitroept). 't Is allemachtig leuk, je hier te ontmoeten, Praed,--vind je ook niet?

PRAED. Ik ben 'n oude vriend van haar moeder. Mevrouw Warren liet me hierheen komen om kennis te maken met haar dochter.

FRANK. Haar moeder! Is diè hier?

PRAED. Ja, daarbinnen voor de thee....

MEVR. WARREN (roepend van huis uit). Praeddie..ie..ie..ie..! De tulband wordt koud.

PRAED (roepend). Ja mevrouw Warren. Dadelijk. Ik heb hier juist 'n vriend ontmoet.

MEVR. WARREN. 'n Wat?

PRAED (harder). Een vriend.

MEVR. WARREN. Breng hem binnen.

PRAED. Goed (tot Frank). Neem je de invitatie aan?

FRANK (ongeloovig, maar geweldig geamuseerd). Is dàt Vivie's moeder?

PRAED. Ja.

FRANK. Allemachtig! wat 'n grap! Denk je, dat ik in haar smaak zal vallen?

PRAED. Ik twijfel niet of je zult jezelf, zooals gewoonlijk, aangenaam weten te maken. Kom mee en doe je best (gaat naar 't huis toe).

FRANK. Wacht even (ernstig). Ik moet je iets in vertrouwen vertellen.

PRAED. Nee, asjeblieft niet. 't Zal zeker weer 'n nieuwe dwaasheid zijn, zooals toen met die buffetjuffrouw van Redhill.

FRANK. 't Is veel ernstiger dan toen.--Zei je, dat je Vivie nu voor 't eerst ontmoet hebt?

PRAED. Ja.

FRANK (verward). Dan kun je je ook geen idee maken wat voor meisje 't is. Wat 'n karakter! Wat 'n verstand! En haar knapheid! Goeie genade, Praed, ik kan je verzèkeren, dat zij knap is! En daarbij het liefste hartje dat je...

CROFTS (steekt z'n hoofd uit 't raam). Zeg Praed, wat voer je uit? Kom dan toch (hij verdwijnt).

FRANK. Allo! Net 't soort van kerel, die 'n prijs kon winnen op 'n hondententoonstelling, niet? Wie is dat?

PRAED. Jhr. George Crofts, 'n oud vriend van mevrouw Warren. Ik geloof dat we beter doen met naar binnen te gaan. (Op hun weg naar den ingang worden ze opgehouden door 'n roep van 't hek af. Zich omkeerend zien ze 'n ouden dominé er overheen kijken).

DE DOMINÉ (roepend). Frank!

FRANK. Allo! (tot Praed). De romeinsche vader! (Tot den dominé) Jawel oude heer, dadelijk. (tot Praed) Zeg, Praed, ga jij maar thee drinken. Ik kom direct bij je.

PRAED. Best. (Hij neemt z'n hoed af voor den dominé, die den groet koeltjes van uit de verte beantwoordt. Praed gaat 't huis binnen. De dominé blijft stijf staan buiten 't hek, met z'n handen er boven op.)

De wel eerwaarde Samuel Gardner, een dominé van de staatskerk, is over de 50. Hij is 'n pretentieus, winderig, lawaaiig mensch, die zich op hopelooze wijze tracht te doen gelden als vader en als geestelijke, zonder in staat te zijn om in één van die twee kwaliteiten respect in te boezemen.

DOMINÉ. Wel, jongmensch. Mag ik vragen wie je vrienden hier zijn?

FRANK. O, dat is in orde, oude heer. Kom binnen.

DOMINÉ. Nee seigneur. Niet vòòr ik weet wiens tuin ik binnenkom.

FRANK. Da's in orde. 't Is de tuin van juffrouw Warren.

DOMINÉ. Die heb ik niet in de kerk gezien, sinds ze hier is.

FRANK. Natuurlijk niet. Ze heeft 'n derden prijs gehaald in wiskunde;--is allemachtig geleerd. Ze heeft 't verder gebracht dan jij. Waarom zou ze dan naar jouw gepreek komen luisteren?

DOMINÉ. Wees niet oneerbiedig, jongmensch.

FRANK. O! komt er niet op aan: niemand hoort ons. Kom binnen! (hij opent 't hek, op ongegeneerde wijze z'n vader met zich meetrekkend, den tuin in). Ik zal je aan haar voorstellen. We schieten kranig samen op; ze is allerliefst. Herinner je je nog den raad, dien je me verleden Juli gegeven hebt, oude heer?

