Met een der stoomers van de Maatschappij Nederland naar Genua De Aarde en haar Volken, 1908
Part 2
Bijtijds gaan wij met een drietal onzer medepassagiers op weg, want al kunnen wij nu een hoek van het dok afsnijden door de loods, die thans open is, de afstand tot het einde der Pier, waar de boot op Wight afvaart, mag wel op niet veel minder dan een half uur gerekend worden. Van den zeer langen steiger, een der veelbezochte uitspanningsplaatsen van Southampton, is het uitzicht schoon en rijk en dat is het ook van het hooge bovendek der kloeke raderboot. Nieuw is 't ons niet meer, maar altijd treft en trekt het weer bij vernieuwing op den frisschen, zonnigen morgen, als alles in de beweging van den drukken arbeid is, gelijk op den stillen avond, toen de Sabbathrust er over lag uitgebreid. De heuvels van Hampshire, de bosschen bij Netley gaan wij voorbij; 't gaat langs de groote stoomers aan het dok, waar 't laden en lossen in vollen gang is, de lange rij transportschepen voor het hospitaal, de menigte jachten, waarvan er velen met de blinkend witte zeilen over het water scheren, den ouden toren van Calshot aan de punt van de lage landtong, het licht van Calshot, waarom heen de deelnemers aan de Regatta wenden moeten, dwars over den ingang om den breeden zeearm, de Solent, langs de begroeide hoogten van Wight--een tafereel vol leven en verscheidenheid. Zoo bereiken wij, na een uur stoomens, het stadje _Cowes_, dat zich uitbreidt op de beide oevers eener ruime baai, de zeer breede uitmonding van de rivier Medina. Wij leggen aan te West Cowes, 't voornaamste der beide deelen, waaruit de stad bestaat. Hier is de onmisbare pier, hier is de fraaie "Parade", hier is het vermaarde Jachtclubgebouw, hier zijn de voornaamste hotels, hier de aanlegplaatsen der verschillende stoombooten, ook van die, waarmede eenige passagiers van Portsmouth komen, om op de onze over te gaan. Na eenig oponthoud wenden wij den steven en stoomen wij langs de Noordkust van het eiland, voorbij het uitgestrekte park, waar de ruïnen van een ouden burcht en de met torens gekroonde muren van het kasteel Osborne zich tusschen het trotsche geboomte vertoonen, over de wateren van Spithead, waarin een indrukwekkende reeks van machtige oorlogsbodems geschaard ligt. De Dreadnought wordt ons aangewezen, de machtigste van allen, maar op verre na niet het eenige zeekasteel, dat nevens tal van kruisers en torpedobooten hier Engelands geduchte marine vertegenwoordigt.
Aan de schoone pier der belangrijke en bloeiende stad Ryde eindigt onze opwekkende watertocht. Den trein naar Ventnor vinden wij gereed staan in het station, op een der drie uiteinden van den steiger. De wagens der 1ste klasse hebben gemakkelijke, deels verplaatsbare zitplaatsen en groote ruiten, die een ruim uitzicht vergunnen. Eenigen tijd gaat het door de stad met haar breede straten en hooge huizen; een oogenblik stoppen aan een tweetal stations, dan voert ons de trein dwars door het eiland, nu eens dicht bij de kust, dan weer op eenigen afstand daarvan. 't Is meestal een liefelijk en vruchtbaar landschap, dat ons vaak aan het vaderland herinneren zou, als 't niet telkens werd afgewisseld door woeste rotspartijen en tunnels. Soms is het breed en ruim, met glooiende heuvels en wijde vergezichten, straks eng beperkt tusschen met wilde bloemen en bloeiende struiken begroeide hellingen en insnijdingen; dan snellen wij voort langs boschjes en bouwvelden en boomgaarden en weiden, landhuizen en dorpjes. Er zijn enkele stations: Brading, de schoone badplaatsen aan zee Sanddown en Shanklin, eindelijk Wroxall met een tunnel die dicht bij Ventnor in een rotsdal uitmondt.
Aan het hooggelegen station te Ventnor staan rijtuigen voor den tocht naar Blackgang gereed. Een "coach" is er niet, maar een char-à-banc, die reeds geheel bezet is en een ruime brik, waarin wij plaats nemen, met en benevens een Engelsche familie.
