Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)

Chapter 9

Chapter 93,819 wordsPublic domain

Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechts zeventien weerbare mannen op 't kasteel--en in welken toestand nog!--Zoo de vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor zich en de ingenoten.

Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest, waarmeê Wolfaert dien voorslag ontfing. Dat Hubrecht van Vyanen, die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was het van Borssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien harden eisch beraadslaagd.--»De helft die aan my komt, zal die vrij zijn en van alles kwijtgescholden?" vroeg Bertrade.--»Dat zal zy," andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood, die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover 's Graven leger binnentrok. Hubrecht van Vyanen sloot zijn kind ongedeerd in de armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed hem op het rad leggen. Bertrade moest aanvankelijk hare burchtzaten naar Dordrecht volgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarin Wolfaerts gemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.

De verachtelijke Baljuw van Zuid-Holland, Aloud, Wolfaerts oogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die ten leven--het ander een Leuvenschen die ter dood wees. Aloud maakte Bertrade met dat doel bekend.--»Nu zie, minnelijke Vrouwe!" sprak hy: »wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben 't lijf verbeurd; wien de Hollandsche komt, zullen het behouden."--

Baljuw Aloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen; zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid verraden, want--nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal, naast den beul--zult ge dan sterven als acht van dézen: met het bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...

Maar niemant voorzag dit nu nog; Aloud allerminst. Het lot besliste, hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen; de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de andere volgde Bertrade naar Heuckelom, indien ten minste dit bericht meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:

Dandre dedemen doe ghevaen.

waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen:

Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!--

Het kasteel en de landerijen van IJsselsteyn (met Benscoep en Woerden daarby) gingen uit Bertrades handen in die eener andere Edelvrouw over: Graaf Jan beleende ze, op Wolfaerts bede, aan diens gemalin Sybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1 Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfing Gwy van Avennes van zijn broeder Graaf Jan den Tweede in rechten leen al de goederen op Stichtschen bodem [31] van diegenen, die met raad of daad schuldig waren aan Grave Floris dood, en hiertoe werd ook Gijsbrecht gerekend.

Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring, door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd op Duveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand weder in bezit nam, is onbekend. Stoke meldt alleen in twee regels den uitslag, niet de handeling van het feit, en zingt, als nam hy de slotwoorden van een volkslied over,

En Ghisebrecht is op IJselsteine, Dat sine hadde geweest te voren.

Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13en Juni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen, en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) van IJsselsteyn, van Merlo, en van Marnedijc, met de tienden en visscherij, tegen 126 pond 's jaars.

In Augustus daarop stierf graaf Jan de Tweede, en bekwam de dappere en edelmoedige Willem de Derde den stoel van Holland. Gijsbrecht haastte zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder geslagen: op den 11en Augustus 1305, by eene dagvaart te 's Gravenhage tegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, 's Graven lieve en getrouwe mannen" genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn oudste zoon, Aernout, in 't huwelijk trad met 's Graven nicht Maria, bastert-dochter van Bisschop Gwy van Avennes, ontfing Gijsbrecht-zelf het kasteel van IJsselsteyn met de 32 morgen lands waar 't op stond, een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht te IJsselsteyn, 7.5 hoeven in 't Geyn, 60 morgen lands te Rypikerwaert, 44 morgen te Benscoep, 75 te Polsbroec, 18 te Hoenscoep, en 12 te Bloclant, in rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten onder den eersten Gijsbrecht vermeld, benevens die op blz. 118 voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.

Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner van Eyteren had die plaats verlaten, en zich onder den IJsselsteyn neêrgezet; zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte begon te gevoelen aan eene kerk. Heer Gijsbrecht verplaatste daarom, met toestemming van Bisschop Gwy, en onder erkenning van het recht der Kanunniken van St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk van Eyteren naar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt, schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.

By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier van Bergen, waar omstreeks 190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uit Engeland, Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden saamgevloeid waren, pronkte ook zijn wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd [32]. Hoeveel aanzien hy aan Graaf Willems hof genoot, blijkt daaruit, dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud van Haerlem een hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot 's Graven Raad verheven, welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben; en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden, de kerkbegeving, en eenige landerijen te Benscoep, met het gerecht en de tienden van Polsbroec, en met de helft van het gerecht en van de visscherij te Opburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November 1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten, strekkende, langs deze zijde des IJssels, van Opburen tot Snadelenhoec, aan gene zijde, van 't Geyn tot Fellenoirde, en verder bestaande uit het hooge en lage recht in den IJssel, de putten en palen, waarden en visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort.