DOMINÉ (streng). Ja. Ik raadde je aan om je luiheid en onbezonnenheid te overwinnen en je in te werken in het een of ander eervol beroep en te trachten om daàrvan te leven, in plaats van mijn geld.

FRANK. Nee, dàt heb je naderhand bedacht. Wat je eigenlijk zei, was, dat ik, omdat ik geen hersenen en geen geld heb, beter zou doen met partij te trekken van m'n knappe uiterlijk, door iemand te trouwen met allebei. Wel, kijk nou eens, juffrouw Warren heeft verstand,--dàt kun je niet loochenen.

DOMINÉ. Verstand is niet alles.

FRANK. Nee natuurlijk niet, er is geld ook noodig.

DOMINÉ (hem op strengen toon onderbrekend). Ik dacht niet aan geld. Ik meende hoogere dingen,--'n maatschappelijke positie bijvoorbeeld.

FRANK. Daar geef ik geen lor om.

DOMINÉ. Maar ik wèl, jongenheer.

FRANK. Wel, niemand vraagt ù om haar te trouwen. In ieder geval,--zij heeft zooveel als 'n universitairen graad en schijnt zooveel geld te kunnen krijgen als ze verlangt.

DOMINÉ (met 'n zwakke poging tot grappigheid). Ik twijfel hard of ze zooveel geld zal hebben als jij verlangt.

FRANK. Kom! Zoò verkwistend ben ik niet geweest. Ik leef zoo rustig mogelijk. Ik drink niet, ik wed haast niet en ik ga nooit zoo geregeld aan de rol, als jij deedt toen je zoo oud was als ik.

DOMINÉ (hol bulderend). Zwijg, heerschap!

FRANK. Wel, je hebt mezelf verteld, toen ik me zoo ezelachtig aanstelde met die buffetjuffrouw in Redhill, dat je eens 'n vrouw 50 pond hadt aangeboden in ruil voor brieven, die je haar indertijd hadt geschreven, toen....

DOMINÉ (doodelijk ontsteld). Sst, in 's hemelsnaam, Frank! (Hij kijkt angstig rond. Als hij niemand binnen z'n bereik ziet, vat hij weer moed en buldert opnieuw, maar wat gedempter nu). Je maakt 'n onedelmoedig misbruik van wat ik je eens heb toevertrouwd voor je eigen bestwil; om je te redden van 'n dwaling, die je je leven lang berouwd zoudt hebben! Spiegel je aan je vaders afdwalingen en maak ze geen excuus voor die van je zelf.

FRANK. Heb je ooit 't verhaal gehoord van den Hertog van Wellington en z'n brieven?

DOMINÉ. Nee seigneur, en ik verlang het niet te hooren ook.

FRANK. De oude ijzeren hertog, smeet gèen 50 pond weg; diè niet, hoor! Hij schreef alleen: "Lieve Jenny, publiceer en stik, je toegenegen Wellington." Dat behoorde jij ook gedaan te hebben.

DOMINÉ (beklaaglijk). Frank, m'n jongen! Toen ik die brieven schreef, plaatste ik mezelf in de macht van die vrouw. En toen ik jou van haar vertelde, plaatste ik mezelf--'t spijt me, dat ik 't zeggen moet--tot op zekere hoogte in jouw macht. Zij weigerde m'n geld met de woorden, die ik nooit vergeten zal: "Weten is macht, en nooit verkoop ik macht." Dat is nu meer dan twintig jaar geleden en ze heeft nooit misbruik gemaakt van haar macht of me zelfs 'n oogenblik van onrust bezorgd. Jij gedraagt je slechter tegenover me dan zij, Frank.

FRANK. Ja, dat is wel mogelijk... Preekte je ooit tegen haar, zooals je iederen dag tegen mij preekt?

DOMINÉ (gekwetst tot schreiens toe). Ik ga weg, jongen. Je bent onverbeterlijk. (Hij keert zich om naar 't hek).

FRANK (volmaakt onbewogen). Wees 'n goeie kerel en zeg thuis, dat ik niet terug kom voor thee, wil je, ouwe heer? (Hij gaat naar de deur van de woning en komt Vivie tegen, die er juist uitkomt, gevolgd door Praed, Crofts en Mevrouw Warren).