't Is een heerlijke rit, dien wij nu aanvangen, "een der schoonsten en goedkoopsten in het koninkrijk", zegt de reisgids. Schoon is hij zeker, en met twee shillings de persoon niet te duur betaald. Sterk daalt de weg aanvankelijk, tot wij gekomen zijn in het hart der fraaie, bloeiende stad, waar wij in een der hoofdstraten een oogenblik stoppen bij een hotel,--vermoedelijk het uitgangspunt der rijtuigonderneming--en gelegenheid hebben, het levendige verkeer gade te slaan. En dan verder, de stad uit, door een breede, weelderige laan (Belgrave Road) met het vorstelijk Royal Hotel. De sterke, vlugge paarden voeren ons, door zonnig maar frisch zomerweer begunstigd, voorts langs een opeenvolging van steeds wisselende tafereelen. Klimmend en dalend slingert de voortreffelijk onderhouden kunstweg door groene, koele lanen of meer open landschappen, voorbij tal van vriendelijke villa's, met een schat van rozen en bloeiende klimplanten getooid, terwijl allerlei zuidelijke gewassen, in de tuinen gekweekt of in het wild wassend, den naam van "het Engelsch Madeira", aan den omtrek van Ventnor gegeven, verklaren en rechtvaardigen.
't Geheel geeft den indruk van goed bewoond en met liefde verzorgd te worden, al kunnen wij in 't voorbijgaan opmerken, dat ook hier de tijd der groote landgoederen voorbij schijnt te zijn. De uitgestrekte bosschen van Stephill Castle zijn als bouwgrond te koop, en te koop of te huur staan ook eenige andere bezittingen van beteekenis, wier heerenhuizen naar lands gebruik in dicht houtgewas nagenoeg verscholen liggen. Voor 't oogenblik dragen die oude, deftige buitenplaatsen met hun hoog, zij 't dan ook wat verwaarloosd en verwilderd geboomte, nog het hunne tot de aantrekkelijkheid der landstreek bij. 't Ontbreekt daar trouwens aan grootsche, indrukwekkende partijen in geenen deele. Telkens openen zich verrukkend schoone uitzichten op de zee, met naakte klippen of weelderig begroeide stranden, waar kleurige huisjes zich legeren in het volle groen. Geruimen tijd rijzen nevens ons op eenigen afstand van den weg, hooge, steile rotswanden, als bastions opgebouwd, en woeste hellingen vol wilde bloemen klimmen omhoog of dalen naar beneden. 't Is altijd weer nieuwe heerlijkheid, die ons voorbijgaat; 't is een wonderschoon oord, waarin, nabij het dorpje Sint Lawrence, het groote _National Hospital for Consumption_ ten behoeve van teringlijders uit het gansche rijk is gesticht. En als de kroon van dat alles wordt Undercliff Niton geroemd, waar het bekoorlijke Sandrock-Hotel met zijn terrassen en van klimplanten omrankte veranda's een begeerlijke verblijfplaats moet zijn voor hen, wien 't gegeven is hier eenigen tijd rustig te vertoeven.
Het eindstation der coaches is het niet ver van daar gelegen hotel Blackgang. Daar is een paar uren oponthoud, om een lunch te gebruiken en de "chine" te bezoeken. De "chine" is het doel van den tocht. 't Is een dier prachtige rotskloven aan de kust van Wight, thans door scharen van vreedzame reizigers bezocht, eertijds om voor hen geldige redenen bij vermetele smokkelaars in eere. Die van Blackgang is de breedste en de diepste, volgens de reisgids, die het weten kan. Kon 't nu mogelijk zijn, zulk een natuurtooneel onvoorbereid te ontmoeten op zijn weg! Kon men er in neerdalen, om haar geheimen te bespieden, al mocht het dan ook zijn met veel inspanning en desnoods niet zonder gevaar! Maar... op den top is een bazaar. Daar moet men door heen en entrée betalen of iets koopen, voor een liefdadig doel. Nu willen wij gaarne voor zulk een doel iets offeren en de zeer goede, geïllustreerde reisgids, _Isle of Wight_, die wij er ons aanschaffen, is ruimschoots een schilling waard. Maar--de trotsche bergkloof is voor ons gevoel tot een kijkspel vernederd. En ten gerieve van de bezoekers, die er immers voor betaald hebben om haar te zien, is het oude, beruchte smokkelaarsgat tam geworden. Zij is zeer gemakkelijk te doorwandelen op nette voetpaden, door hekjes beveiligd, met brugjes over de spleten en een koepeltje is op een schoon uitzichtspunt gebouwd. Nu wordt zij "bezichtigd", maar dat blijft zij ook ten volle waard. Nog heeft zij haar indrukwekkende majesteit niet geheel verloren, en treffend schoon is 't gezicht op de zee, dat tusschen de rotswanden zich opent en op een deel der kust, waar eenige huisjes te midden van akkers en weiden tegen de hellingen iets vriendelijks in het woeste landschap mengen.