In 1326 verkocht de Heer van Cuyk al zijne eigendommen in het Sticht aan Graaf Willem, en deze bevestigde het volgende jaar Heer Gijsbrecht in het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche leenen ontstaan.

In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoon Herbarn, Ridder, Heer van den Bussche, door eene noodlottige gebeurtenis te verliezen. Herbarn was met Johan van den Zande in oneenigheid geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des Heeren van den Zande geweest te zijn, want in den zoen, tusschen de aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten van Johan opgelegd om een altaar en vicary te stichten in de kerk van IJsselsteyn, met opdracht van het begevingsrecht aan Herbarns zoon Gijsbrecht en diens nazaten, en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig grooten tornois, op de Maria-kerk te Utrecht, voor het doen van zielmissen ten behoeve van Heer Herbarn.

Gijsbrecht van IJsselsteyn overleed tusschen 1341 en 1344, en werd opgevolgd door Aernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen [33]. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd met Maria van Avennes, en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317) de voogdij van het kasteel Goye; vermeerderde zijne inkomsten met eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde, waarmede hy zich niet alleen door Gravin Margareta deed beleenen (1346), maar ook nog daarenboven door Bisschop Jan van Arckel, voor zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen; ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broeder Robbrecht, den Ruwaard van 't Sticht, en Aleyde [34], Heer Otto van Arckels Erfzuster van Asperen en Hagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het Beiersch Gravenhuis van Holland ten onder: Aernout die de Hollandsche zijde hield, verkreeg daarvoor wel van Hertog Willem het belangrijk voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters van IJsselsteyn te mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want toen zijn bestand met Bisschop Jan ten einde geloopen was, terwijl deze zich te Rome bevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag na beloken Paschen voor IJsselsteyn en sloeg er zijne tenten om heen.

Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast, en toen zag Aernout zich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in 't vervolg goede en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord, voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door Hertog Willem, die hem »zwager" [35] noemde, met gunsten overladen, ja zelfs, met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd.

De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te vergeefs; en in Holland was Aernouts aanzien zoo gestegen, dat hy, met Heer Jan van Drongelen en de stad Dordrecht, in 1358 gemachtigd werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van Hertog Aelbrecht.

Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschen Eduard, des Hertogen broeder van Gelre, en Hertoge Aelbrecht; tusschen Hertog Aelbrecht en Jan, den Heere van Arckel; tusschen den Heer van Arckel en Jan, Heer van Polanen en van de Leck. Ook schijnt er tusschen hem en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn: toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk te IJsselsteyn schonk, en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen bloedverwant en Baanderheer."

Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne Erfdochter Guyotte of Gwyda [36], die sedert 1330 gehuwd was met den rijken, machtigen, en onvertsaagden Jan van Egmond, van wiens daden reeds by de behandeling der Egmonder burcht gesproken is, en die, nevens zijne echtgenote, in 1366 door Hertog Aelbrecht met de Heerlijkheid verlijd werd.

Ook hunnen oudsten zoon en opvolger, Aernout, behoeft hier slechts herinnerd te worden. Als Heer van Egmond en IJsselsteyn bewees hy, in 1380, Bisschop Floris van Wevelichoven groote diensten by den oorlog met den overmoedigen Ridder Everaert van Essen, en het beleg van diens kasteel van Eerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in 1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van Heer Willem van Rees, Krijgsoverste van Bisschop Aernout van Hoorn, veel geleden had.

Heer Aernout stierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste, Jan, Heer van Egmond werd, terwijl de tweede, Willem, in het bezit van IJsselsteyn geraakte.