VIVIE (tot Frank). Is dat je vader, Frank? Ik verlang om kennis met hem te maken.

FRANK. Zeker. (Z'n vader achterna roepend). Ouwe heer! (De dominé keert om bij 't hek, zenuwachtig aan z'n hoed frommelend; Praed komt den tuin in van den tegenovergestelden kant, stralend in 't vooruitzicht van de komende plichtplegingen. Crofts sluipt rond bij de hangmat en port die met z'n stok, om ze te laten schommelen. Mevrouw Warren blijft op den drempel staan, strak turend naar den dominé). Laat me je eens voorstellen: mijn vader, juffrouw Warren.

VIVIE (gaat naar den dominé en geeft hem de hand). Doet me plezier u te zien, mijnheer Gardner. Laat me iedereen aan elkaar voorstellen. Mijnheer Gardner--mijnheer Frank Gardner, mijnheer Praed, jonkheer George Crofts en.... (terwijl de heeren de hoeden voor elkaar afnemen, wordt Vivie onderbroken door een kreet van haar moeder, die losschiet op den dominé).

MEVR. WARREN. Wel! 't Is Sam Gardner, die dominé geworden is! Ken je ons niet meer, Sam? Dit is George Crofts, in levenden lijve en zoo jolig als ooit. Herinner je je mij niet meer?

DOMINÉ (heel rood). Werkelijk...è...

MEVR. WARREN. Natuurlijk doe je. Kom, ik heb nog 'n album vol met brieven van je. Ik kreeg ze 'n paar dagen geleden nog toevallig in handen.

DE DOMINÉ (droevig verlegen). Juffrouw Vasavour, geloof ik.

MEVR. WARREN (verbetert hem snel, luid fluisterend). Sst, ben je mal! Mevrouw Warren--Zie je m'n dochter daar niet?

TWEEDE BEDRIJF.

In de villa na donker. Naar 't Oosten kijkend van binnen uit, in plaats van naar 't Westen van buiten af, ziet men het raam met kleine ruitjes waarvoor de gordijnen zijn dichtgetrokken, nu midden in den voormuur van het villatje, met de entreedeur links er van. In den linkermuur is de deur, die naar den uitbouw leidt. Op den achtergrond tegen denzelfden muur is 'n klein plat buffet met 'n kaars en lucifers er op, en Franks geweer, waarvan de loop in 'n bordenrek rust, er tegen aangezet. In het midden een tafel met 'n aangestoken lamp er op. Vivie's boeken en schrijfgerei liggen op 'n tafel rechts van 't raam, tegen den muur aan. De haard is rechts met 'n klein bankje er voor; er is geen vuur in. Twee van de stoelen zijn rechts en links van de tafel geplaatst.

De entree-deur gaat open, waardoor men buiten 'n mooie sterrenlucht ziet, en mevrouw Warren gewikkeld in 'n shawl van Vivie, komt binnen, gevolgd door Frank. Ze heeft genoeg van wandelen en blaast 'n zucht van verlichting uit, terwijl zij de pennen uit haar hoed neemt, die daarna afzet, de pennen door den bol steekt en den hoed op tafel legt.

MEVR. WARREN. O Heere! Ik weet niet wàt 't ergste is van 't buiten zijn; het wandelen of 't thuiszitten zonder iets uit te voeren. Ik zou nou veel geven voor 'n whisky met spuitwater, als er zoo iets maar te krijgen was in dit gat.

FRANK (helpt haar om haar shawl af te doen en geeft onder de hand haar schouders eventjes 'n lichte liefkoozing). Misschien heeft Vivie wel wat.

MEVR. WARREN (keert zich om en kijkt even naar hem van uit den hoek van haar oog, als ze het kneepje voelt). Gekheid! Wat zou 'n jong meisje als zij daarmee doen.--Enfin, komt er niet op aan. (Ze valt vermoeid neer op 'n stoel bij de tafel). Ik begrijp niet hoe ze haar tijd hier zoek brengt. Ik zou veel liever in Weenen zitten.

FRANK. Laat mij u daar mee naar toenemen. (Hij vouwt de shawl netjes op, hangt die over den rug van den anderen stoel en gaat tegenover haar zitten).

MEVR. WARREN. Loop heen! Bij jou is 't geloof ik ook: 'n aardje naar z'n vaartje.

FRANK. Precies de oude heer, hè?

