Met Een Der Stoomers Van De Maatschappij Nederland Naar Genua D
Chapter 3
Ten gevolge van die verschrikkelijke ramp is van het oude Lissabon niet veel overgebleven, en van wat er in het oostelijk deel, in den omtrek der citadel St. Jorge nog gespaard bleef, moet allengs veel zijn veranderd. Ook in de nieuwe stadsgedeelten is er veel, dat uit de laatste helft der 19de eeuw dagteekent. De schoone Avenida zelve is volgens opgave niet meer dan 25 jaar oud. Alles draagt dan ook den stempel eener moderne hoofdstad. Veel van wat ik omtrent Lissabon in nog volstrekt niet oude beschrijvingen las, vond ik, althans in 't gedeelte dat wij dien dag zagen, niet meer. Morsigheid en vuilheid overal? Alles blinkt van reinheid en frischheid. Zelfs de palmen in de Avenida worden blad voor blad gewasschen. Gansche drommen van lastige bedelaars? Wij hebben er geen enkele gezien. Ouderwetsche huurkoetsjes, eigen rijtuigen zelfs, met armzalige knollen bespannen? Nette victoria's en coupés, bijna zonder uitzondering met goede paarden, zeer elegante equipages en prachtige rijpaarden. De bestrating is voortreffelijk, bij droog weer ten minste, naar men zegt. De trottoirs moeten het ten allen tijde zijn. Over de verlichting kunnen wij niet oordeelen op den zonnigen zomerdag.
De electrische tramwagens zijn overvloedig en volgen elkander op de talrijke lijnen na korte tusschenpoozen op. Ook in den bouwtrant der huizen, in het voorkomen der heeren en dames, heeft Lissabon niets eigenaardigs. Maar de tropische gewassen op de pleinen, in de parken en tuinen geven er een eigen karakter aan; ook de groote ossen en muildieren, die 't hier niet gemakkelijk hebben op de hellende, vaak steile straten, evenmin als de talrijke last- en waterdragers, nagenoeg allen Galliciërs, want de Portugeezen houden zich, naar men zegt, stipt aan het: "liever lui dan moe".
Naar onzen smaak niet alledaags gecostumeerde straatfiguren merken wij wel op, maar niet zooveel als wij verwacht hadden, en de volkstype munt volstrekt niet door schoonheid uit. Van de kinderen geldt dat niet. Onder het jonge volkje zijn er velen, die er alleraardigst uitzien. Wij hebben gelegenheid genoeg ons daarvan te overtuigen. Als wij een oogenblik stilstaan, komen er dadelijk een stuk of wat ons belangstellend gadeslaan. Maar van onhebbelijkheid der lieve straatjeugd tegenover vreemdelingen hebben wij niet den minsten last gehad, gelijk wij van baldadigheid niets hebben bespeurd. Konden wij maar in gemoede verklaren: "tout comme chez nous!"
Al is 't niet overmatig warm en al eischte de wandeling niet veel inspanning, een koele dronk zou niet onwelkom zijn. Aan café's ontbreekt het niet. Edoch--van Portugeesch geld hebben wij ons niet voorzien. In een hoofdstad als deze zouden wij wel met Engelsche munt te recht kunnen. Misschien was 't uit anti-engelsche gezindheid en troffen wij 't ongelukkig, maar zelfs in het door vreemdelingen druk bezochte Café Rest. Suisse, nabij het standbeeld van de Camoës, krijgen wij op onze vraag ten antwoord: dat men 't er niet aanneemt. Dus moet er gewisseld worden, maar niet veel, want slechts een kleine som is noodig, en wat zal men buiten Lissabon met "rei's" beginnen, waarvan men voor een rijksdaalder ongeveer 1000 krijgt! Met een paar honderd zouden wij reeds meer dan voldoende geholpen zijn [4].
Bij den wisselaar ontmoeten wij ons gezelschap onder de hoede van den ons reeds bekenden gids op krukken. Zij waren per tram naar het vermaarde gewezen klooster--thans weeshuis--te Belem gereden, na ons vergeefs gezocht te hebben. Vermoedelijk hadden wij elkander gemist, omdat zij naar het bureau der poste restante waren geweest. 't Ligt vlak bij het Handelsplein, en wij moeten er in dien tijd juist zijn voorbijgekomen!