Wij rijden terug langs denzelfden weg, die wel tweemaal mag worden gezien en toch ook weer nieuw is, voorzoover wij nu van den anderen kant komen.
Bij het fraaie park met zijn groot tennisveld, tegenover Stephill Castle, verlaten ons de Engelschen; ons zet het rijtuig af bij een steile straat, die naar 't station opwaarts leidt. Van wat Ventnor te genieten geeft, konden wij maar een klein deel, en dan nog vluchtig, leeren kennen, maar 't was genoeg om dezen tocht onvergetelijk te maken.
Naar Ryde brengt ons de trein, en van Ryde de boot weer naar Southampton. Ook nu langs ons bekende, maar toch telkens weer nieuwe en altijd schoone tafereelen. Aan de pier vinden wij een rijtuig, waarmede wij tot dicht bij de nog steeds ladende boot worden gebracht. Wij vinden er eenigen onzer medepassagiers, minder voldaan dan wij. Zij waren wat later gegaan, en hadden te Cowes een rijtuig genomen naar Newport. De merkwaardige ruïne van Carisbrooke Castle had voor velen hunner te hoog gelegen. Na den laten maaltijd is 't weer een heerlijke avond, vol kalme rust en rijke herinneringen.
Dinsdag, 16 Juli, is de dag van het vertrek. Dat staat vast. Hoe laat het zal zijn, hangt af van de lading, die nog moet worden ingenomen. Vóór omstreeks 2 uur zal 't in elk geval niet zijn en zoo resten nog eenige morgenuren, om naar welgevallen te besteden. Wij verkiezen een wandeling door de stad.
In haar Zondagsgewaad zagen wij haar ten deele bij het doorrijden, nu willen wij haar ook wel eens zien in volle bedrijvigheid, te voet, met de vrijheid om hier eens rond te kijken, daar eens af te wijken van den weg, niet voortgejaagd door een gids, niet gebonden door een voertuig. 't Zij hier erkend, zoo ootmoedig als noodig is, dat ik volstrekt niet begeer "ja" te kunnen zeggen op alle vragen: "Zijt gij daar geweest? Hebt gij dat gezien?" Eerlijk zeg ik liever menigmaal "neen", dan dat ik het reizen zou willen maken tot het pijnlijk afwerken van een taak. Bleef ook in Southampton dien morgen wel wat ongezien? Zeker wel. Maar wij zagen toch nog eens met belangstelling de roezige drukte in het reusachtige dok, de levendigheid in de straten met haar winkels en haar typische gevels, de antieke walmuren en torens en poorten, de fraaie gebouwen in de nieuwe stad, de groote, zorgvuldig onderhouden parken, de belangrijke openbare boekerij met haar lees- en kunstzalen, de schoone Stadskade met haar altijd aantrekkelijke watergezichten, ook eenige standbeelden en gedenkteekens; en als wij aan boord terug zijn gekeerd, kunnen wij vertrekken met de voldoening, dat wij de twee dagen van ons oponthoud te Southampton goed hebben besteed.
Maar 't uur van vertrek is nog niet gekomen. Er is nog zóóveel te laden, dat het omstreeks vijf uur wordt, eer alles gereed is. Daardoor winnen wij althans dit, dat de lunch, na de kloeke morgenwandeling niet onwelkom, kan worden gebruikt, zonder dat wij er iets bij verliezen. Want als wij weer op weg zijn, is er weer veel te zien.