Willem van Egmond van IJsselsteyn, gehuwd met Jacob van Borssele van Brigdammes weduwe, Anna van Hennin, eene dochter van Gauthier, Heer van Bossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen broeder en Willem den Zesde ontstaan waren, en reeds onder Egmond door ons vermeld zijn [37]. Toen namelijk Jan van Egmond onder vrij geleide voor den Hoogen-raad van Holland was gedaagd, maar niet verscheen, werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad, en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy achtte zich daarop in Holland niet langer veilig, maar vertrok ijlings naar IJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart, en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten, en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die te belegeren. Egmonds vrienden en verwanten, waaronder voornamelijk Heer Jan van Vyanen, Jonker Jacob van Gaesbeec en Heer Hubrecht van Culenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om, wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naar Schoonhoven, waar Willem van Beieren nog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te verbidden, mits de Egmonders zich onderwierpen. Zoo terstond lieten deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand, en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de voorwaarden der bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten en goederen:

»De Heer van Egmond en Heer Willem zijn broeder zouden rijden uit IJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden, en blijven uit den lande van Holland en Zeeland, en daar niet weder in komen, ten zij by wille en meêweten van Hertoge Willem. En de Heer van Egmond zou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen, dat hy had aan den huize en aan der stede van IJsselsteyn, en aan der Heerlijkheid, tot 's Hertogen Willems behoef. En de Hertog zou jaarlijks doen uitreiken aan den Heer van Egmond, hem en den zijnen, ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan Heere Willem, zijnen broeder van IJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder, Vrouwe Jolande van Linningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht."

De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en tilbare have de stad en het kasteel van IJsselsteyn, die onmiddellijk overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen."

Den 31en Mei, 1417, stierf Willem de Zesde te Bouchain--en toen bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich niet gebonden achtten om hem te houden.

Naauwlijks was den Egmonders de doodsmare ter oore gekomen, of zy verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê Heer Willem naar IJsselsteyn toog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen, die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de Hertogin Jacoba bewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang, of hy kreeg vaste hoop op ontzet.

Jan van Montfoort en Walraven van Brederode, de natuurlijke vijanden van IJsselsteyn en Egmond, vernamen niet zoodra der broederen feit, en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te winnen. Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk naar Utrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde den Raad voor, om zich het belang van Jacoba in deze aan te trekken, hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegen IJsselsteyn op te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen van Utrecht, om het te kunnen weerstaan: IJsselsteyn was hun te lang een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.

Toen Montfoort hunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar 't kasteel, om den slotvoogd by te springen, maar--het vaandel van den trans woei hun eene slechte tijding tegen: Heer Willem had in dien tusschentijd mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.

Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde niet lang, of ook Brederode kwam met de zijnen aan, en sloeg zich by hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en de poorters van Amersfoort verschenen en zich by hen voegden, werd het inderdaad een insluitings-leger, waarover IJsselsteyn zich wel verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:--hy had geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien mocht, en zijn broeder van Egmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen vloeken op »Jan met de bellen."--hy vermocht toch geen gantsch leger te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt; de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was," werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige plaatsen geen boogschot ver meer was.

Een deel der stede-bannelingen van Utrecht, met den Domdeken Herman van Lochorst, Johan van den Spiegel, en eenige vijanden van het sticht, hadden zich intusschen by Heer Willem gevoegd, en waren de bezetting van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een nieuwen bondgenoot in Jan van Beieren, die, als mede zorg schijnende te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.

Heer Willems kans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan--en hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van Heer Jan van Heynsbergen gevoerd, duurde kort, want het was als overmacht tegen onmacht.

En veertien dagen na den aanvang van 't beleg trokken de broeders, met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang, waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden, ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid tot Nyendam, van waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen moesten zoeken.

De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking van Jacoba gesteld, met uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.

Toen de Hertoginne kort daarna in Holland kwam, herinnerden de Stichtschen Montfoort aan zijne belofte omtrent de vernieling van IJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst van Brederode het daarheen te brengen, dat Jacoba, die nog weinig blik in 's Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare goedkeuring schonk. Vervolgends kwam Heer Walraven op Sint Pieter en Pauwels daarna te Utrecht, en nam een hoop volks van daar met zich naar IJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich der baldadige poorters van Utrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten--zonder er zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, na alle steen tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was het IJsselsteyn van 1417 het Egmond van 1315 gelijk geworden.