Nu weer vereenigd, gaan wij, na een poos rustens in 't Café Suisse, met den kabelspoorweg _Gloria_ naar boven. Op eenigen afstand, nog hooger, zien wij de geheimzinnige koorruïne. We betreden een zeer fraai park, (_S. Pedro d'Alcantara_) met palmen en beelden en een heerlijk uitzicht op de stad aan onze voeten en de citadel St. Jorge op de rots, hoog oprijzend boven de dicht bebouwde heuvels er om heen. In snelle, te snelle vaart brengt ons de tram van daar door breede straten, langs den Botanischen tuin en de schoone _Praça Principe Real_, voorts langs de _Avenida da Libertade_ weer naar de _Rocio_. Dit gedeelte van den tocht bevestigt ons in onze opvatting, dat men wandelend en zonder gids wel veel minder, maar dat mindere ook veel beter en rustiger ziet. Na een bezoek aan de interessante overdekte groente- en vruchtenmarkt, waar wij--'t moet erkend worden--zonder den gids wel niet zouden gekomen zijn, zeilen wij met een frissche koelte weer naar boord. Het Portugeesche rijmpje:
Quem non vio Lisboa Non vio causa boa [5].
is wel wat patriottisch getint, maar zeker, wie Lissabon zag, zag iets zeer schoons.
Terwijl de zeer laat gestelde lunch gebruikt wordt, komen een drietal nieuwe passagiers voor Genua, een bejaarde dame met neef en nicht. De laatste is zeer bereisd en ook met ons vaderland niet onbekend. Daar zij Fransch, Duitsch en Engelsch spreekt is deze Portugeesche weldra opgenomen in den kring. De 2de klasse ontvangt een paar familiën, die uit Brazilië naar Algiers reizen. Er zijn mooie kinderen bij.
En nu een laatste afscheidsblik op de prachtige stad, die allengs uit het oog verdwijnt, op de tooneelen, dezen morgen reeds genoten, op de trotsche en vriendelijke landschappen ook aan de zuidzijde, met hun steden en dorpen aan de hellingen en haar badplaatsen aan den voet der rijkbegroeide bergen. Als wij den toren van Bugio voorbij zijn, zetten wij koers in de richting van kaap Espichel met zijn vuurtoren, en als die achter ons ligt, zijn wij weer in volle zee, waar al spoedig geen land meer te zien is.
't Was een rijke dag geweest en na den laten avondmaaltijd is de rust genoegelijk op het dek, waar de frissche zeewind speelt en waarboven de sterren in stille majesteit aan den hoogen hemel fonkelen.
Ook de 20ste Juli behoort tot de dagen, die een onuitwischbaren indruk achterlieten, al gaven de morgen- en avonduren niet alles, wat zij hadden kunnen geven. Wij zijn in een gebied, niet enkel rijk aan natuurschoon, maar ook aan historische herinneringen, die veel meer dan twintig eeuwen omvatten. Wij kunnen er niet aan denken, hier te spreken van wat zooveel namen aan de Spaansche en Afrikaansche kusten beroemd of berucht heeft gemaakt. En wat het schoone betreft,--veel daarvan bleef ons door de nevelen verborgen. Als _Cadix_ ons wordt aangewezen, moeten wij ons tevreden stellen met het geloof, dat ginds, waar een wat geelachtig gekleurde strook zich vertoont, met schimmen van bergen daar boven, een bloeiende handelsstad ligt. Maar allengs klaart het wat op, en wij komen ook dichter bij land. De hooge, spitse Apenberg op de ver uitstekende punt van Afrika treedt krachtig te voorschijn; van de Marokkaansche stad Tanger komt iets in 't gezicht, veel meer van de Spaansche stad Tarifa, met haar vuurtoren en haar Moorsche gebouwen. Straks komt het land zóó nabij, dat wij wijnbergen, boerderijen, van groene hagen doorsneden velden onderscheiden. Daar schemert vóór ons de machtige rots van Gibraltar. Tooverachtig smelten onder den helderblauwen hemel het zilver der lichte wolken en der blinkende zee ineen. Een fraaie driemaster met volle zeilen, scherp verlicht, reeds van verre zichtbaar, komt nader en nader. Als wij voorbij stoomen worden seinen gewisseld. 't Blijkt een Genuees te zijn, die verzoekt, bij onze aankomst aldaar te worden gerapporteerd. Weldra zal ik er getuige van zijn, hoe van onzentwege dergelijk verzoek wordt gedaan aan de seinpost te Gibraltar, opdat men te huis in de avondbladen kan lezen, dat wij daar gepasseerd zijn. Door de welwillendheid van den gezagvoerder ben ik uitgenoodigd, op de brug te komen, om het prachtig tafereel, dat zich voor het oog ontrolt:
Daar, waar langs Calpe's rotsgranieten De golven van den Oceaan In 't Middelmeer hun watren gieten,