Eerst het reeds bekende, dat nooit verveelt; dan, als wij Cowes voorbij zijn, de breede Solent, omzoomd door de groene heuvels van Hampshire en de schoone kusten van Wight, met hun woeste rotspartijen en vruchtbare, welbebouwde dalen, met hun huisjes op de hoogten en tegen de hellingen, hun dorpjes en hun grimmige forten aan de oevers der zeestraat, met het oude stedeke Yarmouth en het sterke Hurst Castle er tegenover, op een landtong aan den vasten wal. Eindelijk de Needles, de scherpe klippen in zee, met den vuurtoren, ten slotte de prachtige hoek van het eiland, steil oprijzend als de forsche gevel van een reuzengebouw, en een afscheidsblik op de wijkende kust, tooverachtig verlicht door de avondzon. 't Is nu alles in verheven rust. Maar de Needles weten te spreken van schipbreuk en doodsgevaar! Hadden wij er niet bij Southampton een proeve van gezien in de helft van een groote stoomboot, die haar voorschip had verloren en met groote moeite van deze geduchte "Naalden" was afgebracht?
Bij de Needles is de loods van boord gegaan. 't Verzegelde is ontzegeld en de vrije beschikking over tabak en sigaren weer verkregen. Engeland vreest ons niet meer. De Britsche kust van het Kanaal is van ver nog als een nevel te zien wanneer wij na den laat gestelden maaltijd weer boven komen, maar 't gevaar dat wij smokkelen zullen is voorbij. Weldra is ook geen land meer te bespeuren. 't Is stil en eenzaam op den onafzienbaren waterspiegel, waarover de maan aan den wolkenloozen hemel haar goudglans uitgiet. Op het dek straalt het electrisch licht, waarin zich dansende paren lustig bewegen op de vroolijke muziek, die van de pianola ruischt.
Twee dagen, 17 en 18 Juli, zijn wij in volle zee, en wel in de gevreesde golf van Biscaye, die evenwel, als zoo menigmaal in dezen tijd des jaars, van haar woelig karakter niets vertoont. Zij is zoo kalm als een meertje. Behalve lucht en water--een en ander zooveel men maar wenschen kan--is er niets te zien, dan alleen nu en dan van verre of meer nabij een stoomer, die belangstellend wordt gadegeslagen. Maar de tijd valt daarom niet lang bij ringwerpen en andere spelen van dien aard, bij kaart- of dominospel, met een boek of een praatje, naar leeftijd of neiging, afgewisseld door de gezellige gemeenschappelijke maaltijden. Frisch en opwekkend is de zeelucht op den zonnigen, maar gansch niet drukkend heeten dag. Verrukkend schoon zijn de avonden in den heerlijken maneschijn. Overvloed van gezondheid en levenskracht wordt ingeademd in den reinen dampkring en van al de onrust, die er in de wereld mag zijn, dringt geen gerucht tot ons door.
Is er in deze omstandigheden, die trouwens in alle opzichten zoo gunstig mogelijk waren, van verveling geen sprake, dit neemt niet weg, dat een mensch van nature geneigd is, naar verandering te haken. In het leven aan boord is "land zien" een zeer begeerde verandering, "aan land gaan" een hoog gewaardeerd genoegen, en 't wordt een onvergetelijk genot, wanneer het land, dat gezien wordt, zoo schoon is als de kust, waarover den 19den Juli ons oog mocht weiden, wanneer de bodem dien wij betreden zooveel belangrijks te bewonderen geeft als die, waarop wij den voet mochten zetten.
't Was een goede gedachte van de Directie der Maatschappij _Nederland_, haar booten op de uitreis Lissabon te laten aandoen, om er passagiers op te nemen. De tocht naar Genua wordt er zooveel te aantrekkelijker door. Immers, de merkwaardige en prachtig gelegen hoofdstad van Portugal zou anders allicht voor verreweg de meesten tot het gebied der ongeziene dingen blijven behooren. In een gewoon reisplan wordt in den regel een bezoek aldaar niet opgenomen! Nu neemt men het als in 't voorbijgaan gemakkelijk mede. Tijdverlies geeft het weinig of niet. Kwam men vroeger tegen het vallen van den nacht voor Genua en moest men daar op den morgen wachten--deze toch verloren uren kunnen nu uitstekend besteed worden. Daardoor kan echter het oponthoud niet lang zijn, veel te kort zeker, om de stad met haar uitgestrekte buitenwijken en haar te recht vermaarde omstreken ook maar eenigszins naar eisch te leeren kennen, maar toch niet te kort, om er een indruk van te ontvangen.
En in elk geval, machtig is de indruk van de schoonheid der Portugeesche kust, die wij langs en van de rivier, die wij opvaren, eer Lissabon zelf zich aan het oog vertoont.