MEVR. WARREN. Houd je daar buiten. Wat weet je van die dingen af? Je bent nog maar 'n kuiken.

FRANK. Toe, ga met me mee naar Weenen. 't Zou zoo allemachtig leuk zijn.

MEVR. WARREN. Dank je wel. Weenen is geen plaats voor jou, tenminste niet vòòr je wat ouder bent. (Zij knikt tegen hem om kracht bij te zetten aan deze raadgeving. Hij zet 'n kwasi-droevig gezicht, terwijl z'n oogen lachen. Zij kijkt hem aan, staat dan op en komt naar hem toe). Kijk 'ns hier, kleine vent--(neemt z'n gezicht en licht 't op). Ik ken je van haver tot gort door de gelijkenis met je vader, beter dan jij jezelf kent. Haal je nou, wat mìj betreft, geen dwaze ideeën in je kop, versta je?

FRANK (haar galant 't hof makend met z'n stem). Kan 't niet helpen, lieve mevrouw Warren, 't zit in 't bloed. (Zij doet alsof ze hem om z'n ooren wil slaan; kijkt dan, 'n oogenblik in verzoeking gebracht, naar 't lachende, aardige, naar haar toegewende gezicht;--ten slotte kust ze hem en wendt zich onmiddellijk af, knorrig op zichzelf).

MEVR. WARREN. Daar! Dat had ik niet moeten doen. Ik bèn ook slecht.--Neem er maar geen notitie van jongenlief, 't was maar 'n moederlijke zoen. Ga heen en flirt met Vivie.

FRANK. Dat doe ik al.

MEVR. WARREN (keert zich haastig naar hem toe met 'n scherpen toon van angst in haar stem). Wat?

FRANK. Vivie en ik zijn dikke vrinden.

MEVR. WARREN. Wat meen je daarmee? Hoor ès; ik duld niet, dat eenige kwajongen scharrelt met mijn kleine meid. Begrepen? Dat wil ik nièt hebben.

FRANK (in 't minst niet beschaamd). M'n beste mevrouw Warren, wees toch niet zoo ontdaan. Ik heb eerlijke bedoelingen, zoo eerlijk mogelijk. En jouw kleine meid is best in staat om op zich zelf te passen. Je hoeft haar lang niet zoo onder 'n stolpje te zetten als haar moeder. Ze is niet zoo mooi, weet je.

MEVR. WARREN (perplext van z'n zekerheid). Nou, jij hebt ook 'n flinke, aardige, twee-duim-dikke-laag brutaligheid over je. Van wièn je 't hebt weet ik niet,--van je vader zeker niet. (Stemmen en voetstappen bij den ingang). Sst! Ik hoor de anderen binnen komen. (Zij gaat haastig zitten). Onthoud 't nou; je bent gewaarschuwd (De eerwaarde Samuel komt binnen gevolgd door Crofts). Zoo, wat hebben jullie uitgevoerd? En waar zijn Praeddie en Vivie?

CROFTS (zet zijn hoed op het bankje en z'n stok in den hoek van den schoorsteen). Zij zijn den heuvel opgegaan. En wij 't dorp in. Ik had 'n hartversterking noodig. (Hij gaat op de bank zitten).

MEVR. WARREN. Nou, ze moest er niet zoo van doorgaan, zonder me iets te zeggen (tot Frank). Krijg 'n stoel voor je vader; waar zijn je manieren? (Frank springt op en biedt z'n vader op hoffelijke wijze een stoel aan. Krijgt dan 'n andere van den muur vandaan en gaat midden aan de tafel zitten, met z'n vader rechts en mevrouw Warren links van hem). George, waar zul jij van nacht blijven? Hier kunnen wij je niet bergen. En wat zal Praeddie doen?

CROFTS. Gardner brengt me onder dak.

MEVR. WARREN. O natuurlijk. Jij zult wel voor jezelf gezorgd hebben. Maar waar blijft Praeddie?

CROFTS. 'k Weet niet. Ik veronderstel, dat hij in 't logement kan slapen.

MEVR. WARREN. Heb jij geen plaats voor hem, Sam?

DOMINÉ. Wel... è... als dominé hier weet je, ben ik niet vrij om te doen wat ik precies wil... è... Wat is Praed z'n maatschappelijke positie?

MEVR. WARREN. O, laat dat maar loopen; hij is 'n architect. Wat 'n oude sok ben je toch, Sam.