te beter te kunnen overzien. Daar liggen aan het einde der diepe baai de witte huizen van Algeçiras tegen de groene heuvelen. En daar rijzen, forsch en indrukwekkend, de "zuilen van Hercules" op, de rotsen van Ceuta en de bijna plotseling uit de vlakte omhoogstijgende, langgestrekte en ver in zee uitstekende rots van Gibraltar. Aan deze zijde ligt de ruime waterkom, vol van schepen, waar, juist drie eeuwen geleden, Heemskerk het leven liet, toen zijn vloot hier den overmachtigen vijand op diens eigen grondgebied zegevierend kwam aantasten; aan deze zijde ligt ook de stad met haar esplanade en haar kabelspoorweg en haar kazernen, haar groene velden en tuinen, die de norsche, grauwe granietwanden sieren. Op den tweeden der drie toppen is een vreedzaam observatorium gebouwd; op den derden, in terrassen afdalenden en dan aan den zuidkant steil neervallenden top staan geweldige kanonnen, en vuurmonden dreigen ook uit de nauwelijks zichtbare openingen in de in de rots uitgehouwen gaanderijen. Aan de oostzijde, waar de Spaansche stad San Roque op eenigen afstand is gebouwd, verheft zich de granietrots als een muur uit zee. Dan wijkt de kust, maar lang nog boeit het trotsche voorgebergte het oog, tot dat het in de nevelen verdwijnt. 't Visioen is voorbij, maar de uren, waarin 't ons voorbijging, hebben dezen dag tot een heerlijken dag gemaakt.
Van de Spaansche kust zien wij niet veel meer. In de verte ontwaren wij de hooge toppen der Sierra Nevada. 't Zijn bergen, die wolken schijnen, gelijk wij ten onzent vaak wolken zien, die op bergen gelijken. Groepen dolfijnen, telkens opspringend uit het kalme water, scharen zeezwaluwen, ("malefijten" noemt men ze aan boord), een soort van meeuwen, geven afwisseling, en wederom is 't een wonderbaar schoone avond, die dezen dag besluit.
De 21ste is een Zondag. 't Was of de natuur ook rustdag hield; doodstil, dampig weer, geen schip in zicht. Des morgens hield de Engelsche geestelijke voor zijn landgenooten een dienst in de salon, door de meeste passagiers bijgewoond. Gloed lag er niet in, kracht ging er niet van uit. Geen woord van hem zelven, uit het hart, tot het hart. Alles werd rad en eentonig voorgelezen, evenals de antwoorden door de kleine gemeente. 't Opwekkendst klonk nog het korte gezang. In den middag passeerden wij een paar eilanden: Ibize (Ivica) tamelijk duidelijk zichbaar met spits oploopende rotspunt en witte vuurtorens, Majorca, hoog zich in de nevelen verheffend. Tegen den avond begon de wind op te steken, hetgeen de jongeren niet belette, met belachelijke maskers vermomd, lustig en sierlijk ten dans te gaan.
Maar, o wee! De dames, gisteren zoo vroolijk en elegant, waren, voor zooveel zij zich in de eerste uren van den 22sten aan het dek vertoonden, noch vroolijk, noch elegant. En sommigen vertoonden zich in 't geheel niet. 't Had dien nacht flink gewaaid, en 't woei nog hard. Wij waren in de _Golfe du Lion_, de beruchte _Leeuwengolf_. De Mistral, een storm uit het Noorden, met hooge zeeën, laat zich wakker gelden, al ontwikkelt zij op verre na niet al haar geduchte kracht. Wij hebben deernis met de slachtoffers der zeeziekte, die beneden blijven, of boven op een beschut plekje, in 't gevoel hunner rampzaligheid in de luierstoelen liggen. Maar voor 't overige, wat 't is een genot voor wie vrij zijn van de gehate krankheid, als het lauwe luchtbad op de doodstille zee eens wordt afgewisseld door den frisschen, versterkenden wind, die stevig waait over het dek, en aan het rijzen en dalen der boot eens te bemerken, dat wij waarlijk op zee zijn! 't Is een beminnelijke eigenschap van de Mistral, dat het daarbij altijd droog, helder, zonnig weer is. Dampen en nevelen zijn tegen haar niet opgewassen. Hoe schoon is 't, de machtige golven te zien aanrollen en in fonkelend schuim hoog opstuiven tegen den boeg! Wat heerlijkheid wordt ons geopenbaard, als wij over de reeling geleund, starend op de forsche golf door den boeg weggezonden, als die in botsing komt met eene, die bruisend komt aanrollen en zij opspringen in wolken, tintelend in het stralend zonlicht en teere, wonderschoone kleuren in het woelend water dooreenvloeien; of aan lij, de lange baren, door niets gestuit, als parelmoer en zilver heenstroomen, zoo ver het oog hen volgen kan. Den rand der reeling zien wij nu eens ver beneden den horizon dalen, dan allengs hoog daarboven oprijzen--een liefhebber van wedden zou een pari kunnen voorstellen, hoe diep en hoe hoog een beweging van het schip het brengen zal--maar de boot rijst en daalt regelmatig en geleidelijk. Hinderlijk rollen of stampen doet zij niet en tegen het geringe ongerief, dat alles door het zout kleverig aanvoelt, dat bij het loopen over het dek onverhoedsche slingerbewegingen niet uitblijven, dat een enkel hoofddeksel verraderlijk in zee vliegt, weegt het opwekkend genot ruimschoots op.