Vroeg zijn wij reeds aan dek. Visschersscheepjes met driekantige witte zeilen kondigen de nabijheid van het land reeds op eenigen afstand aan. 't Is aanvankelijk nog door de morgennevelen omsluierd, maar allengs treden hooge bergen daaruit te voorschijn en hoemeer wij naderen, des te krachtiger teekenen zij zich boven de optrekkende dampen af. De zon breekt door, wij mogen ze "begroeten met liefde en lust."
Estremadura's bergvalleien, Waar, door de lente altijd gekust, Het aardrijk nooit van 't bloemenspreien, Of 't loof van 't vruchtendragen rust.
Om de bloemen op de velden, het rijpend ooft aan de boomen te onderscheiden, moge de afstand wat te groot zijn, rijk geschakeerd is het landschap, dat zich in 't voorbijvaren voor ons ontrolt. Nevens steile rotswanden, forsch uit zee oprijzend, zijn 't groene hellingen, met akkers en weiden en bosschen, met witte huizen, kasteelen en kerktorens bezaaid en bekroond, en daarachter hooge, donkere berggevaarten hun stout gevormde toppen verheffend. Tegen de uiterste westpunt van Portugal, Kaap Roca, die wel in de oudheid den naam _Magnum Promentorium_--het groote voorgebergte--dragen mocht, stuift wild de branding op. Aan de overzijde der ruime baai, waarin wij komen, vertoont zich van verre Kaap Espichel. De loodskotter met zijn beide masten komt aanzeilen en de loods beklimt uit zijn jol ons dek. Als voorbereiding voor zijn verschijning heeft de hofmeester nogmaals sigaren en wat dies meer zij, waarvan de invoer streng verboden is, opgevraagd en verzegeld.
Voorbij Kaap Roca wenden wij oostwaarts en varen dicht langs de kust, want aan die zijde stroomt de Taag in de baai. Aan den anderen kant wordt haar loop gestuit door een lage, zandige landtong, die zich uit de zuidkust ver naar voren dringt. Aan schepen, die met vreedzame bedoelingen komen, wijst een lichttoren den ingang van het aldus over een aanmerkelijke lengte verengde vaarwater; een toren op een eilandje, _Torre de Bugio_, beschermt dien tegen een vijandelijken aanval, gesteund door forten aan den tegenover liggenden kant. Lissabon zelf is nog niet te zien. Aan de noordzijde der baai, straks van wat wij "het kanaal" zouden kunnen noemen, strekken zich golvende hoogten uit, ernstig en liefelijk tevens, met stroeve rotswanden en weelderig groene hellingen, waar overal stadjes en dorpjes, landhoeven, kloosters, paleizen tooverachtig glanzen in het morgenlicht, waar rijen cypressen en windmolens op de hoogvlakten zijn geschaard, van waar de 400 M. hooge rots Cintra met zijn koningsburcht ver uitziet over de zee. Daar ligt aan den voet van 't gebergte de schoone toren van Belem, met tinnen en hangtorentjes, daar spiegelen oorlogschepen, passagiers en vrachtbooten in den stroom, daar rijzen ranke fabrieksschoorsteenen op, en daar opent zich een panorama van wonderbare heerlijkheid. Aan de noordzijde van een prachtige, ruime watervlakte, aan alle zijden door bergen ingesloten, vol van schepen van allerlei aard, ligt de groote stad met haar buitenwijken, wijd uitgebreid en opklimmend tegen de hoogten, die zij met haar tallooze gebouwen bedekt--een panorama van wonderbare heerlijkheid!
Onze boot blijft op stroom liggen tegenover een groot, aan de rivierzijde open plein, _Praça de Commercio_, aan drie zijden ingesloten door kloeke gebouwen met gaanderijen en een fraaien triomfboog aan de stadszijde. Het ruiterstandbeeld van D. José I staat in het midden van dezen sierlijken ingang der stad. Aan wal gaan is nog niet geoorloofd, maar dat is geen groote schade, waar 't oog niet verzadigd wordt van het rondzien in het schoone stuk wereld, waarvan wij het middenpunt zijn. Een stoombarkas brengt de douanen aan boord, kleine nette kereltjes in grijze uniformen, die er geducht genoeg uitzien met hun sabels, karabijnen en revolvers, maar niettemin zeer welwillend zijn. Een hunner noemt mij de namen van enkele gebouwen daar ginds: het hooggelegen kazerneachtige koninklijk paleis, de Kloosterkerk van St. Vincent da fora, waar de Braganza's in hun praalgraven rusten, van verre de groote Arena voor de stierengevechten. Den naam van een kerk, met de fraaie ruïne van een Grothisch koor, die wij reeds bij het naderen van Lissabon hadden opgemerkt en sedert nog meer dan eens op een afstand zagen, heb ik nog steeds niet kunnen ontdekken. In geen enkele beschrijving van de merkwaardigheden der stad heb ik dien gevonden.
Daar de _Willem II_ voor de eerste maal Lissabon aandoet, missen de opvarenden nog de plaatselijke kennis, om ons van dienst te kunnen zijn bij den tocht door de stad, waartoe wij ons opmaken, zoodra 't verlof daartoe gegeven is. Een "ontdekkingstocht" was het, want de zeer bruikbare, zij 't dan ook wel wat op langer vertoef berekende _Illustrirter Führer durch Lissabon_ kwam mij eerst later in handen. [3]
De scheepstrap is uitgebracht; 't gezelschap, waarmede wij de stad zouden bezoeken, daalt af in een stoombootje, de _Castor_. Inmiddels is ook een zeilschuit aangekomen, waarin haastig de meesten overstappen. Dit dient evenwel een oude van dagen en stramme van beenen minder. Wij beiden blijven, waar wij zijn en zoo raken wij uiteen. De _Castor_ zet koers naar het plein; de zeilschuit zien wij naar een andere, ver verwijderde aanlegplaats stevenen.
Het overstappen in een roeibootje wordt ons echter niet bespaard, eer wij op vasten wal den voet kunnen zetten. Een vriendelijke bultenaar op krukken biedt zijn diensten aan als gids. Even vriendelijk wijzen wij zijn aanbod af, nu eenmaal verkiezende in vrijheid rond te wandelen en vertrouwende, de verloren reisgenooten wel spoedig terug te vinden.
Maar vruchteloos wachten wij eenigen tijd op het plein, vergeefs trachten wij hen te gemoet te gaan door een zijstraat in te slaan, die leiden moet naar de plaats, waar de zeilboot op aanstuurde. 't Ontgaat ons, dat bij 't begin dier straat, Rue da Alfandega, de Casa Hollandeza ligt, waar Hollandsche sigaren en Duitsche bieren te bekomen zijn. Daaraan hebben wij trouwens ook nog geen behoefte. Dat men er ook vreemd geld aanneemt, zou ons later een niet verwerpelijk voordeel blijken. Wat ons niet ontgaat, is het eigenaardige Lissabonsche straatverkeer: groote karren met drie muilezels bespannen, mannen en vrouwen, op een sukkeldrafje wegens de glooiing, lasten op het hoofd, aan een juk of paarsgewijze aan een stok dragende, ook vrij wat electrische tramwagens, maar de vrienden ontwaren wij nergens.
Dan maar naar het Handelsplein teruggekeerd en allereerst kennis gemaakt met het voornaamste stadsgedeelte, waarheen zij ook wel den voet zullen richten. Inderdaad zien wij ook de Engelschen, die te Southampton aan boord waren gekomen, den Duitschen professor met zijn reisgenoot, maar van ons gezelschap geen spoor.
De weg blijkt zich zelven te wijzen.
Een breede, fraaie hoofdstraat met rijk voorziene winkels leidt rechtuit naar een uitgestrekt plein (_Praça de D. Pedro IV_ of _Rocio_), van palmen omgeven, versierd met fonteinen en het standbeeld van dien koning op een hooge zuil, geplaveid met groote, voor het oog hinderlijke slingers, alsof het golven der zee moesten voorstellen. Dat is dan ook de bedoeling. 't Is de herinnering aan het rampjaar 1755, toen bij de aardbeving, die een groot deel der stad verwoestte, de golven tot zóóver werden opgezweept. Rustig voortwandelend, nu en dan van een bank onder het lommer het stadsgewoel gadeslaande, zonder evenwel ons gezelschap te zien opdagen, komen wij langs het colossale stationsgebouw en het statige Palace Hotel in de prachtige, aan den ingang met een hooge obelisk prijkende Avenida da Libertade, een breede, 1500 M. lange boulevard met palmen en ander geboomte, gras- en bloemperken, zorgvuldig onderhouden en door aanzienlijke huizen omzoomd.
Zij eindigt in een rond plein, met het gedenkteeken van den markies van Pombal, aan wiens krachtig bestuur Lissabon den herbouw na de aardbeving te danken heeft.