Ook de zieken kunnen zich troosten met de gedachte, dat de genezing niet ver is. Straks, omstreeks 4 uur, komen wij onder beschutting van de Fransche kust weer in "slecht" water.--Zij vonden het nu slecht!--Misschien is 't dit vooruitzicht, misschien heeft de krankheid reeds uitgewoed, maar allengs leven zij weer op. Ook de patiënten, die beneden bleven, komen voor en na te voorschijn. Weldra duiken in de verte bergschaduwen op. Wij naderen hen snel. Porquerolles, het westelijkste der Hyèrische eilanden, komen wij zelfs zoo dicht voorbij, dat wij, behalve den vuurtoren, op de fijn getinte toppen der rots boomen onderscheiden kunnen. Van de beide andere eilanden blijven wij wat verder verwijderd, maar toch niet zóó ver, of wij kunnen op het laatste nog wel een groot vierkant gebouw, dat den top bekroont, ontwaren. Op deze hoogte zien wij voor 't eerst op dezen dag een schip, een driemastschoener met volle zeilen, en sommigen onzer hadden een vliegenden visch mogen waarnemen.
Van de levende schepping was voor 't overige slechts dat deel onder de oogen gekomen, dat zich aan boord van onzen stoomer bevindt. Maar daarvan is nu ook alles herleefd. Aan den maaltijd wordt niet één meer gemist; het leed is voorbij en vergeten. 't Gezicht en de geur van de gerechten brengt zelfs geen verdachte trekken meer om den mond van wie dezen morgen in de diepste wanhoop waren verzonken.
De zee is weer kalm als te voren, de avond frisch en zacht als altijd, en met groote belangstelling zien wij uit naar de van licht stralende plekken daar ginds, waar de weelderige steden der Riviëra zich legeren langs den zoom der Middellandsche zee.
Den 23sten Juli, den tienden dag na ons vertrek uit het vaderland, bereikten wij _Genua_ en daar eindigt onze alleraangenaamste zeereis. Maar de eerste morgenuren behooren daartoe nog, en zij zetten er de kroon op. 't Is een verrukkend schoon besluit van de reis, die zooveel schoons te zien had gegeven. Zeer vroeg zijn wij opgestaan, lang vóór nog de zon boven de toppen der bergen gerezen was, want het gezicht op de stad bij het binnenkomen aldaar is beroemd, en wij zouden het niet willen missen. Nu kan 't wel eens gebeuren, dat een beroemdheid bij kennismaking tegenvalt. Maar wij werden niet teleurgesteld!
Ontplooit zich de heerlijkheid van Lissabon eerst allengs, samenhangend met die der landschappen aan de boorden der Taag, die haar nog verbergen eer de stad zelve zich "heerlijk opendoet" aan de door groene, met huizen bezaaide hoogten ingesloten waterkom, Genua ligt in al haar majesteit, opklimmend tegen de bergen, vóór ons, als wij haar naderen uit zee.
In het volle licht straalt zij nog niet, wanneer wij de groote stad met haar forten, torens en gebouwen zien oprijzen. Maar als het sleepbootje ons langs de forsche rotswanden aan onze rechterhand, door de buitenhaven met de machtige golfbrekers en door de binnenhaven met haar menigte van schepen en stoombooten in de eigenlijke havenkom heeft gebracht, waar wij aan een der kaden aanleggen, dan overstroomt de zon, die boven den bergrand geklommen is, het tooverachtig schoone panorama, waarboven de blauwe hemel van Italië zich welft met haar gloed. 't Is aan alle zijden een tooneel vol leven.
't Is druk op het water en druk op de breede kaden. Vaartuigen van allerlei aard kruisen heen en weer, stoombooten van allerlei natiën, waaronder van reusachtige afmetingen, laden en lossen. Verbruinde Genueezen, nauwelijks gekleed, zijn aan allerlei werk. De tijd van wachten, eer wij aan wal kunnen gaan, valt niet lang. Inmiddels is de vriendelijke agent, de heer Hosang, aan boord gekomen. Hij brengt de brieven mede voor de passagiers, ook die ons in Lissabon niet meer bereikt hadden, maar die door den agent aldaar waren opgezonden. Hij adviseert tot een prachtigen toer naar Portofino Kulm, met een automobiel-omnibus, dien hij telefonisch voor ons gezelschap bestelt.
Wanneer wij nu aan wal gaan, is de zeereis ten einde, en dit eenvoudig reisverhaal zou daarmede ook besloten kunnen worden. Maar onze bagage blijft voorloopig nog aan boord; wij moeten die later afhalen, om haar aan het scherpziend oog der douanen bloot te stellen. In zekeren zin is de reis dus nog niet geheel volbracht en dat opent mij een achterdeurtje, om hier een paar woorden binnen te smokkelen over dien tocht, die anders buiten 't bestek vallen zou.
Een toer naar Portofino Kulm werd gewoonlijk bij 't oponthoud te Genua gemaakt, maar geschiedde deels per spoor, aan 't spoorboekje gebonden, deels per rijtuig, en 't was op die wijze omslachtig, kostbaar en tijdroovend. Sedert eenigen tijd is 't eenvoudiger en gemakkelijker geworden.
Het moderne voertuig haalt de passagiers van het schip af en brengt hen derwaarts weer terug. Een aantal onzer maakte er dankbaar gebruik van. Aan een beschrijving van den verrukkelijken tocht waag ik mij niet. Deels door de stad, deels door het rijke landschap met palmen, cactussen, aloë's, bloeiende oleanders en andere zuidelijke gewassen, met de heerlijkste uitzichten op de zee en de dorpjes beneden aan den oever, door de schilderachtige stadjes Nervi en Recco, gaat het naar het voorgebergte, dat tusschen de golf van Genua en die van Rapallo ver vooruitspringt. Daar is een sierlijk restaurant, met boschrijke wandelpaden en wonderschoone gezichten naar alle zijden, waar wij eenige uren de heerlijkheid van dit gezegend oord genieten.
De tijd van ons genoegelijk samenzijn spoedt ten einde. Den volgenden avond nemen wij afscheid in een openbaren tuin, waar de muziek ruischt en de lichten stralen in den stillen, helderen avond. Ieder gaat zijns weegs. Vaartwel, gij allen, met wie en ook door wie onze tocht met de _Willem II_ zoo vol van genot mocht zijn!
Hier kan dus 't eenvoudig verhaal een eind nemen, want het zou zich bepalen tot een verslag van de zeereis en wat daarmeê samenhing. Over het verblijf in Genua en de terugreis over land, [6] zou ik nog niet spoedig uitgepraat zijn, al zouden er niets dan bekende dingen te behandelen zijn. Als ik aan die heerlijke drie weken terugdenk, is 't vaak met de gedachte: "ben ik het waarlijk, die dat alles mocht zien"!
AANTEEKENINGEN
[1] Er zijn ook eenige dubbele hutten met twee couchettes en een kinderslaapplaats te verkrijgen.
[2] Als 't wenschelijk is, kunnen deze tijdsbepalingen met onderling goedvinden wat gewijzigd worden.
[3] Sedert is die aan boord der stoomschepen te raadplegen en zijn er ook de noodige aanwijzingen te verkrijgen.
[4] Een "real" is zoowat 1/4 cent, maar de koers verschilt iederen dag. Zoo krijgt men al spoedig voor de winkelramen belachelijke cijfers te lezen: in een confectiewinkel b.v. voor een costuum 18000 reis, e. d.
[5] Wie Lissabon niet zag, zag nooit iets goeds.
[6] Van Genua over Milaan, Stresa aan het Lago Maggiore, door den Simplon-tunnel, over Montreux, Lausanne, Parijs en Brussel: 2 Aug. weer te huis.